• 360 Magazine
  • Magazine 200 – Oktober
  • Bahram Sadeghi: De aanslag die onze levens veranderde. Een voorpublicatie

Bahram Sadeghi: De aanslag die onze levens veranderde. Een voorpublicatie

© Patrick Baz / AFP
360 Magazine | Amsterdam | 04 oktober 2021

Programmamaker Bahram Sadeghi kwam ooit als verstekeling en deserteur uit het Iraanse leger aan in de Rotterdamse haven. Het vrachtschip was door het Suezkanaal gevaren, maar in plaats van in Egypte te worden opgevangen lieten de autoriteiten hem om geopolitieke redenen niet van boord gaan. Twee maanden eerder was in de Sinaï een bloedige aanslag gepleegd op een groep Israëlische toeristen en de Egyptenaren verdachten de jonge Sadeghi ervan een spion te zijn die voor nog meer onrust in dat land wilde zorgen. Vijfendertig jaar later schreef hij een aangrijpend boek over hoe bepalend een dergelijke ‘gebeurtenis’ kan zijn voor de rest van iemands leven, in dit geval het zijne.

Op 5 oktober 1985 schiet een Egyptische dienstplichtige politieagent op een groep vakantie vierende Israëlische toeristen in de Sinaï, vlak bij de grens met Eilat. Zeven toeristen, onder wie vier kinderen, worden gedood.

Twee maanden later lukt het mij, achttien jaar jong én dienstplichtig tijdens de bloedige oorlog tussen mijn land Iran en buurland Irak, om als verstekeling uit Iran te vluchten, samen met drie andere jonge landgenoten. Nadat we een paar dagen diep in het ruim van een Filipijns vrachtschip verscholen gezeten hebben, is onze voorraad eten en drinken op. We verlaten onze schuilplek en maken ons bij de bemanning bekend. We worden in aparte hutten opgesloten en een paar dagen later krijgen we te horen wat de kapitein van plan is: het schip zal naar Europa varen en na haar vracht te hebben opgehaald terugkeren naar Iran. Daar zal de kapitein ons overdragen aan de Iraanse autoriteiten. En in de tussentijd blijven we opgesloten in onze hutten. Een paar jaar later zal ik meteen begrijpen wat ‘van de regen in de drup’ betekent, als die uitdrukking tijdens de lessen Nederlands voor gevorderden behandeld wordt.

Een kleine week na de start van mijn vlucht vaart het schip door het Suezkanaal. Egyptische douane-beambten komen aan boord om de documenten van de opvarenden te controleren. In het Engels vertel ik de twee besnorde douaniers dat ik niet terug gestuurd wil worden naar Iran, want met de straf die in die tijd op ‘desertie in oorlogstijd’ stond (een extra jaar dienstplicht plus een aantekening in de overheidsadministratie als ‘deserteur’) heb je eigenlijk geen toekomst in Iran.

De volgende dag: een sympathieke rossige Egyptische tolk die Perzisch met een zangerige Arabische tongval spreekt, probeert me gerust te stellen door een paar keer te zeggen dat een gevluchte Iraanse deserteur goede kans maakt om in Egypte te mogen blijven. Na de Islamitische Revolutie zagen de Iraanse leiders Egypte als de verrader van de Palestijnse zaak omdat Egypte al een paar jaar toenadering zocht tot Israël, de aartsvijand van Iran. ‘Als je voor de Iraanse regering vlucht, kun je op onze clementie rekenen,’ is zijn heldere samenvatting van de geopolitieke verhoudingen. Maar als we op hun clementie kunnen rekenen, waarom zitten er dan gewapende militairen voor onze hutten? Aan het einde van de dag komt de aap uit de mouw. De tolk vertelt dat de meegekomen ambtenaren ons ervan verdenken spionnen van de Iraanse regering te zijn, die na die aanslag in de Sinaï voor nóg meer onrust in Egypte willen zorgen. Met stomheid geslagen word ik teruggebracht naar mijn hut. Met tranen in mijn ogen zie ik door de patrijspoort de palmbomen, die met hun groene bladeren zo mooi afsteken tegen het goudkleurige zand, aan me voorbijgaan: we varen weer.

Een paar weken later wordt de schutter veroordeeld tot 25 jaar gevangenisstraf plus dwangarbeid, en op zaterdag 11 januari 1986 komt het schip in Rotterdam aan, aan de Wilhelminakade om precies te zijn.

De daaropvolgende dag lukt het ons met meer geluk dan wijsheid om uit het schip te ontsnappen en melden we ons bij de politie.

De Amerikaanse wiskundige en meteoroloog Edward Lorenz bedacht in 1961 de metafoor van het butterfly effect, het vlindereffect: de vleugels van een vlinder kunnen in Brazilië voor een minuscule luchtverplaatsing zorgen die maanden later een tornado in Texas kan veroorzaken.

Niet de vleugels van een vlinder maar de dodelijke kogels die een Egyptische agent op een zonnige zaterdag om 16.40 uur op een zandduin in de Sinaï afvuurde, zorgden ervoor dat ik, als deserteur/bootvluchteling uit Iran, in Nederland ben beland.

Maar als een aanslag, waar ik part noch deel aan had, een van de belangrijkste gebeurtenissen uit mijn leven is gebleken, wat is dan de impact van die aanslag op de direct betrokkenen geweest?

Zoals de toen vijfjarige Tali, die de aanslag overleefde doordat haar moeder Anita zich op haar wierp en de kogels opving die anders Tali zouden hebben geraakt? Hoe heeft die aanslag de verdere levensloop van Ehud bepaald, die er als twaalfjarige in slaagde om drie kinderen te redden, terwijl zijn jongere broer Amir werd doodgeschoten? Wat is er eigenlijk van de dader, de Egyptische Suleiman Khater, terechtgekomen?

Praten over de aanslag was geen makkelijke opgave voor sommigen van de betrokkenen

Algauw na de start van mijn research kom ik erachter dat er, afhankelijk van of je pro-Egypte of pro-Israël bent, verschillende versies bestaan over wat er op die fatale dag in oktober 1985 is gebeurd. Verder blijkt, niet geheel verrassend, dat praten over de aanslag geen makkelijke opgave is voor sommigen van de betrokkenen, zoals enkele van de Israëlische nabestaanden me mailden:

I received your request, I am sorry I did not answer. I can not be interviewed on the subject matter. I hope you understand me.

– Sorry, I wish you success with the book but do not want to discuss this. Good luck.

I do not wish to share anything about me with the world. Hope you respect my wish.

– Hello, I would like to keep my silence. Thank you.

Het vlindereffect speelt een belangrijke rol in de chaostheorie, die op haar beurt het gedrag van ‘niet-lineaire dynamische systemen’ onderzoekt, leert Wikipedia.

Soms heb ik het idee dat ik begrijp wat de bovenstaande zinnen betekenen. Met dit boek probeer ik enige grip te krijgen op het waanzinnigste dynamische systeem met al zijn niet-lineaire gedragingen, onvoorspelbaarheid en willekeur dat ik ken: mijn leven.

21 september 1980, Abadan, Iran

Ik ben bijna dertien jaar oud en heb met mijn vriendjes afgesproken om deze laatste dag van de zomervakantie voetballend in het park door te brengen. Maar je kunt plannen wat je wilt, er is altijd iets waar je geen rekening mee kunt houden, en in ons geval was het niet de hond van een parktoezichthouder (altijd een nachtmerrie in een land waar je als moslim weinig ervaring met honden hebt), nat gras (betekent vieze kleren dus straf van moeder) of oudere kinderen (die ons altijd wegjagen en de beste voetbalplekken inpikken), om maar een paar veel voorkomende voorbeelden te noemen.

Ik denk dat het zo rond elf uur in de ochtend moet zijn geweest dat we het luchtalarm hoorden, gevolgd door knallen in de verte. Worden we nou gebombardeerd? Zou de oorlog nu écht begonnen zijn?

In de maanden voorafgaand aan de oorlog drongen Iraakse gevechtsvliegtuigen geregeld het luchtruim van Iran binnen, altijd ’s nachts. Midden in de nacht rende ik dan met mijn twee oudere broers het dak van ons huis op om de rode kogels van luchtafweergeschut te zien die de donkere hemel doorkliefden terwijl ze gebroederlijk naar hetzelfde punt (een voor ons onzichtbaar Iraaks vliegtuig) zweefden.

Het was een prachtig schouwspel, moet ik eerlijk bekennen. Mijn geboortestad Abadan was een mooi doelwit voor een aanvaller die snel resultaat wilde boeken: een grote stad met een paar honderdduizend bewoners (altijd slim om burgerdoelen te bombarderen, want chaos verzekerd), een olieraffinaderij waar het hele land van afhankelijk was (economie in het hart raken plus oliebranden die bijna niet te blussen zijn) en lekker dichtbij (slechts gescheiden door een rivier van een paar honderd meter breed).

‘Mam, de oorlog is uitgebroken! Moeten we morgen toch naar school?’

Mijn moeder is al een paar dagen eerder begonnen met het klaarmaken van het huis voor de aanvang van het nieuwe schooljaar. Op die laatste dag zijn de tapijten aan de beurt. Nou hadden we in die tijd wel een stofzuiger, een Amerikaanse Hoover, maar mijn moeder gelooft niet echt in de moderne technieken en daarom komt er een paar keer per jaar een aantal ‘tapijtkloppers’ naar ons huis om de tapijten op professionele wijze uit te kloppen en, waar nodig, te reinigen. Uiteraard heeft mijn moeder geen idee dat dit de laatste keer is dat de tapijten schoongemaakt zullen worden.

Ik ren door de stofwolk die de tapijtkloppers in ons voortuintje opwerpen, vind mijn moeder naast de wasmachine (net als bij de stofzuiger heeft mijn moeder weinig vertrouwen in de werking van de wasmachine en daarom blijft ze er soms naast staan om de boel in de gaten te houden) en roep: ‘Mam, de oorlog is uitgebroken!’ Gevolgd door een zin die alleen van een bijna dertienjarige jongen kan komen: ‘Moeten we morgen toch naar school?’

12 oktober 1980, Abadan, Iran

Met mijn twee oudere broers, een paar neven en hun vrienden slaap ik sinds een aantal dagen op de stoep van ons huis. Ik vind het fijn om zo op de stoep te slapen, want met alle bommen en raketten die op onze stad afgevuurd worden, is het veiliger om buiten te slapen – bij een inslag kan het plafond naar beneden komen. Maar veiligheid is niet de enige reden waarom ik buiten slapen fijn vind. Het is vooral heel stoer om naast oudere jongens met hun wapens te liggen. Maar aan de andere kant vind ik het ook vies: niet de stoep zelf, want we liggen op onze Perzische tapijten, maar vanwege de roetdeeltjes die ’s nachts neerdalen en alles zwart maken. Die roetdeeltjes zijn ontstaan doordat de raffinaderij al weken in de fik staat. Je moet het meegemaakt hebben of op de tv gezien hebben (denk aan de beelden van de hevige bosbranden aan de Amerikaanse westkust anno 2021) om het te kunnen geloven, maar soms duurt het een paar dagen voordat we de blauwe hemel weer zien.

Begin november 1980, Mahshahr, Iran

Abadan is praktisch, maar gelukkig niet hermetisch omsingeld door de Iraakse troepen. Als je erin slaagt om de eerste dertig tot veertig kilometer (niemand weet precies hoeveel) door de woestijn te lopen en daarmee de Irakezen te omzeilen, kom je op een gegeven moment Iraanse troepen tegen die je meenemen naar het veilige Mahshahr, zo’n honderd kilometer verderop. In de ochtendschemering brengen mijn broers ons gezin met de auto naar de rand van de stad, tot aan de plek waar een auto niet verder kan omdat hij anders door het zand zou zakken.

Mijn vader had ik wel eens met een pet op gezien, want als lasser werkzaam in de olie-industrie in het zuidwesten van Iran moest hij vaak onder de felle zon werken en daarom had hij meerdere petten. Maar mijn moeder met een pet op, over haar hoofddoek? Er zijn van die beelden die je niet gauw vergeet.

4 november 1980, VS

Jimmy Carter, de eerste Amerikaanse president die ik bewust heb meegemaakt, verliest op die dag de presidentsverkiezingen van Ronald Reagan. Net als vele andere Iraniërs heb ik geen idee wie Reagan is, maar die vervloekte Carter ken ik wel degelijk: sinds de aanloop naar de Islamitische Revolutie in de zomer van 1978 (die een halfjaar later tot de val van de sjah van Perzië leidde), is Carter als supporter van de sjah niet van de Iraanse radio en tv weg te slaan. Natuurlijk hebben we nu, midden in de oorlog met Irak, andere zaken aan ons hoofd dan de Amerikaanse verkiezingen, maar het bericht van Carters smadelijke nederlaag (hij wint slechts in
zes staten!) vormt een kleine pleister op de oorlogswonde. Niet alleen door zijn steun aan de sjah werd Carter in Iran gehaat, maar ook omdat hij de architect was van de schandelijke Camp David-akkoorden, waarmee Egypte en Israël een jaar eerder vrede met elkaar hadden gesloten en waarmee ze, in onze ogen, de Palestijnse zaak in de uitverkoop hadden gedaan.

Zonder de bemiddeling van president Carter zou Israël zich misschien niet uit de Sinaï teruggetrokken hebben en zou de schutter Suleiman Khater niet in de Sinaï gestationeerd zijn geweest, waar hij, vijf jaar na de ondertekening van de Camp David-akkoorden, een bloedbad zou aanrichten.

Oktober 1982, Bandar Abbas, Iran

Na een jaartje als vluchteling eerst in Mahshahr en later in Khorramabad gewoond te hebben en af en toe familie in andere steden bezocht te hebben, denk ik zo ongeveer te weten wat discriminatie betekent. Maar pas als we ons in de loop van 1982 permanent in Bandar Abbas vestigen (mijn vader ging ons voor en wij volgden later) ervaar ik hoe verschrikkelijk het is om ergens te – moeten – wonen waar je niet oorspronkelijk vandaan komt. Neem mijn gemiddelde dag als scholier in Bandar Abbas: de busrit van ongeveer een halfuurtje naar school is al een ware nachtmerrie. Ik reis met een paar andere vluchtelingenkinderen per bus en er zijn altijd oudere lokale jongens die direct aan ons kunnen zien (hier hebben wij een lichtere huid dan de oorspronkelijke bevolking) en horen dat we niet uit Bandar Abbas komen. Het treiteren begint in de bus, met soms een vechtpartij bij het uitstappen. En aangezien we een lange middagpauze hebben waarin we naar huis gaan, kan het gebeuren dat ik soms op één dag meerdere keren in een vechtpartij terechtkom.

Mei 1985, Bandar Abbas, Iran

Ik zet op een rijtje wat de opties zijn voor een scholier als hij zijn diploma heeft gehaald, want met mijn bijna achttien jaar en de dienstplicht die in mijn nek hijgt, heb ik de tijd niet mee:

1) Je gaat direct het leger in:

• In het ergste geval ga je gedurende de twee jaar durende dienst dood.

Iran telde zo veel oorlogsgehandicapten dat wij op de Paralympische Spelen bij de grootste sportnaties hoorden

• Als je méér pech hebt, raak je gewond, waarbij het verlies van benen (geen ondenkbaar vooruitzicht met eindeloze mijnenvelden die dagelijks honderden slachtoffers eisen) het vaakst voorkomt. Op een gegeven moment telde Iran zo veel oorlogsgehandicapten dat wij op de Paralympische Spelen bij de grootste sportnaties hoorden: olympisch goud voor het zit-volleybalteam in 1984, 1988, 1992, 1996 en 2000 om maar een voorbeeld te noemen.

• En als je nóg meer pech hebt, raak je gewond bij een chemische aanval, met levenslange gevolgen voor je huid, longen en ogen.

2) Je wordt aangenomen op een universiteit:

Tijdens de studietijd krijg je vrijstelling van de dienstplicht, maar na het behalen van je bul, en dat kan je tot zes jaar oprekken, moet je alsnog het leger in.

Klinkt niet slecht, want wie weet is die vervloekte oorlog tegen de tijd dat je afgestudeerd bent, afgelopen, maar de kans om toegelaten te worden, zelfs op een onbeduidende universiteit ergens in het achtergebleven zuidoosten van het land, is in die tijd even groot als de kans dat het Iraans elftal wereldkampioen voetbal wordt. En met honderdduizenden dienstplichtigen die via die route de dienstplicht willen omzeilen, is de concurrentie moordend.

3) Je wordt aangenomen op de lerarenopleiding:

Tijdens de opleiding van twee jaar krijg je vrijstelling van de dienstplicht en zolang je daarna lesgeeft hoef je ook niet het leger in. Maar je moet wel tegen het streng islamitische regime van de lerarenopleiding bestand zijn. In mijn laatste jaar van de middelbare school deed het verhaal van een aanstaande leraar de ronde die de islamitische regels op de lerarenopleiding zo zat werd dat hij zich vlak voor het afstuderen officieel voor gek liet verklaren (vergelijkbaar met het Nederlandse S5) om van de opleiding af te mogen gaan. Om vervolgens alsnog het leger in te moeten, want je kunt het zo gek niet bedenken, de oorlog weet wel raad met alle soorten kanonnenvlees.

4) Je vlucht naar het buitenland:

Afhankelijk van je budget en de route (via land, naar Turkije of Afghanistan/Pakistan, of via de zee, naar Dubai) schat ik mijn slagingskans ergens tussen nul en nihil in, vanwege het feit dat wij als armlastige vluchtelingen niet genoeg geld hebben om een dergelijke onderneming te betalen en de grenzen bovendien heel streng gecontroleerd worden. Als je als dienstplichtige opgepakt wordt, krijg je een ‘vermelding’ in de overheidsadministratie als deserteur (oftewel: einde verdere carrière) en moet je daarbovenop een extra jaar aan de grens met Irak dienen. En de grens met Irak is op dit moment de laatste plek in het universum waar je wil zijn.

Geen vlucht naar het buitenland dus.

5 oktober 1985, Ras Burqa, Egypte

Suleiman Khater, volledige naam: Suleiman Mohammed Abdul-Hamid Khater, werd geboren in 1961 in het plaatsje Ikayyad, in het noorden van Egypte, op zo’n tweeënhalf uur rijden van de hoofdstad Caïro. Hij was het jongste kind van een gezin met drie zoons en twee dochters. Op 4 oktober 1982 begint de dienstplicht van Suleiman en hij wordt op 1 mei 1983 bij de centrale veiligheidstroepen in Zuid-Sinaï gestationeerd, bij Ras Burqa, of zoals het leger het officieel noemt: Point 46. Point 46 bestaat uit twee gebouwen om te slapen en te werken, en één gebouw waarvandaan de omgeving in de gaten gehouden wordt. Suleiman werd, en wordt nog steeds vaak ‘soldaat’ genoemd terwijl er volgens de Camp David-akkoorden van 1979 geen soldaten op die plek mochten zijn (en de Egyptenaren die er wel waren mochten geen automatische wapens dragen zoals Suleiman deed). De term die later gebruikt zal worden om zijn functie aan te geven, is police conscript serving in a special border patrol unit, wat je als ‘dienstplichtige politieagent werkzaam bij de grensbewaking’ kunt vertalen.

Schoot Suleiman Khater, zoals veel Arabische bronnen melden, op een groep Israëlische spionnen die verkleed als toeristen én met kinderen als ultieme afleidingsmanoeuvre zijn geavanceerde communicatieapparatuur wilden stelen? Waren het eigenlijk wel kinderen? Sommigen van hen waren behoorlijk lang voor hun leeftijd, vond een aantal Egyptische journalisten en schrijvers die later over de schietpartij schreven. Of was Suleiman een geradicaliseerde moslim die een steeds grotere hekel kreeg aan Israëli’s die onbeschaamd in de Sinaï vakantie kwamen vieren nadat hun regering een vernederend akkoord had gesloten met Egypte? Of zou hij door zijn lange verblijf in de Sinaï simpelweg zijn doorgedraaid (bevangen door kwaadaardige woestijndjinns)?

Rond 16 uur beginnen drie volwassenen, Ilana, Haman en Anita, en negen kinderen aan de beklimming van de zandduin waarop de uitkijkpost van de Egyptische militairen zich bevindt.

Omstreeks 16.20 begint Suleiman Khater te schieten.

• Haman Shelach (44) wordt in zijn buik geraakt. Later verklaart de Israëlische minister van Gezondheid Mordechai Gur namens de artsen die de dodelijke slachtoffers hebben onderzocht dat de wond van Haman ernstig was, maar dat hij, als hij (en dat gold ook  voor een aantal andere slachtoffers) snel naar een ziekenhuis was gebracht, de aanslag zou hebben overleefd.

• Ilana Shelach (43) wordt in het hoofd geraakt en overlijdt direct.

• Tzlil Shelach (12) wordt in haar ruggengraat getroffen en overlijdt door bloedverlies. Volgens de artsen was ze te redden geweest, maar zou ze verlamd zijn geraakt.

• Ofri Turel (12) wordt in het hoofd geraakt en overlijdt direct.

• Dina Barri (10) wordt in haar been geraakt en overlijdt door bloedverlies.

• Amir Baum (10) wordt in zijn been geraakt en overlijdt door bloedverlies.

• Ook Anita Griffel (35) overlijdt uiteindelijk door bloedverlies, nadat ze is geraakt in de arm en de heup.

Dat zijn de doden.

• Ehud, de broer van Amir, wordt in zijn keel geraakt door rondvliegende scherven. Bloedend, maar verrassend kalm weet hij achter een rots te schuilen en hij roept naar de andere kinderen om hem te volgen. Zo leidt de twaalfjarige Ehud zijn broertje Moshi (vijf jaar, geraakt aan zijn rechter schouder door een afgeketste kogel), Amnon Barri (zeven jaar, ongedeerd) en Na’ama Korn (acht jaar, ongedeerd) naar beneden.

• Tali Griffel (vijf jaar) overleeft de schietpartij doordat haar moeder Anita zich over haar heen werpt en de kogels opvangt die anders Tali zouden hebben geraakt.

Net als de verschillende verhalen over wat voorafging aan de schietpartij (zoals de als kind verklede spionnen) zijn er verschillende verhalen over wat er in de eerste uren na de schietpartij is gebeurd.

In grote lijnen zijn de meeste bronnen het eens over de volgende punten:

• In de eerste uren na de schietpartij mocht niemand bij de lichamen komen die op de zandduin lagen. Over de reden daarvan verschillen de bronnen (van ‘zorgen dat de plaats delict niet vervuild raakt’ tot ‘Egyptenaren zien graag Joden sterven’) maar het heeft volgens de Israëlische artsen waarschijnlijk geleid tot onnodig bloedverlies en het overlijden van sommige slachtoffers.

• Ergens tussen 19.30 uur en 20.30 uur geeft Suleiman zich over. Hij wordt vastgehouden in de Fanara-gevangenis, vlak bij de stad Suez.

• De doden en een aantal gewonden worden eerst naar een ziekenhuis in Nuweiba, Egypte, gebracht (één uur rijden ten zuiden van Ras Burqa), en uit-eindelijk naar het Yoseftal-ziekenhuis in Eilat, Israël (45 minuten rijden ten noorden van Ras Burqa).

• Bij Ras Burqa kwam op zaterdag 5 oktober 1985 de zon om 05.36 uur op en ging om 17.23 uur onder. De temperatuur schommelde overdag rond de dertig graden Celsius.

December 1985, Bandar Abbas, Iran

Nooit heb ik een wonderlijker kerel gekend dan Nasser. Met Nasser, een man van begin dertig en net als ik een vluchteling uit Abadan die als ‘lader’ in de haven werkt, maak ik kennis tijdens een van mijn inspectierondjes als tallyman. We raken met elkaar in gesprek: hij blijkt overal en nergens in Abadan gewoond te hebben, strooit met namen van dealers, pooiers, verzetsstrijders (zowel uit de tijd van de sjah als van na de revolutie), topvoetballers, gokkers, corrupte politiechefs, illegale bierbrouwers en tapijthandelaren etc. die allemaal uit mijn geboortewijk komen en vergeet blijkbaar dat ik een jongetje van dertien was toen ik Abadan verliet en dus geen weet had van wat er in – de onderwereld van – Abadan gebeurde. Ik vertel Nasser dat ik mijn middelbareschooldiploma heb gehaald en over een paar maanden in dienst moet. Volgens Nasser is het ontzettend stom als ik met al mijn ervaring in de haven de mogelijkheid om te ontsnappen niet benut en in plaats daarvan een ongewisse toekomst in het leger tegemoetga.

Maar wat als ik opgepakt word? vraag ik hem. We gaan het heel slim aanpakken, zegt Nasser.

Zei hij nou ‘wij’?

17 december 1985, Bandar Abbas, Iran

Onder het streng toeziende oog van de Filipijnse bemanning beginnen de Iraanse laders het schip te verlaten, maar dat gaat zoals altijd langzaam en tamelijk chaotisch, met als voordeel dat alle aandacht van de bemanning naar de arbeiders uitgaat, waardoor ik ongestoord via het luik dat Nasser op een kiertje heeft gezet, het ruim in kan gaan. Op klaarlichte dag.

Naast Nasser zitten Hafez en Jalil, mijn twee andere reisgenoten. Hafez is al één jaar en Jalil al twee jaar op de vlucht voor de dienstplicht, en net als ik hebben zij geen geld voor een smokkelaar. Nog altijd, na 35 jaar, kan ik er met mijn hoofd niet bij dat ik een van de gevaarlijkste dingen in mijn leven heb ondernomen met drie mensen die ik amper kende. Maar misschien is dat iets wat je alleen kunt doen als je jong bent en geen echt besef van de gevaren hebt. Tijdens de research voor dit boek vind ik in de krantenarchieven afschuwelijke berichten over verstekelingen die overboord zijn gegooid in de periode dat ik als verstekeling Iran verliet. Zo werden kapitein Antonis Plytzanopoulos van het schip Garifalia en zijn crew opgepakt en veroordeeld omdat ze elf Afrikanen voor de kust van Somalië in het water hadden gegooid. Die zaak kwam aan het rollen omdat de scheepskok het geheim niet voor zich kon houden en naar de politie stapte.

Na ongeveer één week varen bereiken we het Suezkanaal, waar tot mijn onbeschrijfelijke ontsteltenis een rossige Egyptenaar met zangerig Perzisch accent me vertelt hoe een aanslag in zijn land tussen mij en mijn vrijheid staat. De volgende dag kijk ik uit de patrijspoort en zie ik Egypte aan me voorbijtrekken.

Eind december 1985, Egypte/Israël

Op 28 december 1985 veroordeelt de rechtbank Suleiman Khater tot 25 jaar gevangenis plus dwangarbeid. Twee dagen later wordt hij van de gevangenis in Suez naar een militaire gevangenis in Caïro gebracht.

Kerst 1985, Limasol, Cyprus

Jalil, die in de keuken werkt, hoort van de kok dat we onderweg zijn naar Cyprus. Daar herhaalt zich bijna hetzelfde tafereel als bij het Suezkanaal; als de Cypriotische douanebeambten onze hut binnenkomen, vertel ik namens ons allemaal dat we uit Iran gevlucht zijn én dat de kapitein ons terug wil brengen naar Iran zodra hij zijn vracht heeft opgehaald in Europa (we weten nog steeds niet in welk land, maar volgens de kok wordt het zeker een Europese haven).

Ik weet niet meer welke reden ze daarvoor hebben gegeven, of ze überhaupt een reden hebben gegeven, maar na drie dagen voor anker gelegen te hebben voor de haven van Limasol vertellen de Cyprioten dat we – ‘so sorry, sad situation unfortunately’ – niet welkom zijn in hun land. Hoe kunnen deze mensen, die gedurende drie dagen onze verhalen hebben gehoord, ons in de steek laten?

In 2019 publiceert onderzoeksjournalist Linda Polman een boek over tachtig jaar Europees vluchtelingenbeleid met de veelzeggende titel Niemand wil ze hebben.

7 januari 1986, Egypte

De Egyptische staatsradio maakt bekend dat een bewaker van de ochtendploeg in de militaire gevangenis in Nasr City bij Caïro het lichaam van Suleiman Khater in zijn cel heeft gevonden, met een laken opgehangen aan de raamtralies.

Half januari 1986, Rotterdam

Op zaterdag 11 januari 1986, vier dagen na het over-lijden van Suleiman, meert ons schip aan bij de Wilhelminakade in Rotterdam-Zuid. Er wordt op de deur van onze hut geklopt, en nadat de barricadebalk verwijderd en de deur van het slot is gehaald, lopen twee geüniformeerde douanebeambten onze hut binnen. Hun hoofden raken bijna het plafond, waarmee voor mij het bewijs is geleverd: inderdaad, we zijn nu echt in Holland. De blonde reuzen vertellen dat ze al door de kapitein op de hoogte gebracht zijn van onze situatie, maar willen voor de zekerheid van onszelf weten wat ons verhaal is. ‘En graag kort en bondig.’

Ten einde raad smeek ik om in Nederland te mogen blijven

Ten einde raad smeek ik om in Nederland te mogen blijven want gedwongen terugkeer naar Iran, zoals de kapitein dat wil, zou een ramp voor ons zijn. Als we na een dag nog niets van de Hollanders hebben gehoord, vrezen we hetzelfde scenario als in Egypte en Cyprus. Maar gelukkig hebben we een ongelooflijke meevaller: ondanks het feit dat de patrijspoort in onze hut vrij klein is, waardoor we de omgeving niet goed kunnen verkennen, zien we dat er midden in het hekwerk op de kade (dat minstens drie meter hoog en dus niet te beklimmen is) een lichtmast staat. We bedenken een plan om de muurplanken van onze hut los te schroeven en via de aangrenzende hut, die leegstaat, te ontsnappen en één verdieping hoger naar het dek te gaan, de loopplank af te lopen, een meter of vijftig naar de lichtmast te rennen, de lichtmast op te klimmen zoals je een ladder op klimt, en aan de andere kant weer naar beneden te klimmen. Wie plaatst er in godsnaam een lichtmast in het hekwerk?

April 2019, Jeruzalem, Israël

Op het moment dat ik haar opzoek, is Tali 38 jaar oud, lichaamstherapeut van beroep met een eigen praktijk, moeder van vier kinderen en getrouwd met de Amerikaan Mitch, die als vertaler werkt. ‘Een paar weken na de aanslag ben ik met mijn Amerikaanse vader naar de VS gegaan. Het eerste jaar verkeerde ik in een shocktoestand, was echt bang voor alles, maar het scheelde enorm dat ik in Amerika was, want daar was ik veilig. Na een paar sessies met de kinderpsychiater kreeg ik te horen dat alles goed was. ‘In de VS gedroeg ik me als een all American girl: ik deed erg mijn best op school, sportte fanatiek en had veel vrienden. Een overachiever, zoals wij Amerikanen dat noemen. Maar ik vertelde niemand over wat mij als kind was overkomen, de trauma’s die ik daaraan had overgehouden: zo was ik en ben ik nog altijd bang voor vuur. Zelfs het aansteken van de kandelaars voor de viering van sjabbat vind ik angstaanjagend. In de eerste jaren na de aanslag raakte ik behoorlijk van slag als ik harde knallen hoorde, vooral als die klinken als geweerschoten.’

Ik vertel Tali dat ik van plan ben om ook de familie van Suleiman Khater op te zoeken om te kijken wat de impact van die aanslag én zijn zelfmoord op hun leven is geweest. Zal ik je op de hoogte houden van die kant van het verhaal, vraag ik haar. ‘Nee hoor, ik hoef dat allemaal niet te weten. Die man heeft mijn moeder van mij afgenomen, de vrouw die de kogels heeft opgevangen die anders mij zouden hebben geraakt. Ik zie wel eens oma’s met hun kleinkinderen in het park en denk dan: als mijn moeder nog had geleefd, had zij dat ook kunnen meemaken. Ik hoef echt niet te weten hoe het met de familie van die man gaat.’

November 2019, Caïro – Ismaïlia, Egypte

Terwijl ik duizend doden sterf omdat mijn Egyptische fixer die achter het stuur zit twee telefoons in zijn handen houdt waarmee hij om de haverklap belt of waarop hij gebeld wordt, berichtjes ontvangt én verstuurt, en wonderbaarlijk genoeg in staat blijkt tegelijkertijd te roken, ben ik onderweg van Caïro naar Ismaïlia, de dichtstbijzijnde stad bij het geboortedorp van de schutter Suleiman Khater die over hotels beschikt. ‘Ik hoorde op de radio dat iemand uit onze provincie zeven Israëli’s had gedood. Pas de daaropvolgende dag hoorde ik dat Suleiman de schutter was geweest, toen er iemand langskwam die zich voorstelde als collega van Suleiman en ons vertelde dat Suleiman zeven Israëli’s had gedood. Met mijn moeder en zus zijn we direct met de auto naar Nuweiba gegaan,’ vertelt Abd Almoneim, de broer van Suleiman. Suleiman verzekert zijn familie dat ze zich geen zorgen hoeven te maken. Hij heeft alleen maar gedaan wat een goede militair zou doen. Drie maanden later hoort Abd Almoneim, wederom op de radio, dat zijn broer zelfmoord heeft gepleegd. ‘We hebben om een tweede autopsie gevraagd, maar de regering weigerde. Er werd gezegd dat kolonel Khadafi, de toenmalige  leider van Libië, artsen wilde sturen om het lichaam van Suleiman te onderzoeken, maar daar gaf Mubarak geen toestemming voor. Wat ik het ergste vind, is dat we nog altijd geen doodsakte hebben. Er is niemand van de regering geweest die officieel heeft verteld hoe Suleiman is overleden. Mijn broer leeft officieel nog.’

Bahram Sadeghi

Bahram Sadeghi (1967, Iran) schrijft voor landelijke dag-bladen, is programmamaker en een veelgevraagd presentator. In het jaar dat covid-19 zijn mooi opgebouwde freelance-bestaan deed instorten, schreef hij een boek dat in november verschijnt bij uitgeverij Atlas Contact.

Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

360 is jarig en trakteert!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief en krijg 3 maanden gratis toegang tot 360 online.