Ronnie ‘the Rocket’ O’Sullivan: Geen gewone jongen

The New Yorker/360 Magazine  | 19 May 2016 - 17:0019 May - 17:00

Binnenkort verschijnt de honderdste editie van 360 Magazine. Om dat te vieren bieden we gratis de tien beste stukken uit de eerste 99 edities van het blad aan. Dit artikel uit The New Yorker verscheen in de 78e editie van 360.

Het leven van begenadigd speler Ronnie O’Sullivan is alleen dan overzichtelijk als hij zich buigt over de geometrische lijnen van de snookertafel. Daarbuiten liggen andere verslavingen op de loer. Zijn topvorm komt en gaat. En dan wordt zijn vader – ‘Ron is de naam en porno mijn faam’ – ook nog veroordeeld voor moord. Over de ups en downs van een getormenteerd genie.

Afgelopen najaar was Ronnie O’Sullivan aan het hardlopen in de bossen bij Chigwell in Essex, de gemeente ten noordoosten van Londen waar hij woont. Het was nat en modderig, Engeland in november. O’Sullivan, negenendertig jaar, houdt van de anonimiteit van het hardlopen. Een jaar of tien geleden ontdekte hij dat hij alleen daarmee een beetje los kan komen van zichzelf – beter nog dan met drank, drugs en antidepressiva – en even kan vergeten dat hij ontegenzeggelijk de meest begenadigde snookerspeler aller tijden is. Op zijn elfde verdiende hij er al een flinke zakcent mee en in de afgelopen dertig jaar heeft hij vijf wereldtitels gewonnen en verschillende records gevestigd. Maar al die tijd kampte hij ook met de ene inzinking en verslaving na de andere, mede veroorzaakt door het feit dat zijn vader, van wie hij zielsveel houdt, in de gevangenis zat wegens moord.

Genie
O’Sullivan wordt vaak een genie genoemd, maar zelf ziet hij dat niet zo. Hij heeft meestal het gevoel dat hij de boel bedondert. Zijn topvorm komt en gaat. Hij wint alleen omdat anderen verliezen. En hij denkt al heel lang dat hij misschien gelukkiger zou worden als hij iets anders deed. De afgelopen tien jaar is hij negen keer verhuisd. ‘Ik ben godverdomme nog zo, nou ja… zoekende,’ zei hij laatst tegen me. ‘Ik weet wel min of meer wie ik ben, maar de persoon die ik ben staat me niet aan, snap je? Was ik verdomme maar een beetje stabieler.’

Hij probeert elke dag een kilometer of tien te hardlopen. Die ochtend liep hij met zijn beste schoolvriend, George Palacaros. (O’Sullivan is opgegroeid in Ilford, niet ver van Chigwell.) Nog één keer hardlopen voordat hij naar het noorden afreisde voor het Brits kampioenschap in York, het op een na grootste snookerevenement ter wereld. Over twee dagen moest hij zijn eerste wedstrijd spelen tegen een amateur, ene Daniel Wells. Na een kilometer of acht vroeg Palacaros aan O’Sullivan wat de hartslagmeter om zijn pols aangaf. O’Sullivan draaide zich half om, wilde antwoord geven, gleed uit, viel en brak zijn linkerenkel.

Hij probeerde wel door te lopen. ‘Ik dacht: ik ga niet terugstrompelen’. Hij rende nog een kilometer, maar elke keer als hij omlaag keek, zag hij zijn enkel dikker worden. Toen hij bij de kleedkamer van zijn sportclub was, kon hij er niet meer op staan.

In het ziekenhuis kreeg hij te horen dat het een enkelvoudige breuk was. Zijn enkel hoefde niet geopereerd te worden, maar het herstel zou minstens twaalf weken duren en hij moest een brace dragen. Hij belde zijn psychiater. Die middag zette O’Sullivan een foto van zijn gezwollen enkel op Twitter met de tekst: ‘Wordt misschien snooker op één been op het #UKChampionship donderdag.’ Hij vond in zijn kast nog een paar zachte donkerblauwe schoenen waar hij met zijn brace in paste en liet zich de volgende dag door een vriend naar York rijden, zodat hij onderweg met zijn voet omhoog kon zitten.

Potten
Snooker is een biljartvorm die nog het meest lijkt op zijn arme neefje, poolbiljart. Bij snooker heb je tweeëntwintig ballen: vijftien rode, zes in andere kleuren en één witte. (Bij de verschillende varianten van pool speel je met hooguit zestien ballen.) De spelers moeten zo veel mogelijk punten verzamelen terwijl ze de tafel leeg spelen. Daarbij moeten ze met de witte bal afwisselend een rode en een gekleurde bal in een pocket spelen of ‘potten’. Telkens als het niet lukt om een bal te potten, is de ander aan de beurt. Zolang er rode ballen in het spel zijn, wordt elke gekleurde bal die in een pocket verdwijnt op de tafel teruggelegd. Zijn de rode op, dan moeten alle gekleurde ballen in oplopende volgorde worden gepot, van geel (twee punten) naar zwart (zeven).

Eén zo’n potje tot alle ballen op zijn heet een frame, en een wedstrijd bestaat uit meerdere frames. Bij de profs kan zo’n frame razendsnel gaan – dan zoeven de ballen met verbijsterende vanzelfsprekendheid de pockets in – of juist hemeltergend langzaam, als spelers elkaar dwarsbomen door de witte bal steeds in een onmogelijke positie te leggen. Een safety play noemen ze dat, en dat kan aan je zenuwen vreten.

Want snooker mag er nog zo beschaafd uitzien, het is een keiharde, zenuwslopende strijd. Een snookertafel is drie keer zo groot als een pooltafel en de pockets zijn een paar centimeter kleiner. Zelfs de eenvoudigste stoot vergt een optimale combinatie van inzicht in het spel, wrijving en nog wat andere natuurkundige wetten. De speler moet de richting van ten minste twee ballen bepalen: de rode of gekleurde bal die in een pocket moet verdwijnen en de witte stootbal. Die laatste moet je het juiste effect meegeven, zodat hij na het kaatsen naar de ideale plek rolt om een volgende bal te kunnen potten, of juist naar een onhandige plek op de tafel, om je tegenstander het scoren onmogelijk te maken. De beste spelers houden hun beurt soms wel dertig stoten lang vol, waarbij ze in gewijde stilte rond de tafel lopen in die typische, onberispelijke avondkledij. (Qua dresscode waan je je bij het snooker soms in een concertzaal uit de jaren dertig.) Beide spelers proberen dezelfde ballen te potten, dus met elk punt deel je ook een psychologische dreun uit: deze kun jij niet meer maken. Zolang ik aan de beurt ben, kun jij alleen toekijken en je verbijten. De spelers kijken elkaar dan ook niet aan. Er wordt geen woord gezegd.

Bij het Brits kampioenschap duurden alle wedstrijden behalve de finale maximaal elf frames. O’Sullivan wilde niet te veel gewicht op zijn enkel laten rusten. ‘Ik voel me net een baby die leert lopen,’ zei hij tegen de pers. Hinkend won hij zijn eerste wedstrijd niettemin met 6-2. Drie dagen later stond hij in de tweede ronde tegenover Peter Lines, een degelijke prof van vierenveertig. Ik ging naar York om hem te zien spelen. In het begin van de avond arriveerde ik in het Barbican, het sportcentrum net buiten de middeleeuwse stadswallen.

O’Sullivan had getwijfeld of hij zich niet moest terugtrekken. Hij kon zijn balans niet vinden. Toen de andere spelers, keurig in gilet en vlinderstrikje, leunend op hun keu bij het oefenbiljart stonden, was hij nog nergens te bekennen. De scheidsrechters trokken hun witte handschoenen aan. Maar om zeven uur verscheen ook O’Sullivan, aangekondigd met de bijnaam die hij al sinds zijn tienerjaren heeft: Ronnie ‘the Rocket’ O’Sullivan. Met zijn gilet, die blauwe schoenen en zijn grijzende bakkebaarden had hij wel iets weg van een croupier die van zijn werk komt.

Robotachtige perfectie
‘Als Ronnie speelt, zit je nooit rustig,’ had Barry Hearn me verteld. Hij leidt de organisatie die de commerciële snookerrechten uitbaat en is in O’Sullivans turbulente carrière driemaal zijn manager geweest. (In de periode waarin dit artikel tot stand kwam, heeft O’Sullivan twee managers de laan uitgestuurd.) ‘Bijna alsof je op een ongeval zit te wachten,’ zei Hearn. Tegen Lines was O’Sullivan duidelijk niet in goeden doen. De meeste snookerspelers zijn geobsedeerd door herhaling en streven een soort robotachtige perfectie na. Maar een O’Sullivan in vorm is een en al beweeglijkheid: hij kijkt eens hier en loert eens daar, veegt krijtresten van het laken, grimast naar de ballen en stapt ongedurig heen en weer langs de tafel. Nu verhinderde zijn enkel dat. De minste beweging kostte hem al moeite.

Toch was Lines niet tegen hem opgewassen. De nummer 61 op de wereldranglijst leek een beetje 
uit zijn doen door de aanwezigheid van tv-camera’s en miste een paar makkelijke stoten. Lager geplaatste spelers vinden het vaak moeilijk om het hoofd koel te houden als ze tegen O’Sullivan spelen. Het publiek is dan niet op hun hand, en ze vragen zich af wat hij van hun spel vindt. Het was een rommelige wedstrijd. In het vijfde frame, toen O’Sullivan al met 3-1 voor stond en vanuit een lastige positie door een gelukje toch een rode bal potte, lagen de ballen ineens open op tafel. Met negenentwintig stoten op rij haalde hij een score van 106, een ruime ‘century’ dus [100 punten of meer in één frame], en leek hij de wedstrijd al vroeg te kunnen beslissen. Maar Lines kwam terug. O’Sullivan was er met zijn hoofd niet bij. Hij zat zijn tanden te stokeren en naar een wedstrijd aan een andere tafel te kijken. ‘Come on, Ronnie, our son,’ riep iemand met een Yorkshire-accent in het publiek. Toen de wedstrijd eindelijk was afgelopen – 6-3 voor O’Sullivan – was het half elf. O’Sullivan was bekaf. 
Ik sprak hem toen hij terughinkte naar de kleedkamer. Hij kan heel ontwapenend zijn: een lastige man, maar je wilt toch graag dat hij je aardig vindt. Ik feliciteerde hem met de overwinning en zei dat 
ik genoten had. ‘Godskolere,’ zei hij. ‘Ik niet.’

Hypnotiserend spel
Als je net als ik in het Groot-Brittannië van de jaren tachtig bent opgegroeid, werd je met snooker doodgegooid, of je het nu leuk vond of niet. Een eeuw 
lang was dit spel, dat in 1875 door Britse militairen 
in India werd bedacht, vooral een sport van deftige herenclubs en louche biljartzalen. (De beruchtste Londense gangsters van de jaren vijftig, de gebroeders Kray, begonnen hun carrière als uitbaters van een snookerhal.) Maar in 1978 werd het toernooi om het wereldkampioenschap voor het eerst uitgezonden door de BBC, dertien dagen lang vanuit het Crucible Theatre in Sheffield. En televisie heeft snooker groot gemaakt. Dat trage, hypnotiserende spel, het beklemmende beeld van twee ijsberende spelers die aan die tafel gekluisterd zijn, en zelfs de felgekleurde ballen: alles aan deze sport was geknipt voor de beeldbuis.

Tabaksfabrikanten strooiden met sponsorgeld. In 1985 bleven bijna twintig miljoen mensen tot na middernacht op voor de finale van het WK, waarin de beste speler van die tijd, Steve ‘the Nugget’ Davis, verloor van Dennis Taylor, de underdog met de speciale ‘ondersteboven-bril’ waarmee hij beter naar de ballen kon turen.

In de hoogtijdagen van het snooker was het vaak 
een strijd tussen twee archetypische soorten spelers, waarbij de tegenstellingen tussen deze twee op tv nog eens werden uitvergroot. Je had de kampioenen, de fris gekapte en geschoren robots die jarenlang domineerden tot hun heerschappij ineens eindigde: oud-politieman Ray Reardon in de jaren zeventig, Steve Davis in de jaren tachtig en Stephen Hendry, 
de Schot met de babyface en een recordaantal van zeven wereldtitels, in de jaren negentig. En daarnaast had je de categorie schoonheid met een vlekje, spelers die bij vlagen sublieme staaltjes biljartkunst op het laken legden maar het succes niet konden dragen: Kirk Stevens, de Canadese cocaïnejunk in zijn witte pak; Alex ‘the Hurricane’ Higgins, heethoofd en alcoholist, in 2010 aan keelkanker overleden; en Jimmy ‘the Whirlwind’ White, die zes keer 
in de finale van het WK stond en zes keer verloor.

Linkerhand
Ronald Antonio O’Sullivan is geboren in 1975. Zijn ouders Ron en Maria hadden elkaar een paar jaar tevoren als tieners leren kennen tijdens hun werk 
op een vakantiekamp. Ze gingen in Londen wonen, waar ze de kost verdienden met het wassen van auto’s. 
Toen hun zoon begin jaren negentig doorbrak als prof, was hij jonger, talentvoller en brutaler dan wie dan ook. Op zijn zeventiende won hij zijn eerste grote titel. In 1996 klaagde de Canadees Alain Robidoux dat de rechtshandige O’Sullivan hem probeerde te vernederen door een paar stoten linkshandig uit te voeren. O’Sullivan vroeg snel een demonstratiewedstrijd aan om te bewijzen dat hij met zijn linkerhand praktisch even goed is als met zijn rechter, en de bond keurde het goed. Dat jaar werd hij wel geschorst wegens het uitdelen van een kopstoot aan een official. Hij dronk te veel en vloog er te vaak in de eerste ronde uit. Hij sprak openlijk over zijn afkeer van het spel en van zichzelf. In 2000 ging hij naar een ontwenningskliniek om af te kicken van de marihuana. Op zijn dertigste, een leeftijd waarop grote spelers als Davis en Hendry al op hun retour waren, had O’Sullivan twee wereldtitels op zijn naam staan, evenveel als Alex Higgins: heel respectabel, maar veel te weinig voor iemand met zijn potentieel. Van eind 2009 tot begin 2012 wist hij niet één groot toernooi te winnen.

‘Ik had er de kloten niet meer voor,’ vertelde hij me. ‘Geen vechtlust. Ik was leeg.’ Maar het jaar daarop, toen hij zesendertig was en de hoop eigenlijk al had opgegeven, begon O’Sullivan weer te winnen. Zijn spel hervond een consistentie en een vrijheid die hij sinds zijn zestiende niet meer had gekend. Sinds 2012 heeft hij driemaal de finale van het WK bereikt en die tweemaal gewonnen. Die onverwachte late bloeiperiode heeft zijn status verhoogd. ‘Ronnie is het soort genie dat boven ieders hoofd zweeft,’ zei Hearn. ‘Hij is geen gewone jongen.’ Eerder dit jaar brak hij Stephen Hendry’s record van 175 century’s. Velen vragen zich af of hij ook Hendry’s record van zeven wereldtitels kan evenaren, om zo als veertiger nog uit te groeien tot de grootste snookerspeler aller tijden.
Maar hij blijft kwetsbaar en verbaasd over dat plotselinge succes.

De kunstenaar Damien Hirst is gefascineerd door snooker: de belofte van die ogenschijnlijk strakke lijnen, dat ‘raster over het landschap’ zoals hij het noemt, en de worsteling van de spelers met die geometrische wereld. Hirst is een goede vriend van O’Sullivan en vergezelt hem vaak naar toernooien. Ik vroeg hem of hij dacht dat O’Sullivan bang is voor de toekomst, voor hoe het verder moet als zijn talent uitdooft. ‘Volgens mij is hij overal bang voor,’ zei Hirst. ‘Dat is het mooie van hem: dat hij het in zijn broek doet. Snap je wel? Hij heeft gewoon geen flauw benul.’

De avond na de zege op Lines ging O’Sullivan met zijn manager Gary Smith en zijn Schotse vriend Chic Gourlay eten bij Toto’s, een Italiaans restaurant in York. O’Sullivan was uitgelaten. Hij flirtte met de serveerster en bestelde een steak. Het ging beter met zijn enkel en hij had een paar zwarte sneakers gevonden die beter bij zijn kleding pasten. ‘Ik voel me weer goed,’ zei hij. ‘Ik voel me weer een snookerspeler.’

Grofgebekte prille tiener
Aan een ander tafeltje zat Ken Doherty te eten, een lepe Ierse speler die in 1997 wereldkampioen werd. Doherty en O’Sullivan kennen elkaar al sinds Doherty op zijn achttiende als jonge prof in het Ilford Snooker Centre kwam spelen. De zes jaar jongere O’Sullivan nam na school altijd de bus om daar te gaan spelen. Dat was eind jaren tachtig, de hoogtijdagen van het snooker, en O’Sullivan was het wonderkind van de sport. Hij had op zijn negende zijn eerste toernooi gewonnen en op zijn tiende zijn eerste century gemaakt. In alle snookertijdschriften kwam je zijn jonge gezicht tegen. Ook in die snookerclub viel hij op: de grofgebekte prille tiener met zijn eindeloze voorraad briefjes van vijf voor een potje snooker. Dat geld kreeg hij van zijn vader, Big Ron, die rijk was geworden met een keten seksshops in het West End.

‘Hij kon lachend naar je kijken als je aan het spelen was,’ zei Fin Ruane, een andere jonge Ier die daar vaak speelde. Af en toe kwam O’Sullivans vader ook langs: een knappe, stevig gebouwde man die van een geintje hield. ‘Ron is de naam en porno mijn faam,’ zei hij altijd. ‘Dan kwam hij binnen, en als er twintig man zat, dan moest hij die alle twintig op thee trakteren,’ zei Doherty. ‘Niemand die zelf zijn portemonnee trok. Dat zou een belediging zijn geweest.’ Big Ron was een graag geziene gast, maar je moest hem niet dwarsbomen. Aan iedereen die het wilde horen vertelde hij dat zijn zoon wereldkampioen ging worden. Zijn ooms waren bokser geweest, en hij had zijn zoon leren denken zoals zij: ‘Maak hem af.’ ‘Laat je niet kisten.’ ‘Laat ze de klere krijgen, knul.’ En Ruane vertelde: ‘Ik weet nog dat zijn vader zat te kaarten en dat iemand zei: Ron, jouw beurt. Maar dan zat-ie alleen maar te kijken naar zijn zoon die aan het spelen was. Daar kon hij geen genoeg van krijgen, om hem te zien spelen.’

De jonge O’Sullivan adoreerde Steve Davis, de toenmalige kampioen. Hij droeg hetzelfde gilet, ongetailleerd, net als zijn idool. Op zijn negende hoorde hij van Bill King, de vader van een van zijn eigen, jonge tegenstanders, dat Davis in het snooker ‘altijd dichterbij lag’, en dat was een openbaring. Om de witte bal goed te leggen voor een volgende stoot maakten andere spelers vooral gebruik van backspin (stunshots of screwshots), maar Davids maakte veel inventievere, langer vloeiende shots door met topspin en via de band te stoten. Dat was riskanter en technisch moeilijker, en de witte bal eindigde vaak maar enkele centimeters dichter bij het doel dan anders het geval zou zijn geweest, maar het was toch de moeite waard. Toen O’Sullivan in een lokaal toernooi eindelijk Doherty wist te verslaan, besloot hij prof te worden. ‘Dat was het moment,’ vertelde hij me. ‘Ik had alles gedaan. Ik kon via de band spelen. Ik had Ken verslagen. Ik had een dusdanig niveau bereikt dat ik… Tering, ik dacht gewoon: dit wil ik.’

Die avond in het restaurant haalden O’Sullivan en Doherty herinneringen op aan Goffs in County Kildare, een sportcentrum waar vroeger het Irish Masters Tournament werd gehouden. In 1998 werd Doherty daar in de finale verslagen door O’Sullivan, die zijn titel een paar weken later moest inleveren: hij had spacecake gegeten en was positief bevonden bij de dopingtest. Het was een prachtige locatie voor een toernooi. ‘Iedereen nam daar zijn vrouw mee naartoe,’ zei O’Sullivan hoofdschuddend. ‘Schitterend.’

De volgende dag merkte O’Sullivan in de derde ronde dat hij weer beter kon bewegen. Hij won met 6-2 van Ben Woollaston, nummer 27 op de wereldranglijst. 
In het derde frame kwam Woollaston nog op voorsprong, maar zijn zenuwen speelden hem parten. ‘Het was een gênante vertoning,’ zei hij achteraf. O’Sullivans tegenstander in de vierde ronde, de 29-jarige Matthew Selt, werd helemaal weggevaagd. Toen O’Sullivan eenmaal met 4-0 voor stond, ging hij op jacht naar een maximumbreak. Een maximumbreak is de perfecte break: vijftien rode ballen afgewisseld met vijftien zwarte, en daarna alle gekleurde ballen, zodat je in één beurt de maximale 147 punten haalt. Het is het snookerequivalent van een hole-in-one. Joe Davis, ongeslagen wereldkampioen snooker van 1927 tot 1946, maakte de eerste officiële maximumbreak in 1955, op zijn drieënvijftigste. O’Sullivan maakte zijn eerste op zijn vijftiende. En tegen Selt maakte hij de dertiende van zijn loopbaan: dat zijn er twee meer dan Hendry, de nummer twee op die ranglijst. ‘Niks bijzonders,’ zei O’Sullivan later tegen me. ‘Als hij het me moeilijk had gemaakt, was het me niet gelukt.’

O’Sullivan traint in een kantoorgebouw op een be-drijventerrein in Romford, een paar kilometer van waar hij woont. In de gebouwen eromheen zitten accountants, verzekeringsadviseurs en gasfitters. Het kantoor is van een van zijn voormalige managers, Django Fung, die hem daar laat trainen zoveel hij wil. Fung, afkomstig uit Hongkong, vertegenwoordigt een aantal Chinese spelers, maar die zijn vaak in het buitenland. Toen ik in januari naar zijn training kwam kijken, was er verder niemand aanwezig. De rolgordijnen waren dicht, op een kale vloer van blauwe tapijttegels stonden vijf snookertafels onder felle tl-buizen. O’Sullivan zocht in de koelkast naar melk voor zijn thee. Hij vindt het vaak fijn om wat aanspraak te hebben. Al sinds 2011 traint hij zonder coach en staat hij drie of vier uur per dag in zijn eentje duizend-en-een combinaties te stoten.

Als commentatoren en rivalen over zijn spel praten, gaat het vaak over zijn ongebruikelijke opbouw, de volgorde waarin hij de ballen afwerkt. Phil Yates, die twintig jaar snookercorrespondent voor The Times is geweest, vergelijkt O’Sullivan met een idiot savant, iemand die wiskundige oplossingen voor problemen bedenkt zonder ze te kunnen beredeneren. ‘Volgens mij kan hij zelf niet analyseren waarom hij zo goed is als hij is,’ zei Yates. ‘Hij is het gewoon.’ Volgens Hirst verkeert O’Sullivan aan de biljarttafel vaak in een soort roes. ‘Dan zeg ik achteraf: Zoals je die roze bal erin legde… En dan zegt hij: Roze? Hij snapt het niet, geen idee waar ik het over heb. Hij is net Van Gogh. Zeg ik: Briljant gespeeld. En hij: O ja?’

O’Sullivan denkt veel na over de witte bal. Hij is tot de overtuiging gekomen dat de aard van het eerste contact tussen de gekrijte leren punt van zijn keu en het fenolhars van de bal – die vluchtige aanraking, de overdracht van richting en energie – allesbepalend is. Als de witte doet wat hij wil, kan hij niet meer verliezen. ‘Je gebruikt je kracht,’ zegt hij als hij thee heeft gezet. ‘Je werkt met je handen. Je creëert iets. Je laat die witte dansen.’

Krijtsporen
Als die klik er niet is, voelt O’Sullivan het meteen. 
‘Je kunt het niet zien, maar voor mij is het een verschil van dag en nacht,’ zegt hij. Op goede dagen voelt hij het bij iedere stoot. Als hij op dreef is, laat 
hij flinke krijtsporen op het laken achter, zoals een golfer soms graspollen laat rondvliegen, en dan rolt de witte bal met zwaar effect over de tafel, vertraagt soms even om dan weer te versnellen, alsof hij zich naar een afspraak snelt. Dan klinkt er een specifiek geluid als een bal precies midden in een pocket valt. Aan de score denkt hij niet. ‘Ik weet dat ik een ander spel speel dan zij,’ zegt hij. Omdat de spelers bij een snookerduel nu eenmaal op elkaars lip zitten, ziet 
hij wel dat tegenstanders zijn kunsten gebiologeerd gadeslaan: ‘Je denkt: man, jij hebt die bal aan een touwtje. Die stootbal, dat is gewoon… En daar zit je dan naar te staren. En dat doet je de das om.’
In 1992, toen hij zestien was en als prof aan de slag wilde, ging hij naar de zogenaamde qualifying school: een drie maanden durend knock-outtoernooi in Blackpool waar nieuwe spelers een ticket kunnen winnen voor de grote toernooien in het komende seizoen. De wedstrijden werden gespeeld op vierentwintig snookertafels in het Norbreck Castle Hotel, een reusachtig zandkleurig gebouw aan de boulevard. O’Sullivan was een van de jongste deelnemers. ‘In zijn eentje tegen de wereld,’ zo herinnert zijn toenmalige manager Hearn het zich. ‘Alles was nieuw voor hem.’

De zomer daarvoor was O’Sullivans vader gearresteerd na een handgemeen in een nachtclub waar
bij iemand was omgekomen. (O’Sullivan kreeg het nieuws tijdens een jeugdtoernooi in Thailand.) Het slachtoffer, Bruce Bryan, had ooit als chauffeur voor de beruchte gangster Charlie Kray gewerkt. Hij was neergestoken bij een ruzie die volgens Big Ron over de rekening ging. Toen O’Sullivan in Blackpool speelde, werd zijn vader, die was aangeklaagd wegens moord, op borgtocht vrijgelaten. Hij kwam bij zijn zoon in het hotel logeren. Met de dag werd het drukker rond de tafel waar O’Sullivan speelde. ‘Al die ouwe zuiplappen en al die ouwe rotten in het spel kwamen naar hem kijken,’ zei Yates, die het toernooi voor de krant versloeg. ‘Ze konden hun ogen niet geloven.’

In Blackpool won O’Sullivan zijn eerste 38 wedstrijden als prof, en dat record van 38 op rij gewonnen wedstrijden is nog steeds ongeslagen. Van de volgende 38 wedstrijden won hij er ook 36: in het hele toernooi verloor hij maar twee keer. De mensen die hem daar zagen spelen, zeggen graag dat hij nooit meer zo goed heeft gespeeld als toen. ‘Het was net zoiets als Tiger Woods of Mike Tyson, toen die doorbraken,’ zei O’Sullivan tegen me. ‘Zo had mijn leven er ook uit gezien als mijn vader niet was verdwenen.’ Zijn laatste kwalificatiewedstrijd in Blackpool speelde O’Sullivan op 20 september 1992. Een dag later werd zijn vader schuldig bevonden aan moord. De rechter repte in zijn vonnis van ‘raciale motieven’ – Bryan was zwart – en veroordeelde hem tot achttien jaar cel. Het stond in alle kranten. O’Sullivan: ‘Vanaf dat moment werd het allemaal kut, om 
eerlijk te zijn.’

Tralies
Drie jaar later verdween ook zijn moeder Maria 
achter de tralies. Ze had de leiding van de seks-
shops overgenomen en werd veroordeeld wegens belastingontduiking. Ze zat zeven maanden vast. O’Sullivans zus van twaalf, Danielle, werd ondergebracht bij vrienden. O’Sullivan, inmiddels negentien, ontspoorde. Hij sloeg aan het feesten in het ouderlijk huis, gebruikte drugs en kwam flink aan. Als hij de andere spelers op toernooien zag, was hij jaloers op hun kleine, stabiele entourage: ouders, manager, chauffeur. ‘Zij hadden een muur om zich achter te verschansen,’ zei hij. ‘Ik had geen muren.’ Een paar jaar lang werd O’Sullivan vergezeld door een man die bekendstond als de Yunzi, een vriend van een vriend van zijn vader in de gevangenis. Hij moest voortdurend aan zijn vader denken en het was voor hem dat hij probeerde te winnen. ‘Het was pa en ik tegen de rest van de wereld,’ zei hij. Maar hij nam het zijn vader ook kwalijk dat zijn leven zo’n chaos was geworden. De biljarttafel verloor zijn eenvoud, 
er speelde te veel mee in zijn hoofd. Zijn spel holde achteruit.

Soms wilde de witte bal voor hem dansen, soms niet, er viel geen peil op te trekken. In de eerste ronde van het WK in 1997 scoorde hij een maximumbreak in vijf minuten en twintig seconden, een verbetering van het oude record met twee minuten. In de volgende ronde vloog hij eruit. De Britse pers noemde hem ‘The Two Ronnies’, een verwijzing naar een populair komisch duo uit de jaren zeventig en tachtig.

Tijdens het WK in Sheffield in 2001, waar hij op zijn vijfentwintigste voor het eerst wereldkampioen werd, belde hij met de Samaritans, een hulplijn voor mensen met zelfmoordgedachten, en begon hij Prozac te slikken. Zijn wisselvalligheid was slopend. Hij zocht wanhopig naar een wereldbeschouwing die zin kon geven aan zijn leven. Hij raadpleegde goeroes en psychiaters. Probeerde zijn heil te zoeken in het christendom, het boeddhisme en de islam. Nadat hij van de marihuana was afgekickt, liep hij ook alle andere Anonieme Verslaafden-clubs af, uit een soort volledigheidsdrang. Hij ging zelfs naar bijeenkomsten van seksverslaafden, terwijl hij helemaal niet aan seks verslaafd was.
Niets hielp. In 2008, sportief gezien in alle opzichten een van zijn succesvolste seizoenen, bezatte hij zich ieder weekend. Zijn relatie met Jo Langley, de moeder van twee van zijn drie kinderen, die hij in de ontwenningskliniek had leren kennen, liep op de klippen.

(O’Sullivan heeft ook nog een dochter van achttien, Taylor, uit een eerdere relatie.) ‘Ik speelde goed, maar ik had geen gezin, geen plek om thuis te komen,’ zei hij. Tussen de toernooien door sliep hij bij een vriend op de bank en las How I Play Snooker, Joe Davis’ klassieke handboek uit 1949.

Vanaf begin 2009 mocht zijn vader voor het eerst overdag de gevangenis uit. Hij zat in een open inrichting in Sudbury, in de Midlands. O’Sullivan wachtte hem op bij de poort. Hij schrok ervan hoe zijn vader eruitzag. ‘Hij leek wel een inbreker,’ zei hij. Ze brachten de dag door in een hotel. Toen Big Ron met O’Sullivans moeder belde, beefden zijn handen. ’s Avonds zette O’Sullivan zijn vader weer af bij de gevangenis en zag hem met de andere gedetineerden naar binnen lopen. Hij leek blij om weer terug te zijn. ‘Ik dacht: Hoe pakken we dit nu verder aan? Ik had hier twintig jaar op gewacht,’ zei O’Sullivan.

Zijn vader, inmiddels op vrije voeten, woont niet bij zijn moeder. Na een of twee pogingen besloot Big Ron ook niet meer naar O’Sullivans snookerwedstrijden te komen kijken. (Hij wilde me voor dit artikel niet te woord staan.)

Toen O’Sullivan zijn training in Romford even onderbrak om te lunchen, nodigde hij me uit om mee te eten. Zalm met gember, zelf thuis gemaakt. ‘Geen spel waar je zo knettergek van kunt worden 
als dit,’ zei hij. Er was nog een speler komen oefenen, zodat op de achtergrond het rustige, onregelmatige getik van botsende biljartballen klonk. ‘Ik heb tegen mijn zoon gezegd dat-ie om de dooie dood niet mag snookeren, daarvoor houd ik te veel van hem.’

Zijn zoon Ronnie is zeven. ‘Ik houd te veel van hem om hem hier te zien komen. Want weet je, het zou in dit spel niet om geld moeten gaan. Het zou niet om roem moeten gaan. Ze zouden de tv moeten uitbannen. Moeten ze gewoon verbieden. Dit is verdomme…’ Hij aarzelde, zocht naar een woord dat krachtig ge-noeg klonk: ‘…een bizarre sport.’

In 2009 was O’Sullivan vierendertig, behoorlijk oud voor een snookerkampioen, en hij speelde niet zo best meer. Hij raakte ervan overtuigd dat de neergang niet te stuiten was. Hij was verwikkeld in een juridische strijd met Langley, om geld en om de zorg voor Ronnie en diens grote zus Lily. O’Sullivan woonde op een woonboot. In vier grote toernooien op rij vloog hij er al in de eerste ronde uit. Zijn snookerinkomsten vielen van circa 750.000 pond per jaar terug tot 150.000. Hij durfde op de biljarttafel geen risico meer te nemen. Hij verloor het zelfvertrouwen dat hij nodig had om met topspin te spelen. ‘Ik zat vast van binnen,’ zei hij. ‘Ik kon die bal gewoon niet krijgen waar ik hem hebben moest.’

Zijn manager haalde hem over om naar Steve Peters te gaan, een hoogleraar psychiatrie aan Sheffield University. Vroeger werkte Peters in Rampton Hospital, een van de drie zwaarbeveiligde psychiatrische inrichtingen in Engeland. Maar de afgelopen tien jaar is hij vooral bekend geworden door zijn werk als mental coach voor topsporters, zoals de Britse olympische wielerploeg. De 61-jarige Peters woont in een somber landhuis midden in de prachtige troosteloosheid van het noordelijke Peak District. In het voorjaar van 2011 kwam O’Sullivan daar langs. ‘Hij was er heel slecht aan toe,’ zei Peters. ‘Het was zorgwekkend om te zien.’

Innerlijke chimpansee
Overal in het huis van de psychiater staan kleine chimpansees van plastic, porselein of wol. Om eerstejaarsstudenten medicijnen uit te leggen hoe onze hersenen werken, bedacht Peters in de jaren negentig de zogenaamde ‘chimpansee-paradox’. In zijn visie is er sprake van wedijver tussen de rationele, meer ‘menselijke’ delen van onze hersenen en de oudere, ‘aapachtige’ regionen. Onze chimpansee 
vervult essentiële functies, maar is ook heel sterk 
en raakt snel in paniek. ‘Een chimpansee is vijf keer zo sterk als wij,’ vertelde Peters me. ‘Als je je leven met zo’n dier deelt, moet je hem met respect behandelen.’ In zijn werk met sporters beschouwt Peters zichzelf niet als arts. Hij ziet zichzelf meer als een coach die hun leert hoe ze met hun innerlijke chimpansee moeten omgaan.

Het idee sprak O’Sullivan meteen aan: ‘Ik had echt iets van: ja, zo heb ik de afgelopen zeventien jaar geleefd.’ Nadat zijn vader in de gevangenis verdween en zijn leven en snookercarrière in het slop raakten, had O’Sullivan afwisselend geprobeerd om innerlijke rust te vinden of juist helemaal te stoppen met denken. 
Peters spoorde hem aan zijn negatieve gedachten op te schrijven – de chimpansee in O’Sullivan piekert bijvoorbeeld veel over zijn rechterarm – en ze vervolgens stuk voor stuk te ontkrachten met onweerlegbare feiten over zijn kunnen en zijn prestaties tot nu toe. ‘Boksen met de aap’ noemt Peters die dialoog met jezelf. Voor O’Sullivan was het een openbaring. ‘Ik wist niet dat ik dit ook kon doen,’ zei hij. ‘Ik wist niet dat ik het vermogen had om het onder de duim te houden.’

Zijn spel profiteerde niet meteen van de sessies met Peters. Op het Brits kampioenschap van 2011 leed O’Sullivan nog een demoraliserende nederlaag tegen Judd Trump. Trump, toen 22, heeft een flamboyante speelstijl (hij noemt het zelf ‘stout snooker’) en wordt vaak als erfgenaam van O’Sullivan beschouwd. Hij draagt opzichtige Christian Louboutin-loafers met spikes en op de boord van zijn overhemd prijken zwarte sterren. En dat jaar verloor O’Sullivan van Trump, hoewel hij geen zorgen aan zijn kop had en naar eigen zeggen goed had gespeeld. ‘Ik had niet gedacht dat zoiets mogelijk was,’ zei hij.

Het voorjaar daarna kwam de witte bal terug. In de kwartfinale van het China Open in Beijing was O’Sullivan de tafel aan het leegschieten in het beslissende frame van de wedstrijd. Hij stond op het punt de wedstrijd te winnen en moest de witte bal met een eenvoudige backspinstoot klaarleggen voor de laatste rode bal. ‘Ik weet nog dat ik dacht: Nou ja, ik weet hoe je deze hoort te spelen,’ zei hij. ‘Hoe hij er geheid in gaat.’ In plaats daarvan waagde O’Sullivan een subtiele, bijna onmogelijk lastige stoot met topspin – volstrekt onnodig in die situatie. De bal rolde over het laken, raakte de band en rolde een paar centimeter te ver door. Het kostte O’Sullivan de wedstrijd, maar hij was er dolblij mee. Geen mens die zo speelt. ‘Die stoot is me bijgebleven, want ik wist dat ik de verkeerde keuze maakte, maar dat kon me niet schelen,’ zegt hij.

Toen hij het volgende toernooi, het WK van 2012, weer had gewonnen, hing hij zijn keu aan de wilgen. Hij wilde niet meer biljarten. Hij wilde meer hardlopen en meer tijd met zijn kinderen doorbrengen. Buiten het snooker leidt O’Sullivan een eenvoudig leven. Hij gaat naar de sportschool en koopt bagels 
in Chigwell. Hij probeert graag nieuwe Chinese restaurants uit. De rest van dat jaar raakte hij de keu nauwelijks nog aan. In de winter deed hij vrijwilligerswerk op een boerderij. Hij groef greppels en voerde de varkens. Voor de geiten was hij een beetje bang. Er werd hem daar niets gevraagd en de mensen leken niet te weten wie hij was. Hij genoot van de stille kameraadschap op de boerderij en van zijn hardloopclubs, van het contact met gewone mensen, met gewone levens en gezinnen. Maar het leven was zonder snooker wel saai, en ook beangstigend. ‘Het is eng,’ zei hij. ‘Ik dacht dat ik het wel aankon, maar ik heb het een tijdje aangekeken en het beviel me voor geen meter.’

Schoolgeld
O’Sullivan begon zich zorgen te maken over geld. 
Hij liep achter met de betaling van het schoolgeld voor zijn kinderen en besefte dat hij zijn financiële toekomst nooit goed had gepland. ‘Het spelen zelf miste ik niet,’ zei hij. ‘Maar ik besefte ineens wel: tering, ik moet ook de komende veertig jaar nog zien door te komen.’ Hij kondigde aan dat hij in Sheffield zijn titel zou verdedigen. Bij de bookmakers was O’Sullivan meteen een van de favorieten. Hij ging 
zes weken in training. Zelfs al verloor hij in de eerste ronde, zo redeneerde hij, dan verdiende hij altijd nog 12.000 pond, genoeg voor het schoolgeld van één semester. Uiteindelijk won hij zijn vijfde wereldtitel en 250.000 pond. Daarmee was hij de eerste speler sinds Stephen Hendry die de titel tweemaal op rij won. ‘Dit is mijn laatste kunstje,’ zei hij tijdens het toernooi tegen de pers. ‘Ik kan mezelf niet steeds ongelukkig blijven maken.’ Een maand later besloot hij toch door te gaan met spelen.

Sinds zijn terugkeer in 2013 heeft O’Sullivan meer oog voor het leven na snooker. Hij heeft nu zijn eigen tv-programma op Eurosport, The Ronnie O’Sullivan Show, en hij wil meer tv-werk doen. Maar de voorbereidingen voor het leven hierna leiden hem ook 
af. De afgelopen winter maakte hij zich zorgen om zijn vorm. Hij voelde zich kwetsbaar en twijfelde 
of hij zich wel voldoende op het spel richtte. Begin februari begon hij zich voor te bereiden op het WK van dit jaar. Maar hij zegt dat hij de hele dag loopt te piekeren over wat hij nu allemaal wel en niet moet doen: ‘Moet ik meer spelen? Neem ik te veel ander werk aan? Word ik een soort manusje-van-alles dat nergens meer echt goed in is? Word ik zo’n type, zo’n schnabbelaar?’

Op toernooien blijft hij een beest, een gretige oude koning. Op het Brits kampioenschap in december was de geblesseerde O’Sullivan afwisselend bot en poeslief tegen tegenstanders. Na zijn zege op Anthony McGill, een jonge Schotse speler die hij bewondert, gaf hij hem nog tien minuten technische adviezen. (McGill bleef de hele nacht op om de partij na te spelen en sms’te O’Sullivan om hem te bedanken.) In de halve finale stond hij, met 4-1 achter, op het punt te verliezen van Stuart Bingham, nummer negen op de wereldranglijst. ‘Dat was een wedstrijd waarin ik dacht: Ik laat me niet op mijn kop zitten door iemand als Stuart,’ vertelde O’Sullivan me na afloop. ‘Daar ben ik echt nog niet aan toe. Tering, wat was dat een klotewedstrijd.’ Hij won uiteindelijk met 6-5.
In de finale moest hij het opnemen tegen Judd Trump. De rivaliteit tussen deze twee is momenteel dé grote attractie in het snooker. Het was een best of 19-wedstrijd: wie als eerste tien frames won, won de wedstrijd. De partij begon op zondagmiddag, twaalf dagen nadat O’Sullivan zijn enkel had gebroken. 
Buiten een zonnige wintermiddag. Binnen het eeuwige middernacht van het snookerspel. Duizend man publiek. Trump kwam als eerste op. ‘De jonge kanjer,’ brulde de omroeper. ‘Met zijn eigen stoute snookerstijl!’ De lange Trump heeft het magere, slungelige voorkomen van een te snel opgeschoten tiener.

In de eerste frames slaakte het publiek geregeld een zucht van bewondering om Trumps technische hoogstandjes. Als hij een stoot voorbereidt, is hij net een reiger die zich opmaakt om een vis te vangen. Maar hij liep voortdurend vast. Telkens moest hij na vijf of zes ballen de beurt weer aan O’Sullivan geven. Het grootste deel van de tijd was het muisstil in de zaal. Toeschouwers bij snookerwedstrijden hebben vaak een oortje in waarop een commentator de fijne kneepjes uitlegt. Het geluid van die oortjes lekte soms de zaal in, en dan hoorden de spelers hoe er over hen werd gepraat. In het vierde frame legde O’Sullivan zijn geblesseerde enkel op de rand van de tafel om een lastige bruine bal te potten. ‘Het lijkt bij hem allemaal zo makkelijk,’ hoorde je een stem zeggen. Aan het eind van de middagsessie stond O’Sullivan met 5-3 voor.

O’Sullivanesk
’s Avonds nam hij de leiding stevig in handen. Elke keer als Trump vastliep, nam O’Sullivan het over en veegde de tafel leeg. Hij won vier van de volgende vijf frames. In het twaalfde maakte hij een break van 
133 punten, steeds weer terugkerend bij de zwarte bal. De laatste twee rode ballen lagen midden op de tafel tegen elkaar alsof ze versmolten waren, maar O’Sullivan speelde ze uit elkaar met een achteloze kaatsbal die bijna abstract was van schoonheid, als een zuivere gedachte. ‘Prachtig toch?’ mompelde een man achter me.
Toen O’Sullivan 9-4 voor stond en nog maar één frame verwijderd was van de overwinning, kwam zijn vriend 
Chic Gourlay de kleedkamer uit om te kijken. Toen werd Trump wakker. Hij had niets meer te verliezen en begon de ballen nog harder te raken dan daarvoor, maar nu vlogen ze er ook in. Trump won het frame, en ook de volgende drie. In 26 minuten scoorde hij 333 punten. O’Sullivan, die nauwelijks nog van zijn stoel kwam, scoorde er acht. Uit de oortjes lekte het woord ‘O’Sullivanesk’ als omschrijving van Trumps prestatie. Het werd 9-9.

Hoe loopt het af? O’Sullivan vertrouwt zichzelf niet en is bang dat hij de tekenen niet zal herkennen. 
‘Ik kan de komende twee jaar aan één stuk door 
verliezen, en dan ineens weer twee jaar winnen,’ 
zei hij. ‘Dat is het lastige, in zekere zin. Hoe kun je 
er dan een punt achter zetten?’

De spelers kwamen de kleedkamer uit voor het laatste frame. Ze schudden elkaar de hand. Vooraan in het publiek zat een toeschouwer in een T-shirt met de tekst ‘Keep Calm and Play Snooker’. Trump deed de afstoot. O’Sullivan potte een eerste rode bal. Het leek ineens riskant om te beginnen. Na zestien punten ging O’Sullivan de fout in en kreeg Trump zijn kans. Maar die wist er niet van te profiteren. Ze begonnen safety shots uit te wisselen: de witte bal rolde de hele tafel over, schampte een rode bal en verdween via de band weer achter een muur van gekleurde ballen. Dat ging zo door tot Trump per ongeluk een rode bal meenam. ‘Al dat fucking voetenwerk, die perfecte beheersing die hij al twintig, dertig stoten lang aan de dag legt,’ zei O’Sullivan ooit, toen hij uitweidde over de kunst van het safety shot. ‘En bam, ik neem hem te grazen.’ Hij had de witte bal vastgelegd achter de groene. Trump kwam er niet goed uit en ineens had O’Sullivan vrij spel. Zijn mond ging een stukje openstaan, hij begon wat sneller om de tafel heen te lopen. Vier uur, 53 minuten en 6 seconden stond er al op de klok.

Daarna was er nog één moment waarop O’Sullivan 
in moeilijkheden leek te komen, heel even maar. 
De witte bal belandde iets te dicht bij de blauwe. 
Die moest hij zien te omspelen. Maar voor de rest kwamen de ballen precies waar hij ze wilde. Eerst een rode bal, toen de roze, weer een rode en toen de gele. De witte bal bleef naar zijn pijpen dansen. Hij speelde het uit. Ik sprak hem later, na de confetti en de prijsuitreiking. Arbeiders schroefden de snookertafels uit elkaar om ze naar een volgend toernooi te brengen. ‘Hij kwam terug,’ zei O’Sullivan. Hij keek zowel opgelucht als opgejaagd. ‘Soms weet je dat de witte wel terugkomt.’

Sam Knight

(Ronnie O’Sullivan tijdens de match tegen Stuart Bingham afgelopen april, die hij met 13-9 verloor. – © Alex Livesey / Getty)

Tags: snooker

Plaats een reactie