Voorpublicatie: Zeven keer vallen, acht keer opstaan

360 Magazine  | 23 augustus 2018 - 16:0023 aug - 16:00

Sinds zijn debuut Waarom ik soms op en neer spring is Naoki Higashida een internationaal fenomeen; na Murakami is hij waarschijnlijk de best verkopende auteur van Japan. Op zijn vijfde werd hij gediagnosticeerd met een vorm van autisme. Dit is de inleiding tot zijn nieuwe boek Zeven keer vallen, acht keer opstaan door schrijver en journalist David Mitchell.

Naoki Higashida, inmiddels in de twintig, is een vriendelijke, bedachtzame jongeman die bij zijn ouders woont in Chiba, een prefectuur even buiten Tokio. Naoki is autistisch, in een vorm die wordt aangeduid als ernstig en non-verbaal, zodat het voeren van al die vanzelfsprekende gesprekjes die de levens van de meesten van ons zo vergemakkelijken voor hem niet is weggelegd. Dankzij een combinatie van oefening, doorzettingsvermogen en geduld heeft hij echter geleerd te communiceren door zinnen ‘uit te typen’ op een zogeheten alfabetraster, een stuk karton waarop alle lettertekens van het qwertytoetsenbord zijn aangebracht, plus de tekens voor ‘ja’, ‘nee’ en ‘klaar’. Naoki spreekt de fonetische karakters van het Japanse hiragana-alfabet hardop uit en raakt daarbij de overeenkomstige Romeinse letters aan, zodat er zinnen ontstaan die door een transcribent worden genoteerd. (Niemand houdt tijdens deze procedure zijn of haar hand in de buurt van die van Naoki om deze te sturen, een gegeven dat mensen die communiceren via een alfabetraster de sceptische buitenwacht keer op keer moeten voorhouden.) Dit klinkt misschien als een nogal bewerkelijke manier om te vertellen wat je te vertellen hebt, en dat is het ook. Daar komt nog bij dat Naoki door zijn autisme voortdurend wordt bestookt met dingen die hem afleiden, zodat hij regelmatig halverwege een zin opstaat, gaat rondlopen en door het raam naar buiten gaat staan kijken. Hij verliest heel makkelijk de draad van zijn verhaal en moet de zin dan opnieuw beginnen. Ik heb Naoki binnen zestig seconden een ingewikkelde zin zien produceren, maar hem er ook weleens twintig minuten over zien doen om een eenvoudig zinnetje van een paar woorden af te ronden. Als hij een laptop gebruikt, kan Naoki het af zonder menselijke transcribent, maar het beeldscherm en de tekstconvertor (de dropdownmenu’s die nodig zijn om de tekst in Japanse karakters om te zetten) vormen dan een nieuwe bron van afleiding. Naoki heeft elke zin in dit boek met behulp van zijn alfabetraster of zijn laptop geschreven.

Ik leerde Naoki’s werk eerder kennen dan hemzelf. Mijn zoon is autistisch en mijn vrouw komt uit Japan, dus toen ons kind nog klein was en zijn autisme ons voor heftige problemen stelde, zocht zij het internet af naar boeken in haar moedertaal die ons praktische inzichten zouden kunnen bieden in hoe we met hem moesten omgaan, iets wat ons vaak niet goed lukte. Haar zoektocht op het internet leidde naar Jiheisho no boku ga tobi­ haneru riyu , een boekje dat de auteur had geschreven toen hij nog maar dertien was, en dat was gepubliceerd bij een kleine, gespecialiseerde uitgever. Onze boekenkasten puilden uit van dikke boekwerken van deskundigen op het gebied van autisme en van de boeken met getuigenissen van autisten zelf. Hoewel veel van die werken waardevol waren, boden ze doorgaans maar weinig praktische hulp bij de omgang met een niet-pratend, vijfjarig jongetje dat regelmatig overstuur was. Mijn vrouw waagde het erop en bestelde het boek van Naoki omdat hij wat leeftijd betreft niet heel ver van onze zoon af zat, en ook niet praatte. Toen we het boek eenmaal in huis hadden, begon ze er hardop stukken uit te vertalen aan de keukentafel, en veel van de ultrakorte hoofdstukjes bleken onmiddellijk licht te werpen op de gedragingen van onze zoon: waarom hij weleens met zijn hoofd tegen de grond bonkte, waarom hij soms nauwelijks kleren aan zijn lijf kon verdragen, waarom hij in lachen, woede of huilen kon uitbarsten zonder dat daar een duidelijke aanleiding voor leek te zijn. De theorieën van neurotypische schrijvers die ik tot dan toe had gelezen waren speculaties die soms hout sneden, maar soms ook niet. Waarom ik soms op en neer spring bood geloofwaardige verklaringen die rechtstreeks afkomstig waren van het alfabetraster van een ervaringsdeskundige.

Het vervolg van de inleiding plus enkele hoofdstukken uit Zeven keer vallen, acht keer opstaan lees je hier.

Zeven keer vallen, acht keer opstaan verscheen vorige week bij uitgeverij Meulenhoff.

Plaats een reactie