Gebroken met alles en iedereen

True Story Award / 360  | 29 November 2019 - 10:0029 Nov - 10:00

Du Qiang ging undercover in het Sanhe-district van de Chinese fabrieksstad Shenzhen om vat te krijgen op een groep arbeidsimmigranten, de zogenaamde ‘Sanhe-goden’ die daar rondhangen.

De goden hebben gebroken met alles en iedereen, sommigen hebben zelfs hun ID-kaart verkocht. Ze slijten hun dagen in internetcafés.

Dit artikel mag je gratis lezen omdat het is getipt door onze partner De Correspondent.

» Lees dit artikel in de Reader (gratis voor leden)

Vlak voor het Lentefestival van 2011 ging ik naar huis om het graf van mijn grootmoeder te verzorgen. In mijn geboortedorp liep ik jeugdvriend Wang Lang tegen het lijf. Vanaf het moment dat ik naar Beijing was vertrokken om te gaan studeren, was ik voortdurend bang dit soort jeugdvrienden tegen te komen. Ik vond het een ongemakkelijke situatie.

‘Ben je naar Guangdong gegaan om werk te zoeken?’ vroeg ik hem.

Wang Lang haalde zijn linkerhand uit zijn mouw en tekende een acht in de lucht [in de Chinese cultuur staat het cijfer acht voor voorspoed en rijkdom]. Omdat hij zag dat ik het niet begreep, draaide hij zijn hand om. ‘Ik ben drie vingers kwijt. Tienduizend per vinger, als schadeloosstelling.’

Toen we jong waren, kwam Wang Lang geregeld langs met gestoomde broodjes en dan bleef hij bij mij thuis videospelletjes spelen. Zodra hij de voetstappen van zijn vader hoorde, verstopte hij zich onder mijn bed. Wang Lang was niet goed in Double Dragon of Super Mario. Zijn poppetje viel vrijwel meteen in een vuurkuil, waarna hij alleen nog maar op het bankje kon zitten toekijken hoe ik speelde. Het kan zijn dat hij te veel opging in het spel. Wanneer het echt spannend stak hij zijn hand in zijn onderbroek en speelde met zwarte, plakkerige vingers met zijn piemel. Nog voor zijn vijftiende verliet hij ons dorp op zoek naar werk. Voor de laatste vier jaar van de middelbare school verhuisde ik naar de stad. Ik heb nooit echt kunnen wennen aan het stadsleven en ik vond het heel naar dat ik geen schoenen had. Ik schreef een keer in een opstel dat ik liever weer terug naar het platteland zou gaan om maïs en graan te verbouwen. Mijn leraar Chinees gaf me een heel goed cijfer voor dat opstel en had in de kantlijn geschreven: ‘Niet teruggaan, hoor!’

MOGEN WE EVEN JE AANDACHT?
Dit artikel krijg je van 360 cadeau. We geloven dat internationale context leidt tot een beter begrip van de wereld om ons heen. Daarom zijn we blij als je dit artikel voor ons deelt. Nog blijer zijn we als je je bij ons aansluit: Probeer nu 5 nummers voor maar 15 euro. Duurt een paar minuten, stopt automatisch.
Bedankt

Zeven jaar later vond ik een goede baan en net als mijn vrienden leid ik inmiddels een prima bestaan. Ik schaam me niet langer voor mijn verleden en ik heb het gevoel dat ik de ketenen van mijn afkomst heb afgeworpen en dat ik een ‘vrij man’ ben. Maar telkens wanneer ik lees over arbeidsmigranten, moet ik denken aan de drie vingers van Wang Lang. Ik ben gaan begrijpen dat er maar dít hoeft te gebeuren of mijn leven ziet er net zo uit als dat van hem.

In de zomer van 2017 heb ik mijn meest afgetrapte schoenen en mijn meest groezelige T-shirt uit de kast gehaald – een groen shirt van Uniqlo, met korte mouwen en een draak op de voorkant. De schoenen waren betrekkelijk nieuwe Converse-gympen die ik maar een week of zo had gedragen en toen in de kast had gezet omdat ze doorweekt waren geraakt in de regen. Ik was van plan ze aan te trekken naar Shenzhen, waar ik aan den lijve wilde ondervinden hoe het is om een arbeidsmigrant te zijn.

Valse verwachtingen

Dat hoort natuurlijk allemaal bij het leven van een non-fictieauteur. Vanaf het moment dat ik mijn spullen heb gepakt, kom ik niet meer helemaal los van het gevoel dat ik in zekere zin hypocriet bezig ben. Tegen wil en dank ben ik gelukkig en voel me superieur. Ik kijk neer op anderen, denk nogal hypocriet dat ik een zekere verantwoordelijkheid draag, of het is nog iets anders, waarvan ik me niet bewust ben. In de maanden die volgen blijken mijn angsten ongegrond: in plaats daarvan gebeuren er heel andere dingen, dingen om razend van te worden.

Voor mijn vertrek was ik behoorlijk zelfverzekerd. Ik was gewend om op het platteland te wonen dus ik zou niet snel door de mand vallen, dacht ik. Maar zodra ik de banenmarkt van Sanhe betreed, is me meteen duidelijk dat al mijn verwachtingen vals waren. Ik had gehoord dat alle Sanhe-goden depressief waren, dat ze geen drie maaltijden per dag konden betalen en dat ze een ellendig leven leidden. Maar in werkelijkheid komen ze helemaal niet depressief of ellendig over. In de zogeheten Banenmarkthal rollen nieuwe arbeidsmigranten hun bagage uit, aarzelend, met gefronste wenkbrauwen en opgetrokken schouders, alsof ze bang zijn op een landmijn te stappen. De echte goden zijn volkomen ontspannen, sloffen wat rond op hun slippers, buik naar voren. Uit hun hele houding spreekt dat ze overal en nergens zijn geweest en dat de wereld aan hun voeten ligt.

Gevloek

Ik weet dat ik vooral met grove taal moet strooien, maar het lukt me alleen aan het begin van een zin, als een manier om het ijs te breken. ‘Jezus, twaalf yuan per uur, bro, weet jij een goeie plek om te slapen?’ Ik sta bij de lijsten waarop baantjes worden aangeboden en probeer een gesprekje aan te knopen met de andere arbeiders. Dan merk ik dat zij erop los vloeken: ‘Ik ben *** naar die *** fabriek gegaan en die *** vent zei dat het *** een makkie was, *** niet moeilijk, ***!’ Wat ze zeggen, doet niet echt ter zake maar komt recht uit het hart. Na al het gevloek en getier zegt een van die mannen tegen me: ‘Jij bent hier nog maar net, hè?’ Ik stamel wat: ‘Ik ben op zoek naar mijn broertje. Hij is al een jaar van huis.’

Later hoor ik van de andere arbeiders dat de Sanhe-goden niet alleen in staat zijn hun gelijken te herkennen, maar dat ze ook door toneelstukjes heen prikken en meteen doorhebben of iemand al dan niet geld heeft. Dat laatste is misschien niet zo heel moeilijk omdat de arbeiders eigenlijk geen van allen geld hebben. Voor alle zekerheid draag ik in Sanhe alleen mijn identiteitskaart bij me, een oud mobieltje en dertig yuan.

Sanlian Road loopt van het noorden naar het zuiden. De Banenmarkt aan de noordkant is de plek waar de arbeiders rondhangen, waar ze proberen een baantje te vinden of doen alsof ze proberen een baantje te vinden. De Jingle-wijk, een echte woonbuurt, is een paradijs, waar mensen in goedkope internetcafés zitten en waar restauranteigenaren met menukaarten rondlopen en in een megafoon schreeuwen om klanten te trekken. Het enige nadeel van de internetcafés is dat de toiletten vreselijk zijn – niet dat ze niet schoon zouden zijn, maar vaak wassen mensen zich er en doen onbeschrijflijke dingen.

“De echte goden zijn volkomen ontspannen, sloffen wat rond op hun slippers, buik naar voren”

Aan de zuidkant van Sanlian Road ligt, achter sierlijke poorten, het laatste houvast voor arbeiders die geen geld meer hebben: Longhua Park. Op alle bankjes en onder alle bomen liggen mensen. Na het vallen van de nacht is het lastig slapen door de vele muggen.

Terug in de wijk vind ik een goedkoop hotel – dat luistert naar de naam ‘Goedkoop Hotel’. Als ik de eigenaar vertel wat mijn bedoeling is, pakt hij mijn identiteitskaart. ‘Vijftien per dag.’ Vervolgens gaat hij me voor naar de vierde verdieping en wijst naar een ijzeren stapelbed. ‘Het bovenste bed is voor jou.’ Het is een kleine ruimte en aan de wand hangt een piepende ventilator. Drie van de twaalf bedden zijn bezet, twee mannen liggen te snurken, de andere man kijkt porno op zijn mobieltje, waaruit zo nu en dan gehijg klinkt. Ik klauter op mijn bed en merk dan dat de stank niet alleen afkomstig is van de wc, die onder de pies en de stront zit, maar ook van de lakens, die al in geen eeuwen zijn gewassen en vol zwartbruine vlekken zitten.

Na een dag of drie, vier denk ik dat ik qua uiterlijk niet meer zal opvallen tussen de mannen van Sanhe: mijn haar zit vol klitten, er zit een grote zweetplek op mijn T-shirt en mijn onderbenen zitten onder de bulten van de luizen. Uit sommige bulten loopt pus.

Banenmarkt

Toch krijg ik moeilijk contact met de Sanhe-goden. Zodra ik op hen afloop en mijn mond opendoe, gooien ze de meloenzaadjes die ze in hun hand hebben op de grond en lopen weg. Ik heb geen idee wat ik verkeerd doe.

Als de zon opkomt, heb ik moeite om uit bed te komen, meestal omdat ik me niet goed voel of misselijk ben. Door het raam zie ik af en toe arbeiders die langs de kant van de weg liggen te slapen. Ik maak mezelf verwijten. Ik voel me schuldig. Ik kan maar beter niet te veel nadenken anders kan ik mezelf niet meer recht in de ogen kijken.

Wanneer ik langs de Sanhe-goden loop, moet ik vaak denken aan Wang Lang en andere vriendjes uit mijn jeugd, van wie het niet uitgesloten is dat ik ze hier tegenkom. Nadat ik naar de middelbare school was vertrokken, hadden de meesten van hen ons dorp verlaten op zoek naar werk. We zagen elkaar alleen nog tijdens het Lentefestival. Hun glanzende haar was altijd keurig gekamd en sommigen konden heel knap met hun lippen een sigaret in de lucht gooien en weer opvangen. Zij hadden altijd de dienst uitgemaakt in ons dorp: ze rookten, vochten, reden op een motor alsof het een wild paard was, maakten boomhutten, renden met hun honden vele kilometers achter wilde konijnen aan. Zij stelden echt de norm. Maar hoe was het ze verder vergaan? Dat had ik me nooit afgevraagd.

Ik stelde me voor dat ik met mijn jeugdvrienden over de Banenmarkt zou lopen, dat we naar de vacaturelijsten zouden kijken van de elektronicafabrieken, de speelgoedfabrieken, restaurants, logistieke bedrijven, en dat we zouden informeren naar het loon en de werkuren. Maar een dergelijke fantasie was veel te lichtzinnig, ik zou mijn gevoelens nooit kunnen doorgronden als we ooit oog in oog met elkaar zouden komen te staan en elkaar afwachtend zouden opnemen. ‘Wil je naar Foxconn?’ vroeg een magere arbeider me  ineens. ‘Als je niet gaat, kun je hier nog een eeuwigheid wachten.’

Guabi

Pas een maand later zal ik tot de ontdekking komen dat Xiao Zeng echt een fijne vent is. Uiteindelijk was hij degene die de moed had te zeggen wat we al veel eerder hadden moeten horen: ‘Jullie zijn een stel wrakken, jullie leven als honden en zijn nergens goed voor.’ Niet dat deze visie nieuw voor ons was – we waren er inmiddels aan gewend geraakt om te worden uitgemaakt voor ‘tuig,’ ‘uitschot’ of guabi, wat zoveel betekent als uitgerangeerd, naar de kloten – maar Xiao Zeng had, ondanks zijn overduidelijke tekortkomingen, het lef om deze treurige, uitzichtloze plek achter zich te laten. Daar keken we allemaal van op.

‘Wil je bij Foxconn kijken?’ vraagt Xiao Zeng. ‘De leiding is heel streng, maar het werk is niet zo zwaar, dus het moet wel lukken.’ Inmiddels is mijn heldhaftige houding van voordat ik naar Sanhe kwam geheel en al verschrompeld en ik zeg alleen: ‘Ik zie wel.’

‘Ben je smerig?’ Na een paar woorden vraagt Xiao Zeng het nogmaals, zijn waterige ogen knipperen onder zijn zware, donkere wenkbrauwen. Dan trekt hij zijn bezwete zwarte T-shirt naar beneden, stopt de rafelige zoom in zijn broek. Zijn spijkerbroek lijkt veel te groot voor iemand die zo mager is als hij. ‘Als je niet smerig bent, kun je bij mij slapen.’

Xiao Zeng neemt me mee naar een zijstraat, waar we een gebouw binnengaan. Hij loopt heel snel de trap op, alsof hij boven iemand moet redden. Xiao Zeng heeft een week geleden van deze plek gehoord. Het dakterras lag vol troep. Hij heeft wat lakens en dekens gestolen van de bewoners en die uitgespreid bij wijze van bed. Nu ligt het beddengoed opgerold op een emmer verf. Ik loop het dakterras op. Hij loopt over kapotte bloempotten en wijst naar een aantal appartementengebouwen aan de overkant. ‘Zolang er niemand op het terras is, kunnen wij hier slapen. Dat is een stuk beter dan langs de weg.’

Ik kijk naar de zwijnenstal en begrijp niet waarom Xiao Zeng iemand zou vragen of hij al dan niet ‘smerig’ is. Maar Xiao Zeng kijkt er heel trots bij en zegt dat ik goed moet onthouden welk gebouw het is. Als hij die middag wordt aangenomen bij Foxconn, mag ik zijn geheime slaapplek overnemen.

Als we weer op straat staan, vraagt Xiao Zeng wat ik van plan ben. Ik wijs naar de overkant van de straat. ‘Ik ga naar een internetcafé.’ Hij zwaait en loopt naar een bushalte.

Waar de wijk grenst aan Sanlian Road, is alles keurig netjes. Winkeltjes langs de kant van de weg. Maar binnen in die winkeltjes is het een heel ander verhaal: boven ons hoofd bungelen elektriciteitssnoeren, als aderen, en er lopen internetkabels van een internetcafé naar de elektrische bedrading van een restaurant, waar alles heel rommelig om de airco-unit heen loopt die uit het raam steekt, om vervolgens allerlei diepe steegjes in te slingeren. Een paar goden hangen tegen de muur, zonder zich iets aan te trekken van voorbijgangers of het afvoerwater van het restaurant, of van de mannen die de straten schoonmaken en met leren slangen het wegdek schoonspuiten. Desondanks voert de zomerse hitte een zurige stank van bederf met zich mee.

Voor het Dajiale Internetcafé staat een groepje mensen. Kennelijk is er net een arbeider afgevoerd op een brancard. Twee vrouwen uit het dorp zitten te kletsen terwijl ze de ambulance nakijken.

“Ze zien er zo vies uit. Zij hebben toch ook ouders? Hoe kan dit allemaal?”

‘Er was hier laatst een knappe vent. Hij had zo’n honger dat hij niet meer kon bewegen. Hij stond voor het restaurantje te kwijlen. De eigenaresse gaf hem een kom noedels maar hij durfde er niet van te eten. De eigenaresse zei dat hij niet hoefde te betalen en dat hij het gewoon mocht meenemen. Hij keek de hele tijd om zich heen maar durfde nog altijd geen hap te nemen. Volgens mij was hij verlamd door zelfmedelijden.’

‘Zie je niet hoeveel mensen er op straat slapen? Ik zou ze best wat kleren willen geven. Ze zien er zo vies uit. Zij hebben toch ook ouders? Hoe kan dit allemaal?’

‘Ik wilde hem een briefje van tien geven, maar hij durfde het niet aan te nemen. Ik vroeg wat er aan de hand was en hij zei dat hij iets kwijt was.’

‘Als ze al hun energie ’s avonds in de kroeg verkwisten, hebben ze overdag toch geen energie meer om op zoek te gaan naar werk? Als ze een dag hebben gewerkt zien ze er nog aantrekkelijk uit. Maar als ze uit het internetcafé komen zijn het net spoken.’

Nadat ze hun medeleven hebben betuigd, draait een van de vrouwen zich om en gaat weer naar het internetcafé, terwijl de andere iets roept over een of ander hotel in de straat.

De internetcafés zitten vrijwel altijd vol. Zelfs ’s avonds is het nog lastig om een plekje te vinden. Nadat ik achter een computer in de hoek ben gaan zitten weet ik niet wat ik moet doen. De god links van me laat zijn held door het gras scheren en de god aan mijn andere kant is pornosites aan het bekijken, alsof hij helemaal alleen is. Na een uur of twee tikt iemand op mijn schouder. Het is Xiao Zeng. ‘Ben je er weer? Was het gesprek geen succes?’

‘Shit,’ zegt hij, en dan zet hij de computer aan. Foxconn is druk bezig met de productie van de iPhone X en kan wel wat extra hulp gebruiken – maar natuurlijk alleen van mensen die hun handen en voeten nog hebben. Rond het middaguur waren zo’n zeventien goden samen met Xiao Zeng gaan solliciteren. Na van een gratis lunch te hebben genoten gingen er vijftien weg. Xiao Zeng geeft een klap op het toetsenbord en zegt: ‘Verdomme, ik ben nog niet eens begonnen maar ik zou het uitzendbureau nu al meer dan tweehonderd schuldig zijn, voor medische controles en vervoer en wat al niet. Ik heb mijn identiteitskaart weer gepakt en ben vertrokken.’

“‘Verdomme, weer een dag naar de kloten’”

Hij begint aan een nieuwe ronde League of Legends en wil dat ik met hem meedoe. Aanvankelijk staan we er niet al te best voor; onze andere teamgenoten hebben allemaal de handdoek in de ring gegooid. Xiao Zeng spreekt zichzelf toe: ‘Niet opgeven, we kunnen winnen!’ Hij kijkt ingespannen naar het scherm en zijn vingers dansen over het toetsenbord. Zo nu en dan schreeuwt hij iets tegen me en op het moment dat hij het tij heeft weten te keren en uiteindelijk toch heeft weten te winnen, laat hij de muis vallen. ‘Te gek, toch?’

‘Kom, we gaan roken.’ Xiao Zeng duwt zijn stoel weg en vraagt aan de bar twee ‘Nanjing’-sigaretten van vijftig cent per stuk. Hij gaat naar buiten en leunt tegen een elektriciteitsmast. Er lopen mensen af en aan, alsof het een geautomatiseerd systeem is waarover niemand zich hoeft te ontfermen. Xiao Zeng rookt en zwijgt, maar dan ineens komt zijn frustratie naar buiten. ‘Weer een dag naar de kloten.’

Drugsdealer

Twee dagen later, als ik net mijn T-shirt heb uitgetrokken en in bed wil kruipen, stuurt Xiao Zeng me een berichtje, dat hij de hele dag niet heeft gegeten, zich overbodig voelt en dood wil, en dat hij op het dakterras staat.

Ik sta meteen op. Ga met wat gestoomde broodjes en een fles water naar het appartementencomplex waarvan Xiao Zeng heeft gezegd dat ik goed moest onthouden waar het is. Ik loop de donkere trap op. Naast een deur van het trapportaal zie ik zijn magere schaduw.

‘Als het allemaal niets wordt, kun je naar huis gaan,’ zeg ik tegen Xiao Zeng.

‘Naar huis? Daar valt niets te verdienen.’

‘Er zijn zat mensen die geen geld kunnen verdienen. Daarom hoef je nog niet zo te doen.’

‘Het heeft geen zin om naar huis te gaan. Tijdverspilling,’ zegt Xiao Zeng. ‘Mijn oudere broer zit in de gevangenis. Zodra hij vrijkomt, kan ik samen met hem mijn slag slaan.’ Zijn broer verkocht al op jonge leeftijd drugs op het platteland. Later verkocht hij drugs in de stad en heeft daar een vermogen mee verdiend. Zijn hele bed lag vol met geld. Toen zijn broer werd opgepakt heeft Xiao Zeng de benen genomen uit angst mee te worden gesleurd in zijn val. Hij is naar Wuhan gegaan, naar Beijing, Tianjin, Shanghai, Hangzhou en Wenzhou en hij heeft tientallen baantjes gehad. Uiteindelijk is hij in Sanhe beland. Zijn familie weet dat hij vrijwel niets verdient en hij heeft al twee jaar geen contact meer opgenomen, maar daar zit Xiao Zeng niet mee.

‘Het is niet moeilijk om aan wat geld te komen.’ Xiao Zeng kauwt op de gestoomde broodjes. Er zit een dikke puist op zijn wang. ‘In de grote steden zitten meer dan genoeg drugsdealers. Maar daar hou ik me momenteel niet mee bezig. Als de nood aan de man komt, ligt dat anders.’

Op die manier vertrouwt Xiao Zeng mij zijn geheim toe. Maar ik op mijn beurt kan hem niet vertellen dat ik een nep-god ben. Vanaf dat gesprek zijn we ‘vrienden’ en niet langer twee onbekenden die elkaar bij toeval zijn tegengekomen.

In de tien dagen die volgen hangen we hele nachten in internetcafés en rijden op deelfietsen zonder zadel door de stad. Hij vertelt me wat voor baantjes ik wel en niet moet aannemen in Sanhe. Waar het op neerkomt: ik moet geen enkel baantje aannemen. Hij raadt me ook af om te trouwen met een meisje van het platteland, dat niets van de wereld heeft gezien. Hij zegt dat ik meisjes mee uit kan vragen maar dat ik moet weten wat ik wel en niet kan zeggen. Op een avond wil hij iets zeggen, begint dan te blozen en slikt zijn woorden weer in. Ik vraag hem wat er is. ‘Kun je me tien yuan lenen voor eten? Je krijgt het van me terug.’

Ik waardeer mijn vriendschap met Xiao Zeng. Het is een duidelijk, eerlijk, solidair gevoel. Waarschijnlijk speelt er ook iets mee van superioriteitsgevoel, maar daar sta ik maar zelden bij stil.

Op een middag zit Xiao Zeng voor het Jiesu Internetcafé en wijst naar een wazig kijkende arbeider in een blauw T-shirt. ‘Die gast ken ik van het Longhua-treinstation.’ Xiao Zeng kon op een nacht nergens terecht. Hij werd wakker van iemand die hem twee yuan toewierp. Hij kocht een fles water, die hij deelde met de man naast zich.

‘Hoe heet je?’ vraag ik aan de man in het blauwe T-shirt.

Hij aarzelt. Ik wil net over iets anders beginnen als hij op zachte toon zegt: ‘Zhang Weiwei.’

Xiao Zeng komt overeind van zijn stoel. ‘Kijk.’ Hij tilt zijn linkervoet op en laat me een smoezelig verband zien.

Politiebureau

De vorige avond hebben twee berooide Sanhe-goden Xiao Zeng om hulp gevraagd. Ze zeiden dat ze al de hele dag niets hadden gegeten en dat ze op zoek wilden naar werk, maar dat ze geen schoenen noch identiteitskaarten hadden. Xiao Zeng nam ze mee naar zijn plek op het dakterras. Tegen zonsopgang werd hij wakker van voetstappen op de trap. Hij voelde meteen in zijn zakken en rende op blote voeten de trappen af. Maar al snel haalde hij zijn voetzolen open aan glasscherven en gutste het bloed naar buiten. Omdat ook zijn mobieltje was gestolen, ging hij naar het politiebureau om aangifte te doen van diefstal.

‘Ik zweer je dat ik nooit meer iemand help die ik niet ken. Die agent heeft gezegd dat ik vooral op mijn hoede moet zijn voor mensen die vuile kleren dragen.’ Voordat Xiao Zeng het politiebureau weer verliet, gaf de agent hem 200 yuan voor noodgevallen, uit medeleven.

Achteraf gezien denk ik dat Xiao Zeng hunkerde naar vriendschap en dat hij bereid was het weinige wat hij had, daarvoor in te ruilen. Maar de Sanhe-goden vonden zijn opmerkelijke gedrag wat overdreven, om niet te zeggen idioot. Xiao Zengs enthousiasme is echter niet zonder bijbedoelingen. Telkens wanneer hij iemand leert kennen, stelt hij dezelfde vraag: ‘Wil je samen met mij naar de fabriek? In mijn eentje is er niets aan.’

Xiao Zeng strompelt voort en besluit poolshoogte te gaan nemen op de Banenmarkt. Zhang Weiwei volgt hem op een deelfiets met maar één pedaal. ‘Het is eigenlijk geen leven in Sanhe,’ zegt hij. ‘Hoe langer je hier woont, hoe meer je doodgaat. Vroeger was ik echt niet zo lui.’ Hij had vroeger schulden geïnd in Huizhou. Hij stuurde kisten naar de familie van mensen die schulden hadden uitstaan en verdiende zo een paar duizend per dag. Daarna raakte hij verwikkeld in een strijd op leven en dood en besloot naar Sanhe te vluchten. Sinds hij hier twee maanden geleden is aangekomen heeft hij bijna niet gewerkt.

Het is een drukte van belang op de Banenmarkt. De arbeiders verdringen zich om de voormannen, die maar moeilijk kunnen kiezen. ’s Middags zijn alleen nog logistieke bedrijven en restaurants op zoek naar mensen. ‘Zullen we gaan kijken?’ zegt Xiao Zeng. Zhang Weiwei kijkt verbitterd. Hij heeft dit werk al eens gedaan. ‘De grote pakken zijn allemaal zware spullen, dozen mineraalwater of dozen vol sojasaus. Als je iets breekt, moet je dokken.’ Hij heeft geen zin om zich uit de naad te werken en blijft liever niksen. Xiao Zeng is een beetje teleurgesteld. ‘Verdomme, weer een dag naar de kloten.’

We vinden alle drie een fiets en rijden langs Sanlian Road naar Longhua Park. We komen langs verlaten bouwplaatsen en grote pleinen en overal zien we gehaaste voetgangers. We rijden over onbekende wegen, laten onophoudelijk onze bel rinkelen in smalle, koele steegjes. Als we weer bij de grote weg komen is er net een fris briesje opgestoken.

Ik moet denken aan mijn laatste jaar op de middelbare school. In de drukke aprilmaand, net voor het toelatingsexamen, reed ik vaak wat op mijn fiets rond. De stad waar ik woonde, was niet welvarend. Het hoogste gebouw telde dertien verdiepingen maar had een tamelijk bombastische naam: World Trade Centre. Destijds had ik niet veel op met het stadsleven, en mijn toekomst lag nog voor me, maar ik had me nog nooit zo vredig gevoeld. Nu, in de straten van Shenzhen, word ik overspoeld door datzelfde gevoel. Vergeefs probeer ik erachter te komen wat het is.

“Niets helpt hier, ambitie niet en kwade gedachten evenmin”

Wanneer de straatverlichting aangaat, keren Xiao Zeng, Zhang Weiwei en ik terug naar een internetcafé, omdat we niets beters te doen hebben. We hebben de computers nog niet aangezet of een agent roept: ‘Xiao Zeng!’

Nadat de ‘dieven’ op de vlucht waren geslagen, hadden ze zich verspreid om te ontkomen aan het net dat de politie had uitgeworpen. Maar al snel waren ze buiten adem geraakt en waren ze opgepakt.

Xiao Zeng gaat bij een agent achter op de scooter naar het politiebureau van Longcheng. Hij keert stralend terug, en zegt: ‘Haha, die twee idioten hebben me hun excuses aangeboden. Gênant. Ze gaan jaren de bak in. Zeker drie. Stuitend. Ze moesten huilen. Wat heb ik eraan dat ze spijt hebben. Eentje zei dat ik hem mocht slaan. Dat heb ik niet gedaan, ik heb gezegd: “*** je *** moeder.”’

Lot keren

Er komt een tyfoon aanzetten vanaf zee en het weer in Shenzhen slaat om. Het is al een dag of vijf erg veranderlijk. Sinds ik Xiao Zeng heb leren kennen, slaap ik beter in mijn stapelbed, gaat het vloeken me makkelijker af en loop ik vaak zonder hemd over straat. Naarmate ik meer word opgenomen in de groep Sanhe-goden is grofheid geen optie meer maar een noodzaak – een vorm van verzet. Wanneer een beschaafd iemand je in het voorbijgaan een minachtende blik toewerpt, voel je geen schaamte, nee, je voelt je sterk en heel erg in je element, alsof je uiteindelijk iets hebt dat het beschermen waard is.

Zo tegen het middaguur ga ik net als anders op zoek naar Xiao Zeng. Hij zit gehurkt op de stoep voor een warenhuis en kijkt naar een arbeider die bij een waarzegger zijn toekomst voorspeld krijgt. ‘Zeg het alsjeblieft als ik de bak in ga.’ Xiao Zeng gaat naast hem zitten. Hij pakt de koperen muntjes die op de grond liggen, klemt ze in zijn hand en blijft er maar naar kijken.

De waarzegger haalt een hand door zijn grijswitte haar. In Sanhe heeft hij te veel stof van de straat opgesnoven, heeft hij te veel troebele blikken gezien. Mensen zijn tot vrijwel alles bereid om hun lot te doen keren – hij beweert dat iemand hem voor honderdduizend yuan heeft gevraagd een steen in zijn tuin te verplaatsen. Ook heeft iemand ooit zijn suggestie letterlijk genomen dat hij het onheil moest afwenden door met geld te smijten, en die man heeft een miljoen aan contanten in de rivier gegooid. De waarzegger bergt zijn kleingeld op en mompelt iets. Wat hij bedoelt te zeggen: de episode van de inbraak is achter de rug en het geluk ligt binnen handbereik.

De arbeider betaalt de waarzegger, al is het enigszins wantrouwig: hij lijkt er nog niet helemaal gerust op. Een halfjaar terug werkte hij nog voor een bedrijf dat in handen van de overheid was, maar toen ging hij gokken. Nadat hij een enorme gokschuld had opgebouwd nam hij de benen naar Guangzhou. Samen met een handlanger drong hij een appartementengebouw binnen en stal voor meer dan twintigduizend aan spullen. Sindsdien leeft hij in angst. ‘Ik wil me echt nuttig maken,’ zegt hij tegen ons. Hij was van plan maaltijdbezorger te worden, nadat hij eerst zijn bloed had verkocht, maar hij kon er niet tussenkomen. ‘Oké, verkoop je bloed dan maar. Als ik mijn bloed zou verkopen, zou ik doodgaan,’ zegt Xiao Zeng. ‘Ik heb niet veel bloed meer over.’

Honger

In de afgelopen vijf dagen heeft Xiao Zeng de tweehonderd yuan die hij van de agent heeft gekregen alweer uitgegeven. Ineens bedenkt hij dat hij wat geld nodig heeft om in de fabriek te kunnen gaan werken, om de tijd te overbruggen tot aan zijn eerste loon. Momenteel heeft hij niet eens geld om eten te kopen. Hij heeft zo’n honger dat zijn hoofd tolt en zijn hart pijn doet. Hij is bang dat hij doodgaat, maar hij wil niets te maken hebben met drugs en hij heeft ook geen werk. Sanhe is inderdaad een magische stad: de mens verandert er in een hoopje ellende. Niets helpt hier, ambitie niet en kwade gedachten evenmin. Xiao Zeng heeft zijn laatste twee yuan uitgegeven aan gestoomde broodjes en geeft Zhang Weiwei een stukje. Daarna gaan ze samen naar Longhua Park om wat water te drinken.

Op alle banken liggen zwervers. Af en toe hoor je vioolspel, afkomstig uit een parkje zo’n tien meter verderop. De buurtbewoners schaken of zingen samen. Zhang Weiwei heeft een filmpje gemaakt en stuurt het me op. In het filmpje ligt Xiao Zeng in een paviljoen. Hij heeft zo’n honger dat hij niet kan slapen en hij mompelt iets. ‘We zijn er geweest.’ Ineens springt hij overeind. Alsof niemand hem ziet, sluipt hij naar een scooter die vlakbij staat geparkeerd, rukt de accu eruit en rent met de accu in zijn armen naar de wijk. ‘Wegwezen! Wegwezen!’

Ik leg mijn mobieltje weg en loop het hotel uit. Beneden staan tientallen buurtgenoten die het steegje blokkeren, met tegenover zich de politie. Ze protesteren: ‘We willen leven!’ De overheid wil afrekenen met de slechte reputatie van Sanhe en is van plan de buurt voor de zoveelste keer schoon te vegen. Internetcafés moeten ’s nachts de deuren sluiten en er mag niet meer worden verhuurd aan groepen.

‘Jullie zeggen dat criminelen langs deze weg de wijk in vluchten, maar wij hebben niemand gezien!’ De buurtbewoners winden zich op en moedigen de Sanhe-goden aan om te protesteren. Xiao Zeng en Zhang Weiwei komen net uit het park en staan naast me. Ze grijnzen. ‘Hoe kunnen we nou op hen rekenen?’

Xiao Zeng neemt ons mee naar de supermarkt, met de accu. Hij stelt voor om te kijken of er gratis eten is, om te proeven. Na zo lang in Sanhe te zijn geweest is het fantastisch om ineens weer door een supermarkt te lopen – rood en groen, allerlei oogstrelende kleuren. ‘Overdaad, overdaad,’ speelt er voortdurend door mijn hoofd. We hebben geen tijd om te kijken wat er nou echt in de schappen staat. Er valt niets te proeven, afgezien van een schaal met broodkruimels.

Het wemelt van de mensen in de supermarkt. Ineens pakt Xiao Zeng drie tomaten, stopt ze snel in zijn T-shirt en knipoogt naar ons. Hij glipt naar het magazijn, waar minder mensen rondlopen, houdt de tomaten in zijn handpalm en schrokt er eentje op. Met volle mond kijkt hij me aan. Ik heb het gevoel dat die blik een soort test is. Dus pak ik ook een tomaat en prop die in mijn mond. Alsof ik wil voorkomen dat het sap over mijn kin loopt, slik ik hem snel door. Ik had nooit gedacht dat het zo makkelijk en vanzelfsprekend zou zijn om te stelen. Ik draai me om en zie dat Zhang Weiwei bloost. Hij kan het niet. Als we naar buiten lopen, geeft Xiao Zeng hem de wind van voren. ‘Ze zijn niet zoet. Als ze zoet waren geweest, had ik er nog wel eentje gelust.’

Nadat we door het steegje aan de oostkant van het park zijn gelopen, in noordelijke richting, en bij het Longji-ziekenhuis linksaf zijn geslagen, heeft Xiao Zeng eindelijk de plek gevonden waar je gestolen goederen kwijt kunt. Hij legt de accu op de weegschaal: dertien kilo, drie yuan per kilo. Nu heeft Xiao Zeng weer geld. Hij geeft mij tien yuan. ‘Het geld dat je me laatst hebt geleend.’ En dan stapt hij vrolijk op een fiets. Aan het eind van het steegje kijkt hij ineens achterom. ‘Willen jullie condooms? Bij het centrum voor geboortebeperking delen ze die gratis uit.’ Hij loopt met een glimlach naar de machine. Met de condooms in zijn hand knipoogt hij naar een vrouw die voorbijkomt. ‘Hé, wil jij ze hebben? Tien yuan voor het hele pakje.’

Xiao Zeng heeft het nog maar één keer over vrouwen gehad: ‘De vorige keer dat Pang me vroeg mee te gaan naar de hoerenbuurt in Sha Wei, kostte dat me tachtig yuan.’ Zijn verlangen is er niet minder om. Hij kijkt vaak naar de jonge vrouwen die voorbijlopen en zegt dan wat onnozel tegen zichzelf: ‘Waarom ruiken meisjes toch zo lekker?’

Bezorgdienst

Als we weer bij de Banenmarkt zijn, trakteert Xiao Zeng mij en Zhang Weiwei op bier en bananen. In de tijd dat zijn oudere broer drugs verkocht, had hij hem geholpen, biecht hij nu op. ‘We hadden toen voortdurend lol en hoefden ons nergens zorgen om te maken. We lachten, pokerden en keken de hele dag films. Shit.’ Er glijdt een verbitterde blik over zijn gezicht en hij smijt zijn halfvolle bierflesje in de hoek. Het witte schuim borrelt op en trekt snel weer weg.

Het is bijna avond. Er komen steeds meer mannen naar de Banenmarkt. De voormannen beginnen weer te schreeuwen. ‘Bezorgdienst, veertien per uur, gratis eten voor je aan het werk gaat.’ Xiao Zeng staat voor de lijst. Hij kijkt er even naar, draait zich dan aarzelend om. ‘Doen?’

‘Het is zwaar. Zes uur achter elkaar.’ Zhang Weiwei ziet het niet zitten.

‘Laten we het proberen. Als het wat lijkt, doen we het. En anders gaan we weer, na die gratis maaltijd.’ Xiao Zeng kijkt ons bijna smekend aan.

Op dat moment is me nog niet duidelijk wat die blik betekent. Pas later, wanneer Xiao Zeng met ons breekt en tegen ons tekeergaat, begrijp ik dat hij de eenzaamste strijd op aarde voert. In een schemerige en misselijkmakende omgeving kun je je tegenstanders niet altijd even scherp zien. Je eigen wil is heel breekbaar en lijkt haast niet te bestaan. Waar je op hoopt is een broze connectie met dit bestaan, en die komt en gaat, is heel vluchtig. Zhang Weiwei en ik staan tegenover Xiao Zeng. Niemand zegt een woord. Weiwei is niet lui maar hij is bang om geld te hebben – zodra hij meer dan vijfhonderd op zak heeft, staat hij echt te trillen alsof hij wordt getroffen (niet figuurlijk bedoeld) door een onbeheersbaar verlangen naar drugs, want je hebt minstens vijfhonderd nodig om het Jinsha Casino binnen te komen. Ik vermoed dat Zhang Weiwei niet weet wat hij erger vindt – twee hele dagen zonder eten of de verpletterende spijt achteraf wanneer hij zichzelf niet in de hand heeft gehouden.

Xiao Zeng lijkt een beetje boos. ‘Het gaat mij alleen om het eten, snap je?’

‘Hoe kunnen we eten zonder ervoor te werken? Als je een auto oplapt (naar de hoeren gaat), dan betaal je toch ook voor dat ritje?’ zegt Zhang Weiwei. Hij gaat er niet in mee. ‘Jij hebt nog nooit een wrede voorman meegemaakt. Als je niet aan het werk gaat na zo’n maaltijd, slaat hij je in elkaar.’

Dat is de eerste keer dat Xiao Zeng en Zhang Weiwei ruzie hebben.

Verraad

Ergens halverwege mijn undercoveroperatie komt een vriend van me naar Shenzhen. Omdat hij weet wat ik allemaal voor ellende heb doorgemaakt, nodigt hij me uit om een nacht in een vijfsterrenhotel te komen slapen.

Ik vind het hypocriet maar besluit niet al te hard voor mezelf te zijn. ‘Ik heb het gevoel dat ik Xiao Zeng en Zhang Weiwei verraad,’ zeg ik tegen mijn vriend. Maar in werkelijkheid is dat helemaal niet het geval. Mijn aarzelingen verdwijnen als sneeuw voor de zon op het moment dat ik het restaurant binnenloop. Ik geniet intens van het buffet. Nog niet eens zozeer van het eten maar vooral van het gevoel me er niet voortdurend van bewust te hoeven zijn dat ik een toneelstukje opvoerde. ‘En halve rib-eye steak is ook wel genoeg,’ zeg ik tegen de kok. Mijn WeChat-momenten zijn niet anders dan anders: vrienden plaatsen foto’s van het heerlijke eten dat ze hebben gegeten of van de musea die ze hebben bezocht, maken melding van onbenullige problemen, of laten weten dat ze afstand willen nemen van hun luxe leventje. Een bevriende schrijver vertelt dat de straathond die hij onlangs heeft geadopteerd op zijn schildpad heeft gekauwd. Hij is van plan vijfhonderd yuan te betalen om het kapotte schild te laten repareren. Twee dagen later schrijft hij grappend dat hij een begrafenis voor zijn schildpad wil organiseren.

Als ik terugkeer naar Sanhe is Zhang Weiwei nergens te bekennen. Xiao Zeng zit in zijn eentje op de Banenmarkt naar gangsterfilms uit Hongkong te kijken.

De vorige avond is hij op het laatste moment uit de bus gesprongen die naar een elektronicafabriek zou gaan. ‘Verdomme, ik had het bijna niet meer. Eerst wel werk en dan weer niet.’ Voordat hij op de bus was gestapt had Xiao Zeng geprobeerd Zhang Weiwei over te halen mee te gaan. Hij had hem in alle ernst gevraagd: ‘Als je geen werk hebt, hoe wil je dan ooit een nieuwe start maken?’

‘Gisteravond heb ik hem gevraagd weer naar een restaurant te gaan, maar hij wilde niet mee. Als hij zou willen, dan zou ik zo met hem meegaan. Shit man, hij wilde niet en omdat hij niet wilde, wilde ik ook niet, en toen waren we weer terug bij af.’

Xiao Zeng loopt dagen te mokken terwijl Zhang Weiwei maar niet wil gaan werken, omdat het werk ‘te zwaar’ zou zijn, of de fabriek ‘te smerig’. Ineens knapt er iets bij Xiao Zeng, en hij zegt kwaad: ‘Smerig of niet, het zal allemaal wel, maar ik heb geen zin meer om af te zien en ik laat me door niemand meer de wet voorschrijven.’ Hij verwijt Zhang Weiwei dat hij het hem lastig maakt. ‘Ik ben een normaal mens. Ik ben niet van plan om in Sanhe te sterven.’

Vaste baan

In de gangsterfilm doet een jonge gangster een greep naar de macht, maar wordt door de baas tot de orde geroepen. Nadat hij zich een minuut lang heeft verbeten, pakt hij ineens een mes en steekt de baas dood. Alle goden kijken geschokt toe, met grote ogen. ‘Als ik nu niets doe, ben ik verloren,’ zegt Xiao Zeng tegen zichzelf. Hij gaat snel naar een loket op de Banenmarkt en overhandigt zijn identiteitsbewijs. ‘Het kan me niet schelen of ik in een overall moet lopen tegen het stof. Ik wil zeven dagen per week werken en dan op zoek gaan naar een vaste baan. Anders heb ik straks niet eens genoeg geld om water te kopen.’ Hij draait zich om en zegt tegen mij: ‘Heb je zin om mee te gaan? Laten we samen gaan. We leven hier als honden. Kom, doe iets! Ga mee.’ Hij slaat een arm om mijn schouder. ‘Laten we gaan. Ga je mee?’

Omdat ik niet reageer, vervolgt hij: ‘Hoe dan ook, ik ga.’

“‘Waarom zou ik een nieuwe start willen? Ik zie wel wat de dag van morgen brengt.’”

Ik zie zijn bedrukte gezicht en voel me verdrietig. Uitgerekend op dit moment heeft hij behoefte aan een vriend, aan wat steun. Maar ik kan die vriend niet voor hem zijn, dus ik lieg: ‘Ik moet weer naar huis.’ Vijf minuten voordat de bus vertrekt, ben ik nog altijd bang dat Xiao Zeng het zal opgeven. Ik begrijp wat dat uiteindelijk voor hem zou betekenen. Hij gaat op het trapje zitten en steekt een sigaret op.

Op de Banenmarkt verandert nooit iets. Tussen de mannen die er maar wat rondhangen, hurkt een dikke man met ontbloot bovenlijf bij een fiets en probeert het cijferslot te kraken, getal voor getal. Hij heeft alle tijd van de wereld. Dan begint het plotseling te regenen. Voordat de mannen ergens kunnen schuilen is het alweer opgehouden met regenen. De mannen vloeken. Xiao Zeng draait zich om, zegt dat zijn plekje op het dakterras is geplunderd. Hij is er gisteren naartoe gegaan om zijn spullen weg te halen, omdat het nog altijd regende. Zijn lakens en dekens waren verdwenen, en zonder kon hij niet slapen. De vorige keer dat ik bij zijn geheime plek was, zei hij dat als iemand aan zijn spullen zou komen, hij diegene *** zou vermoorden. Op dat moment wordt me duidelijk dat dat kot voor hem meer is dan een plek om te slapen.

‘Ik ben het zat om de hele tijd Sanhe-goden te zien.’ Hij gooit zijn peukje weg. Een oudere dame van Skyworth leest namen van een lijst en Xiao Zeng zegt: ‘Zo.’ Hij loopt achter haar aan over de weg. ‘Ik ga. Ik laat nog wel wat horen.’

Hij tilt zijn voeten op en perst zich in het busje. Hij zit nog maar nauwelijks of de chauffeur zegt: ‘Het controleren van beeldruis is schadelijk voor je ogen. Geen probleem?’ De god die naast Xiao Zeng zit, zegt dat hij het werk eerder heeft gedaan en dat zijn ogen er al na een paar dagen niet meer tegen konden. ‘Enig idee of je daar later last van krijgt?’ wil Xiao Zeng weten. De god reageert wat geïrriteerd. ‘Hoe moet ik nou weten of je daar later last van krijgt?’

Op dat moment heeft Xiao Zeng een vreemde blik in zijn ogen. Hij zegt niets, maar kijkt mij strak aan. Ik pijnig mijn hersenen om te bedenken wat ik moet zeggen maar ik kan niet de juiste woorden vinden. De bus komt in beweging, rijdt om het ijzeren hek en verdwijnt langzaam uit beeld op Sanlian Road. Niets nietiger dan het vertrek van Xiao Zeng. Misschien zou Sanhe blijven wat het altijd al was geweest.

Opvang

De avond van de tyfoon is de overheid van mening dat het te gevaarlijk is als de Sanhe-goden op straat slapen. Dus wordt de Longhua-basisschool opengesteld voor zwervers, die er de nacht kunnen doorbrengen. Ik sta heel braaf naast de voorzitter van het wijkkantoor en laat hem foto’s maken van mijn uitdrukkingsloze gelaat. Ik pak een flesje water en een bakje Chinese rijstepap en ga dan naar de sportzaal. Op de grond liggen zowel heldere als troebele plassen water. Tegen de muur aan de noordkant liggen zo’n honderd goden, in rijen van zes of zeven. Zhang Weiwei ziet me en zwaait even, vraagt of ik naast hem kom liggen. Een paar dagen terug heeft hij Xiao Zeng en mij een berichtje gestuurd dat hij echt dood wilde, dat hij het gevoel had dat het leven geen zin had, maar dat hij, als hij toch de ochtend zou halen, zichzelf zou vermannen en een nieuwe start zou maken. Het zat hem mee, hij kon een baantje krijgen in een fabriek, maar werd op ‘de vliegtuigband’ gezet (een lopende band die zo snel gaat dat het lijkt alsof hij wordt voortgetrokken door een vliegtuig). Hij is traag en de onderdelen stapelen zich op. De voorman begint tegen hem te schreeuwen en Zhang Weiwei kan het niet verdragen. Hij smijt de hele tafel omver. Zijn ex-vriendin weet dat hij aan de grond zit en maakt duizend yuan over, maar dat vergokt hij allemaal.

‘Heeft Xiao Zeng je voor het eten uitgenodigd?’ wil Zhang Weiwei weten.

‘Nee.’

Zhang Weiwei heeft geen idee wat er met Xiao Zeng aan de hand is, maar vond hem ‘heel prikkelbaar’.

Na een paar dagen werken stuurt Xiao Zeng een video naar onze chatgroep. Hij heeft alleen zijn ondergoed aan en ligt met een paar andere arbeiders in bed. Ze lachen en maken een hoop herrie. Het werk is niet makkelijk. Veel van de arbeiders zijn alweer opgestapt maar Xiao Zeng houdt vol. Toen we in de supermarkt tomaten stalen, woog hij maar 42,5 kilo, nu weegt hij bijna 46,5 kilo. Als hij niet binnen een maand 47,5 weegt, zegt Xiao Zeng, zal hij zijn eigen stront opeten.

Maar zijn wrok jegens de Sanhe-goden is er niet minder op geworden. ‘Die schoften in Sanhe hebben een slechte invloed op me gehad. We gingen elke dag op zoek naar werk. Maar zij wilden dit niet en ze wilden dat niet. Ze sleurden me mee in hun val. Ze namen me mee, gaven me eten en maakten me doodongelukkig.’ Omdat ik Xiao Zeng mee uit eten had genomen, nam ik aan dat hij mij ook tot die schoften rekende. Maar ik ben echt blij voor hem – in ieder geval voor dit moment, want ik weet niet of hij al dan niet terug zal komen.

Buiten het overdekte basketbalveld steekt de wind op. De goden op het veld beginnen steeds harder te snurken. Op de weg in het oosten rijden auto’s, en het licht van de lampen valt op het raam, verlicht de vlaggen van verschillende landen die aan het plafond prijken. Toevallig liggen we ieder precies onder een vlag. Spanje zegt dat hij ooit in een mortuarium heeft gewerkt, waar hij in twintig dagen zestienduizend verdiende met het wassen van lijken. Hij had ’s nachts gehuil gehoord maar het was niet makkelijk om zo’n goed baantje te vinden. Mongolië zegt: ‘Laten we aardig voor elkaar zijn en een broederschap smeden.’ Ik ben Engeland en ik vraag of ze een nieuwe start willen maken. Mongolië reageert: ‘Waarom zou ik een nieuwe start willen? Ik zie wel wat de dag van morgen brengt.’

Ik lig op de grond en denk aan mijn laatste jaar op de lagere school. Er was een vrijwilliger uit de stad naar onze school gekomen. Tong, heette ze. Ze droeg een trenchcoat en ze was in alles anders dan onze magere, donkere lerares Wang. Toen de jongen die naast me zat op een ochtend zijn huiswerk overhandigde, met zijn ijskoude, smerige ‘klauwen’, zag ik een vreemde uitdrukking over het gelaat van onze lerares Tong glijden. Achteraf denk ik dat het gewoon walging was. Destijds durfde ik het waarschijnlijk niet aan om die blik te zien voor wat hij was. Toen Tongs periode als vrijwilliger erop zat, nam ze afscheid met enkel deze woorden: ‘Als jullie hard werken, kunnen jullie je leven een andere wending geven.’ Vervolgens stapte onze donkere, magere lerares Wang weer naar voren en zei: ‘Mevrouw Tong heeft tegen jullie allemaal gelogen.’

Het is inmiddels bijna middernacht. In de hoek klinkt een stem: ‘Weerbericht: er is een tyfoon op komst.’ Striemende regen en wind doen het dak van de sportzaal schudden. De goden zwijgen en vallen in slaap. Dit is de nacht waarin een tyfoon door de stad der wonderen trekt, over al deze machteloze zielen die een tijdelijke schuilplaats hebben gevonden. Als het straks dag wordt, hebben ze misschien nog altijd van alles te doen. 

Du Qiang

Journalist Du Qiang leefde 45 dagen undercover met de arbeidsmigranten van de wijk Sanhe. Hij schreef er een 30.000 woorden tellend verhaal over. Du Qiang wilde niet alleen weten waarom de jongens het opgegeven hadden, maar onderzocht eveneens de diepere problemen zoals internetverslaving, de corruptie op de Banenmarkt en achtergelaten kinderen. Hij leerde de psyche van zijn hoofdpersonen beter begrijpen en kreeg inzicht in hun leefomstandigheden. Dit hoofdstuk van zijn onderzoek geeft een zeldzame inkijk in het straatleven van de Sanhe-wijk.

(Zhang Weiwei en Xiao Zeng
zijn pseudoniemen.)

De andere kant van economische groei

Sinologe Annelous Stiggelbout las de reportage van Du Qiang en lichtte op verzoek de Sanhe-goden van Du Qiang toe.

Sinds de jaren tachtig is China de fabriek van de wereld geworden: van plastic prullaria tot smartphones, het wordt allemaal geproduceerd in grote fabriekssteden in het zuiden, zoals Dongguan en Shenzhen. Met de groei van de industrie is een grote stroom binnenlandse migranten op gang gekomen van jongeren die wegtrekken uit de dorpen, waar hun ouders vaak kleine boeren zijn met een mager inkomen, om hun geluk te beproeven in deze steden. Met hun ondernemingszin, ambitie en werklust zijn deze jonge arbeiders de motor van de enorme groei van de Chinese economie. Met hun trek naar de stad bouwen ze tegelijk aan een nieuw leven voor zichzelf, met nieuwe kansen.

Du Qiang laat de andere kant van de medaille zien: jongeren die naar de stad trekken en daar mislukken, waarna ze blijven hangen zonder enige ambitie om nog iets van hun leven te maken. Sanhe is een wijk in fabrieksstad Shenzhen, en de jonge mannen in dit verhaal – ironisch ‘Sanhe-goden’ genoemd – slijten hun dagen afwisselend in internetcafés en fabrieken: zodra ze een beetje geld hebben verdiend, laten ze zich apathisch wegzinken in het internet en zodra hun geld op is, keren ze terug naar de banenmarkt om met tijdelijk werk weer een beetje geld te verdienen.

Veel thema’s komen hier samen: het moeizame bestaan van de Chinese onderklasse; internetverslaving; de scheve geslachtsverhouding in China, waardoor deze mannen weinig kans hebben een partner te vinden. Wat verder opvalt is de verschrikkelijke
eenzaamheid van de jonge mannen in deze reportage.

Deze met een True Story Award bekroonde reportage van Du Qiang bestaat uit twee delen. Het eerste deel is opgebouwd rond een vrouw die ‘grote zus Hong’ wordt genoemd. Du Qiang beschrijft haar als een haast goddelijke figuur, een soort Maria (of Guanyin [Chinese godin van troost en genade]), die een luisterend oor en een troostende schouder (en een warm gat) biedt aan de eenzame jongemannen van Sanhe. Haar eigen leven is zowel veelbewogen als moeilijk geweest, maar in dit verhaal is ze vooral een middel om iets te laten zien van het leven van die Sanhe-goden.

De centrale persoon in het tweede deel, hier via het Engels vertaald, is Xiao Zeng, wiens meest in het oog springende kenmerk zijn diepe eenzaamheid is. Xiao Zeng is zo totaal alleen dat hij elk beetje wat hij heeft (een handige slaapplek, een paar yuan) onmiddellijk deelt met de eerste de beste persoon die hij ziet. Ook hij slijt zijn dagen beurtelings in internetcafés en met tijdelijk werk.

Du Qiang (Shaanxi, 1988) verbleef voor dit artikel meer dan veertig dagen tussen de Sanhe-goden in Shenzhen. Du (bij Chinese namen komt de achternaam vooraan) begon zijn carrière als politiek verslaggever, maar maakte na twee jaar de overstap naar achtergrondjournalistiek. Hij is vooral geïnteresseerd in mensen met ongewone verhalen, in randgevallen. Via kleine, nieuwswaardige gebeurtenissen werpt hij een licht op grotere sociale kwesties.

Annelous Stiggelbout

Annelous Stiggelbout (1981) studeerde sinologie aan de Universiteit Leiden. Ze bracht zes jaar door in China en Taiwan, onder andere als vertaler bij een Engelstalige krant en als diplomaat voor de Nederlandse ambassade. Sinds 2013 richt ze zich geheel op de Chinese literatuur. Ze heeft werk vertaald van onder anderen Han Han en Xu Zechen.

True Story Award
Zwitserland | truestoryaward.org 

De True Story Award is de eerste wereldwijde journalistiekprijs. Het doel van de organisatie is om journalisten een platform te bieden buiten hun eigen landsgrenzen om zo het dominante westerse wereldbeeld te verbreden.

» Abonneer u op onze nieuwsbrief: wekelijks berichten uit de buitenlandse pers in uw inbox.

Plaats een reactie