Vis, hoe heet je?

Haaretz / 360  | 13 October 2019 - 16:0013 Oct - 16:00

De eerste vertalers Hebreeuws van Twintigduizend mijlen onder zee zaten met een lastig probleem. Er waren geen woorden voor de zeewezens van Jules Verne.

In tegenstelling tot de Feniciërs waren de oude Hebreeërs geen zeevarend volk, wat waarschijnlijk verklaart waarom er maar weinig zeedieren staan vermeld in de Hebreeuwse bronnen van de Bijbel, met uitzondering uiteraard van de walvis (liwjatan of leviathan) van de profeet Jona. Hoe het ook zij, de Joden, die het Hebreeuws al heel snel hadden verruild voor het Aramees, vonden er iets op: ze gebruikten voor de zee-wezens gewoon de woorden van hun buren.

Dat werd pas een probleem in de twintigste eeuw, toen er buitenlandse boeken werden vertaald in het Modern Hebreeuws, een nieuwe taal die was ontwikkeld door en voor de zionistische beweging op basis van het Bijbelse en rabbinistische Hebreeuws en die in 1948 de officiële taal van Israël zou worden. Toen Zeev Sperling, een Jood uit Palestina, zich in 1876 in het hoofd haalde om Twintigduizend mijlen onder zee te vertalen, had hij heel wat moeite om de Hebreeuwse namen te vinden voor de vele zeewezens die in de roman van Jules Verne beschreven staan. Om een voorbeeld te geven: de wezens die de Nautilus aanvallen heten in zijn vertaling ‘reuzenslakken’ (khelzonot anak), omdat er in het Hebreeuws van die tijd geen woord voor ‘octopus’ bestond.

» Lees verder in de Reader / op Blendle

Plaats een reactie