• Nautilus
  • Reader
  • ‘De futurologie zit
 er bijna altijd naast’

‘De futurologie zit
 er bijna altijd naast’

Nautilus | New York | Tom Vanderbilt | 01 november 2018

In voorspellingen over de toekomst krijgt innovatieve technologie meestal alle aandacht en zien we culturele veranderingen over het hoofd. De mobiele telefoon werd aangekondigd, maar niet dat er op een dag ook vrouwen op kantoor zouden werken.

In de rust van een basketbalwedstrijd aan de 
Universiteit van Washington in Seattle werd begin 1999 een tijdcapsule uit 1927 geopend. De boodschap uit het verleden bevatte niet veel meer dan wat vergeelde kranten, een antiek dubbeltje, 
een studiegids en een bouwvergunning. Het publiek begon te jouwen. Eén student vond het maar ‘stomme’ voorwerpen.

Die teleurstelling lijkt inherent te zijn aan het hele fenomeen tijdcapsule, als we het boek Time Capsules: A Cultural History van William E. Jarvis mogen geloven. Volgens hem wordt het kernachtig samengevat in een kop van The Onion [de Amerikaanse tegenhanger van De Speld]: ‘Onlangs opgegraven tijdcapsule bevat alleen nutteloze oude zooi’. Tijdcapsules hebben immers iets pathetisch: ze laten ons zien dat 
de toekomst minder vooruitgang heeft vertoond en minder snel is veranderd dan we ooit verwachtten. Tegelijkertijd blijkt ook het verleden niet zo radicaal van ons heden te verschillen als we dachten. Nicholas Rescher schrijft in zijn boek Predicting the Future dat we ‘de neiging hebben de toekomst als het ware te bekijken door een telescoop die alles wat we zien groter maakt en dichterbij brengt’. Op dezelfde manier bezien we het verleden door een omgekeerde telescoop, waarin alles veel verder weg lijkt dan het eigenlijk was en we sommige zaken zelfs geheel uit het oog verliezen.

Dit klopt helemaal als het om technologie gaat. De vliegende auto die ons was beloofd, hebben we nog steeds niet. En zoals historicus David Edgerton in 
The Shock of the Old beschreef: in het begin van onze eeuw werd meer energie uit steenkool geput dan aan het einde van de toch met roetwolken geassocieerde negentiende eeuw. En de stoommachine was in 1900 belangrijker dan in 1800.

Maar als het om cultuur gaat, hebben we juist de neiging altijd te denken dat de toekomst weinig van het heden zal verschillen, dat alles grofweg bij het oude blijft. Probeer je maar een voorstelling te maken van je eigen leven ergens in de toekomst. Waar denk je dan te wonen? Welke kleren denk je dan te dragen? Welke muziek zul je dan mooi vinden? Grote kans 
dat de persoon die je voor je ziet, weinig verschilt van hoe je nu bent. In een artikel van George Loewenstein en twee collega-psychologen werd jaren geleden al gesteld dat mensen ‘neigen tot overschatting van de mate waarin hun toekomstige smaak overeen zal komen met hun huidige smaak’, een verschijnsel dat ze projection bias noemden.

Saillante fenomenen

Zo werd mensen in een experiment gevraagd hoeveel geld ze over tien jaar zouden willen betalen om een concert van hun favoriete band bij te wonen. Anderen kregen de vraag hoeveel geld ze nu overhadden voor een concert van hun favoriete band van tien jaar geleden. ‘De deelnemers hadden veel te veel geld over voor een toekomstige kans op bevrediging van de smaak die ze nu koesteren’, schreven de auteurs 
van dat onderzoek. Zij noemden dat de end of history-illusie: mensen denken een ‘definitief keerpunt’ te hebben bereikt waarop ze hun authentieke ik hebben gevonden. In zijn essay Het einde van de geschiedenis hield Francis Fukuyama in 1989 een vergelijkbaar betoog over de westerse liberale democratie als een soort eindpunt van de maatschappelijke evolutie.

Deze combinatie van overdrijving en onderschatting zit in al onze toekomstvoorspellingen ingebakken. ‘De futurologie zit er bijna altijd naast’, zegt historica Judith Flanders, ‘omdat gedragsverandering zelden in de voorspelling wordt meegenomen.’ En we richten ons volgens haar ook op de verkeerde zaken: ‘Op het vervoer naar ons werk, in plaats van op hoe dat werk eruit zal zien; op de technologie zelf, in plaats van hoe de veranderingen die technologie teweegbrengt ons gedrag zullen beïnvloeden.’ Wie wij in de toekomst zullen zijn, blijkt moeilijker te voorspellen dan wat we in de toekomst allemaal kunnen doen. En net zoals mensen met honger altijd meer bestellen dan ze op kunnen, hebben voorspellers de 
neiging saillante fenomenen eruit te pikken en die een buitensporig grote rol in de toekomst toe te schrijven. En wat is het meest saillant in onze samenleving? Dat wat nieuw, ‘disruptief’ en gemakkelijk te begrijpen is: nieuwe technologie. Of zoals de denker Nassim Nicholas Taleb in zijn boek Antifragile schrijft: ‘Wat fluctueert en verandert, valt ons meer op dan dingen die een grotere rol spelen maar niet veranderen. We zijn afhankelijker van water dan 
van mobiele telefoons, maar omdat water niet verandert en mobiele telefoons wel, denken we al snel 
dat mobiele telefoons een grotere rol in ons leven spelen dan ze eigenlijk doen.’

Mensen zouden toch nooit zin hebben in dat geklooi op kleine cijfertoetsen

Het resultaat is dat we ons al snel afvragen hoe het leven ooit mogelijk is geweest zonder een bepaalde technologie. Maar zoals een beroemde constatering van de econoom Robert Fogel luidt: als de spoorwegen niet waren uitgevonden, hadden we economisch gezien met schepen en kanalen praktisch even goed gepresteerd. Of we gaan ervan uit dat de moderne technologie welhaast voorbeschikt is en niet, zoals vaak het geval, een resultaat van louter toeval. Instagram begon zijn bestaan als een Yelp-achtige netwerk-app, Burbn, met de mogelijkheid om foto’s te delen als toevallig extraatje (foto’s op je telefoon, zou dat wat zijn?). En sms is ooit begonnen als een kanaal dat louter was bedoeld voor het versturen 
van korte tekstberichten – want mensen zouden toch nooit zin hebben in dat geklooi op kleine cijfertoetsen. Ze zouden toch liever gewoon even bellen?

Vooral vervoersmiddelen zijn vaak een uithangbord voor overspannen toekomstdromen die getuigen van een bovenmatig sterke behoefte aan wensvervulling (misschien omdat we onze dagelijkse forensenrit zo vermoeiend vinden). De klaagzang over het eeuwige uitblijven van de vliegende auto berust op een 
kinderlijk verlangen (‘waarom kan ik er nog niet mee spelen?’) dat voorbijgaat aan de enorme problemen die ermee gepaard zouden gaan, zoals verkeersopstoppingen in de lucht en een waarschijnlijk hoger aantal dodelijke slachtoffers dan in het gewone 
wegverkeer. Nu wordt ons weer beloofd dat de ‘zelfsturende auto’ onze manier van leven radicaal zal veranderen, zonder oog voor het feit dat mensen in de loop van de geschiedenis altijd al hebben getracht hun dagelijkse reistijd ruwweg binnen een bepaalde bandbreedte te houden.

Ooit zouden rolpaden, bewegende trottoirs, de mobiliteit binnen steden radicaal veranderen. Als ze tegenwoordig nog in werking zijn, op luchthavens, zie je er mensen op staan die zich langzamer voortbewegen dan als ze zelf zouden lopen. Bij het nadenken over de toekomst van ons vervoer is het goed om in het achterhoofd te houden dat we bij de meeste van onze verplaatsingen tegenwoordig nog steeds gebruikmaken van oude technologie. Amazon mag dan experimenteren met bezorging via drones, ondertussen worden de meeste van hun spoedbestellingen in New York bezorgd op die negentiende-eeuwse killer app: de fiets.

David Edgerton merkt op dat het ‘innovatiegerichte’ wereldbeeld – van sexy apparaten die ‘de wereld hebben veranderd’ – niet alleen onze kijk op de toekomst maar ook ons beeld van het verleden bepaalt. ‘Het paard heeft een grotere bijdrage aan de militaire zegetocht van de nazi’s geleverd dan de V2’, schrijft hij. Wat er aan nieuwe snufjes werd uitgevonden, valt ons gewoon meer op dan wat er werkelijk werd ingezet. Net zoals de fixatie op recente innovaties ons stimuleert om het belang daarvan te overschatten en te denken dat die een radicaal andere toekomst zullen inluiden – de belofte van Google Glass – wordt ook de blik op het verleden vertekend door onze neiging technologie veel te snel als achterhaald af te schrijven. De rake wijze waarop een film als Blade Runner de nabije toekomst leek te verbeelden, schuilt niet zozeer in de voorspellingen over specifieke technologieën. (Je ziet in de film een vorm van stemherkenning, maar Bell Labs werkte al in de jaren veertig aan spectrografische analyses van de menselijke stem.) Vooral het beeld van nieuwe en oude technologieën die ongemakkelijk naast elkaar blijven bestaan, is in die film overtuigend. Films waarin de toekomst eenparig futuristisch is, hebben altijd iets onwerkelijks – net als historische films waarin alleen puntgave oude auto’s zonder een krasje rondrijden (omdat alleen de gave exemplaren uit die tijd zijn bewaard). Vuil en verval maken evenzeer deel uit 
van de toekomst als van het verleden.

In ons door innovatie geobsedeerde heden bestaat 
de neiging om niet alleen de impact van technologie op onze toekomst te overschatten, maar ook die op het heden. We denken algauw dat we in een wereld leven die luttele decennia geleden nog nauwelijks denkbaar was geweest. Het is niet ongebruikelijk om zoiets te lezen als: ‘Een mens had aan het begin van de twintigste eeuw nooit kunnen dromen hoe het transport er een halve eeuw later uit zou zien.’ Maar in 1900 vlogen er al zeppelins rond en een jaar eerder was in New York de eerste voetganger doodgereden door een auto. Zou het idee van reizen door de lucht dan werkelijk niet te bevatten zijn geweest, of de gedachte dat de auto het straatbeeld diepgaand zou gaan veranderen? Of is dat een arrogante vorm van ‘eigen tijd eerst’, die zweem van neerbuigendheid waarmee we neerkijken op de hopeloze primitiviteit van onze voorzaten?

Brievenpost

‘In ons denken over informatietechnologie verliezen we de brievenpost, de telegraaf, de telefoon, radio en televisie uit het oog’, schrijft Edgerton. ‘In ons gejuich over online winkelen verdwijnt de postordercatalogus uit het zicht.’ Wie bijvoorbeeld jubelt dat 
in de film The Net al decennia voordat het mogelijk was een pizza online werd besteld, staat niet stil bij de vraag hoe groot die vooruitgang werkelijk is: met behulp van een elektronisch hulpmiddel een pizza naar keuze bestellen en thuis laten bezorgen was al mogelijk sinds de jaren zestig. En toen ik met de metro naar een koffietentje ging om dit artikel te schrijven en het vervolgens naar een redacteur ergens ver weg te mailen, deed ik iets wat ik in New York in de jaren twintig al had kunnen doen met precies dezelfde metro, een koffiehuis van de Roosevelt Brothers en een telegram – het was hooguit wat minder efficiënt geweest. (Of ik persoonlijk baat heb bij die efficiëntie of dat ik daardoor alleen maar meer moet werken voor minder loon, is een vraag die nog openstaat.) We verwachten meer dan de toekomst daadwerkelijk brengt, omdat we denken dat ons leven al meer is veranderd dan het eigenlijk is.

De klaagzang over het eeuwige uitblijven van de vliegende auto berust op een kinderlijk verlangen: waarom kan ik er nog niet mee spelen? Maar velen vergeten de problemen die ermee gemoeid zouden zijn, zoals verkeersopstoppingen in de lucht en nog meer ongelukken.

Judith Flanders schrijft dat de zeventiende-eeuwse chroniqueur Samuel Pepys in zijn dagboek terloops verwijst naar iets wat hij een spitting sheet noemt. 
Ze vermoedt dat het gaat om een laken dat achter een kwispedoor aan de muur werd gehangen om de wand tegen opspattend spuug te beschermen. Het 
is een voorbeeld van wat zij ‘onzichtbaar meubilair’ noemt. Het bestaan van kwispedoors is natuurlijk wel bekend, maar omdat ze in de literatuur zelden worden vermeld en op schilderijen nauwelijks worden afgebeeld, zien we gemakkelijk over het hoofd hoe gewoon het vroeger was om te spuwen, ook in beschaafd gezelschap. Flanders legt uit dat er in 
de VS regelgeving bestond over waar men mocht spuwen in treinen, op stations en perrons. Een bijeenkomst van gezondheidsinstanties in Washington vaardigde in 1917 het voorschrift uit dat treinwagons ‘zijn uitgerust met voldoende aantallen kwispedoors’. Tegenwoordig is zowel het woord kwispedoor als het voorwerp zelf praktisch vergeten (al staat er reglementair nog altijd één klaar voor rechters van het Hooggerechtshof). De verdwijning van de 
kwispedoor uit het maatschappelijk leven is geen gevolg van een verouderde technologie, maar van een verandering in ons gedrag.

Grote historische veranderingen werden niet gedreven door technologie, maar door ideeën

Terwijl het verleden en de toekomst in technologisch opzicht dus minder van ons heden verschillen dan we soms denken, zijn de culturele verschillen soms juist verrassend veel groter. Toen Flanders als historisch adviseur meewerkte aan de game Assassin’s Creed, moest ze de scriptschrijvers er steeds aan 
herinneren personages niet ‘cheers’ te laten zeggen als ze het glas hieven. Want dat woord, zoals ze 
mij schreef, ‘is men pas in de twintigste eeuw gaan gebruiken om te proosten’. De schrijvers wilden weten wat mensen dan wel zeiden. ‘Het wilde maar niet tot ze doordringen dat de meeste mensen 
helemaal niets zeiden. Proosten als je het glas heft 
is voor hen zo doodnormaal geworden dat het er niet in wilde dat mensen daar eeuwenlang helemaal geen behoefte aan hebben gehad.’

Historicus Lawrence Samuel noemt maatschappelijke vooruitgang ‘de achilleshiel’ van het futurisme. Volgens hem is er te weinig oog voor de stelling van historicus en filosoof Arnold Toynbee: dat 
de grootste historische veranderingen niet werden gedreven door technologie maar door ideeën. En als technologie mensen al verandert, gebeurt dat vaak niet op de manier die je zou verwachten. Mobiele technologie heeft bijvoorbeeld niet geleid tot the death of distance, zoals een vroege voorspelling luidde, maar heeft de urbanisering juist versterkt. De wasmachine bevrijdde vrouwen van arbeid en had, zoals de sociaal psychologen Nina Hansen en Tom Postmes beweren, een revolutie in de verhouding tussen de seksen kunnen ontketenen. Maar ‘in plaats van het feminisme te stimuleren’, schrijven ze, ‘maakte de nieuwe technologie (althans in eerste instantie) vooral de opkomst mogelijk van de nieuwe rol van huisvrouw; vrouwen uit de middenklasse benutten de vrijgekomen tijd niet om tegen structuren in opstand te komen of zelfs maar te profiteren van 
hun onafhankelijkheid’. In plaats daarvan, zo beweren deze auteurs, namen vrouwen simpelweg de taken over die voorheen door hun bedienden werden verricht.

Kleine overwinningen

Haal het voorwerp weg uit je geschiedenisbeeld, en 
je verliest ook het historisch gedrag uit het oog. 
Het voorspellen van de toekomst leidt vaak tot een vergelijkbaar probleem: het innovatieve voorwerp krijgt alle aandacht en beneemt ons het zicht op de mogelijke gevolgen voor ons gedrag. Het Jetsons-toekomstbeeld van jetpacks en maaltijdpillen ontbeerde ieder besef van wat er inmiddels werkelijk blijkt te zijn veranderd: de hele idee van baanzekerheid en het ritueel van ’s middags samen thuis eten. Een futuroloog heeft erop gewezen dat een documentaire uit de jaren zestig over het ‘kantoor van de toekomst’ weliswaar rake voorspellingen bevatte op technologisch vlak (faxapparaten en dergelijke), maar een andere ontwikkeling faliekant over het hoofd zag: in dat kantoor van de toekomst werkten geen vrouwen. In beelden van zelfsturende auto’s uit de jaren vijftig zie je gezinnen bordspelletjes spelen, terwijl hun auto (staartvinmodel) zelfstandig over de snelweg zoeft. Nu, zeventig jaar later, verwachten we vooral dat de zelfsturende auto zal leiden tot uitbreiding van onze productieve tijd, en dus van onze werktijd. De zelfsturende auto heeft in zekere zin altijd al bestaan. Maar onze huidige cultuur niet.

Waarom is het zo moeilijk om culturele veranderingen te voorspellen? Ten eerste hebben we de neiging te vergeten dat de cultuur überhaupt verandert. Op dit vlak hebben we vooral oog voor wat hetzelfde blijft. ‘Tot voor kort legde onze cultuur vooral uit waarom dingen bij het oude bleven, niet waarom 
ze veranderden’, schrijft socioloog Kieran Healy. 
‘Cultuur, gezien als een monolithisch blok passief verinnerlijkte normen, doorgegeven via socialisering en gecanoniseerd door de traditie, werd doorgaans beschouwd als een rem op de neigingen van het individu.’ En als een cultuur verandert, zijn de oor-
zaken soms verrassend klein en toevallig. Charles Duhigg beschrijft in The Power of Habit dat een van 
de mijlpalen in de ontwikkeling van homorechten 
in de VS een kleine wijziging betrof in de catalogus van de Library of Congress [de nationale bibliotheek van de VS]: die besloot boeken over de homobeweging niet meer onder te brengen in de categorie ‘Abnormale seksuele relaties, waaronder zedendelicten’, maar in de categorie ‘Homoseksualiteit, lesbianisme – homo-emancipatie, homofiele beweging’.

Die ogenschijnlijk kleine verandering, door activisten luidkeels toegejuicht, hielp de weg te effenen voor andere, grotere veranderingen (een jaar later besloot de American Psychiatric Association homoseksualiteit niet langer als geestesstoornis te beschouwen). Duhigg citeert een organisatiepsycholoog: ‘Kleine overwinningen vormen geen keurige logische reeks waarin men steeds een aantoonbaar stapje dichter bij een vooraf bepaald doel komt.’ Dat zou je ook over de toekomst kunnen zeggen.

Auteur: Tom Vanderbilt

Nautilus
VS | nautil.us

Begonnen als onlineweekblad, verschijnt Nautilus sinds september 2013 ook op papier. Het prachtige blad wil berichten over de ‘oneindige raakvlakken’ tussen 
de wetenschap en ons dagelijks leven. 
Elke maand komt een ander thema aan bod in reportages en analyses.

Dit artikel van Tom Vanderbilt verscheen eerder in Nautilus.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!

En ontvang wekelijks het beste uit de internationale pers in uw mailbox.