• The Guardian
  • Cultuur
  • ‘Mijn turbulente jaren als 
hoofdredacteur van The Guardian’

‘Mijn turbulente jaren als 
hoofdredacteur van The Guardian’

The Guardian | Londen | Alan Rusbridger | 21 september 2018

Alan Rusbridger, voormalig hoofdredacteur van The Guardian, kijkt terug op twee decennia die de media voorgoed hebben veranderd. Het is volgens hem de hoogste tijd om opnieuw tot een consensus te komen over wat journalistiek betekent voor het algemeen belang.

Begin 2017 werd de hele wereld zich bewust van een probleem dat journalisten – met een mengeling van machteloosheid, onbegrip en angst – al enige tijd hadden zien aankomen. Het nieuws, dat fenomeen dat de mensen hielp hun wereld te begrijpen, dat smeerolie in de tandwielen van de maatschappij druppelde, kruisbestuiving tussen gemeenschappen stimuleerde en gezagsdragers tot eerlijkheid dwong – dat nieuws functioneerde niet meer.

Er gingen tal van namen en verklaringen voor het probleem rond. De een dacht dat we verzopen in een teveel aan nieuws, de ander was juist bang dat we onze nieuwsvoorziening dreigden te verliezen. De een klaagde dat er te veel gratis nieuws was, de ander vond juist dat betaalde media de mensen dom hielden. Maar bijna iedereen was het erover eens dat we ronddobberden op een woeste oceaan van kolkende informatie, die voor een deel waar was en voor een groot deel ook niet. Er was te veel nieuws dat onjuist en te weinig nieuws dat betrouwbaar was. Hoe was het zover gekomen? En hoe konden we dat nog terugdraaien?

Scepsis en verwarring

Ik heb twintig jaar aan het hoofd van een krant gestaan terwijl deze turbulente revolutie zich 
voltrok. Bij mijn aantreden in 1995 was het nog een papieren krant, gedrukt op een wijze die sinds de negentiende eeuw nauwelijks was veranderd. Het was in veel opzichten een verticaal georganiseerde wereld. Wij, de nieuwsorganen, beschikten over drukpersen en daarmee over de exclusieve macht 
om het door ons vergaarde nieuws te laten neerdalen op de massa onder ons. In ruil daarvoor reikten de lezers ons hun geld aan, evenals de adverteerders, die weinig andere mogelijkheden hadden om ons publiek te bereiken. Tegenwoordig kunnen adverteerders hun consumenten veel effectiever bereiken via andere kanalen. De lezers geven niet meer zo graag geld uit aan nieuws. En hoe je het ook wendt 
of keert, de mainstreammedia worden nu alom bezien met scepsis, verwarring en wantrouwen.

Toen ik al enkele jaren hoofdredacteur van The 
Guardian was, werd ik uitgenodigd om een speech te geven bij een etentje van de Thirty Club, een verzameling kopstukken uit de media- en reclamewereld. Dat was in maart 2003: drie jaar voor de lancering van Twitter en de introductie van de ‘newsfeed’ op Facebook, voor de totale ineenstorting van het verdienmodel dat al meer dan een eeuw ten grondslag lag aan de journalistiek. Het thema van mijn toespraak was vertrouwen, en de rampzalige rapport-
cijfers die kranten op dat vlak kregen. Het varieerde een beetje per jaar en per opiniepeiler, maar door de bank genomen mochten we blij zijn als 13 tot 18 procent van de bevolking vertrouwen had in kranten.

Toen ik opstond om het woord te nemen, was ik me zeer bewust van de collega’s van persgroep News International aan de overkant van de tafel. Les Hinton, de vriendelijke maar toch vagelijk intimiderende chef van Rupert Murdochs mediabedrijf, zat recht tegenover me, met naast zich Rebekah Brooks, hoofdredacteur van The Sun, en Andy Coulson, van News of the World. Ik meed hun blikken toen ik zei dat de tabloids de hoogste oplages haalden maar het minste vertrouwen genoten. Ik vergeleek Britse journalisten met de supporters van voetbalclub Millwall, met hun befaamde yell ‘niemand kan ons uitstaan, dat kan ons niet schelen’. Ik wist wel wat Coulson 
en Brooks dachten: weer zo’n zedenpreek van een betweter die zijn eigen krant nauwelijks winst-gevend kan maken en gênant kleine oplagen heeft. 
In gedachten hoorde ik Piers Morgan alweer het 
standaardzinnetje debiteren waarmee hij me altijd 
op stang probeerde te jagen als we elkaar zagen: ‘Ik verkoop meer kranten in Cornwall dan jij in het hele land.’

Ik zwatelde maar door over vertrouwen. Hoe we dat waren kwijtgeraakt, hoe we het konden herwinnen, waarom het in de digitale wereld nog veel belang-rijker werd. Allemaal waar, maar ook wel erg braaf. Mijn drie collega’s van het Murdoch-consortium waren na afloop heel vriendelijk. Ze stelden voor om nog ergens te gaan borrelen, en zo belandden we in Soho House, waar we tot diep in de nacht bleven plakken. Zij trakteerden op champagne. Over mijn speech werd niet meer geluld. Het was gezellig. Brooks en Coulson zijn aangenaam gezelschap. 
Hinton heeft de goeiigheid van de veteraan die je niets meer kunt wijsmaken. Een sfeer van ouwe 
jongens krantenbrood.
Elf jaar later zat Coulson in de gevangenis, was 
Hinton opgestapt en Brooks verwikkeld in een zenuwslopende strafzaak – allemaal als gevolg van onthullingen door The Guardian. Die nacht in Soho House voelt nu als een tafereel uit een verdwenen wereld van journalistieke onschuld en argeloosheid. Misschien een raar woord om voor journalisten te gebruiken, argeloos. Maar destijds hadden we werkelijk nog geen idee wat er allemaal zat aan te komen.

Toen ik in 1976 de journalistiek in ging, werd je als beginner meestal in het diepe gegooid om de kneepjes van het vak in de praktijk te leren. Een week na mijn afstuderen verruilde ik de chique universiteitsgebouwen (uit 1428) voor het saaie naoorlogse 
kantoorgebouw van de Cambridge Evening News, een kilometer verderop. De twintigkoppige redactie van die krant (toen met een oplage van circa 50.000) telde weinig universitair opgeleide journalisten. Zulke bollebozen waren vreemde eenden in de bijt 
en werden met argwaan bekeken. Terecht: we waren passanten die in de provincie ervaring opdeden om daarmee een beter betaalde baan in de Londense pers te bemachtigen.

Alan Rusbridger in 1995. – © The Guardian
Alan Rusbridger in 1995. – © The Guardian

De krant was eigendom van ene Lord Iliffe van 
Yattendon, een grotendeels afwezige figuur op een enorm landgoed ver weg in Berkshire. Ik had vooral te maken met het hoofd van de verslaggevers, Fulton Gillespie, bijnaam Jock: een grijzende, grommende Schot uit Glasgow met een baard, getinte brillen-glazen en de godganse dag een sigarenpeuk tussen zijn lippen. Jock vond dat je met vallen en opstaan moest leren. Onze dag begon met een bezoekje 
aan de vaste leveranciers: politie, brandweer en ambulancedienst. Voordat wij in de Mini stapten 
om ons rondje te maken, gaf hij een kleine preek over datgene waar het in ons vak om ging. ‘Als je voor de hertog schrijft, zal alleen de hertog je begrijpen. Schrijf je voor de vuilnisman, dan begrijpen ze je allebei. Houd het kort, houd het simpel, gebruik de woorden die je zou gebruiken als je het aan je vader of moeder zou moeten vertellen.’

Hij legde uit dat politiemensen voor hun werk met één voet op de straat en één in de goot stonden. Dat je respect afdwong door ze op gezette tijden een trap in de ballen te geven, omdat zij ons uiteindelijk harder nodig hadden dan wij hen. Dat was een goede vuistregel voor de omgang met alle soorten gezagsdragers, beklemtoonde hij. Dat was er bij hem in geramd door de ouwe rotten van The Falkirk Herald in Schotland, en het was een eeuwige waarheid. Hij herhaalde dat vaak, zodat ik het maar niet zou vergeten: zij hebben ons harder nodig dan wij hen. Wij waren in het bezit van een drukpers, zij niet. Simpel zat.

Rond die tijd kreeg ik ook een persoonlijk lesje in 
de mores en obsessies van de pers. Ik was als jonge verslaggever bij de Cambridge Evening News verliefd geworden en kreeg een relatie die krap twee jaar zou duren. Ik was beginnend journalist, zij gaf les aan 
de universiteit. Twee nobody’s. Onze relatie maakte sommigen een beetje gelukkig en anderen een beetje ongelukkig. Letterlijk: meer dan een handjevol 
mensen werden er niet door geraakt. Einde verhaal. Althans bijna: haar overleden vader was enkele jaren eerder op tv geweest. Met wat goede wil kon je er 
dus een verhaal van maken: ‘Dochter van best wel bekende Brit heeft affaire.’

Pers op de korrel

Op een vrijdagavond werd er aangebeld. Een verslaggever van de Sunday Mirror met een fotograaf, die ‘het verhaal van onze liefde’, zoals hij het noemde, uit de doeken wilde doen voor de vier miljoen lezers die zijn krant toen elke week kochten. De verslaggever, ene Richard, was allervriendelijkst, maar toen we beleefd weigerden hem binnen te laten, veranderde zijn toon. ‘We kunnen dit goedschiks of kwaadschiks doen,’ zei hij ineens, en hij legde uit wat het verschil was. Goedschiks betekende dat wij tegenover hem plaatsnamen op de bank, de wereld over onze liefde vertelden en op een sympathieke manier 
werden afgeschilderd. Kwaadschiks betekende dat ze bij buren en familie zouden aankloppen om een verhaal samen te stellen dat een stuk minder positief zou uitpakken.

Hij wist het goed te verkopen. Toch vonden we dat het niemand iets aanging. We woonden openlijk samen en probeerden onze relatie niet voor vrienden of familie te verbergen, maar 
we hadden geen zin om het aan de hele wereld te verkondigen. Dus we weigerden. Richard en zijn fotograaf bleven nog 24 uur bij ons huis rondhangen. Van tijd tot tijd belde hij eens aan om te kijken of we al op andere gedachten waren gekomen. Een week later stonden ze weer voor de deur om het nog eens te proberen. Uiteindelijk hebben we ze maar binnen gevraagd voor een kopje thee en heb ik gezegd dat ik Richards redacteur wel wilde bellen om uit te leggen dat we geen interview wilden geven. Daarmee leek de kous af. Er kwam geen 
verhaal, goedschiks noch kwaadschiks.

Tot op dat moment had mijn leven bestaan uit het verslaan van gemeenteraadsvergaderingen, rechtszaken, opvallende weersverschijnselen en bloemententoonstellingen. Dat was wat ik onder journalistiek verstond: de verslaglegging van publieke gebeurtenissen van wisselend belang. Doordat die reporter bij mij aanbelde, begon ik voor het eerst te beseffen dat journalistiek voor verschillende mensen verschillende dingen betekent. En dat er tal van 
verschillende vormen van ‘journalistiek’ bestaan.

Ik kwam bij The Guardian in 1979, op dezelfde dag als Nick Davies, die zou uitgroeien tot een van de meest onvervaarde en productieve onderzoeks
journalisten van zijn generatie. Ruim 35 jaar lang 
kwamen we elkaar herhaaldelijk tegen, hij als 
verslaggever, ik als redacteur. Toen hij in 2005 voorstelde zijn carrière af te sluiten met één laatste grote reportageserie over macht – om precies te zijn: de ongebreidelde macht van de pers – wist ik dat hij moeilijke kwesties zou blootleggen. Nick was net een doelzoekende raket. Als hij een jaar lang ging graven, kon je er donder op zeggen dat hij met iets bijzonders voor de dag zou komen. Dat deed hij altijd.

De kiem van het idee lag in de Irakoorlog en de medeplichtigheid van de pers aan een conflict dat berustte op wat we tegenwoordig nepnieuws zouden noemen. Maar de oude garde van krantenland vond het maar niks dat een serieuze onderzoeksjournalist de pers zelf op de korrel nam. The Guardian had toen 
al jaren een mediakatern op maandag en we hadden ook net een mediasite opgericht. In de loop der tijd heb ik misschien niet van elke uitgever en hoofd-redacteur in Londen dreigementen ontvangen, maar toch van een heel aantal.

Hoofdredacteur 1: ‘Ik sla beslist terug. We moeten solidair zijn, niet over elkaar schrijven.’

Hoofdredacteur 2: ‘Ik verkoop drie keer zoveel 
kranten als jij. Als jij over mij schrijft, ga ik over jou schrijven. Dan hou je uiteindelijk wel op.’

Hoofdredacteur 3: ‘Ik heb er de pest aan om over de media te schrijven, maar ik maak een uitzondering voor The Guardian.’

Uitgever 1: ‘We kunnen allebei onze pen in inkt dopen, Alan. Vergeet dat niet.’

Uitgeverij 2: ‘Ik laat alle honden van de hel op je los. Hou op met schrijven over ons.’

Sommigen probeerden het op een akkoordje te 
gooien: ‘Als jij niet over ons schrijft, schrijven wij niet over jullie.’ En over het algemeen kwamen ze hun dreigementen na. Als The Guardian een concurrerende hoofdredacteur of uitgever in de gordijnen joeg, kon je binnen een paar dagen een vorm van vergelding verwachten. Dat kon een terloopse sneer in een column zijn, of een dreigement de vuile was buiten te hangen over het privéleven van Guardian-medewerkers, inclusief het mijne. Of een kritisch stuk over ‘onrust’ bij de krant. Soms zat er een kern van waarheid in die verhalen, soms waren ze 
volledig uit de lucht gegrepen. Aanvankelijk was ik geschokt dat zelfs kwaliteitskranten willens en wetens leugens over ons publiceerden, louter om wraak te nemen. Na een tijdje begreep ik dat we dit allemaal als één groot spel moesten zien.

Ik had geen idee wat Nicks onderzoek zou kunnen opleveren, maar ik vond niet dat de oude garde zijn zin moest krijgen en de media zelf verschoond mochten blijven van journalistiek onderzoek. Als de journalistiek veel invloed heeft – wat volgens mij zo is en ook zo hoort 
te zijn – dan moet ze ook zelf aan kritisch onderzoek worden onderworpen.

Een merk heeft 
waarde. Een krant die nergens voor staat, verliest al snel zijn glans, en vervolgens zijn bestaansreden en zijn lezers

Dit soort onderzoeksjournalistiek is erg traag en duur en levert soms heel weinig direct rendement op. Er is geen managementconsultant ter wereld die het een zinvolle investering van tijd of middelen zou vinden: een redactie die louter op de cijfers wordt afgerekend, kan het nooit rechtvaardigen. Diepgaand journalistiek onderzoek (zoals dat rond Watergate) bestaat vaak uit een opeenvolging van steeds nieuwe, kleine onthullingen die op zichzelf geen 
spectaculaire koppen opleveren. Het aantal extra lezers dat die kleinere verhalen opleveren is nauwelijks meetbaar. De vermaarde hoofdredacteur Harold Evans zei dat een onderzoek pas echt gewicht in de schaal begint te leggen tegen de tijd dat het de lezers – en zelfs de journalisten – gaat vervelen.

Hoe kun je zulk bezeten onderzoek dat geen financieel gewin oplevert en de lezers nauwelijks interesseert dan toch rechtvaardigen? Het antwoord op die vraag raakt aan de kern van wat een krant is. Als de journalistiek in sommige opzichten een openbare nutsvoorziening is, dan moet een hoofdredacteur ook enig benul hebben van het openbaar belang: iets dat van waarde is voor de samenleving, zonder dat het direct financieel rendement oplevert. Dat betekent dat je zulke journalistiek op dezelfde wijze 
moet beoordelen als de politie, de brandweer of de ambulancedienst. Als burger verwacht je wel dat dergelijke diensten efficiënt worden gerund, maar niet dat ze worden afgerekend op hun winstcijfers.

Onderzoeksjournalistiek levert wel financieel profijt op, maar alleen op de langere termijn. Ergens willen lezers wel dat hun krant dapper, serieus, ondernemend en volhardend is. Ze willen dat corruptie aan de kaak wordt gesteld, dat de arrogantie van de macht wordt bestreden en grote schandalen worden onthuld. Dan weten ze weer waar de journalistiek voor dient. Dat bewonderen ze. Daar willen ze zelfs wel voor betalen. Een krant die consequent geruchtmakende onthullingen op grond van eigen onderzoek doet, bouwt daarmee aan (excusez le mot) zijn eigen merk. The Sunday Times van Harold Evans was zo’n sterk merk. Dat wordt tot op de dag van vandaag als een hoogtepunt van twintigste-eeuwse onderzoeksjournalistiek beschouwd. Een merk heeft 
waarde. Een krant die nergens voor staat, verliest al snel zijn glans, en vervolgens zijn bestaansreden en zijn lezers. Alleen klinkt dat argument niet altijd overtuigend genoeg als je er financieel slecht voor staat en de investeerders in je nek hijgen.

Flat Earth News

Davies’ onderzoek naar de macht van de pers resulteerde in een zeer gedegen boek, Flat Earth News [in Nederlandse vertaling verschenen als Gebakken lucht, uitgeverij Lebowski], waarin hij de manier beschreef waarop veel kranten, geobsedeerd door bezoekersaantallen en constant krimpende budgetten, steeds vaker een vorm van journalistiek bedreven die hij ‘churnalism’ noemde [‘lopende-band-journalistiek’, persberichten die zonder onderzoek of toetsing 
worden gepubliceerd als journalistiek]. Dat werd 
een begrip, omdat het zo herkenbaar was voor al die journalisten die kampten met slinkende middelen en groeiende tijdsdruk. Maar dit onderzoek bleek nog maar het begin te zijn. In maart 2009 kwam Nick 
bij me met een nieuwe onthulling. Het gesprek dat we toen hadden, noemen we sindsdien ‘het gesprek waarin mijn hart stilstond’.

Verslaggever Clive Goodman van News of the World en de privédetective door wie hij was geholpen, hadden in 2007 een celstraf gekregen voor het onderscheppen van de voicemail van drie werknemers van 
Buckingham Palace. Hoofdredacteur Andy Coulson was opgestapt, maar werkte inmiddels als persvoorlichter bij de Conservatieve Partij en lag op koers voor Downing Street, waar David Cameron in 2010 zou aantreden. De officiële lijn van News International was altijd dat Goodman een rotte appel was geweest: die telefoonhack was een eenmalige uitwas.

Davies vertelde me dat dit niet waar was. Hij was benaderd door iemand die had gezegd dat het bespottelijk was te denken dat Goodman de enige was die telefoons hackte. Dat werd door massa’s 
verslaggevers gedaan: zo had News of the World al die prijzen in de wacht gesleept. Het hacken van telefoons was bij die krant geen uitzondering maar regel. De politie wist dat, maar had er niets tegen gedaan. Nu had een van de slachtoffers van die hacks – 
Gordon Taylor, directeur van de beroepsvereniging voor profvoetballers – een rechtszaak aangespannen om erachter te komen wie nu precies wat had geweten en wanneer. Om hoeveel slachtoffers ging het? Nick had het aan een hoge functionaris bij Scotland Yard gevraagd. Het antwoord: duizenden. Het ging hier dus niet om één rotte appel.

Mediamogul Rupert Murdoch kwam onder vuur te liggen na het onderzoek van Nick Davies naar zijn News of the World, het grootste mediabedrijf ter wereld.
Mediamogul Rupert Murdoch kwam onder vuur te liggen na het onderzoek van Nick Davies naar zijn News of the World, het grootste mediabedrijf ter wereld.

News of the World was zo van deze rechtszaak geschrokken dat ze Taylor een enorm bedrag aanboden – 400.000 pond plus 300.000 pond aan kosten – als hij zijn eis zou intrekken. Met de vergoedingen voor Taylors collega’s er nog bij wilde News International dus wel een miljoen pond betalen om aan de rechtszaak een eind te maken. Nick had ook gehoord dat vicepremier John Prescott een van de slachtoffers van de telefoonhacks was. Tientallen verslaggevers van News of the World zouden erbij betrokken zijn. Nick had e-mails ingezien waarin verslaggevers en redacteuren correspondeerden over de transcripties van 
35 voicemailberichten. Er klopte dus geen hout van het hele verweer van de krant dat het om een doorgedraaide verslaggever ging die op eigen houtje had gehandeld. Volgens Nicks bronnen was de schikking goedgekeurd door James Murdoch, de zoon van Rupert en bestuursvoorzitter van News International. Het zwijggeld was betaald, de gerechtelijke dossiers waren verzegeld. Als dit klopte, had Murdochs hoogste man in Groot-Brittannië ingestemd met het 
betalen van een miljoen aan zwijggeld om strafbaar gedrag van zijn eigen bedrijf in de doofpot te stoppen.

Dit was een explosief verhaal. De Murdoch-groep 
kon meedogenloos zijn. Als wij het bedrijf alleen een verwonding toebrachten, zou het ons op zijn beurt afmaken. We wisten dat de politie zich, om haar moverende redenen, erbuiten wilde houden. We 
zouden weinig vrienden hebben in de politiek of in de rest van de pers. We zouden er alleen voor staan. Ons verhaal verscheen op woensdagmiddag 8 juli 2009. Daarin werd beschreven hoe men had samengespannen om strafbaar gedrag in de doofpot te stoppen. Werd de betrokkenheid van de woordvoerder van de Conservatieve partijleider aangestipt. Werd Murdochs directie beschuldigd van misleiding van het parlement. Werd de mediatoezichthouder laksheid verweten en werd de vraag opgeworpen waarom de politie een oogje had toegeknepen.

In de rest van de pers kon ons verhaal slechts op 
flauwe belangstelling rekenen. News International pleitte zichzelf vrij in een officiële verklaring waarin ons werk naar de prullenbak werd verwezen. Hun pr-afdeling draaide overuren in het parlement. Alle aantijgingen waren vals, zeiden ze. Rebekah Brooks schreef aan de voorzitter van de parlementaire perscommissie dat wij het Britse publiek hadden misleid. The Times plaatste een stuk waarin een andere oud-medewerker van Scotland Yard (inmiddels 
in dienst van Murdoch) onze beweringen bagatelliseerde. Zusterkrant News of the World nam dat stuk over en plaatste het onder een hoofdartikel waarin wij werden afgekraakt.
Zo leerden we hoe de organisatie van Murdoch terugvocht. Iemand van de directie van The Sun zwoer later dat hij de pagina’s van The Sunday Times zou gebruiken om mij aan de kaak te stellen als ‘smerigste vuile huichelaar ter wereld’. Het was alsof alle titels van Murdoch werden ingezet om iedereen op de korrel te nemen die het waagde een van hen aan te 
pakken. Zijn hele Britse persgroep leek te zijn gemobiliseerd om de waarheid als leugen te bestempelen en nepnieuws voor te stellen als de waarheid.

Het was een lang en pijnlijk proces, maar in 
de twee jaar erna kregen we stilaan gelijk. Op 15 juli 2011 stapte Brooks op bij News of the World. Twee dagen later werd ze gearresteerd. Ze is uiteindelijk vrijgesproken, maar toen Murdoch moest verschijnen voor een parlementaire commissie – ‘de meest deemoedige dag in mijn leven’ – zag je een organisatie die moreel en organisatorisch op zijn gat lag. Die twee jaar waarin we bezig waren de felle 
aanvallen van de Murdoch-pers af te slaan en te bewijzen dat Nick gelijk had, waren eenzame jaren. Je leeft in een democratische rechtsstaat en verwacht dat die je op allerlei manieren kan beschermen tegen de misdragingen van mensen met macht. Voor het eerst van mijn leven begon ik eraan te twijfelen of dat in ons land wel het geval was. We hadden stevig bewijs geleverd van een criminele samenzwering bij een van de machtigste mediabedrijven ter wereld – en niemand wilde het horen. De politie niet. De toezichthouder niet. Het parlement – aanvankelijk – niet. En de Britse pers niet.

De honger van 
het publiek naar seksschandalen subsidieert de berichtgeving over politiek

De Britse pers stond uiteindelijk terecht, of werd althans aan een nauwgezet juridisch onderzoek onderworpen, toen de overheid ten gevolge van Nicks onthullingen een onderzoekscommissie instelde onder leiding van 
Sir Leveson. Dat door premier Cameron gelaste onderzoek ging op 14 november 2011 van start. Tot dan toe was het enige perstoezicht altijd in handen geweest van de Press Complaints Commission, die door de pers zelf werd gefinancierd. De 
Britse kranten hadden altijd beweerd dat deze zelf-regulering goed werkte en de klachtencommissie hard en streng optrad. Tot juli 2011: toen moest de oude garde toch toegeven dat deze instantie vrij 
tandeloos was en dat er iets beters en strengers voor in de plaats moest komen.

Maar eerst moest er verantwoording worden afgelegd. Strafbaar gedrag van verslaggevers was een morele ramp voor de Britse journalistiek en haar rol in onze democratie. Het was ons Enron, ons Volkswagen, ons Deepwater, onze kredietcrisis. Het was deprimerend om te zien hoe sommige collega’s zich in hun bunker terugtrokken en hun eigen opinie-pagina’s gebruikten om ieder debat in de kiem te smoren, iedereen een kopje kleiner te maken die met constructieve kritiek kwam en het vertrouwen in 
de pers probeerde te herstellen. Ik walgde van de dreigementen en scheldkanonnades die iedereen met een andere mening over zich heen kreeg.

De eerste reacties op het Leveson-onderzoek waren gematigd; een gevoel van opluchting dat we er nog genadig van afkwamen leek te overheersen. Maar in de nasleep ging aan alle kanten veel mis. Het duurde niet lang voordat de gelederen zich sloten en de pers alle voorstellen voor verandering weer keihard afwees, zelfs de meest goedbedoelde pogingen om tot een geloofwaardige vorm van zelfregulering te komen. De intense minachting voor ‘de linkse elite’ en hun veronderstelde ideeën over ‘het publieke belang’ leidde tot een bittere cultuurstrijd. Maar het Leveson-onderzoek en de gevolgen daarvan maakten pijnlijk duidelijk hoeveel verwarring – of om precies te zijn: onenigheid – er bestond over wat de aard 
en de taak van de pers eigenlijk is.

Het werd steeds duidelijker dat er geen scherpomlijnde consensus is over wat journalistiek betekent voor het algemeen belang. Bij de Daily Mail werkten een hoop uitstekende verslaggevers, maar de nietsontziende, lompe, soms bijna agressieve redactionele mores van die krant hadden weinig gemeen met die van de BBC of de Financial Times, net zomin als die van Fox News dat hebben met die van The New York Times of The Washington Post. Zelfs onder de oudste media-organisaties bestond weinig overeenstemming over hoe je journalistiek kunt of moet bedrijven. Er ging bijna geen week voorbij zonder een felle aanval van de Daily Mail op de vooringenomenheid van de BBC. 
Af en toe kreeg The Guardian, Channel 4 of de Financial Times een veeg uit de pan van de hoofdredacteur van de Mail – onder eigen vlag, anoniem of via een bereidwillige handlanger. En nooit viel er ook maar een greintje ironie of nederigheid te bespeuren als de krant waarover het meest werd geklaagd (1214 klachten bij de toezichthouder in 2013) luidkeels zijn minachting beleed voor de meest vertrouwde nieuwsorganisaties van het land (over de Financial Times werden in 2013 maar zeven klachten ingediend).

De woede van de oude garde over het Leveson-
onderzoek werd aangekleed met verwijzingen naar William Cobbett of Jonathan Swift [historische 
voorvechters van de persvrijheid]. Maar de voorstellen van Leveson zelf bevatten – in tegenstelling 
tot het verprutste voorstel dat uiteindelijk zou volgen – weinig maatregelen die een rem zouden zetten op kritische geluiden of onderzoek naar zaken van algemeen belang. Waar vreesde men dan voor? De grootste woede richtte zich vooral – zoals ook bleek uit tirades tegen de jurisdictie van het Europees Hof inzake privacybescherming – tegen rechters die de lucratieve jacht op seksschandalen in de weg stonden. Het verdienmodel van de tabloids berust deels op het schenden van de privacy van mensen 
in het openbare leven. Geen slecht verdienmodel, vergeleken met sommige andere. De honger van 
het publiek naar seksschandalen subsidieert de berichtgeving over politiek. Maak riooljournalistiek onmogelijk en je kunt ook serieuze politieke verslaggeving wel vergeten, zo luidt hun redenering.

Maar al die opgeschroefde verontwaardiging wekte toch enige verwondering. Was de redactie van The Sun zo veel keuriger dan die van andere kranten, hadden zij geen vuile was om buiten te hangen? Journalisten, en zelfs sommige kranteneigenaren, stonden niet bekend om hun vrome levenswandel, net zomin als voetballers. Deed dat ertoe? De Sun en de Mail hebben natuurlijk recht op hun eigen economische en 
morele drijfveren, evengoed als The New York Times 
en de Financial Times. Fox News of BBC: het is allemaal ‘journalistiek’. We kunnen best vreedzaam naast elkaar bestaan. Zo was het vroeger, in dat verloren kinderparadijs, toen kranten nog geen spionagetechnieken gebruikten om aan hun informatie te komen.

Maar nu wordt de journalistiek door de economische omstandigheden werkelijk in haar bestaan bedreigd en voltrekt zich een radicale herijking van onze plaats in de wereld. En aan beide kanten van een steeds oppervlakkiger debat over media, politiek en democratie heerst twijfel of er nog wel een gedeelde opvatting bestaat over wat journalistiek is, en 
waarom die vraag ertoe doet.

Groot lek

Op 3 december 2013 moest ik voor een parlementaire commissie verschijnen om de journalistiek te verdedigen. Ik stond niet terecht, maar zo voelde het wel. In de belendende kamer zaten twee van de hoogste politiefunctionarissen van het land op hun beurt te wachten. Zij onderzochten of ik vervolgd moest 
worden. Sommige Conservatieve leden van deze commissie van Binnenlandse Zaken waren vast-besloten om mij een bekentenis af te dwingen, en 
ik wist zeker dat zij me maar wat graag achter de tralies zouden zien.

Officieel hield de commissie zich bezig met terrorismebestrijding, maar nu wilden ze vooral horen over Edward Snowden. Die voormalige medewerker van de Amerikaanse NSA had een groot aantal geheime documenten over de activiteiten van de Amerikaanse en Britse inlichtingendiensten doorgespeeld aan 
The Guardian en andere media. Zo’n groot lek was er nog nooit geweest. Het hoofd van MI6, de hoffelijke oud-diplomaat Sir John Sawers, had het parlement verteld dat de vijanden van Groot-Brittannië ‘zich vergenoegd in de handen wrijven. Al-Qaida smult hiervan.’ Hij had de media panklare krantenkoppen aangereikt.

In tegenstelling tot de overgrote meerderheid van de media in vrijwel alle andere landen toonde de Britse pers weinig enthousiasme over de Snowden-onthullingen in The Guardian. Sommige reacties waren openlijk vijandig. Een voormalig hoofdredacteur van een kwaliteitskrant schreef dat een krant niet het recht had te bepalen wat in het publieke belang was op het gebied van de staatsveiligheid. Iemand 
van The Economist had gezegd dat als Snowden bij hem had aangeklopt, hij hem naar de politie zou hebben gebracht. Wederom was er in de Britse pers geen consensus over wat het 
algemeen belang precies betekende.

Het rijtje parlementariërs tegenover me zag er niet al te vriendelijk uit. Ik stond er alleen voor. De voorzitter van de commissie, het eigenzinnige Labour-lid Keith Vaz, nam als eerste het woord. Zijn familie is afkomstig uit Goa, hijzelf is geboren in Aden (het huidige Jemen) en op zijn zesde met zijn familie naar Groot-Brittannië gekomen. We waren nog niet lang bezig toen hij me een vraag toewierp die aankwam als een handgranaat. ‘U en ik zijn beiden 
buiten dit land geboren,’ zei hij. ‘Maar ik houd van dit land. Houdt u ook van dit land?’

Heel even zat ik met mijn mond vol tanden. Toen zei ik dat mijn vaderlandsliefde berust op de idee van een Groot-Brittannië met een vrije pers die van dit soort zaken verslag kan doen. Er zijn ook landen waar de veiligheidsdienst kranten dicteert wat ze wel en niet mogen publiceren. Dat zijn geen democratieën. Ik was er trots op in een land te leven waar het er anders aan toeging.

Als journalisten het niet eens kunnen worden over wat het publieke belang behelst – welke publieke dienst wij menen te verlenen – wordt het moeilijker ons werk te verdedigen. En in een tijdperk van gratis horizontale massamedia is het des te belangrijker dat we duidelijk maken hoe wij denken over onze waarden, onze taak – en onze onafhankelijkheid. Inclusief onze onafhankelijkheid ten opzichte van de overheid. Maar vijf jaar na de onthullingen van Snowden is inmiddels duidelijk dat overheden zelf ook worstelen met de digitale revolutie die eerst de gevestigde media heeft ontwricht en nu de hele politiek overhoop haalt. 
De techgiganten hebben niet alleen een informatiechaos ontketend, ze hebben zich in een oogwenk ontpopt tot de machtigste organisaties die de wereld ooit heeft gekend.

Alan Rusbridger op de redactie van The Guardian, 2013. – © Andrea Artz/laif/Hollandse Hoogte
Alan Rusbridger op de redactie van The Guardian, 2013. – © Andrea Artz/laif/Hollandse Hoogte

‘Publiek’ is voor sommigen in de eenentwintigste eeuw een moeilijk woord. We hechten wel waarde aan publieke diensten, aan de openbare ruimte en publieke goederen – maar we weten soms niet goed hoe we erover moeten praten, hoe we het moeten organiseren, vormgeven, financieren, reguleren, steunen of controleren. We hebben het over de publieke zaak en het publieke belang, zonder ooit 
te definiëren wat we daarmee precies bedoelen. We koesteren ons Britse publieke zorgstelsel – maar 
ook weer niet zo erg dat we er genoeg geld voor uittrekken. We vinden onze publieke omroep betrouwbaarder dan alle particuliere nieuwsvoorzieningen – maar verketteren die omroep net zo vaak.

Het ultieme argument voor de journalistiek is dat gedegen verslaggeving nog steeds een publiek goed is. Maar hoe kun je dat publieke goed op waarde schatten in een tijd waarin, in de woorden van 
politiek filosoof Michael Sandel, ‘de markt en marktwaarde ons leven zijn gaan beheersen als nooit 
tevoren. (…) Markten drukken hun stempel. Marktwaarden kunnen belangrijke, niet-vermarktbare waarden in het gedrang brengen.’

Zo’n manier om over nieuws te denken zou tien jaar geleden zijn weggehoond als linkse prietpraat van subsidieslurpers die niet commercieel genoeg zijn om fatsoenlijke stukken te produceren die de 
mensen willen lezen. (Zoals James Murdoch met 
zijn beruchte uitspraak in 2009: ‘De enige werkelijk duurzame en eeuwigdurende garantie voor onafhankelijkheid is winst.’) Maar nu we geconfronteerd worden met de ontzagwekkende schaal, de populariteit en de overweldigende commerciële macht van de titanen uit Silicon Valley, schreeuwen alle media moord en brand over de verwoestende werking van de vrije markt voor de traditionele pers. Na twintig jaar van ontwrichtende ontwikkelingen is misschien geen van de oude conventionele verdienmodellen voor serieuze nieuwsvoorziening in het publieke belang nog levensvatbaar. Tegelijkertijd is goede journalistiek ook nooit eerder zo hard nodig geweest. We hebben dringend behoefte aan het werk van journalisten, dat op zijn best neerkomt op het 
scheiden van leugens en waarheid.

Alan Rusbridger, Breaking News: The Remaking 
of Journalism and Why It Matters Now.
Verkrijgbaar bij guardianbookshop.com.

360 publiceerde in editie 62 een voorpublicatie van 
Hack Attack, of hoe de waarheid Rupert Murdoch inhaalde. Het artikel is terug te lezen op de site.

Auteur: Alan Rusbridger

Openingsbeeld: Redactiezaal van The Guardian in Londen. – © Courtesy The Guardian

Alan Rusbridger, Breaking News: The Remaking of Journalism and Why It Matters Now.
Verkrijgbaar bij guardianbookshop.com.

360 publiceerde in editie 62 een voorpublicatie uit Nick Davies’ boek Flat Earth News: ‘Hack Attack, of hoe de waarheid Rupert Murdoch inhaalde’. Het artikel is terug te lezen op de site.

The Guardian
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000

Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.

Dit artikel van Alan Rusbridger verscheen eerder in The Guardian.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!

En ontvang wekelijks het beste uit de internationale pers in uw mailbox.