Vijanden die elkaar nooit zien

Le Monde Magazine/360 Magazine  | 21 April 2016 - 16:2121 Apr - 16:21

Binnenkort verschijnt de honderdste editie van 360 Magazine. Om dat te vieren bieden we gratis de tien beste stukken uit de eerste 99 edities van het blad aan. Dit artikel uit Le Monde Magazine verscheen in het tweede nummer van 360.

De Amerikaans-Franse schrijver Jonathan Littell gaat met het Oegandese leger mee op een expeditie waarbij vergeleken het zoeken naar een speld in een hooiberg kinderspel is.

De Mi-8 gonst boven de bomen, een dik insect met een gezwollen buik, wit als een walvis die plotseling is gaan vliegen. Zijn lichte schaduw strijkt over de groene toppen. Via de openstaande raampjes blaast een aangename bries door het toestel; de deur naar de cockpit staat open, zodat de dikke rode nekken van de Oekraïense piloten zichtbaar zijn.

De helikopter is met Amerikaans geld gehuurd door het Oegandese leger, de UPDF (Uganda’s People’s Defence Force). Op een bankje zitten twee officieren, hun ongeladen kalasjnikovs tussen hun knieën, de loop op de vloer gericht. Een luitenant van de luchtmacht luistert te midden van het geraas gespannen naar zijn radio en houdt de koers in de gaten. Voor hem staan stapels dozen met cornedbeef, gierstmeel en flessen mineraalwater. Door het raampje in de deur kijk ik uit over het bos, een enorme oceaan in voortdurend wisselende tinten groen, doorsneden met bleke, ontboste geulen. In de verte daalt een grijze massa neer op de bomen, een nevelige kolom regen die de wolk verbindt met het groen. We zijn ergens tussen zuid-Soedan en Congo, niets dat een grens aangeeft, geen enkel teken van leven ook, nergens vuur, een akker of een hut. Daar beneden houdt de vijand zich schuil en je hoeft alleen maar te kijken om de onmogelijkheid te zien van de voortdurende missies om het gebied uit te kammen.

Wat de Oegandezen OLT noemen – Operation Lightning Thunder [zie kader] – beslaat een gebied zo groot als Duitsland, geheel overdekt met bos, vrijwel onbewoond en met nauwelijks wegen. De vijand, dat is het Verzetsleger van de Heer, bestaande uit Oegandese rebellen die jaren geleden uit hun land zijn verdreven, maar in de drie buurlanden nog steeds moorden, plunderen en kinderen ontvoeren en als slaven behandelen. Er moeten nog een paar honderd over zijn. Vind die maar eens, daar in het bos.

Machete
De bush, noemen de Oegandezen het. Twintig minuten na onze landing aan de rand van het afgelegen dorpje Nakale komt onze kleine colonne UPDF-soldaten met hun bezoekers aan bij de zoom van het bos en verdwijnt tussen de bomen. Meteen verandert het tempo, het vertraagt, wordt ongelijkmatig. We laveren tussen gedrongen palmbomen die omwikkeld 
zijn met lianen, raken verstrikt in doornstruiken, afgebroken takken vol prikkels haken zich in onze voeten, we komen moeizaam vooruit. Er is nauwelijks gelegenheid om omhoog te kijken, je moet je ogen naar beneden gericht houden, want tussen 
het gras zitten onprettige verrassingen verborgen; 
je hoeft je voet maar iets te lang op een verkeerde plek te laten staan of rode mieren kruipen onder je broekspijp langs je been omhoog, planten hun kaken in het vet van je huid en zetten koers naar je boven-lichaam.

Er kan niet halt gehouden worden, je moet de mieren onder het lopen een voor een lostrekken. Er is niets anders te horen dan de zware geluiden van voetstappen, het geritsel van lichamen langs takken en bladeren en je eigen ademhaling: praten is verboden, stemmen dragen ver in het bos en de vijand zou ons kunnen horen. Er is geen pad, de gps geeft de richting aan, een man voorop hakt met zware slagen van zijn machete de grootste obstakels weg, degenen achter hem ruimen zo goed mogelijk uit de weg wat overblijft.

Dan komt er een groot moerasgebied, dicht begroeid met meer dan manshoog gras en met riet dat je moet platslaan voor je er overheen kunt lopen, je voet slipt weg, je glijdt uit, valt, dit is nog moeilijker dan het bos. Het zweet stroomt, doorweekt je kleren, maar de soldaten drinken weinig, water is op rantsoen, twee liter per dag meestal, en soms maar één; de mannen van het LRA, zegt men, kunnen het een hele dag uithouden zonder te drinken, een marteling in deze omstandigheden. Water is hier een belangrijk onderwerp.

Ondanks zijn weelderigheid is de bush droog en de aanwezigheid van bronnen bepaalt welke afstand men aflegt en waar het kamp wordt opgeslagen. We steken een droge rivierbedding over, er staan nog een paar plassen in, een soldaat vult zijn fles; er wordt een metalen bord gevonden, sporen waaruit blijkt dat hier gevist is: de vijand is hier langsgekomen, ongeveer een week geleden. Iets verderop stuiten we op zijn kamp, een ‘fort’, zoals de mannen van de UPDF het noemen. Wat vuurplaatsen, bedden van gedroogd gras, met goten om het regenwater op te vangen en in een vierkant geplaatste stokken om de poncho die als tent dient. overheen te hangen. ‘Dit is niet de manier waarop de UDPF een kamp opslaat,’ verklaart kapitein Patrick Mukundane, die aan het hoofd van de patrouille staat . De gps-coördinaten worden genoteerd om door te geven aan Nakale, de bedden worden geteld om de omvang van de vijandelijke groep te schatten, een soldaat gaat met zijn hand door de overblijfselen van het vuur, uit de samenstelling daarvan kan hij afleiden hoe oud het kamp is: een tot twee weken waarschijnlijk. Op een van de bedden ligt nog de gescheurde bijsluiter van een malariamedicijn; de LRA-strijders bezitten vaak medicamenten, geroofd van handelaren die de regio per fiets doorkruisen. ‘Hier heeft een belangrijke commandant gezeten,’ zegt Patrick. ‘Dat zie je aan de manier waarop ze georganiseerd waren. Ze hebben gevist, ze hebben wilde zoete aardappelen opgegraven. Er zijn veel sporen te vinden in de buurt, ze moeten hier wel een maand gebleven zijn. Het zou Ongwen geweest kunnen zijn. Die houdt erg van vis.’ Dominique Ongwen is een van de hoofdmannen van het LRA die door het Internationaal Strafhof worden gezocht, een moordenaar, verantwoordelijk voor afschuwelijke bloedbaden Het is bekend dat hij hier in de buurt rondzwerft. Al verschillende keren heeft de UPDF hem bijna te pakken gekregen, wat wapens van hem buitgemaakt en zijn vrouwen bevrijd, jonge meisjes die hij had ontvoerd en gedwongen om met hem te trouwen. Maar hij is sluw en wist elke keer te ontkomen.

Vuur, zweet, bonen
Als de soldaten klaar zijn met hun onderzoek, gaat
de tocht voort. Verderop kruisen we een voetspoor. Weer het LRA? De volgende dag zullen we met meer mannen terugkomen om het spoor te volgen. Tegen vier uur in de middag zijn we volgens de gps nog maar 400 meter van ons einddoel, het UPDF-bataljon dat in een ander LRA- kamp wacht op versterking door onze colonne. We komen stap voor stap vooruit, voeten blijven steken in lianen en wortels, elke vijf minuten gaat de kapitein op een munitiekist zitten terwijl zijn mannen een pad vrij hakken. Toch leven hier mensen. Boeren van het Zandé-volk – de etnische groep die vroeger het hele gebied bewoonde waar nu de LRA huishoudt – leefden in de bush, binnen kleine familiegemeenschappen, voordat ze werden verjaagd door de komst van rebellen die op de vlucht waren na het mislukte offensief van december 2008. ‘Aan die palmen kun je zien dat hier mensen hebben gewoond,’ legt Patrick uit. ‘Nog niet zo lang geleden, misschien twee of drie jaar. De bush neemt snel weer de overhand, als je hem zijn gang laat gaan.’ Ook de LRA-strijders leven al jaren in de bush, opgejaagd als wilde dieren waarvan alleen de zwakste kunnen worden gevangen. Je zou graag willen begrijpen hoe zij het volhouden. Voor de UPDF zijn de omstandigheden zwaar, maar het beschikt over logistieke 
middelen, ze hebben gps, radio’s, nieuwe laarzen en poncho’s, elke week komen de Mi-8 helikopters van hun basis in zuid-Soedan om voedsel te brengen en zieken te evacueren. Het LRA heeft dat allemaal niet. In het regenseizoen wordt het nog erger: er komen nog veel meer muskieten die malaria overbrengen, het gras wordt hoger dan de mannen zelf, het kleinste spoor blijft zichtbaar, al is het maar van één enkele vluchteling.

Eindelijk komen we uit bij een natte savanne. Nog enkele tientallen meters, het kamp is vlakbij, we 
ruiken het: vuur, zweet, bonen, gemaaid gras. Een laatste zonnestraal prikt tussen de bomen door, de zon zakt naar de horizon. We hebben meer dan een uur gedaan over die laatste 400 meter.

Op de terugweg in de helikopter zal ik met andere ogen naar het bos kijken, Die verspreide, bleek groene vlakken zien er niet langer uit of ze makkelijk over te steken zijn, het zijn uitgestrekte moerassen, verstikt door hoog gras. Via het grijsgroen van het jonge hout gaan ze over in grote massa’s donkere, veel grotere bomen, mango’s en andere oude reuzen, langs het bed van een rivier die in het droge seizoen niet bestaat. De vegetatie groeit, sterft, stort ineen, vormt een kluwen en je begrijpt dat die geweldige uitgestrektheid allesbehalve een zee is, geen vlakte, niet homogeen, maar doorsneden met nerven en krachtlijnen, krommingen en plooien, die invloed hebben op de doortocht en de aanwezigheid van mensen, en bepalend zijn voor de jacht die ze er bedrijven. Als de jungle bij uitstek het universum is van sporen, dan gaat het in de spookoorlog die de UPDF en het LRA hier tegen elkaar voeren, om het zoeken naar betekenis. De twee vijanden zien elkaar nooit, behalve wanneer een LRA-strijder uitgeput de bush uitkomt om zich over te geven, of tijdens de zeldzame ontmoetingen waarbij de UPDF-soldaten toevallig op hen stuiten en hen doden, gevangen nemen of op de vlucht jagen.

Sporen zoeken
Het krachtverschil is krankzinnig groot, het LRA 
is opgedeeld in groepjes van vier tot zes strijders, 
zelden meer, die niet allemaal een vuurwapen hebben en patronen zijn schaars, tien, acht, misschien zelfs maar vier per geweer, zeg zestig of zeventig voor de hele groep, terwijl een UPDF-eenheid, met zijn veertig tot zestig mannen en zijn automatische wapens een totale vuurkracht heeft van 5000 of 6000 schoten. Zo draait de een om de ander heen, naderhand speurend naar diens sporen. Alles hier is een teken, want verklaard door de mens. ‘Nadat ze voedsel hebben geroofd langs de weg’, overpeinst kapitein Patrick, die de route van degenen die we achtervolgen probeert te reconstrueren, ‘hebben ze hun kamp opgeslagen op de plek waar wij hebben geslapen, daarna hebben ze hun buit naar het hoofdfort gebracht, voor de commandant.’ Terwijl we voorttrekken, hebben soldaten de taak om aan weerszijden van de colonne naar sporen te zoeken: geknakte grassprieten, een voetstap in een hoopje zand, een doorgesneden liaan die men bij benadering kan dateren aan de hand van de mate waarin hij is verdroogd. Beetje bij beetje worden de hele tocht en het leven van de vijandelijke groep in kaart gebracht. Drie dagen tevoren had luitenant Bosco Otin Omony, op verkenning naar een LRA-groep van tien of vijftien mannen die actief waren ten zuiden van de grens en die vervolgens overstaken, de rebellen 
ontdekt terwijl ze bezig waren met koken; maar ze hoorden hem aankomen, openden het vuur en sloegen op de vlucht. De eenheid van Bosco achtervolgde ze tot de grens en stak die over, om twee dagen lang de bush aan de andere kant uit te kammen, vergeefs, want de LRA-strijders waren zo slim geweest om te keren. Maar één van hun gevangenen, een Soedanees, had van de verwarring gebruik gemaakt om te vluchten en naar een post van het Congolese leger te gaan. Hij bracht Bosco naar het fort waar wij ons nu bij hem hebben gevoegd met Patrick en zijn versterkingen, die hier in hinderlaag zullen blijven liggen, voor het geval dat, terwijl de eenheid de zoektocht voortzet. De dag daarop vinden ze een derde kamp, ingericht in de overblijfselen van een verlaten Zandé-dorp, dichtbij een bron. De volgende ochtend zullen de 
soldaten sporen zoeken rond het water, waarbij ze een grote cirkel beschrijven rond het kamp, om te bepalen in welke richting de vijand is vertrokken. Maar het LRA doet hetzelfde met de UPDF-troepen, ze bestuderen hun sporen, doorzoeken hun verlaten kampen en nestelen zich daar soms zelfs in, wel wetend dat de UPDF er niet snel zal terugkomen. Hun enige voordeel is dat ze watervlug en beweeglijk zijn. ‘Bij de UPDF is geen snelheid,’ zal Vincent Okema, een vroegere LRA-kapitein die in 2007 is overgelopen naar de UPDF, me drie dagen later 
uitleggen, 300 kilometer verderop in de savanne van Pasi ten zuiden van de Centraal-Afrikaanse grens. ‘Maar het LRA heeft dat wel. Als zij weten dat de UPDF achter ze aan zit, kunnen ze dubbel zo hard lopen. Zij kunnen in een of twee dagen even ver komen als de UPDF in drie of vier dagen.’ Als ze 
merken dat ze op de hielen gezeten worden, kiezen ze een vast punt als ontmoetingsplek, zoals een grote boom of een bron, splitsen zich op en lopen één voor één in een boog om hun achtervolgers heen, om elkaar daarachter weer te treffen. Soms nemen ze het spoor van de UPDF-soldaten en volgen dat, ervan uitgaand dat die niet zullen omkeren. Maar de UPDF weet dat ook en stuurt dus soms een tweede eenheid achter de eerste aan, op vijf of acht kilometer afstand, om het LRA te pakken te nemen.

Het is een uitputtingsoorlog. Wat de UPDF het 
‘oorspronkelijke LRA’ noemt, de strijders van de Acholi-stam die eind 2005 met hun hoofdman Joseph Kony meekwamen naar het gebied ten westen van de Nijl, omvat niet meer dan 200, misschien zelfs maar 150 man, en om de paar maanden komen twee of vier van hen om of geven zich over. De Congolese of Soedanese gevangenen tellen niet mee: de LRA-strijders vertrouwen hen niet, ook al geven ze hun wapens. En sinds de rebellen uit Oeganda zijn verjaagd en tientallen kilometers naar het westen zijn teruggedrongen, kunnen ze niet meer, zoals vroeger, Acholi-kinderen ontvoeren en ‘politiseren’, om de term van Vincent Okema te gebruiken.

Vincent is in 1993 in Gulu ontvoerd, hij was toen al 22 of 23 jaar en zijn kidnappers hadden hem bijna ter plekke vermoord, omdat ze hem te oud vonden om ‘gepolitiseerd’ te worden. Zelf vindt hij dat hij toen nog niet volwassen was, en hij vertelt hoe snel hij zich de LRA-ideologie die Kony en zijn commandanten predikten, eigen maakte. Het LRA is een typisch voorbeeld van een gesloten groep; ze vermeerdert zich door overheersing, door gevangenneming en leeft in afzondering. De groep is georganiseerd volgens regels die zijn uitgevaardigd door Kony, op bevel van de geesten die tot hem spreken. Die regels moet je gehoorzamen, ook als je niet begrijpt waarom, zoals Vincent Okema, die ze voor mij opnoemde. De LRA-rebel drinkt niet, rookt niet, eet geen vlees van varkens of schapen, want die zijn onrein. Een vrouw die 
menstrueert mag geen eten bereiden. Als hij water oversteekt doet de LRA-strijder dat zwijgend en neemt hij wat water in zijn hand om daarmee een kruisje op zijn hoofd te tekenen. Als hij vuur maakt gebruikt hij geen stenen. Zijn kamp is dan ook te herkennen aan de stokjes die rond de vuurplaats zijn gearrangeerd, om de pannen te ondersteunen, anders dan bij de UPDF, waar wel stenen worden gebruikt of stukken van termietenheuvels. Ook die laatste zijn verboden terrein: tijdens een gevecht mag een LRA-strijder zich er niet achter verschuilen of erop klimmen om beter te kunnen uitkijken of schieten. Vóór een veldslag mag hij niet met zijn vrouw slapen: ‘Als je met haar gaat rollebollen,’ zegt Vincent, ‘zul je sneuvelen.’ Slaapt een LRA-strijder met een vrouw die hem niet door de commandant
is toegewezen, dan wordt hij gedood of krijgt hij minstens 300 slagen met een riet. De straf hangt af van Kony’s stemming; maar wie probeert te vluchten zegt Vincent, ‘wordt gedood, zonder pardon,’ vaak door andere gevangenen, met stokslagen. Natuurlijk zouden velen zich willen overgeven, niet alleen degenen die pas gevangengenomen zijn, maar zeker ook het grootste deel van de oorspronkelijke LRA-rebellen.

Bang
Maar ze zijn bang, bang voor hun kameraden en hun aanvoerders, bang ook voor wat hen zal overkomen buiten de groep, dat ze, als ze alleen aankomen, gelyncht worden door dorpelingen (iets wat in Congo vaak gebeurt), bang om gemarteld of gedood te worden door Congolese of Oegandese soldaten, bang voor 
het Internationaal Strafhof, bang voor de Oegandese tribunalen, bang voor wraak in het gebied van de Acholi. In werkelijkheid worden LRA-strijders die zich overgeven, goed behandeld, ze worden wel ondervraagd, maar zonder geweld. Dat is ook niet nodig, want eenmaal tevoorschijn gekomen uit de bush, hebben ze niets meer te verbergen. Dan worden ze naar Oeganda gestuurd, waar ze amnestie krijgen en een programma volgen om te resocialiseren en een vak te leren, voordat ze terug mogen naar hun familie, met wat geld en huisraad, of min of meer vrijwillig in het leger worden opgenomen. Maar hoe is dat aan de rebellen over te brengen? Ook daarbij gaat het om het zoeken naar betekenis. De Verenigde Naties hebben, eerst in Oeganda en later ook in Congo, radioprogramma’s uitgezonden waarin oud-LRA-strijders vertelden over hun nieuwe leven; al snel werden in de LRA-kampen veel vernielde radio’s gevonden. Ook hangt men posters op in het bos, in minstens vijf verschillende talen en schrijft men brieven aan de strijders waarin ze worden opgeroepen zich over te geven; die brieven worden, opgerold in plastic flesjes, opgehangen in de buurt van hun
kampen. Maar de LRA-commandanten voeren hun eigen tegenpropaganda en voor de strijders die al 
op jonge leeftijd zijn ontvoerd, jarenlang zijn geïndoctrineerd met verhalen over de regeringsterreur en hun hele leven geïsoleerd zijn geweest, is het moeilijk de beloften van de UPDF te geloven. ‘Ook ik,’ roept Vincent uit, ‘heb toen ik in de bush zat, er nooit aan gedacht dat ik mezelf in veiligheid zou kunnen brengen door me bij de overheid te melden. Pas toen ik eenmaal hier was, heb ik gemerkt dat de manier waarop de regering me opvangt en me beschermt, heel erg goed is. Maar er is geen middel om dat duidelijk te maken aan de mannen die in de bush zijn gebleven. Als ik een brief achterlaat, zullen anderen zeggen: “Nee, die bedriegt ons.” Als er een manier komt waarop wij met hen kunnen communiceren, dan kan niemand in de bush blijven.’

Toevallig heb ik er een gezien, een LRA-strijder die net uit de bush was gekomen, op de dag dat ik de UPDF-basis in de stad Obo bezocht, in de Centraal-Afrikaanse Republiek. Richard Komakech heet hij, een jongen van 24 jaar die op zijn twaalfde is ontvoerd uit zijn geboortestreek Padal in het gebied van de Acholi. Samen met drie vrienden, van wie één een conflict met een andere LRA-rebel had om een vrouw, ontvluchtte hij eind 2010 een van de groepen rond Kony, ergens in de buurt van Darfur. Ze hadden maandenlang gezworven, in de richting van de
Congolese grens, toen hij op een dag, op zoek naar water, verdwaalde en zijn vrienden niet meer kon vinden. Daarop is hij naar de politie gegaan, die hem de volgende dag overbracht naar de UPDF, op
lunchtijd. ‘Geef hem toch een bord,’ had luitenant-kolonel Benedict Sserwada, die hier het bevel voert, uitgeroepen en zittend onder de zeer geheime stafkaart, at de voormalige LRA-rebel zijn gegrilde kip, terwijl zijn toegeknepen ogen nerveus heen en weer schoten, tegelijkertijd ongelovig en nieuwsgierig. 
‘Ja, in het begin stond ik achter het LRA,’ legde hij
me wat later uit, verlegen wegkijkend, terwijl hij glimlachend antwoord gaf op mijn vragen die werden vertaald door een officier van de Oegandese inlichtingendienst. ‘Het LRA beloofde dat we terug naar huis zouden gaan en de macht zouden overnemen en dat wij dan een functie zouden krijgen. Maar
uiteindelijk zag ik dat dat helemaal niet gebeurde. Daarom heb ik besloten om te vertrekken.’


Mogologo
Zijn benen bewegen onophoudelijk, hij praat met een kinderlijk stemmetje en ik heb nooit eerder iemand gezien die zo verloren was. Dat moeten ze allemaal wel zijn, zelfs misschien iemand als Dominique
Ongwen. Luitenant David Agaba, een van de commandanten van de eenheid waar Vincent Okema bij hoort, achtervolgde afgelopen augustus een groep van Ongwen, vlak bij Duru, in het noordwesten van Congo. ‘Ze hadden veel mensen ontvoerd, in Duru, in Nakale, in Mogologo. Om de vijf kilometer vond ik een lijk.’ Glimlachend doet de luitenant na hoe ze erbij lagen: handen op de rug gebonden, voorover, de schedel ingeslagen met stokken. Overlevenden van de bloedbaden in de regio Nakombo, in december 2009, vertellen dat als de strijders die zo’n slachting hadden uitgevoerd, weer bij Ongwen in de bush terugkwamen, hij hen beval lofliederen te zingen op de moordpartij. ‘Het is een verschrikkelijk mens,’ zei Acholi-politica Betty Bigombe vorig jaar in Kampala tegen me. Zij heeft verscheidene keren deelgenomen aan onderhandelingen met het LRA. ‘”Ja,” zei hij tegen me, “wij doden alleen om het doden. Zo vernederen we de regering, daar gaat het ons om.”’ Maar Vincent Okema verklaart zonder aarzelen dat Ongwen onschuldig is. ‘Dominique is a good person, iemand die in wezen goed is. Als hij niet gevangen was genomen, zou hij geen slecht mens zijn geweest. Het probleem is degene die je dwingt, degene die je gevangenneemt.

Dominique is gevangengenomen toen hij nog heel jong was (9 jaar) en hij is gedwongen om al die dingen te doen, dus de bloedbaden die hij aanricht. Als hij niet gevangen was genomen, hoe had hij die dingen dan kunnen doen?’ Volgens die redenering zouden alleen degenen die gekozen hebben voor het geweld, Kony in de eerste plaats en zijn belangrijkste commandanten, degenen die zelf de wapens wilden opnemen, schuldig zijn aan de verschrikkingen. ‘Kony is geen goed mens,’ benadrukt ook Vincent.

Oorlogsmisdaden
Maar wat is uiteindelijk, in dit gruwelijke verhaal, een goed mens? De UPDF vindt in ieder geval dat zij aan de goede kant staat – ‘Ik ben trots op wat ik doe,’ vertelt kapitein Patrick Mugundane me rustig in de bush bij Nakale. ‘Ik dien mijn land. Thuis vertel ik
dat ik in de jungle ben geweest, in Congo, om tegen onze vijanden te vechten.’ En het is waar dat zij
hun moeilijke missie uitvoeren met een moed, een vastberadenheid en en professionaliteit waar onze troepen jaloers op kunnen zijn. Maar daarbij mogen de oorlogsmisdaden die zich in bijna twee decennia opstapelden, niet vergeten worden: de misdaden in de tijd van de bloedige onderdrukking van het LRA in Acholi, die het Internationaal Strafhof verkoos niet te vervolgen, maar die de mensen hier niet vergeten zijn; of de misdaden begaan in Congo tijdens de rampzalige ‘coltan oorlogen’ (belangrijke grondstof) tussen 1998 en 2003. Dat is trouwens ook de reden waarom de UPDF zo bereidwillig meedoet aan het spel van het ‘embedden’, en met oprechte vriendelijkheid westerse journalisten verwelkomt. De kracht van propaganda is duidelijk, op deze manier wordt er positief bericht over haar operaties en dat helpt om haar vele misstappen te doen vergeten. En het zorgt er ook voor dat men de ogen sluit voor de recente en zeer pijnlijke herverkiezing, de vierde al, van president Museveni, de voormalige rebel die aanvankelijk verklaarde dat de meeste problemen van Afrika werden veroorzaakt door al die corrupte big men die zich decennialang aan de macht vastklampten. Zo dient ook het verhaal, dat telkens terugkomt in de westerse pers, waarin het LRA wordt gereduceerd tot een stel godsdienstfanaten en psychopaten, vooral om te doen vergeten wat Museveni nooit heeft willen toegeven: de bloedige onderdrukking van de Acholi door zijn leger en zijn jarenlange weigering om hen ook maar enige politieke ruimte te geven. Als er een ‘raadsel van het LRA’ bestaat, dan ligt dat niet in de religieuze of mystieke rituelen, die uiteindelijk vrij gebruikelijk zijn in deze regio, maar in het feit dat een politieke opstand die in 1986 en 1987 begon als reactie op een werkelijk bestaande onderdrukking, en dus gerechtvaardigd was in de ogen van degenen die de wapens opnamen, zo snel kon overgaan – tegen het eind van de jaren ‘80 – in radicaal geweld, met geen ander doel dan dat van zijn eigen voortbestaan, zelfs ten koste van het overleven van de eigen groep, waarvoor een vreedzame oplossing nodig is. Is het mogelijk dat een sociale logica zich laat meesleuren door het gewicht van zijn eigen snelheid? In hoeverre heeft de bijzondere persoonlijkheid van Joseph Kony een rol gespeeld? ‘Kony is een normaal mens,’ beweren zowel Vincent Okema als Richard Komaloch. Maar in 2008 lag de vrede binnen handbereik, de akkoorden lagen op tafel, aanvaard door de LRA-onderhandelaars en al getekend door de vertegenwoordigers van Kampala, en Kony tekende niet, waarmee hij de verantwoordelijkheid op zich laadde voor de Oegandese keuze van de militaire optie, voor de uitbreiding van het conflict naar drie landen en voor de lijdensweg van de bevolking in de regio, die nog steeds voortduurt.

De soldaten van de UPDF hadden ons naar de savanne van Pasi gebracht om ons de moestuinen van het LRA te laten zien, bebouwde stukjes land midden in het niets. Ze hadden ze een paar weken daarvoor gevonden, na een reeks schermutselingen waarbij ze een LRA-commandant hadden gedood, kapitein Akema. De akkers lagen nogal verspreid, op zeker anderhalf uur lopen van elkaar. De rebellen hadden een maand eerder al de zoete aardappelen geoogst, maar er stonden nog maniok, gierst, sorghum, nakati, een groentesoort, een plant die in het Acholi boo wordt genoemd en die de LRA-strijders veel gebruiken om ‘oorlogsthee’ van te trekken als ze onderweg zijn, en jonge pindaplanten, die de Oegandezen g-nuts, of ground nuts noemen, nog geen drie weken geleden geplant. Het had duidelijk enorme inspanning gevergd om de akkers aan te leggen, we zagen nog de hopen as van verbrande bomen, die omgehakt waren, naar de zijkant gesleept en opgestapeld. Alleen dat moet al een maand werk hebben gekost, nu geheel tevergeefs, want zelfs als de UPDF-soldaten de gewassen niet meteen verwoestten, was dat alleen om het LRA te verleiden hier terug te keren en zo in een hinderlaag te lopen.

Pindadoppen
De officier die aan het hoofd van deze eenheid stond, kapitein Moses Tumusiime, zegt daarover: ‘Als je de vijand wilt overwinnen, moet je hem geestelijk martelen.’ Vincent Okema, die zich twee dagen later te voet bij ons zou voegen, denkt er hetzelfde over: ‘Zolang de omstandigheden nog niet al te slecht zijn, zolang zij zeggen “We hebben nog te eten, we hebben het goed”, zal het LRA niet de bush uit komen. Daarom moeten ze zwaar onder druk worden gezet, tot ze inzien dat ze geen kant meer op kunnen, geen voedsel hebben, niets. Dan moet het LRA zich wel aan de regering overgeven.’ Verborgen in het dichte struikgewas, een eindje van de moestuinen, ligt een LRA-fort, het meest uitgebreide dat ik tot nu toe heb gezien, met hutten van takken en gevlochten stro, half platgebrand door de UPDF. ‘Ik denk’, gaat Moses verder, ‘dat ze hier, als ze niet waren betrapt, een permanent kamp hadden gevestigd, misschien wel voor Kony zelf.’ Het is een donkere plek, onnoemelijk triest. Er zijn veel bedden en vier grote hutten voor de aanvoerders; onder de daken zijn lianen gespannen om de poncho’s op te hangen. In de bomen hangen nog flarden van affiches waarop lachende ex-LRA-strijders staan met hun
familieleden. Op de grond, tussen de dode
bladeren, liggen lapjes gekleurd textiel die van de ontvoerde meisje moeten zijn geweest, een hoofdkussentje van gevlochten stro, om een vracht op te kunnen dragen, een plastic slipper, een petje met gaten. ‘Het verbouwen van groente ging door,’ merkt Moses op terwijl hij wijst op de stapels maniokwortels die klaarliggen om geplant te worden. Aan het uiteinde van het kamp, onder de bomen, ligt een soort paadje, dat overdekt is met pindadoppen. Het kost weinig moeite om hier de ontvoerde kinderen voor je te zien, zwijgend op een rij gehurkt in de schemering, van de ochtend tot de avond bezig met het pellen van de oogst, slaven van meesters die net zo wanhopig zijn als zijzelf.

Jonathan Littell

LRA: 25 jaar terreur
In 1986 grijpt Yoweri Musevini in Oeganda de macht, maar hij moet een grote opstand van de Acholi, in het noorden van het land, neerslaan.

Overlevenden verzamelen zich onder het vaandel van Joseph Kony en vormen het Verzetsleger van de Heer (Lord’s Restistance Army, LRA), dat een meedogenloze guerrilla begint, al snel berucht vanwege de bloedbaden die het aanricht en het massaal ronselen van jongens voor het Verzetsleger. De Oegandese strijdkrachten (UPDF) op hun beurt verjagen de bewoners van het platteland en huisvesten ze onder erbarmelijke omstandigheden in kampen, waar veel mensen sterven. Deze kampen maken volgens gegevens van de WHO tien keer zoveel slachtoffers als het LRA. Uiteindelijk, in 2005, wordt het LRA verdreven uit Oeganda en van zijn bases in Zuid-Soedan en trekt het zich terug in het westen van de Democratische Republiek Congo. Twee jaar vredesonderhandelingen monden uit in een akkoord, maar Joseph Kony weigert dat te ondertekenen. Eind december 2008 start Oeganda een ondoordacht offensief en het LRA verspreidt zich over Congo, Zuid-Soedan en de Centraal-Afrikaanse Republiek, waarbij het zich op gruwelijke wijze tegen de plaatselijke bevolking keert. De troepen van de UDPF maken in de drie landen voortdurend jacht op de laatste rebellen.

Jonathan Littell (1967) werd geboren in New York maar bracht vanaf zijn derde een groot deel van zijn jeugd door in Frankrijk. Het boek waarmee hij in 2006 de Prix Gonourt won, De welwillenden, schreef hij in het Frans (evenals deze reportage). Voordat hij zijn leven geheel aan het schrijven ging wijden, was Littell werkzaam voor diverse humanitaire organisaties.

Binnenkort verschijnt de honderdste editie van 360 Magazine. Om dat te vieren bieden we gratis de tien beste stukken uit de eerste 99 edities van het blad aan.

Wil je meer artikelen lezen uit 360 Magazine? Neem dan nu een abonnement.

(© Benedicte Kurzen)

Plaats een reactie

Vijanden die elkaar nooit zien (Le Monde Magazine/360 Magazine)