Je weet niet wat je eet

The Guardian/360 Magazine  | 12 May 2016 - 10:4512 May - 10:45

Vers en gezond, zo’n bakje fruitsalade. Of toch niet? De Britse culinair journaliste Joanna Blythman ging undercover in de voedselindustrie, en schrok zich wild.

Binnenkort verschijnt de honderdste editie van 360 Magazine. Om dat te vieren bieden we gratis de tien beste stukken uit de eerste 99 edities van het blad aan. Dit artikel uit The Guardian verscheen in de 75e editie van 360.

Eind november 2013 bevond ik me op een heldere koude dag in de donkere, spookachtige overdekte uitgestrektheid van de Festhalle Messe in Frankfurt. Incognito bezocht ik daar de jaarlijkse vakbeurs Food Ingredients. Dat drie dagen durende evenement is ’s werelds belangrijkste bijeenkomst van leveranciers, distributeurs en kopers van ingrediënten voor de voedselindustrie. In 2011 trok die beurs, toen in Parijs, meer dan 23.000 bezoekers uit 154 landen, die samen vier miljard euro te besteden hadden. Je kunt de beurs in omvang vergelijken met een wapenbeurs. Het evenement is niet toegankelijk voor het publiek. Iedereen die erheen wil, moet kunnen aantonen dat hij of zij werkzaam is in de voedselindustrie. Ik gebruikte een vervalst identiteitsbewijs.

Op de meeste voedselbeurzen willen standhouders de bezoekers graag hun producten laten proeven, maar hier hadden slechts weinig mensen iets eetbaars in de aanbieding. En bij de enkeling die dat wel had, bleek het gebodene niet wat het leek. Blokjes witte kaas bestrooid met kruiden werden op een hip schoolbord aangeprezen met de tekst: ‘Feta, met glucono-delta-lactone’ (een ‘cyclische ester van gluconzuur’ die de houdbaarheid moet verlengen).

Een patissier, gekleed in stralend wit, rondde zijn demonstratie af door de verzamelde kopers petitfours aan te bieden. Zijn kunstige, hart- en diamantvormige gebakjes leken sprekend op de keurig uitgestalde taartjes met vruchtengelei, room en chocola die je in de etalages van exclusieve patisserieën ziet. Maar dan gemaakt zonder eieren, boter of room, want die waren vervangen door aardappeleiwit. Dat revolutionaire ingrediënt zorgt voor ‘het volume, de textuur, de cohesie en het mondgevoel’ die we gewend zijn van koekjes gemaakt met traditionele ingrediënten – alleen is aardappeleiwit een stuk goedkoper.

En daar gaat het om bij de getoonde waar, dat maken de wervende teksten wel duidelijk. De aanbeveling bij het product Butter Buds®, dat door de makers wordt omschreven als ‘capsules enzymgemodificeerde botersmaakstof waarvan de smaakintensiteit 400 maal zo sterk is als die van boter’, vat het kernachtig samen: ‘Als technologie de natuur te hulp schiet, scheelt dat geld.’

De stands leken soms wel op kunstinstallaties. In uitgelichte vitrines stonden grote, bolvormige flessen met veelkleurige vloeistoffen, die zo fel oplichtten dat het wel neon leek. Schalen met poeders, in piramidevorm, stonden uitgestald op elegante plastic standaards met raadselachtige etiketten – ‘getextureerd soja-eiwit: hamkleur’ stond er op eentje.

Fabrikanten, die willen dat hun tomatensaus dik genoeg is om niet weg te lekken uit de plastic verpakking – en ook een beetje glanzend, zodat de saus er niet dof en oud uitziet na een paar dagen in de koelkast – werden bijgepraat over de voordelen van Microlys™, een speciaal ‘kostenbesparend’ zetmeel dat zorgt voor ‘een glanzend, glad oppervlak en een hoge viscositeit’, of van Pulpiz™, Tate & Lyle’s ‘pulpvervanger’. Deze is eveneens gemaakt van zetmeel en zorgt ervoor dat je 25 procent minder tomatenpuree nodig hebt voor je pastasaus.

Laboratorium
De portfolio’s van de bedrijven die exposeerden op Food Ingredients, waren onthutsend uitgebreid. Omya, gevestigd in Hamburg, doet in voeding, diervoeding, cosmetica, wasmiddelen, schoonmaakmiddelen, papier, lijm, bouwmaterialen, kunststoffen en industriële chemicaliën. In Frankfurt verkocht Omya korrelig uienpoeder, mononatriumglutamaat en fosforzuur. Voor zulke grote bedrijven is de voedselverwerking een van de vele bronnen van inkomsten. Ze leveren net zo makkelijk ingrediënten voor uw maaltijd als voor insectenspray, krasbestendige autolak, verf of lijm. De beurs werd bevolkt door mensen wier habitat het laboratorium of de fabriek is, en niet de keuken, de boerderij of de akker – mensen die allen dezelfde mening zijn toegedaan: alles wat de natuur kan, kan de mens veel beter, en veel winstgevender.

Moe na uren rondslenteren op de beurs – vreemd genoeg zonder het gebruikelijke hongergevoel – zocht ik mijn toevlucht tot een stand met stukjes groenten en fruit: het deed me goed om iets natuurlijks te zien, iets wat onmiddellijk herkenbaar was als voedsel. Maar waarom stonden er bij de vruchten bordjes met datums die al weken verstreken waren? Een verkoper van de firma Agricoat vertelde me dat ze waren gedompeld in NatureSeal, een oplossing van citroenzuur en nog enkele niet nader genoemde ingrediënten, die de houdbaarheidsdatum met 21 dagen verlengt. Als wortelen op deze manier zijn behandeld, krijgen ze niet dat wittige laagje waardoor ze er meteen oud uitzien. In stukjes gesneden appels worden niet bruin, peren niet glazig, meloenen niet beurs en kiwi’s veranderen niet in pulp. Met NatureSeal blijven salades er ‘vers en natuurlijk uitzien’.

Voor de verkoper was dit middel een technisch hoogstandje, een zegen voor cateraars die anders onverkocht voedsel moeten weggooien. En er was nóg een voordeel: NatureSeal wordt aangemerkt als hulpstof en niet als ingrediënt, dus hoeft het niet op het etiket vermeld te worden en kunnen klanten dus niet weten dat hun ‘salade van vers fruit’ al weken oud is.

Toch lukte het me niet het enthousiasme van de verkoper te delen. Had ik ooit ‘verse’ fruitsalades gegeten die op die manier waren behandeld? 
Misschien had ik ooit wel een bakje gekocht op een perron of zo’n salade gegeten bij het ontbijtbuffet in een hotel. Het begon me te dagen dat hoewel ik uit principe nooit voedsel eet met ingrediënten die ik niet herken, ik waarschijnlijk veel van de hier getoonde wonderproducten moest hebben genuttigd. De afgelopen jaren zijn ze geleidelijk aan en slinks toegevoegd aan het voedsel dat velen van ons dagelijks eten – in kantines, cafés, hotels, restaurants en afhaalrestaurants.

Zesduizend additieven
U kunt misschien makkelijk de verleiding weerstaan van een kant-en-klaarmaaltijd, een ‘vruchtendrankje’ of een klef wit brood. Wellicht controleert u ook etiketten op E-nummers en vreemd klinkende ingrediënten en boycot u de duidelijkste vormen van bewerkt voedsel. Toch valt het niet mee om de zesduizend additieven te vermijden – zoals aroma’s, glansmiddelen, verbeteraars en bleekmiddelen – die tegenwoordig in de voedselindustrie standaard worden gebruikt. Die prijzige gerookte ham en salami, dat ‘ambachtelijke’ zuurdesembrood, die ‘traditionele’ extrarijpe cheddar, die luxe Belgische bonbons, die speciale koffiesoorten en wonderbaarlijke probiotische drankjes, die zo onschuldig lijkende flessen spijsolie: vele daarvan hebben een intiemere relatie met de voedselindustrie gehad dan ons lief is.

Wanneer je dieper graaft, stuit je op een muur van geheimzinnigheid. De afgelopen tien jaar hebben de grote voedselverwerkingsbedrijven zich op de achtergrond gehouden. Ze verschuilen zich achter hun ‘bedrijfsgeheim’ en beweren ze hun recepten niet kunnen onthullen vanwege de concurrentie. Lastige vragen van journalisten en consumenten laten ze aan de detailhandel over. Op hun beurt overstelpen retailers je met overbodige, voornamelijk irrelevante informatie. De meest volhardende vragenstellers krijgen een nietszeggend standaardantwoord van het hoofdkantoor in de trant van: ‘Elk ingrediënt in dit product voldoet aan alle kwaliteitsnormen, EU-regelgeving en de strengste internationale eisen.’

‘Schoon etiket’
Jarenlang stuitte ik op gesloten deuren en raakte ik steeds gefrustreerder door hoe weinig ik wist van onze huidige voedselproductie. Wat er gebeurt op de boerderij en op de akkers is redelijk controleerbaar en transparant. Abattoirs worden regelmatig geïnspecteerd, soms ook door een undercover-verslaggever van een actiegroep voor dierenwelzijn, gewapend met een camera. Maar we weten heel weinig van ons voedsel dat in de schappen van de supermarkt ligt, in dozen, plastic of flessen – voedsel waar iets mee gedaan is om het geschikt te maken en klaar voor gebruik.

Uiteindelijk hebben contacten binnen de bedrijfstak me een dekmantel verschaft waarmee ik – en dat was uniek – toegang kreeg tot de fabrieken zelf, en tot de alleen voor leden toegankelijke websites van bedrijven, waarop de chemische industrie aan fabrikanten uitlegt hoe ons voedsel kan worden bewerkt. Zelfs na 25 jaar onderzoek in de voedselketen vielen mij nog de schellen van de ogen.

Op elke doos, blik, zak of fles moet staan wat erin zit en velen van ons zijn zeer bedreven geworden in het lezen van etiketten. Maar veel additieven en ingrediënten die ooit opvielen als nep of onbegrijpelijk, zijn in de loop van de tijd verdwenen. Betekent dat nu dat de inhoud is verbeterd?

In sommige gevallen wel maar er is ook nog een andere verklaring. De afgelopen paar jaar heeft de voedselindustrie de operatie ‘schoon etiket’ ingezet, met als doel de meest bedenkelijk klinkende namen van industriële ingrediënten en additieven te verwijderen en die te vervangen door stoffen die veel vriendelijker klinken. Sommige bedrijven hebben de samenstelling van hun producten echt verbeterd en ingrediënten vervangen door minder problematische stoffen. Andere waren bang dat ze de kosten niet konden doorschuiven naar de detailhandel en de consument en gebruiken tegenwoordig goedkopere stoffen waarmee ze goede sier kunnen maken bij het publiek.

Stel, je staat in de supermarkt en je koopt een salami voor een antipasto. Zelfs als uiterst behoedzame klant vind je het dan waarschijnlijk prima als je ziet dat er rozemarijnextract op de ingrediëntenlijst staat. Maar rozemarijnextract is niets anders dan de ‘schone etiket’-versie van aloude chemisch klinkende oxidanten (E300-21) als butylhydroxyanisol (BHA) en butylhydroxytolueen (BHT). Voedselfabrikanten gebruiken die stoffen om het bederf van voedsel te vertragen, en zo met de houdbaarheidsdatum te schuiven.

Rozemarijnextracten hoeven niet altijd een E-nummer (E392) te hebben, maar de poëtische naam suggereert dat het een liefdevol bereid ingrediënt is, vooral als de salami ook nog eens ‘natuurlijk’ of ‘biologisch’ wordt genoemd. Nu heeft het extract inderdaad wel iets met het kruid te maken, maar niet veel. De geur en de smaak van rozemarijn worden namelijk weggefilterd tijdens het extractieproces dat de chemische antioxidanten in het kruid isoleert. Voor die extractie worden chemische oplosmiddelen gebruikt als hexaan, ethanol en aceton. Het neutraal smakende rozemarijnextract dat vervolgens overblijft wordt verkocht aan voedselfabrikanten, meestal in de vorm van een bruinachtig poeder. Het verband met het vers geplukte, groene en pittige kruid dat we kennen en waar we zo gek op zijn, is dus ver te zoeken.

Eigenbelang
U weet nog niet wat u vanavond wilt eten? Wat dacht u van een schotel met kip en noedels? Als u wist dat die schotel het aminozuur L-cysteïne E910 bevatte, zou uw enthousiasme waarschijnlijk slinken, vooral als u toevallig ook nog wist dat dit additief afkomstig is uit dierlijk of menselijk haar. Maar E910 wordt steeds vaker vervangen door een heel scala aan nieuwe gistextracten. Eén leverancier prijst zijn waren aan als ‘een verzameling kant-en-klare producten met dezelfde intensiteit als onze klassieke smaakstoffen, maar ook met het stempel ‘geheel natuurlijk’. Ingrediënten zijn verkrijgbaar in de smaken kip en rundvlees, gebakken of gekookt, wit vlees en doorbakken.’ Dat alles valt op het etiket onder ‘gistextract’ – een zegen voor fabrikanten, want gistextracten hebben het gezonde imago dat ze rijk zijn aan vitamine B. Minder bekend is dat gistextracten een hoge concentratie aminozuurglutamaat bevatten, waarvan het gevreesde additief MSG wordt gemaakt.

Wat zit er nog meer in uw mandje? Stel dat uw oog valt op iets wat heel verleidelijk ‘chocolade-roomdessert’ wordt genoemd. U leest de ingrediëntenlijst: volle melk, suiker (nou ja, vooruit), room, cacaopoeder en pure chocolade. Dat klinkt allemaal prima, maar dan zakt de kooplust als u drie verdachte ingrediënten op de lijst ziet. Het eerste is carrageen (E407), een stollingsmiddel op basis van zeewier dat niet alleen in verband is gebracht met winderigheid, maar ook met maagzweren en maag- en darmkanker. In de voedselindustrie behoort het additief tot de categorie ‘liever niet’. Het tweede verontrustende ingrediënt is een gemodificeerd zetmeel (E1422) met de chemische naam geacetyleerd dizetmeeladipaat. Oorspronkelijk was dit een eenvoudig zetmeel, maar het is chemisch aangepast om het wateropnemend vermogen te vergroten en de extreme temperaturen en de fysieke druk tijdens de industriële verwerking beter te kunnen ondergaan. Het derde problematische ingrediënt is gelatine. Dat is verboden voor moslims, joden en vegetariërs, en zelfs seculiere omnivoren vragen zich misschien wel af wat dat bijproduct van varkenshuid in hun pudding te zoeken heeft.

Gelukkig bestaat er voor de fabrikanten van uw chocolade-roomdessert een plan B. Ze kunnen deze drie gewraakte stoffen weglaten en vervangen door een geavanceerder soort ‘functioneel meel’, dat hydrothermisch wordt verkregen uit graan en dezelfde werking heeft, maar zonder E-nummer.

Een andere mogelijkheid om het dessert ‘op te schonen’ is het gebruik van een ‘co-texturiser’, een goedkope stof die zorgt voor de noodzakelijke dikte en weldadige romigheid. Texturisers worden gemaakt van bewerkt zetmeel dat de hoge druk tijdens de productie kan weerstaan. Maar van Keuringsdiensten van Waren mogen ze gewoon als ‘zetmeel’ op het etiket worden vermeld. Weer geen E-nummers. Dus één ingrediënt en twee additieven die veel mensen liever mijden, worden vervangen door één enkel nieuw ingrediënt dat vaag omschreven wordt (bedrijfsgeheim!), maar dat geen argwaan wekt bij de consument.

De geschiedenis van de voedselverwerking staat bol van de ingrediënten die oorspronkelijk werden gepresenteerd als veiliger en wenselijker, maar dat vervolgens niet bleken te zijn. Margarine werd ooit aangeprezen als gezonder dan boter. Glucose-fructosestroop, op de markt gebracht als gezond alternatief voor suiker, blijkt nu een belangrijke oorzaak te zijn van obesitas in de VS.

Is de opschoningscampagne van etiketten een oprechte poging van de fabrikanten om te voldoen aan onze vraag naar gezonder voedsel? Of alleen maar een vervangingsoperatie uit puur eigenbelang? De grenzen zijn bewust vaag, of zoals een directeur van een vooraanstaand toeleveringsbedrijf het formuleerde: ‘Ingrediënten die zo uit grootmoeders keuken lijken te komen en niet te veel bewerkt lijken, zijn zeer aantrekkelijk voor de consument.’ Intussen zijn er geen bewijzen dat fabrikanten meer van de echte, natuurlijke ingrediënten gebruiken die de consument zo graag wil. De operatie schoon etiket lijkt niet zozeer een grondige voorjaarsschoonmaak, maar een oppervlakkige opruimactie, waarbij de ergste troep in een kast wordt gepropt in de hoop dat niemand er meer in kijkt.

Fabriekskeuken
Van met water geïnjecteerde kip tot eierpoeder en kant-en-klare marinades, de grondstoffen in de voedselindustrie zijn zelden simpel. Sterker nog, gewoonlijk hebben ze allemaal een nogal gecompliceerde bewerking ondergaan die niet op de etiketten wordt vermeld.

Zoals je nooit een verdwaalde uienschil zult zien liggen in een fabriek voor kant-en-klaarmaaltijden, zul je er ook zelden een stukje eierschaal aantreffen. Eieren worden in poedervorm aan voedselverwerkingsbedrijven geleverd, met toegevoegd suiker bijvoorbeeld, of als zuiver eiwit in de vorm van een supergel, speciaal om op te kloppen. Rauwe eieren worden gepasteuriseerd, alleen de dooier of alleen het eiwit, ingevroren of gekoeld, of met een verruimde houdbaarheid (een maand) – gewoon wat het handigste uitkomt. Ze kunnen vloeibaar zijn, geconcentreerd, gedroogd, gekristalliseerd, bevroren, diepgevroren of gestold. Fabrikanten kunnen voorgekookte, gepelde eieren kopen voor de vervaardiging van producten als Scotch eggs [eieren in gefrituurde gehaktballen] en eiersalade, of eieren die zijn voorgevormd in cilinders of tubes van 300 gram, zodat elk plakje ei identiek is en er geen kapjes meer zijn. Die hardgekookte, buisvormige eieren worden gretig afgenomen door bedrijven die sandwiches maken. Fabrikanten kunnen ook kiezen uit speciaal samengestelde eiermengsels die voor alles gebruikt kunnen worden, van quiches en croissants tot goudglanzend gebakglazuur en grote meringues. Ook is er altijd nog de goedkopere optie van de eiervervangers, gemaakt van gefractioneerde weiproteïnen (van melk). Die hoef je niet meteen op te maken: ze zijn anderhalf jaar houdbaar.

In de voedselindustrie kan men tegenwoordig een ‘natuurlijke’ belegen kaas maken door jonge kaas te bewerken met enzymen (lipasen of proteasen) die de kaassmaak versterken totdat die ‘belegen’ wordt – binnen 24 tot 72 uur. Die belegen kaas wordt verhit om de activiteit van de enzymen te stoppen, en na enkele dagen in plaats van enkele maanden heb je al ‘belegen’ kaas.

Een fabriekskeuken lijkt in niets op die bij u thuis. Als de thuiskok besluit om een frambozentaart te bakken, zet hij of zij eerst de bekende ingrediënten klaar: frambozenjam, bloem, boter, eieren, amandelen, suiker. In de fabriek benaderen ze de taart vanuit een geheel andere hoek: hoe kunnen we net zo’n taart bakken, terwijl we de dure ingrediënten zoals frambozen (deels) vervangen? Hoe kunnen we de hoeveelheid boter terugbrengen, maar toch de botersmaak behouden, en daarbij verhullen dat we goedkopere vetten toevoegen? Welke zoetstoffen kunnen we toevoegen om de grote hoeveelheid suiker te verminderen en zo de toevoeging ‘minder calorieën’ te kunnen rechtvaardigen? Hoe vaak kunnen we het deeg hergebruiken dat na iedere productieronde overblijft? Welke antioxidanten kunnen we aan het mengsel toevoegen om de houdbaarheid van de taart te verlengen? Welk enzym houdt het amandeldeeg langer vochtig? Zullen we een houdbare frambozenpuree en een gelmengsel gebruiken in plaats van conventionele jam? Kunnen we de amandeldeeglaag bestrijken met een dun, onzichtbaar, eetbaar vliesje, zodat de amandelen wekenlang knapperig blijven? Zouden we een gedeelte van de bloem kunnen vervangen door zetmeel om de taart wat meer te laten rijzen? Enzovoort.

Goed voor ons?
We eten allemaal voedsel dat is gemaakt met behulp van hypermoderne technologie, meestal onbewust, omdat de ingrediënten niet op het etiket vermeld hoeven te worden of omdat verraderlijke woorden als ‘meel’ en ‘proteïne’, vaak in combinatie met de term ‘natuurlijk’, de ware productiemethode verhullen. En we weten niet of dat nieuwe dieet wel zo goed voor ons is.

Een verontrustende 60 procent van 
de Britse bevolking kampt met overgewicht en 25 procent lijdt aan obesitas [in Nederland is dat respectievelijk 50 en 12 procent]. Trekken we een overhaaste conclusie als we bewerkt voedsel voor een groot deel de schuld geven van obesitas, chronische ziekten en de dramatisch sterke stijging in voedselallergieën en -intoleranties? Er is voldoende aanleiding om dat verband te onderzoeken.

Voedselfabrikanten combineren ingrediënten die in natuurlijk voedsel niet samen voorkomen, met name het trio suiker, bewerkt vet en zout, in hun snelst verteerbare, uiterst verfijnde, voedingsstofarme vorm. De officiële beleidslijn – dat de betrokken chemische stoffen geen risico vormen voor de gezondheid indien genuttigd in kleine hoeveelheden – is niet echt geruststellend. De maximale hoeveelheid die van deze stoffen veilig genuttigd kan worden, berust op statistische aannames, vaak geleverd door bedrijven die deze additieven ook produceren.

Bewerkt voedsel bevat vaak chemische stoffen met bekende toxische eigenschappen, ook al worden we – opnieuw – gerustgesteld: bij gebruik van kleine hoeveelheden is er geen enkele reden tot ongerustheid. Die geruststellende conclusie is de basis van de moderne toxicologie, en is afkomstig van de zestiende-eeuwse Zwitserse arts Paracelsus, wiens theorie ‘de dosis bepaalt het gif’ (dat wil zeggen: een kleine hoeveelheid gif kan geen kwaad) nog steeds het uitgangspunt is bij het testen van chemische stoffen. Maar de maaltijden van Paracelsus waren geen afhaalmaaltijden of magnetronmaaltijden en hij leste zijn dorst niet met frisdrank uit blik. Ook werd hij niet in dezelfde mate blootgesteld aan synthetische chemische stoffen als wij nu: in uitlaatgassen, pesticiden, meubels en nog veel meer. De blootstelling aan toxische chemicaliën is op wereldniveau niet te vergelijken met die in de renaissance. De voedselindustrie heeft in het verleden vaak het gebruik van controversiële ingrediënten verdedigd, ook al waren er al lang terechte verdenkingen tegen gerezen.

Het voorzorgsbeginsel lijkt niet echt 
te tellen voor de voedselindustrie, en evenmin – zo sterk is hun lobby – voor de Keuringsdiensten van Waren. Was dat wel het geval, dan zou het vermijden van bewerkte producten een stuk eenvoudiger zijn.

Het tempo waarin de voedselindustrie innoveert, heeft tot gevolg dat dagelijks steeds complexere producten met steeds schimmiger productiemethoden in de markt worden gezet. Onlangs nog viel een dossier over een nieuw assortiment zuivelproteïnen in mijn brievenbus. Naast een foto van een brood dat er ‘ambachtelijk’ uitzag, stond de tekst: ‘Veel bakkers stappen nu over op permeaten, een vrij nieuw voedselingrediënt. Permeaat is een bijproduct van de productie van geconcentreerde weiproteïne (WPC), geïsoleerde weiproteïne (WPI), ultra-gefilterde melk, geconcentreerde melkproteïne (MPC) of geïsoleerde melkproteïne (MPI).’

Kennelijk bevordert permeaat het bruinen van gebakken producten en zorgt het ervoor dat brood zijn zachtheid ge-
durende een langere periode behoudt en langer houdbaar is. Wat slim. Maar ik heb toch liever dat mijn brood bruin wordt door de hitte waaraan het is blootgesteld. Ik vind het niet erg dat brood na een tijdje oudbakken wordt. Dat heb ik liever dan dat ik iets eet wat zijn bestaan te danken heeft aan ingrediënten en technologieën waar ik niets van weet, die ik niet kan onderzoeken en dus ook nooit echt kan begrijpen.

Moet ik elke controle op brood, of op wat ik dan ook eet, maar overlaten aan de techneuten van de voedselindustrie? Niet zonder slag of stoot.

Joanna Blythman

Dit is een voor The Guardian geredigeerd hoofdstuk uit Blythman’s boek Swallow This: Serving Up The Food Industry’s Darkest Secrets, uitgeverij 4th Estate. Het boek is ook in het Nederlands vertaald. Slik je dat? Wat je niet mag weten over je eten verscheen bij De Vrije Uitgevers.

Altijd het beste uit de internationale pers lezen? Neem een abonnement op 360 Magazine.

(Foto van Didriks)

Plaats een reactie

Je weet niet wat je eet (The Guardian/360 Magazine)