• Aeon
  • Politiek
  • Vreemdelingenlegioen 
is nu elitekorps

Vreemdelingenlegioen 
is nu elitekorps

Aeon | Londen | Robert Twigger | 24 augustus 2017

Het Franse Vreemdelingenlegioen is allang geen toevluchtsoord meer voor staatloze criminelen en verdwaalde huurlingen. Er wordt nog wel druk gemarcheerd, maar nu door elitecommando’s, vergelijkbaar met de Britse SAS of de Amerikaanse Navy Seals.

Waar denk je aan bij het Franse Vreemdelingenlegioen? Waarschijnlijk aan mannen met een zware blauwe uniformjas en witte pet die moeizaam door de woestijn ploegen. Mannen die dienst hebben genomen na een leven in de misdaad en dapper doorvechten tot ze ofwel het Legioen weer verlaten om hun achtergrond te gelde te maken als keiharde, anonieme huurling, of anders sterven in de modder van Dien Bien Phu, terwijl de laatste helikopters naar La Belle France vertrekken.

De werkelijkheid is anders. De eerste versie van het Legioen werd gezien als een ruw stel huurlingen, 
een toevluchtsoord voor misdadigers die er konden ontkomen aan vervolging en een nieuw leven konden beginnen om uiteindelijk Frans staatsburger te worden. In zijn tweede incarnatie werd het Legioen een soort surrogaatfamilie. En nu, in zijn derde fase, presenteert het zich als elitecommando, vergelijkbaar met de Britse SAS of de Amerikaanse Navy Seals. De legionairs van nu zijn veel meer dan een bende ‘wegwerpsoldaten’.

Toch vertoont ook het moderne Legioen nog de sporen van die vroegere incarnaties. Nog steeds is er die nadruk op marcheren (om erbij te mogen moet je eerst verschillende marsen van afstanden tussen de 50 en 120 kilometer afleggen, met volle bepakking) en nog steeds nemen mannen er dienst omdat ze graag willen vechten. Maar het salaris is tegenwoordig goed, zeker als je in gevechtsgebied dient. Zelfs een beginnend rekruut verdient nu 1205 euro per maand, terwijl hij geen vaste lasten heeft of eten hoeft te betalen, en dat is heel iets anders dan de 5 centimes per dag uit de negentiende eeuw. In die tijd kon een legionair zich wijn óf tabak veroorloven, niet allebei, en zeker geen andere luxeartikelen.

Nog steeds staan jonge mannen in de rij om dienst 
te nemen. Elk jaar melden enkele duizenden zich aan, en zo’n 80 procent van hen wordt afgewezen. Het moderne Legioen telt rond de achtduizend man en heeft per jaar maar duizend nieuwe rekruten nodig om op sterkte te blijven. De nieuwelingen zijn gemiddeld 23 jaar oud. De laatste jaren is 42 procent van de rekruten afkomstig uit Oost- en Midden-Europa, 14 procent uit West-Europa en de VS en rond de 10 procent uit Frankrijk. Zo’n 10 procent komt uit Latijns-Amerika en nog eens 10 procent uit Azië. Deze jonge mannen zonder vaste wortels zweren geen trouw aan Frankrijk, maar aan het Legioen zelf. Dat is de enige loyaliteit die ze kennen.

Helse training

Het Legioen heeft verschillende onderdelen: genietroepen, parachutisten, gewapende cavalerie, infanterie en de zogenaamde pioniers. De parachutisten zijn gelegerd in Calvi op het eiland Corsica (sinds een couppoging in 1961 worden ze nog steeds niet betrouwbaar genoeg geacht om op het vasteland te mogen verblijven). Andere onderdelen hebben kazernes in Frans-Guyana en in de Verenigde Arabische Emiraten. De laatste keer dat het Legioen in actie kwam was in Mali, waar het de regering ondersteunde in de strijd tegen opstandige Al-Qaidastrijders.

Zijn ze eenmaal door de strenge selectie, dan tekenen rekruten een vijfjarig contract en worden ze naar 
‘de boerderij’ in de Pyreneeën gestuurd voor een helse training van zes weken, waarin het kaf nog verder van het koren wordt gescheiden. Dit is waarschijnlijk minder zwaar dan de selectie voor de Britse SAS, maar er komt zeker meer poetsen, marcheren, zingen en discipline bij kijken – veel meer. Algemeen heerst de overtuiging dat keiharde discipline de enige manier is om mannen van zo’n verschillende achtergrond samen te smeden tot één hechte gevechtseenheid. Officieren die hun ondergeschikten slaan zijn een normaal verschijnsel in het 
Legioen. De methode is simpel en al zo oud als de wereld: breek de man, ontdoe hem van zijn oude loyaliteiten en geef hem dan een nieuwe familie. 
In die nieuwe familie mogen rekruten een nieuwe naam kiezen – de naam die ze vanaf dat moment voorgoed zullen dragen. En zo zijn ze uiteindelijk 
een nieuw persoon geworden, met een nieuw land en een nieuwe identiteit. En dit is dan ook voor veel mannen de grootste aantrekkingskracht van het Legioen: een nieuw leven. Maar wel een leven in 
een wereld waarin de dood heilig is.

De redenen van de moderne rekruten zelf om bij het Vreemdelingenlegioen te gaan, kunnen prozaïsch klinken. Gareth Carins, een voormalige bestekmaker in de bouw, wees een aanbod van het Britse leger af en koos voor het Legioen. ‘Ik hield gewoon van dat leger’, schrijft hij in Diary of a Legionnaire (Dagboek van een legionair, 2007). ‘Ik maakte graag bergtochten, 
ik hield van reizen en ik was op zoek naar avontuur.’ Hij vertelt dat mensen hem meestal aankijken met ‘een blik vol ongeloof en zelfs teleurstelling’ als hij 
dit zegt – en dat is niet zo vreemd, want de mystiek van het legioen is niet gemakkelijk te begrijpen. 
Het enige wat Carins niet noemt is de dood, terwijl die toch een belangrijke rol speelt in de aantrekkingskracht van het Legioen.

Hierin verschilt het van de reguliere legers van 
andere moderne landen. Als je bij het Britse of Amerikaanse leger gaat, krijg je te maken met zwaarden en saluutschoten op het exercitieterrein, maar bij 
de inwijdingsceremonie van het Legioen in Aubagne wordt overduidelijk ingespeeld op de doodswens van velen. In het hoofdkwartier, dat sterk doet denken aan een graftombe, bevindt zich een monument: 
een houten kunsthand die ooit heeft toebehoord aan legioenskapitein Jean Danjou, die in 1863 in Mexico sneuvelde bij de verdediging van een weg voor een al lang vergeten militaire noodzaak. De plek is afgezet met een koord en rond de kunsthand hangen plaquettes waarin heel precies de namen van de doden zijn gegraveerd – alle 40.000 gesneuvelden sinds de oprichting van het Legioen in 1831. De boodschap is duidelijk. Opoffering hoort erbij, maar je zult niet worden vergeten.

Natuurlijk is deze nihilistische liefde voor de dood niet de enige motivatie om bij het Legioen te gaan. Kameraadschap, avontuur, gevaar, het verlangen om jezelf te bewijzen spelen ook allemaal een rol, zoals in elk leger. En vaker misschien dan bij de meeste reguliere legers is het een ongelukkige liefde die iemand in de armen van het Legioen drijft. Toen 
de Britse schrijver Douglas Boyd in Guyana aan een instructeur in jungle-oorlogsvoering vroeg waarom hij bij het legioen was gegaan, was het antwoord: ‘Histoire de nana, le plus souvent’ (liefdesperikelen, vooral). Romantici die een romantische oplossing zoeken door zich te offeren aan de mannelijke fantasie van het Legioen.

De pet die legionairs dragen, de zogenaamde kepie, 
is zo wit als de botten van een kameel in de Sahara. Het is een symbolische verwijzing naar Algerije, het geboorteland van het Legioen. Na de Franse invasie van Algerije in 1830 was er een krijgsmacht nodig om het land onder de duim te houden. Er waren al eerder buitenlandse huurlingen in het Franse leger ingezet, maar die waren georganiseerd naar nationaliteit. 
De enige uitzondering was het Hohenlohe-regiment, waarin wel voornamelijk Duitsers zaten, maar ook mannen van andere nationaliteiten. Deze strijdmacht was in 1815 op de been gebracht na de nederlaag van Napoleon, toen Frankrijk in chaos verkeerde. In 1831 was het regiment weer ontbonden en in datzelfde jaar werden de buitenlandse manschappen opgenomen in het nieuw gevormde Franse Vreemdelingenlegioen. Daarmee kreeg het Legioen een zekere hoeveelheid Duits DNA mee, en nog leeft er onder de legionairs een stiekeme eerbied voor Duitse militaire moed. Na de Eerste Wereldoorlog en ook na de Tweede vormden Duitsers zelfs de meerderheid 
in het Legioen.

Als een man tijdens een mars flauwviel, werd hij vastgebonden aan een paal die opzij uit 
een wagen stak

De langzame en wrede kolonisatie van Algerije in de negentiende eeuw bezorgde het Legioen zijn reputatie van keiharde strijdmacht die goed uit de voeten kon in de woestijn. Hier kwam het mooi uit dat het Legioen gewend was aan marsen van 40 kilometer: het kon zich sneller verplaatsen dan welke andere strijdmacht tot dan toe ook. Het Legioen was innovatief op militair gebied en beschikte over het snelste systeem om infanterie te verplaatsen vóór de introductie van gemotoriseerd vervoer. Het hield in dat twee mannen samen een muildier deelden dat hun uitrusting droeg. De een liep snel naast het dier mee, terwijl de ander erop reed. Om de paar kilometer ruilden ze van plaats. Zo konden de legionairs 70 
tot 80 kilometer per dag reizen met volle bepakking, even snel als de bedoeïenenstrijders met hun kamelen.

Toen Frankrijk in 1881 Tunesië binnentrok en in 1911 Marokko, kwam het Legioen met zijn woestijnervaring mee. De periode in de Sahara heeft het 
Legioen gevormd. De romantiek van de woestijn versmolt met die van de ontsnapte-boef-die-huurling-werd, en zo ontstond een westerse tegenhanger van het verhaal van die andere woestijnnomaden, de Toeareg. Deze romantiek trok niet alleen voormalige criminelen aan, maar ook veel mannen uit hogere kringen, onder wie koning Peter I van Servië, prins Aage van Denemarken, kroonprins Bao van Vietnam, prins Louis Napoléon VI en prins Louis van Monaco. Ook kunstenaars hebben tot de gelederen van het Legioen behoord, onder wie schrijver Arthur Koestler, Eerste Wereldoorlogsdichter Alan Seeger, componist Cole Porter en filmregisseur William Wellman.

Het Legioen van nu is veel meer dan een bende ‘wegwerpsoldaten’ Legionairs zijn vergelijkbaar met de Britse SAS of  de Amerikaanse Navy Seals. 
 – © Jonathan Alpeyrie / Polaris
Het Legioen van nu is veel meer dan een bende ‘wegwerpsoldaten’ Legionairs zijn vergelijkbaar met de Britse SAS of de Amerikaanse Navy Seals. 
 – © Jonathan Alpeyrie / Polaris

In het verleden leidde de strenge discipline tot zware straffen. Als een man tijdens een mars flauwviel, werd hij vastgebonden aan een paal die opzij uit 
een wagen stak. Zijn armen werden ondersteund, maar als zijn benen geen lopende beweging konden maken, werd hij meegesleurd, zodat er gaten in zijn laarzen en voeten brandden. Deze wrede behandeling vond men niet onrechtvaardig, want een man die het tempo niet kon bijhouden zou anders toch worden gedood door de Arabische troepen die vaak het spoor van de expeditie volgden.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog, waarin een op de drie Franse mannen in de soldatenleeftijd omkwam, werd het Legioen aan veel fronten ingezet om tegen de Duitsers en Oostenrijk-Hongaren te vechten. Duitsers van het Legioen werden in Algerije gehouden, uit vrees dat ze zouden deserteren. De rest vocht mee. In de oorlog van 1914-1918 was het Legioen samen met de Marokkaanse divisie de meest gedecoreerde Franse eenheid. Het Legioen vocht aan elk front, ook in Gallipoli, maar aan het eind van de 
oorlog waren er nog maar zo weinig manschappen over dat men overwoog om het op te heffen, 
ondanks al die betoonde moed.

Dit was een cruciaal moment: het Legioen moest zichzelf opnieuw uitvinden, of ten onder gaan (als een echo van het eigen mantra ‘marcheer of sterf’), en een zekere kolonel Paul-Frédéric Rollet bracht redding. Hij was een kleine, tengere man met een volle baard, die liever op espadrilles met touwzolen marcheerde dan op soldatenlaarzen, en hij begreep dat het Legioen zijn reputatie als toevluchtsoord voor ontsnapte misdadigers moest vervangen door een nieuwe mythe van erbij horen en zelfopoffering. Het Legioen heeft sinds zijn oprichting veel gevechten gewonnen, maar is eigenlijk vooral beroemd om zijn schitterende nederlagen: die bij Camarón in 1863 en die bij het Vietnamese Dien Bien Phu in 1954 
(waar een eenarmige officier, kolonel Charles Piroth, opperste moed vertoonde voordat hij zichzelf ombracht met een granaat).

Het Vijfde Regiment van het Legioen traint op hun basis bij Djibouti.  – © Marc Charuel / Rue des Archives
Het Vijfde Regiment van het Legioen traint op hun basis bij Djibouti. – © Marc Charuel / Rue des Archives

Rollet was een militair genie en begreep de symbolische waarde van heroïsche nederlagen, vreemde uniformen en verloren ledematen – denk aan Sir Adrian Carton de Wiart, een van de meest 
gedecoreerde officieren van Groot-Brittannië, José Millán-Astray, oprichter van het Spaanse Vreemdelingenlegioen, en ook admiraal Horatio Nelson: zij misten allemaal een hand of arm. Paul Rollet ging dan ook niet voor niets slechts gewapend met een opgerolde paraplu de strijd in. Volgens hem toonde een commandant een gebrek aan vertrouwen in 
zijn manschappen als hij het nodig vond om zich te bewapenen en trouwens, dat leidde maar af van zijn eigenlijke taak: zijn soldaten inspireren om te vechten. Dat Rollet teruggreep op de heroïsche nederlaag bij Camarón is niet toevallig: mannen die zijn getraind om dood en verminking te aanvaarden als de prijs voor het nooit vergeten worden door hun superfamilie (het Legioen), zijn sterker dan soldaten die zijn gelokt met de troostrijke beelden van overwinning en roem. Rollet wist dat een leger niet op zijn voeten marcheert, en zelfs niet op zijn maag. 
Het marcheert op de verhalen die het zichzelf vertelt. Dus zorgde hij ervoor dat het Legioen allerhande tradities, verhalen en rituelen kreeg. Hij vormde enkele marcheerliedjes om tot complete hymnes. Hoe gehard ze ook waren, de legionairs moesten leren om uit volle borst de liederen over vroegere strijders te zingen. Eens per jaar (natuurlijk op Camarón-dag) brengen de officieren de mannen hun ontbijt. Dat alleen al is een nabootsing van een zorgzame familie. Elke Legioen-autobiografie (en daarvan zijn er veel) beschrijft, naast alle klaagzangen over pesterijen of incompetentie, ook altijd met diepe dankbaarheid de liederen en tradities die met de gedwongen dagmarsen zijn opgezogen.

Rollet had in de Eerste Wereldoorlog gevochten en 
de gemechaniseerde toekomst van het oorlogsbedrijf gezien. Hij besefte dat mannen er niet goed tegen kunnen om behandeld te worden als machines. Hij had in 1917 de muiterij in het Franse leger gezien en zelfs zijn eigen legionairs gebruikt om zo’n opstand neer te slaan. Dit was een Frans leger dat was behandeld als kanonnenvoer voor de grote doodsmachine van het Westelijke Front. Rollet besloot een andere koers te varen. Op de honderdste verjaardag van het Legioen in 1931, en de eerste Camarón-dag, liet hij de infanterie voorafgaan door bebaarde pioniers die een enorme bijl over hun schouder droegen.

Het was een eigenzinnige weigering om met wapens te pronken, maar hij wist dat discipline en moreel belangrijker waren dan vuurkracht alleen. Niet dat ze die niet óók hadden. Rollet breidde het Legioen uit met een infanterie, cavalerie en genietroepen. Te veel Franse jongens waren in de Eerste Wereldoorlog gesneuveld, dus van nu af aan moesten buitenlanders de Franse kolonies verdedigen. Hij posteerde hen in de Marokkaanse steden Fez en Marrakesh, in het Algerijnse Sidi-bel-Abbès en ook in Tunesië, Syrië en Indochina. Tussen de twee Wereldoorlogen in bereikte het Legioen zijn grootste omvang, van zo’n 33.000 man.

De legionair zoals we hem kennen, drinkend uit z'n veldfles middenin 
de woestijn in 1942.  
– © Everett Collection
De legionair zoals we hem kennen, drinkend uit z’n veldfles middenin 
de woestijn in 1942. 
– © Everett Collection

Heel slim greep Rollet terug op de Duitse wortels van het Legioen door het langzame marstempo van het oude Hohenlohe-regiment – 88 stappen per minuut – uit te roepen tot het officiële tempo. 
Hij hield de woestijntraditie levend via het officiële hoofddeksel, de witte kepie met de nekflap als bescherming tegen de zon. En misschien wel de belangrijkste erfenis die Rollet achterliet was dat 
hij het Legioen elementen gaf waarmee het later 
van een gewoon koloniaal huurlingenleger kon 
veranderen in een elitegevechtseenheid.

Maar in de tijd van Rollet zou het nog wel wat jaren duren voor die elitekwaliteit ontstond. Het Legioen van het interbellum en de superfamilie is misschien nog wel het bekendst vanwege de spelletjes die er werden bedacht. Van nieuwe Russische collega‘s leerden de verveelde legionairs het spel ‘koekoek’. Twee mannen met geladen revolver gaan een kelder of een verduisterde kamer binnen. Een van hen roept ‘koekoek!’ en duikt weg. De ander schiet. Dan roept 
de ander ‘koekoek’ en is het aan de eerste om te schieten. Het spel is afgelopen als er ofwel een dode of zwaargewonde is gevallen, of als beide revolvers leeg zijn. Een ander spelletje heette ‘buffel’; daarbij drinkt elke deelnemer een fles vermout en stormt vervolgens met zijn handen vastgebonden op zijn rug en zijn hoofd vooruit op zijn tegenstander af, zodat de koppen letterlijk tegen elkaar knallen. Als beiden daarna nog overeind staan, wordt er opnieuw een fles soldaat gemaakt, en weer een kop-tegen-kopcharge uitgevoerd. Meestal duurde het twee flessen, soms drie, per man voordat een kapotte schedel of een 
ernstige hersenschudding het duel besliste.

Auteur: Robert Twigger

Openingsbeeld: Legionairs in oorspronkelijke outfit tijdens een herdenkingsceremonie van de Slag bij Camarón, een gevecht tussen het Frans Vreemdelingenlegioen en Mexicaanse troepen op 30 april 1863 in Camarón de Tejeda (Mexico.) – © AP

Aeon
Verenigd Koninkrijk | aeon.co/magazine

Deze site, met als motto ‘lees dieper’, werd opgericht in september 2012 en publiceert dagelijks een essay, waarbij de relativering van het snelle dagelijks leven vooropstaat.

Dit artikel van Robert Twigger verscheen eerder in Aeon.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

360 is jarig en trakteert!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief en krijg 3 maanden gratis toegang tot 360 online.