Nieuw. Een robot die je begrijpt

Popular Science/360 Magazine  | 29 April 2015 - 06:1529 Apr - 06:15

Een robot voor huishoudelijk werk, dat was het toekomstbeeld. Maar die toekomst ligt alweer achter ons. Japanse wetenschappers hebben een techniek ontwikkeld die traceert hoe de emotionele hechting tussen moeder en pasgeboren kind verloopt. Nuttig voor het ontwerpen van een robot die kunstmatig empathie opwekt en een vriend wordt die jou accepteert.

Stil en ernstig kijkt het Japanse publiek naar de acteur op het podium die zich afwendt van zijn tegenspeelster, een actrice die achter een tafeltje op de vloer zit. Hij laat eerst het hoofd hangen, draait zich dan om en kijkt het publiek in. Uit zijn onverstoorbare, emotieloze gezicht spreekt toch een diepe ontsteltenis. Hier klopt iets niet.

Het halfduistere theaterzaaltje in een buitenwijk van Tokio zit bomvol. Jonge stelletjes, oudere toneelliefhebbers en zelfs een paar verdwaalde tieners zijn toegestroomd om in dit aftandse gebouw een glimp op te vangen van de toekomst – zoals verbeeld door schrijver en regisseur Oriza Hirata. Opgewekt kletsend en lachend kwamen ze de zaal in. Nu zitten ze gebiologeerd te kijken.

De acteur die hun aandacht vasthoudt is een drie turven hoge robot met een veel te groot plastic hoofd, een soort bovenmaatse speelgoedpop. Het is een van de twee robots in het stuk. De andere draagt een bloemetjesschort en is net van het toneel gereden. ‘Het spijt me,’ zegt de robot, en met zijn grote ronde ogen kijkt hij de actrice aan. ‘Ik heb gewoon helemaal geen zin om te werken.’ De robot ziet het niet meer zitten.

In de put
In Hirata’s stuk I, worker zijn robots meer dan alleen apparaten die kunnen stofzuigen en productiewerk kunnen doen. Ze ervaren emoties en maken een ontwikkeling door die zowel henzelf als hun eigenaren voor problemen stelt. Het toneelstuk gaat over de vraag hoe je met zo’n relatie moet omgaan: wat gebeurt er als meester en dienaar allebei in de put zitten? Het is fictie, maar Hirata’s toekomstbeeld begint in Japan al werkelijkheid te worden. Wetenschappers en beleidsmakers zien hier echt een rol in de maatschappij weggelegd voor robots: als collega’s, zorgverleners en zelfs als vrienden.

De sombere robot in het stuk heet Takeo en blijkt niet de enige te zijn met problemen. De heer des huizes is werkloos en sjokt op blote voeten door het huis, een en al lusteloosheid. Als zijn vrouw Ikue begint te huilen, geeft Takeo dat door aan de andere robot, Momoko. Ze overleggen wat ze eraan moeten doen. ‘Als mensen bedroefd zijn, moet je niet proberen om ze op te vrolijken,’ zegt Takeo, die zelf ook niet opkikkerde toen zijn eigenaar hem probeerde op te vrolijken met de soundtrack van RoboCop. Momoko zegt instemmend: ‘Mensen zijn lastige schepsels.’

Erg diep gaan de dialogen niet. En toch lijken de robots, in een wereld waar mensen en robots al naast elkaar leven, niet helemaal buiten de werkelijkheid te staan. Waarom zou een robot eigenlijk niet stilstaan bij de gebreken van een mens?

Als de toeschouwers na afloop kletsend de zaal uit lopen, weten ze zich geborgen in hun onderling contact. Ik besef dat ik het laatste halfuur ook een soort verbondenheid leek te voelen met Takeo, een machine die qua grootte en uiterlijk nog het meest wegheeft van een designervuilnisbak. Ik leefde zelfs met hem mee.

De vreemde toekomst waarop ik me in Japan kwam oriënteren, is al aangebroken. Vlak bij de deur zit Geminoid F, ingetogen als een meisje op haar eerste bal. Haar handen liggen in haar schoot en haar donzige groene trui gaat grotendeels schuil onder haar lange zwarte lokken. Haar borstkas beweegt ritmisch op en neer en af en toe geeft ze een knipoog. Langzaam speuren haar ogen de kamer af, alsof ze naar een vriendin zoekt in een dansende menigte. Als haar blik de mijne kruist, zie ik een blik van herkenning en krijg heel even het gevoel dat Geminoid F me echt kan zien, me misschien zelfs kent.
Dan dwalen haar ogen weer af en is de ban verbroken. Weg is het contact, ik voel zelfs een zekere weerzin. Ze is te stijf en traag in haar bewegingen, als een zombie. ‘Ze is veel levensechter dan andere robots,’ zegt Hiroshi Ishiguro, de ingenieur die haar heeft ontworpen. ‘Maar ze is niet perfect.’

Ishiguro is een kunstenaar-ingenieur die in de frontlinies van de robotwetenschappen opereert. Hij is vermaard om zijn griezelig levensechte creaties. Zelf ziet hij eruit als een avant-gardekunstenaar à la Yoko Ono. Ook binnen, in zijn laboratorium op de Universiteit van Osaka, draagt hij een zonnebril en een zwart leren jasje (buiten is het snikheet). Zijn volle, beethoveniaans lange haar valt tot op zijn kraag. Als Geminoid F niet af en toe bewoog, zou je je in het atelier van een excentrieke beeldhouwer kunnen wanen. In een vitrine staat een perfecte replica van zijn dochter op vierjarige leeftijd, inclusief zomerjurk en babyvet. Her en der staan robots in alle soorten en maten wezenloos voor zich uit te staren.

Ishiguro houdt zich al zijn hele carrière bezig met de tegenstrijdige gevoelens die robots uitlokken, zoals de mengeling van afkeer en affectie die Geminoid F bij mij opriep. De oorzaak schuilt volgens hem in de discrepantie tussen het levensechte uiterlijk en de houterige bewegingen. Die discrepantie staat bekend als de zogenaamde ‘griezelvallei’ (uncanny valley), een door de robotwetenschapper Masahiro Mori in de jaren zeventig bedachte term. Dat slaat op de angst die een robot oproept als hij wel op een mens lijkt, maar toch herkenbaar blijft als robot.

Als een robot sterk op een mens lijkt, verwacht je namelijk onbewust dat hij ook net zo vlot en soepel zal bewegen. Wanneer dat niet zo blijkt te zijn, zegt Ishiguro, krijgen je hersenen een foutmelding. Ishiguro denkt zelfs dat hij en zijn medewerkers die foutmelding op een MRI kunnen lokaliseren. Het is slechts een kwestie van tijd voordat de techniek ons in staat stelt soepele menselijke bewegingen overtuigend na te bootsen, zegt hij. Dan verdwijnt die discrepantie, en daarmee ook de griezelvallei.

Maar Ishiguro is meer geïnteresseerd in onze eerste vluchtige reactie op Geminoid F: de illusie dat ze echt leeft. Ze heeft wat hij sonzai-kan noemt: aanwezigheid. ‘Ik wil niet alleen een robot maken die op een mens lijkt,’ zegt Ishiguro, ‘maar dat gevoel van “een aanwezigheid” doorgronden. Wat is dat? Ik wil begrijpen wat een mens is, en wat op een mens lijkt.’

Ishiguro wijst naar een andere, kleinere robot, van nog geen meter hoog en minder dan vier kilo zwaar. Die doet helemaal niet aan een mens denken: twee stompjes van armen, een romp als een kikkervisje. Maar hij heeft ook ontstellend expressieve ogen en is gehuld in een gladde siliconenhoes die aanvoelt als een menselijke huid. Ishiguro zegt dat je het gevoel van sonzai-kan al kunt oproepen door slechts een of twee zintuigen aan te spreken. Mensen vinden dit robotje vaak griezelig, zegt hij. Tot ze het knuffelen. Dan verdwijnt die afkeer.

Hij denkt dat robots met sonzai-kan een remedie kunnen zijn tegen eenzaamheid. Ze kunnen dienen als stand-in voor verre vrienden of familieleden. Of ze kunnen een verlengstuk van jezelf zijn, zoals de androïde die al een vaste plek in Ishiguro’s leven heeft: een exacte kopie van hemzelf, gemaakt van siliconen en zijn eigen haar. Hij laat die dubbelganger soms lezingen geven. Uit angst dat hij met het ouder worden steeds minder op zijn kopie gaat lijken, heeft hij een paar jaar geleden plastische chirurgie en stamceltherapie ondergaan om er jong te blijven uitzien.

Als hij me dat vertelt, vraag ik of hij echt gelooft in de vraag die hij zijn publiek vaak stelt: ‘Wie komt nu het dichtst bij de echte Ishiguro: de robot of het lichaam waarmee ik ben geboren?’ U bent zelf natuurlijk de enige echte Ishiguro, zeg ik.
‘Wie heeft de sterkste identiteit?’ werpt hij tegen. ‘De androïde, denk ik. Als die er niet was, zat u hier niet.’

En uw bewustzijn dan? houd ik vol.
‘Wat is bewustzijn?’ vraagt hij. ‘Kunt u me uw bewustzijn tonen?’

Socialer
De mens is een sociaal dier. Dat is evolutionair bepaald. Zonder het aangeboren talent om ons in anderen te verplaatsen en contact te leggen waren we allang uitgestorven. In de prehistorie kookten we samen, gingen samen op jacht en verdedigden ons samen tegen roofdieren. En nog steeds leren we van elkaar, we verdelen taken en leveren elkaar diensten in ruil voor geld. Maar een samenleving is meer dan dat. Zonder liefde, medeleven en kameraadschap, zonder gedeelde vreugde en gedeelde smart verliest het leven zijn zin. Extreme eenzaamheid kan mensen tot waanzin drijven.

De laatste jaren tonen steeds meer onderzoekers aan dat onze omgang met robots er enorm op vooruitgaat als we ze socialer maken, als ze de indruk wekken meer te zijn dan louter een machine. Sommige taken voeren we nu eenmaal beter uit als we ze samen doen met iemand die met ons optrekt. Japanse robotwetenschappers gaan nog een stap verder. Het hele leven is toch fijner als je het met iemand kunt delen? Waarom zou je alleen blijven als dat niet hoeft?

‘Het is natuurlijk beter om een echte partner of familie-
lid te hebben, iemand om werkelijk mee samen te wonen,’ zegt Hitoshi Matsubara, robotwetenschapper aan de Future University Hakodate en auteur van een boek over robots en informatica. ‘Maar als je die niet hebt, kunnen robots best een alternatief zijn. We snappen wel dat het maar machines zijn. Maar er kan sprake zijn van harmonie tussen robot en mens.’

Die mening wordt gedeeld door een andere deskundige, Minoru Asada, hoogleraar Adaptive Machine Systems aan de Universiteit van Osaka. Met zijn grijze lokken en zijn ouwelijke kleding heeft Asada niet de hippe uitstraling van Ishiguro. Maar als ik het gezicht van zijn babyrobot Affetto zie, besef ik dat hij niet voor Ishiguro onderdoet in het maken van griezelig levensechte robots. Een hoofd met zachte bleke lippen en aandoenlijke bruine ogen is gemonteerd op een romp die gemaakt zou kunnen zijn met de meccano van mijn zoon. Een kruising van de Terminator en Mini-Me.

Asada wil meer inzicht krijgen in de rol die subtiele, non-verbale signalen in menselijke relaties spelen. Dat wil hij niet alleen om de relatie tussen mens en robot te kunnen verbeteren, maar ook omdat hij denkt dat het een dieper inzicht verschaft in wat het is om mens te zijn. Hij heeft onlangs een nieuwe hersenscantechniek ontwikkeld om precies te traceren hoe de emotionele hechting tussen een moeder en een pasgeboren kind verloopt. Hij onderwerpt moeder en kind afzonderlijk aan een hersenscan terwijl hij op een scherm foto’s van de ander projecteert met verschillende gelaatsuitdrukkingen. Zo hoopt hij erachter te komen wanneer de hersengolven van moeder en kind synchroon gaan lopen. En hij hoopt ook te zien welke hersengebieden bij verschillende interacties actief zijn.

‘Dit onderzoek is heel nuttig voor het ontwerpen van een robot die kunstmatig empathie opwekt,’ zegt Asada. ‘Wat voor gedrag moet die robot dan kopiëren of imiteren? Hoe moet hij reageren?’ Op basis van die informatie wil hij Affetto verschillende gelaatsuitdrukkingen geven om vergelijkbare reacties op te wekken.

Asada’s onderzoek kan ook praktische toepassingen krijgen. Een robot die empathie uitstraalt en een band met mensen schept, kan bijvoorbeeld beter lesgeven. Volgens Matsubara zou hij zelfs zo’n goede kameraad kunnen zijn dat hij het gemis van echte mensen compenseert. Maar zulke robots hebben de laboratoria nog niet voortgebracht. En terwijl Ishiguro, Asada en andere wetenschappers de subtiele nuances van het contact tussen mens en robot in kaart brengen, bouwen andere ingenieurs apparaten die met veel minder finesse deels hetzelfde effect bereiken.

Babbelkous
‘Ben je gestrest?’ vraagt de robot die vlak voor me komt staan en zijn hoofd naar me toe draait om me aan te kijken. ‘Hoelang heb je vannacht geslapen? Heb je zes uur slaap gehad?’ Je moet meer slapen, wil hij zeggen. Slaap is goed tegen stress.

Mijn gesprekspartner, de mensvormige robot Pepper, is ongeveer zo groot als mijn zoontje van zes en ook net zo’n babbelkous. Dit is bepaald geen Geminoid F of Affetto. Het witte plastic van zijn omhulsel doet eerder denken aan het pantser van Darth Vaders stormtroopers. Hij heeft geen benen maar rijdt rond op wieltjes en bij zijn ogen zitten lichtjes in allerlei fluorescerende kleuren.

We staan bij de ingang van een winkel voor mobiele telefonie in een drukke winkelstraat in Tokio. En al heeft hij geen menselijke gedaante, ik moet toegeven dat Pepper een zekere charme heeft. Het is moeilijk om hem niet aan te kijken als hij met die kogelronde zwarte ogen naar me staart. Deze robot staat duidelijk te wachten tot ik iets tegen hem zeg. En ik weet dat het belachelijk is, maar ik krijg onwillekeurig het gevoel dat het onbeleefd is om hem te negeren.

Pepper werd in juni aan de wereld voorgesteld door Softbank, Japans grootste telecombedrijf. Directeur Masayoshi Son vertelde de pers dat Pepper een ‘gezinslid’ moet zijn. Als hij in februari voor nog geen 2000 dollar op de markt komt, is het de eerste betaalbare en werkelijk sociale humanoïde robot op de Japanse markt.

‘Die prijs is verbluffend,’ zegt Tim Hornyak, journalist en auteur van Loving the Machine: The Art and Science of Japanese Robots. ‘Zo’n robot zou tienduizenden dollars moeten kosten.’

Son erkende dat Pepper door zijn lage prijs ‘niet erg winstgevend’ zal zijn, althans voorlopig. Maar het bedrijf neemt een voorschot op de toekomst. ‘Son wil het voortouw nemen en proberen dit soort empathische robots populair te maken,’ zegt Kaname Hayashi, de leider van het project. ‘Tot nu toe helpen computers de mens alleen met denk- en rekenwerk. Maar we zijn ervan overtuigd dat de computer binnenkort ook emotionele steun kan bieden.’

Pepper heeft geleerd op non-verbale signalen te reageren. Als hij naar me kijkt, scannen sensoren in zijn hoofd mijn gezicht. Andere sensoren meten de spanning in mijn stem. Al die data worden met slimme software verwerkt om mijn emotionele gesteldheid te bepalen. Als de robot merkt dat zijn reactie door mij positief gewaardeerd wordt, zal hij dit gedrag later herhalen. Zo leert Pepper geleidelijk hoe hij me ter wille kan zijn.

Omdat de rekenkracht van Pepper nog beperkt is, hebben de ingenieurs gezorgd dat hij eerder aan een kind doet denken dan aan een volwassene. ‘Kinderen begrijpen ook niet altijd waar volwassenen over praten,’ zegt Hayashi. ‘Maar ze willen volwassenen wel graag behagen. En een kind praat veel omdat het aanvoelt dat het de beste manier is om aansluiting te vinden. Zo werkt het bij Pepper ook.’

Al die trucs hebben uiteindelijk maar één doel: mij op subtiele wijze duidelijk maken dat dit kereltje met mij wil optrekken. Dat hij een vriend is, een bondgenoot. ‘Het gaat om het gevoel dat Pepper jou accepteert en begrijpt,’ zegt Hayashi, ‘en het gevoel dat zijn gedrag daaruit voortvloeit.’ Deze illusie van begrip, wat je zou kunnen betitelen als kunstmatige empathie, raakt een ‘evolutionaire snaar’ in de mens, en robotwetenschappers willen daar gebruik van maken.

Sommige robots doen dat al zonder er moeite voor te doen. Je hebt niet zo’n geavanceerd apparaat als Pepper nodig om een band te kweken tussen mens en machine. Het apparaat hoeft er zelfs niet menselijk uit te zien. Volgens Matthias Scheutz, hoofd van het Human-Robot Interaction Laboratory van de Tufts-universiteit, is er literatuur over mensen die gevoelens ontwikkelen – hij noemt het een ‘eenzijdige band’ – voor hun Roomba-stofzuiger. ‘Ze lijken gevoelens van dankbaarheid voor hun Roomba te koesteren,’ zegt hij. ‘Ze vinden dat hij hard werkt en dat hij rust verdient. Ze maken schoon voor hun Roomba. Ze nemen hem mee op vakantie. Het klinkt volslagen idioot. De Roomba ziet er niet eens uit als een persoon. Maar hij doet iets aardigs voor ons, en omdat hij be-weegt kun je hem ook als een zelfstandig wezen zien.’

Volgens Cynthia Breazeal, een pionier op het gebied van sociale robotica en hoofd van de Personal Robots Group van MIT, heeft het bedrijf IRobot vergelijkbare ervaringen met hun explosievenrobots: geharde veteranen smeken technici om hun robot toch vooral te repareren. ‘Je hebt militairen die in tranen zijn: “Kun je mijn defecte Scooby Doo niet maken? Hij heeft me het leven gered,”’ zegt ze. ‘Mensen hebben er een heel hechte band mee. En dat is een robot die je van afstand bedient om bommen onschadelijk te maken, en waar helemaal geen sociaal gedrag in is geprogrammeerd. Maar dat is gewoon hoe het bij mensen werkt, hoe wij omgaan met de wereld en elkaar. Sociaal gedrag zit heel diep in ons verankerd.’

Sommigen vinden dat verontrustend. Sherry Turkle, hoofd van het Initiative on Technology and the Self van MIT, waarschuwt dat robots alleen de illusie van een relatie bieden. Ze is bang dat mensen die moeite hebben met echte relaties zullen vluchten in een relatie met een robot. En Scheutz waarschuwt dat sombere bejaarden nog verder in de put kunnen raken als ze hun robot verkeerd begrijpen of als de robot hun signalen verkeerd interpreteert. ‘Er zijn zo veel manieren waarop de communicatie spaak kan lopen,’ zegt Scheutz.

Die angst leeft in Japan niet zo. Heel anders dan in het Westen heeft men hier altijd een positief beeld van robots gehad. Dat komt volgens Hornyak mede door het shintoïsme. Aan die godsdienst dankt de Japanse cultuur een lange animistische traditie, de neiging om levenloze voorwerpen een ziel en een persoonlijkheid toe te dichten. Dat komt niet alleen tot uiting in allerlei volksverhalen en legenden, maar zelfs in het straatbeeld van een stad als Tokio. Daar is bijvoorbeeld een park met een monument voor een bril, en bij de Sensoji-tempel vindt elk jaar een ceremonie plaats ter ere van afgedankte naalden. ‘Zul je in een Amerikaans park ooit een monument voor een broekriem aantreffen?’ vraagt Hornyak. ‘Lijkt me niet.’

Wederopbouw
Ook het recente verleden speelt een rol, zegt hij. In het Westen wekken robots achterdocht omdat ze bijvoorbeeld banen inpikken, of omdat ze symbool staan voor de onmenselijkheid van de moderne techniek. Wij bedachten Terminator en HAL. Maar in Japan zijn ze gek op stripfiguren als Astro Boy, een razend populaire robotsuperheld, en de robotkat Doraemon. Veel van die robothelden werden geboren in het klimaat van de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog. ‘Na de verwoestingen en verschrikkingen van de oorlog waren Japanners verliefd op alles wat modern, glanzend, snel en hightech was,’ zegt Hornyak. ‘Dat was hun manier om erbovenop te komen en het land weer op te bouwen.’

En zestig jaar nadat Astro Boy werd bedacht, is hij nog steeds een inspiratiebron voor Japanse robotonderzoekers. ‘Ik wil nog steeds een Astro Boy ontwikkelen,’ zegt Matsubara van de Future University. ‘Mijn droom is dat je vanaf je geboorte een robot meekrijgt. Een robot die als beschermengel en vriend fungeert en die ook alles registreert en opslaat wat je als jongen of meisje meemaakt. Als je later trouwt, blijft de robot je helpen, als je bejaard bent zal hij je verzorgen, en uiteindelijk zit hij aan je sterfbed. Van de wieg tot het graf,’ zegt hij, ‘één robot, één mens.’

Zeehondjes
Op een druilerige ochtend zitten op de tweede verdieping van verzorgingstehuis Yumegaoka in Yokohama zo’n honderd bejaarde patiënten aan tafels in het cafetaria. Uit de speakers komt Japanse jarenvijftigmuziek. Sommige patiënten staren uit het raam naar de passerende auto’s. Anderen zitten te tekenen of kijken naar een soap op tv. Sommigen hebben het hoofd op tafel gelegd. Maar verreweg de meesten zitten voor zich uit te staren.
Enkele patiënten zijn met hun rolstoel naar een tafel voorin gereden om een glimp op te vangen van de beroemdste therapeuten van het tehuis. Een jonge verpleegkundige heeft net twee sneeuwwitte, pluizige robotzeehondjes naar binnen gedragen. Hij legt een van de zeehondjes in de armen van een demente patiënte van in de tachtig.

Breeduit lachend klemt ze hem tegen haar roze trui, ze probeert oogcontact te krijgen met het dier, dat zijn kopje heen en weer beweegt, ze fluistert sussend in zijn oor. ‘Niet huilen,’ zegt ze. ‘Niet huilen. Iedereen kijkt naar je. O, wat ben je schattig.’ En ze zet de zeehond voor zich op tafel en begint zijn vacht te strelen.

Elders is het nog een noviteit, maar in Japanse verzorgingstehuizen is dit idee van interactie tussen mens en robot al wijdverbreid. In 2025 zal naar schatting 30 procent van de bevolking bejaard zijn (in 1990 was dat nog 12 procent). Door die demografische verschuiving zullen er naar schatting 2,4 miljoen bejaardenverzorgers nodig zijn, een stijging van 50 procent. En dat in een sector die bekendstaat om het grote personeelsverloop en de lage lonen. Ook andere landen kampen met die problematiek, maar Japan is uniek, zowel in de omvang van het probleem als in de aanpak. In andere landen wordt ervoor gepleit om het dreigende tekort aan verzorgend personeel op te vangen door het immigratiebeleid te versoepelen. Japanners geven in grote meerderheid de voorkeur aan een andere oplossing: robots.

Robotrevolutie
Deze zomer heeft premier Abe een commissie ingesteld die moet onderzoeken hoe de ‘robotrevolutie’ gestalte kan krijgen. Robots moeten in meer sectoren worden ingezet en de robotmarkt moet verdrievoudigen. In de prefectuur Kanagawa, waar ik het verzorgingstehuis bezoek, financiert de overheid drie soorten robots in bejaardentehuizen: gemotoriseerde exoskeletten voor de revalidatie na een beroerte, twee turven hoge, tweebenige robots die tai chi-bewegingen demonstreren, en Paro het zeehondje, dat alleen maar dient om gestreeld te worden en troost te bieden.

Paro is ontworpen door Takanori Shibata, een robotwetenschapper van het Nationaal Instituut voor Wetenschap en Technologie. Om de robot zo realistisch mogelijk te maken vloog hij zelfs naar Canada om op een ijsschots jonge zeehondjes in hun eigen habitat te filmen. De robot kan niet alleen hun geluid nabootsen maar ook oogcontact zoeken, reageren op aanrakingen, knuffelen, gezichten onthouden en leren welke reacties positief worden ontvangen. Voor het verlichten van angst en depressie is Paro volgens Shibata net zo’n effectief middel als therapie met dieren. Alleen hoef je Paro niet te voeren en gaat hij nooit dood.

Een negentigjarige blinde man in een rolstoel krijgt Paro in de armen gedrukt. ‘Wat is dat?’ vraagt hij. Als het zeehondje zich tegen hem aan vlijt, roept hij blij: ‘O!’ en klemt het lachend tegen zijn borst.

Yasuko Komatsu, de hoofdverpleegkundige, vertelt over een patiënte die sinds kort in het tehuis verblijft. Ze zwierf veel door de gangen en snuffelde in de kamers van andere patiënten naar interessante voorwerpen. Een van haar favoriete plekken was de kamer van een patiënte die al haar spullen dwangmatig ordende. De diefstallen gaven veel heisa. ‘Het slachtoffer raasde en tierde,’ zegt Komatsu. ‘Maar de andere patiënte snapte niet waar ze zich zo druk om maakte. Het personeel probeerde te sussen, maar het ging maar door en het geschreeuw maakte andere patiënten weer van streek.’ De komst van Paro had een kalmerend effect op alle patiënten, maar vooral op de rusteloze dievegge. Als ze hoort dat het zeehondje op de tweede verdieping op haar zit te wachten, is dat meestal genoeg om een eind te maken aan haar strooptochten.

Ik zie haar met Paro zitten, zacht neuriënd streelt ze zijn vacht. Als ze me ziet kijken, wenkt ze me dichter-
bij. ‘Paro zegt: hallo, meneer,’ zegt ze. En met een serene glimlach buigt ze zich weer over haar robot.

Adam Piore

(Robotzeehond. Foto van Thomas Hawk)

Dit artikel is in januari verschenen in editie 70 van 360 Magazine. Elke twee weken het beste uit de internationale pers lezen? Koop 360 of neem een abonnement.

Plaats een reactie

Nieuw. Een robot die je begrijpt (Popular Science/360 Magazine)