Een medicijn tegen de angst

360 Magazine/New Republic  | 21 April 2017 - 17:0221 Apr - 17:02

Een jaar geleden publiceerden we dit veelgelezen artikel over de Nederlandse wetenschapper Merel Kindt die een radicaal nieuwe methode ontwikkelde om traumatische herinneringen te behandelen. De Psypoli van de Universiteit van Amsterdam past deze angstbehandeling toe en heeft ruimte voor nieuwe deelnemers: www.psypoli.nl.

Het was donker in de kamer toen Karin wakker werd, en ze tastte naar haar iPhone op het nachtkastje. Naast haar lag haar man rustig te slapen. Die ochtend waren ze met de nachtvlucht uit Amsterdam in Johannesburg aangekomen en ze hadden de rest van de dag in de stad gewinkeld en mensen gekeken. ’s Avonds waren ze naar hun kamer gegaan in een B&B met kamers aan de tuin en enthousiaste recensies op internet.

In het stikdonker voelde Karen dat er iemand naast haar bed stond. Het was een man met een pistool in zijn hand en dat richtte hij op haar hoofd. Doodsbang keerde Klaver zich op haar buik. Door haar beweging werd haar man wakker en de indringer eiste hun geld en andere waardevolle bezittingen. Daarna verdween hij de nacht in, en zij bleven achter, ongedeerd, maar totaal ondersteboven.

Terug in Nederland probeerde Klaver, 56, haar gewone leven weer op te pakken. Allerlei dingen die vroeger prettig en vertrouwd waren geweest, leken nu een kwelling.

‘Ik werd voortdurend herinnerd aan wat er in Johannesburg was gebeurd,’ zegt ze. Ze voelde zich niet op haar gemak bij onbekende mannen en haar huis was nu vol dreigende geluiden. Het geritsel van de wind in de gordijnen kon haar urenlang uit haar slaap houden. Niets kon de angst verdrijven die haar in die hotelkamer had bevangen toen ze zeker wist dat ze dood zou gaan. ‘Die angst was er altijd,’ vertelt ze.

Klaver vond het moeilijk om over haar spanningen te praten, zelfs met haar man. Als ze aan de roofoverval terugdacht voelde ze zich nog allener en nog kwetsbaarder. ‘De eerste seconden ben je zo ontzettend eenzaam,’ zegt ze. Ze voelde er weinig voor om in therapie te gaan, want ze zag op tegen de eindeloze sessies die daarbij horen.

Snel en gemakkelijk
Anderhalf jaar later, in 2013, las Klaver een stuk in de krant over Merel Kindt, hoogleraar klinische psychologie aan de Universiteit van Amsterdam. Kindt had een revolutionaire behandeling ontwikkeld waardoor angstige herinneringen met een enkele pil ‘geneutraliseerd’ konden worden. Deze behandeling was een wetenschappelijke doorbraak als resultaat van tientallen jaren psychologisch onderzoek. Hij was ook bedrieglijk eenvoudig. ‘Het was snel en gemakkelijk en dat was wat ik wilde,’ zegt Klaver. Ze stuurde Kindt een mail waarin ze over zichzelf vertelde en Kindt nodigde haar uit om naar de universiteit te komen voor een intakegesprek.

In het lab stelde een assistent van Kindt haar een serie vragen. Wat kon ze zich nog van de overval herinneren? Hoe voelde ze zich als ze eraan terugdacht? Kindt bestudeerde Klavers antwoorden en herkende de pijnlijke herinneringen, het vermijdingsgedrag en andere kenmerken van posttraumatische-stressstoornis. Klaver zou inderdaad een goede kandidaat voor de behandeling zijn, concludeerde Kindt.

Drie weken later dirigeerde Kindt, een opvallende vrouw met scherpe trekken, helblauwe ogen en modieus warrig blond haar, Klaver een onopvallend kamertje in waar een tafel stond met twee stoelen. Klaver, die schouderlang grijs haar heeft, was in het zwart gekleed. Kindt stak meteen van wal. Ze liet Klaver de nacht van de overval herbeleven en zich concentreren op de bron van haar angst. ‘Je kunt niet ontsnappen,’ zei Kindt tegen haar, terwijl Klaver met haar handen voor haar gezicht zat te huilen. ‘Niemand kan je helpen.’ Na een kwartier leek Klaver totaal verpletterd door haar herinneringen, en Kindt maakte abrupt een einde aan de ondervraging. Ze gaf Klaver een ronde witte pil, die zij innam met een slok water. ‘Ik was volkomen gebroken,’ vertelt Klaver.

Die avond ging ze vroeg naar bed en ze sliep twaalf uur achter elkaar. Toen ze de volgende ochtend wakker werd, merkte ze dat haar geheugen veranderd was. Ze herinnerde zich de bijzonderheden van de gebeurtenis in die nacht in Johannesburg: ze zag het groezelige petje van de man voor zich, zijn slobberige spijkerbroek en goedkope plastic schoenen. Toch kon ze voor het eerst zonder angst of paniek aan de gebeurtenis terugdenken. ‘Het was alsof er niet meer zo’n gewicht op mijn schouders drukte,’ vertelt ze.

Speciaal laboratorium voor angst
Kindt, 48, heeft zich haar hele carrière beziggehouden met onderzoek naar menselijke angst en geheugen. Ze heeft er een speciaal laboratorium voor opgezet, in de meest prestigieuze wetenschappelijke tijdschriften gepubliceerd en een eenvoudige behandeling ontwikkeld die naar ze hoopt ooit miljoenen mensen met PTSS, fobieën en andere angststoornissen zal helpen.

In haar eigen kliniek heeft ze inmiddels al honderden keren het effect van haar behandeling gezien, maar nog steeds verwondert het haar telkens weer om te zien hoe een patiënt na zo’n korte behandeling bevrijd is van zijn angst en trauma. ‘“Genezing” is een woord dat je niet vaak tegenkomt in de psychiatrie,’ schreef Roger Pitman, psychiater aan de Harvard Medical School, in december in het tijdschrift Biological Psychiatry, als reactie op een experiment waarin Kindt met succes een groep mensen had behandeld die bang waren voor spinnen. Maar genezing is precies wat Kindt lijkt te hebben gevonden.

Natuurlijk hoeft niet elke angst genezen te worden. Als je wordt geconfronteerd met gevaar, activeren je hersenen het sympathisch zenuwstelsel. Er vloeit adrenaline door je aderen, je hart gaat sneller kloppen en je vecht-of-vluchtreactie komt in actie. Hoe sneller je een dreiging kunt herkennen, hoe groter je vermogen om die in de toekomst te vermijden. Zo trekken je angsten lessen uit je ervaringen in de wereld. ‘Angst is een emotie die zich makkelijk aanpast,’ zegt Kindt. ‘Angst zorgt ervoor dat we een plan hebben.’

Voor miljoenen mensen kan angst echter een belemmering zijn. Negenentwintig procent van alle mensen krijgt ooit in hun leven last van een angststoornis. De meest voorkomende zijn specifieke fobieën waarbij mensen ergens een onredelijke angst voor ontwikkelen, zoals bijvoorbeeld voor hoogte, of voor spinnen.

Inmiddels hebben mensen met allerlei angsten en fobieën bij Kindt aangeklopt voor hulp. Zo was er een politieagent die paniekaanvallen kreeg als hij naar het buitenland ging, en een vrouw die de zelfmoord van haar moeder niet had kunnen verwerken. Anderen hadden de bekende angsten voor slangen, honden, hoogte, spinnen, of zeldzamere varianten.

Eenvoudige behandeling
Bij andere klinieken zouden deze patiënten ‘blootstellingstherapie’ hebben gekregen. Een therapeut zou ze mechanismes hebben aangeleerd om met hun angst om te gaan door ze te confronteren met het voorwerp van hun angst en ze te leren daar uiteindelijk tegen te kunnen. Tientallen jaren lang was blootstellingstherapie de best beschikbare behandeling tegen angststoornissen. Maar die behandeling duurt lang en is emotioneel heel zwaar.

Het onderzoek van Kindt biedt uitzicht op een eenvoudige behandeling zonder antidepressiva en talloze therapeutische sessies. Richard Friedman, directeur van de psychofarmacologische kliniek op Weill Cornell Medicine, prees het werk van Kindt onlangs in The New York Times. ‘Deze experimenten wijzen erop dat je voorgoed van je angst bevrijd kunt worden door een enkele dosis van een medicijn, in combinatie met blootstelling aan je angst op het juiste moment.’

De door Kindt ontwikkelde behandeling is zelfs zo effectief dat de plotselinge verandering verwarrend kan zijn. Een voormalige patiënt, Erik (op zijn verzoek laten we zijn achternaam weg), ging vorig jaar naar het lab van Kindt aan om van zijn angst voor slangen af te komen. ‘De ochtend na de behandeling was ik bang dat het niet werkte,’ vertelt hij. Hij ging terug naar het lab en ontdekte dat hij een slang aan durfde te raken, eerst met handschoenen aan, later zonder. Hierna ging hij naar een reptielencentrum. Zelfs te midden van de slangen voelde hij geen angst of paniek.

In een cultuur waarin mensen worden aangemoedigd om hun angsten te overwinnen alsof ze de Mount Everest beklimmen, vond Erik de behandeling bijna te goed. ‘Ik dacht dat het een grote overwinning voor me zou zijn als ik hier overheen wist te komen,’ zegt hij. ‘Maar dat is niet zo. Ik heb niet het gevoel dat ik het zelf heb gedaan.’

De beperkingen van blootstellingstherapie
Kindt leerde als student dat cognitieve gedragstherapie – en met name blootstellingstherapie – de beste methode was waarover de psychologie beschikte voor de behandeling van angststoornissen. (Antidepressiva kunnen in extra heftige gevallen een alternatief zijn.) Als je iemand die hoogtevrees heeft zo ver zou kunnen krijgen dat hij op een balkon gaat staan, bijvoorbeeld, zou zijn angstreactie uiteindelijk afnemen, en zo zou hij leren dat het balkon niet gevaarlijk was. In de toekomst zou hij zich deze veilige ervaring eerder herinneren dan zijn oudere, irrationele associatie tussen een balkon en gevaar.

Blootstellingstherapie kent echter beperkingen. ‘Bij een angstherinnering leren mensen of dieren een regel, maar via het wegnemen van herinnering leren ze een uitzondering op die regel,’ legt Kindt uit. Een patiënt met hoogtevrees die geleerd heeft om niet bang te zijn op een balkon, is dan nog steeds wel bang op andere hoge plekken. Ook kan de oude angst lang na de behandeling onverwacht terugkomen, zodat de patiënt opnieuw bevangen raakt door paniek. Na blootstellingstherapie is de angstherinnering een slapende bom – begraven maar niet onschadelijk gemaakt.

‘De stelregel was altijd: is een herinnering eenmaal vastgelegd, dan blijft hij je hele leven vastliggen,’ zegt Susan J. Sara, hoogleraar neurowetenschappen aan het Collège de France in Parijs, die onderzoek heeft gedaan naar de manier waarop herinneringen worden gevormd.

In de jaren zestig van de vorige eeuw begonnen wetenschappers met onderzoek naar de manier waarop nieuwe herinneringen worden gecreëerd. In een experiment gaven ze ratten een medicijn dat de aanmaak van eiwitten in de hersenen remde. Daarna trainden ze de ratten om bang te worden van het geluid van een bel, door ze telkens als ze die hoorden een elektrische schok toe te dienen. Al snel verstijfden de ratten van angst zodra de bel klonk. De volgende dag echter verstijfden de ratten niet meer als ze de bel hoorden. Kennelijk waren ze vergeten wat ze hadden geleerd. Het medicijn had de vorming van hun langetermijngeheugen verstoord.

Hieruit trokken de onderzoekers de conclusie dat voor herinneringen op de lange termijn de aanmaak van eiwitten nodig is – waarbij elke nieuwe herinnering een heel subtiele verandering aanbrengt in de celstructuur van de hersenen. Dit proces wordt ‘consolidatie’ genoemd, en wetenschappers geloofden dat dit voor elke herinnering slechts eenmaal gebeurde, in de uren direct na het opdoen de ervaring.

Merel Kindt tijdens een lezing in Stockholm, 2014

Verschillende typen herinneringen consolideren in verschillende delen van de hersenen. Zo consolideren feitelijke herinneringen aan belangrijke gebeurtenissen in het leven bijvoorbeeld in de hippocampus. Emotionele herinneringen, waaronder ook angst, consolideren daar in de buurt, in de amygdala, die de vecht-of-vluchtreactie activeert als er gevaar dreigt.

Beide geheugensystemen spelen vaak een rol bij de subjectieve ervaring van angst – iemand kan zich gebeurtenissen in het verleden bewust herinneren en daarbij tegelijkertijd ook verscheidene onwillekeurig fysiologische reacties zoals een verhoogde hartslag vertonen, – maar ze werken onafhankelijk van elkaar.

Angststoornissen zouden worden veroorzaakt door herinneringen aan angst die ‘overconsolideren’ in de amygdala. De wetenschappers ontdekten dat ze het geheugen van een rat konden verbeteren of beschadigen door de hoeveelheid stresshormonen in de hersenen onmiddellijk na de leerervaring te veranderen. Zo vergrootte adrenaline het vermogen van ratten om zich een doolhof te herinneren, terwijl door een adrenaline blokkerend middel dat vermogen afnam.

‘Adrenaline komt vrij als je gespannen raakt en je kunt je dingen vaak beter herinneren als je opgewonden was op het moment dat je ze leerde,’ zegt James McGaugh, een van de auteurs van de consolidatietheorie.

Ethische vragen
De consolidatietheorie maakte de beperkingen van blootstellingstherapie duidelijker. Als het onmogelijk was om een herinnering te verjagen nadat die eenmaal geconsolideerd was, konden psychologen dus niet meer doen dan patiënten helpen om met die herinneringen te leren leven.

Sommige medici dachten dat het misschien mogelijk was de emotionele kater van traumatische ervaringen te verdoven met medicijnen die stresshormonen in de hersenen beïnvloedden. Maar zo’n medicijn zou dan wel binnen enkele uren na de traumatische ervaring toegediend moeten worden, voordat de herinnering consolideerde. Dit was in bepaalde omstandigheden mogelijk, bijvoorbeeld op de eerstehulpafdeling van een ziekenhuis.

In 2002 publiceerde Roger Pitman een onderzoek waarin slachtoffers van auto-ongelukken en ander trauma in het Massachusetts General Hospital in Boston ofwel een placebo kregen ofwel propranolol, een bètablokker die een van de meest voorgeschreven medicijnen bij hartaandoeningen ter wereld is en ook het adrenaline- en noradrenalinepeil [noradrenaline is een hormoon met een sterk opwekkende werking] in de hersenen verlaagt. Drie maande later vertoonde bijna de helft van de patiënten die een placebo hadden gekregen symptomen van PTSS, zoals zweterige handen en een snellere hartslag als ze over hun ongeluk vertelden. Geen van de leden van de propranololgroep vertoonde deze symptomen.

Toch riep een dergelijke ingreep wel ethische vragen op. Slechts tien tot dertig procent van alle traumaslachtoffers ontwikkelt PTSS en het is onmogelijk te voorspellen voor wie dat zal gelden. Veel artsen voelden er dan ook weinig voor om patiënten een medicijn toe te dienen dat de emotionele structuur van herinneringen kon veranderen, terwijl de meesten van hen die herinneringen anders op een gezonde manier in hun leven zouden integreren. In 2003 veroordeelde de President’s Council on Biomedics het gebruik van ‘herinneringverdovers’ zoals propranolol na een trauma.

De behandeling riep associaties op met de film Eternal Sunshine of the Spotless Mind uit 2004, waarin wetenschappers de gedeelde herinneringen van een stel ex-geliefden uitwissen. Leon Kass, de eerste auteur van het rapport van de Council, noemde propranolol ‘de morning-afterpil voor zo’n beetje alles waar je spijt, wroeging, pijn of schuldgevoel van kunt krijgen’.

Schokgolf
In 2003 stuitte Kindt, die toen als hoogleraar aan de universiteit van Maastricht werkte, op het werk van Karim Nader, een wetenschapper die toen verbonden was aan de universiteit van New York.

Nader had in 2000 in het tijdschrift Nature een artikel gepubliceerd dat een schokgolf veroorzaakte in de wetenschappelijke wereld. Hij bouwde voort op onderzoek van Susan J. Sara een aantal jaren daarvoor. Sara had in haar Parijse lab een toevallige ontdekking gedaan: voor een onderzoek naar de functie van een specifieke hersenreceptor had ze ratten geleerd een doolhof op te lossen, maar een dag later, toen hun herinneringen al geconsolideerd waren, veroorzaakte ze per ongeluk geheugenverlies bij de dieren. Volgens de consolidatietheorie hadden deze oude herinneringen niet gevoelig moeten zijn voor verstoringen. Maar kennelijk klopte dat niet. Om dat resultaat te verklaren ontwikkelde Sara de theorie dat consolidatie niet slechts één keer plaatsvindt, maar telkens opnieuw. ‘De herinnering wordt elke keer als hij wordt opgehaald, gereconsolideerd’, schreef ze in haar verslag.

Nader testte dit idee specifiek voor angstige herinneringen. Hij trainde ratten om bang te zijn voor een geluid, door dat te combineren met een elektrische schok, en liet ze dan vierentwintig uur rusten, zodat de herinnering zou consolideren. Daarna liet hij het geluid één keer horen, om de ratten te herinneren aan wat ze de dag daarvoor hadden geleerd, en injecteerde ze onmiddellijk daarop met een middel dat de aanleg van eiwit in de hersenen van de ratten blokkeerde.

Toen Nader de ratten een dag later weer testte, verstijfden ze niet langer van angst als hij het geluid liet horen. Naders theorie was dat oude herinneringen ‘labiel’ werden wanneer ze opnieuw werden opgeroepen, en dat er dan meer aanmaak van eiwitten nodig was om de herinnering in toekomstige situaties bruikbaar te laten blijven. Met andere woorden: onder de juiste omstandigheden zouden onze herinneringen veranderd kunnen worden.

Van rat naar mens
Kindt was enthousiast toen ze over het werk van Nader las. ‘Iedereen ging er min of meer vanuit dat emotionele herinneringen voor altijd zijn, dat het beste wat je kunt doen is een remmende herinnering vormen, maar dat de angstige herinnering altijd aanwezig blijft en we ermee moeten leren leven,’ zegt ze. ‘Ik besefte dat dit kon betekenen dat we angstige herinneringen kunnen veranderen.’

Wetenschappers die de onderzoeken van Nader en Sara herhaalden en uitbreidden, vonden bewijs voor reconsolidatie in zeer verschillende dieren zoals krabben, vissen, kippen en slakken. Dit is de basistheorie: in een gegeven situatie zal het brein oude herinneringen naar boven halen om als informatie te dienen voor het gedrag van een organisme. Als die herinnering relevant is voor de situatie kan het organisme iets met die informatie doen; is hij niet relevant, dan kan het organisme van de situatie leren en een nieuwe herinnering scheppen. Met reconsolidatie, redeneerden de onderzoekers, leek er tussen het oproepen van de oude herinnering en het scheppen van een nieuwe een korte periode te zijn waarin de oude herinnering kwetsbaar was voor manipulatie.

Kindt wilde bij het bestuderen van reconsolidatie de sprong van dieren naar mensen maken – een grote uitdaging als je bedenkt hoe complex het menselijk brein is.

In 2007 kreeg ze een beurs om deze theorie te onderzoeken bij mensen. Maar ze kon niet simpelweg het werk van Nader herhalen. Het middel dat hij bij ratten had gebruikt, anisomycin, is voor mensen te giftig. Maar, vroeg ze zich af, als propranolol kon voorkomen dat nieuwe angstherinneringen zouden overconsolideren, zou het dan misschien ook oude, traumatische herinneringen kunnen weerhouden van reconsolidatie?

Een jaar later haalden Kindt en een collega, Marieke Soeter, zestig eerstejaars studenten naar hun lab voor een experiment van drie dagen. Zij werden elk in een klein en steriel kamertje geplaatst; daar stond weinig apparatuur in, alleen een computer en een paar vreemde draden: een elektrode om schokken toe te dienen en nodes om de reacties van de proefpersoon te meten.

Op de eerste dag conditioneerde Kindt de studenten om bang te worden voor een afbeelding van een spin op het computerscherm, door ze, wanneer ze die zagen, een onaangename schok toe te dienen. Daarna verdeelden Soeter en zij de studenten in drie groepen. Op de tweede dag kregen twee groepen propranolol, terwijl de derde groep een placebo kreeg. Vervolgens werd bij een van de ‘propranololgroepen’ en bij de placebogroep de herinnering aan de nare ervaring van gisteren ‘gereactiveerd’ door ze één keer de afbeelding van de spin te laten zien. Op de derde dag toonden Kindt en Soeter hun proefpersonen nog een keer hetzelfde beeld, om te zien of ze daar angstig op regeerden.

‘Het was zaterdagochtend en Marieke was de hele nacht bezig geweest met het analyseren van de data,’ vertelt Kindt. ‘Zodra ik wakker werd, klapte ik mijn laptop open. Er zat al een grafiek in mijn inbox, en er was een vlakke lijn.’ De groep die propranolol en reactivatie had gekregen vertoonde vierentwintig uur later vrijwel geen angstreactie. ‘We controleerden de gegevens nog eens en daarna nog eens. Voor de zekerheid vroeg ik ook nog iemand anders om de analyse nog eens blind te controleren met de ruwe data van de computer.’

Meteen hierna herhaalden Kindt en Soeter hun experiment nog een keer, voor extra zekerheid. Daarna breidden ze hun onderzoek uit. Ze ontdekten dat bij proefpersonen die propranolol kregen, zelfs dertig dagen later de angstreactie nog steeds afwezig was. Bovendien wekten herinneringsschokken wel opnieuw de angst op bij de controlegroepen, maar niet bij degenen die het middel hadden gekregen.

Angst voor spinnen
Hoe buitengewoon deze ontdekking ook was, Kindt vond hem nog steeds een beetje beperkt. Het was één ding om mensen via een paar zachte schokken in het lab te conditioneren om bang te zijn voor een afbeelding, maar een echt trauma was iets heel anders. Kindt zag het als haar uiteindelijke doel om een behandeling te vinden voor het soort angst waar mensen als Karin onder leden.

In 2013 selecteerde Kindt proefpersonen die bang waren voor spinnen – een van de meest voorkomende fobieën en bovendien een angst die in een experimentele omgeving relatief makkelijk te beheersen is. Ze vroeg de deelnemers naar een terrarium te lopen waar een tarantula in zat. De meesten konden zelfs nauwelijks naar het beest kijken. Na twee minuten nam Kindt ze mee naar een andere kamer en gaf ze daar ofwel propranolol of een placebo. Een paar dagen later zette Kindt ze weer in de kamer met de spin. Elke deelnemer in de propranololgroep kon nu de tarantula benaderen en, nog ongelooflijker, zelfs het harige lijfje daarvan aanraken. Een jaar later meldde de propranololgroep nog steeds zo weinig angst voor spinnen dat ze niet eens meer in aanmerking zouden zijn gekomen voor het experiment.

In december vorig jaar heeft Kindt de resultaten van haar onderzoek gepubliceerd en collega-wetenschappers hebben enthousiast gereageerd. ‘Kindt en haar team lijken wel reconsolidatietovenaars,’ zegt Karim Nader, die nu aan het hoofd staat van een laboratorium aan de Amerikaanse McGill University.

Herhaling
Herhaling is belangrijk in de wetenschap en bijna alle artsen die ik heb gesproken, zeiden dat ze graag zouden zien dat hun collega’s de spinnenstudie van Kindt herhalen, voordat ze de methode in een klinische praktijk wilden toepassen. Maar er is weinig dat een bredere toepassing ervan in de weg staat. Propranolol wordt al tientallen jaren voorgeschreven bij hartkwalen en is een veilig, goedkoop en algemeen gebruikt geneesmiddel. (De uitvinder ervan, Sir James Black, kreeg er in 1988 de Nobelprijs voor Geneeskunde voor.) Het enige wat voor de methode van Kindt nodig is, zijn patiënten die bereid zijn zich korte tijd te laten blootstellen aan hun trauma en vervolgens een middel in te nemen dat voor een andere kwaal bedoeld is.

Op dit moment richt Kindt haar onderzoek op de specifieke omstandigheden die reconsolidatie opwekken bij mensen met gecompliceerdere angststoornissen dan bepaalde fobieën. Ze gelooft dat de aanzet tot reconsolidatie normaal gesproken wordt gegeven door een ‘voorspellingsfout’, zoals zij het noemt: de werkelijke gebeurtenissen die op een prikkel volgen, moeten anders zijn dan de uitkomst die de patiënt verwachtte.

In het geval van patiënten met een spinnenfobie is dit betrekkelijk eenvoudig: zij zijn bang dat de tarantula ze zal aanvallen, en dat doet hij niet. Bij mensen met PTSS is de herinnering echter veel complexer, en dan is het voor onderzoekers als Kindt moeilijker om vast te stellen wat precies de externe prikkels zijn die hun angstherinnering in gang zetten. Toch heeft Kindt tot nu toe veel succes geboekt met haar aanpak van angststoornissen. Die heeft in 70 procent van de gevallen gewerkt bij paniekstoornissen en in tien van de twaalf PTSS gevallen die ze heeft aangenomen.

Neutralisatie
Kindt zegt zelf het liefst dat haar werk angstherinneringen ‘neutraliseert’, en ze niet uitwist. Haar patiënten kunnen zich de traumatische ervaringen die hun angst hebben veroorzaakt nog wel herinneren. Maar nu ontwikkelen ze bij die herinnering geen hevige angstreactie meer, en kunnen ze normaal met die ervaringen omgaan.

‘Wij pleiten er niet voor om traumatische ervaringen volledig uit een geheugen te wissen,’ zegt de Britse psycholoog Jonathan Lee die zich aan de Universiteit van Birmingham specialiseert in reconsolidatieonderzoek. ‘We hopen dat de patiënt dankzij deze benadering die onbewuste drang, dat vermijdingsgedrag of de lichamelijke uitingen van angst beter kan beheersen.’

Misschien zal deze aanpak mensen zelfs helpen om de positieve rol te zien die angst kan spelen in hun leven. Kindt heeft zelf een keer een propranololpil genomen, toen haar dochter een operatie moest ondergaan. ‘Tijdens die operatie was ik heel ontspannen,’ vertelt ze. Maar daarna vroeg ze zich af of de medicatie haar een belangrijke herinnering had onthouden. De operatie was uiteindelijk geen traumatische gebeurtenis, eerder een stressvolle. ‘Mijn herinnering eraan is vreemd,’ zegt ze nu. ‘Normaal gesproken zou ik misschien een heel emotionele herinnering hebben gehad, maar nu is het gewoon een gebeurtenis.’ Niet elke angst hoeft geneutraliseerd te worden. ‘Ik heb de emotie gemist,’ zegt Kindt, ‘die geeft kleur aan ervaring.’

Plaats een reactie

360 Magazine/New Republic