Reader 16 | In de sporen van Frankenstein

Aeon / 360  | 25 oktober 2018 - 16:2925 okt - 16:29

Tweehonderd jaar nadat Mary Shelley het monster van Frankenstein schiep, trekken AI-wetenschappers waardevolle lessen uit de cultklassieker. Deze zouden zelfs het verschil kunnen maken tussen vooruitgang of de Apocalyps.

Het monster van Frankenstein is na tweehonderd jaar nog steeds alive-and-kicking. In zijn nieuwe rol als boeman van de artificiële intelligentie (AI) kom je de creatie van Mary Wollstonecraft Shelley nog overal op internet tegen. De Britse literatuurcriticus Frances Wilson heeft het al uitgeroepen tot de ‘vruchtbaarste metafoor ter wereld’. Niet zonder ironie, maar toch: de titel past het monster wel. Want van Guardian-journalisten tot Google-ingenieurs, waarschuwingen over de gevaren van kunstmatige intelligentie liggen velen in de mond bestorven: AI is het grote monster onder ons bed. AI zit overal, van bedieningspanelen voor computers tot de donkere krochten van het internet, van Moskou tot Palo Alto. En die AI wordt krachtiger, sneller, slimmer en gevaarlijker dan de programmeurs die er aan de wieg van staan. Het hedendaagse monster van Frankenstein is nog veel griezeliger dan de uit genetische manipulatie of radioactieve straling ontstane gedrochten in B-films uit de Koude Oorlog. Uiteindelijk zal het als een geest uit de machine verrijzen om zijn scheppers en de hele mensheid te vernietigen.

De thema’s zijn nauwelijks veranderd sinds 1818, toen de 20-jarige Shelley haar roman uitbracht. De doemverhalen over AI in de media leunen voor hun schrikeffecten nog net zo zwaar op de conventies van het griezelgenre als Frankenstein, of de moderne Prometheus. Straks komen de robots in opstand om niet alleen de wereld te vernietigen, maar ook jouw dierbare privacy de nek om te draaien, tot in je eigen huis aan toe. Kijk maar naar Alexa, de Amazon-robot die precies weet wat jouw smaak is. Zij gaat je complete gezinsleven dirigeren, geheel naar jouw – lees: haar – wensen.

Het woord ‘robot’ werd in 1921 in de wereldliteratuur geïntroduceerd in het toneelstuk RUR (Rossums Universele Robots) van de Tsjechische schrijver Karel Čapek. ‘Kijk, kijk, kijk: bij elke deur stroomt het bloed over de drempel!’, hoorde het Praagse theaterpubliek toen. ‘Uit alle huizen stroomt bloed!’ Want Čapeks stuk schetst de cybernetische revolutie van de in Rossums fabriek massaal geproduceerde robots. Die mensvormige werkslaven komen in opstand en ‘vermoorden de mensheid’ in hun bed, net zoals Victor Frankensteins bruid Elizabeth in haar huwelijksnacht vermoord wordt door het monster dat hij heeft geschapen.

Zowel Shelley als Čapek schetsen een biotechnisch monster dat van onderop en van binnenuit een staatsgreep pleegt die succesvoller is dan de historische revoluties in Parijs of Sint Petersburg. Maar wie is er verantwoordelijk voor deze opstandige AI? Anders dan in het Frankrijk van het ancien régime of het tsaristische Rusland krijgt in het werk van deze auteurs niet de adel de schuld. Vol ontzetting roept de hoofdingenieur in Čapeks RUR uit: ‘Ik wijt het aan de wetenschap! Ik wijt het aan de technologie!’ Om vervolgens stil te vallen en zichzelf te corrigeren: ‘Wijzelf, wij dragen hier schuld aan!’ Niet de technologie is hier het probleem, maar de grootheidswaan van wetenschappers en techneuten.

» Lees verder

» Lees verder op Blendle (gratis voor leden)

Plaats een reactie