Onze meest verrassende verhalen van 2018

London Review of Books / 360  |  4 januari 2019 - 09:20 4 jan - 09:20

Ons nieuwe nummer verschijnt 10 januari. Tot die tijd publiceren we een selectie van de beste verhalen uit 2018 die een niet-alledaags of verborgen perspectief op de wereld laten zien. Deze verhalen krijg je van ons cadeau. We hopen dat je ze op jouw beurt cadeau wil geven door ze via social media te delen. Zo kunnen wij aan onze missie voldoen: een zo breed mogelijk perspectief uitdragen. Het liefst natuurlijk aan zo veel mogelijk lezers.

Louter weefsel

Qua intelligentie kan de octopus zich meten met zoogdieren en vogels. Maar van binnen zit het weekdier anders in elkaar dan gewervelden. Het hele lichaam van dit wonderlijke schepsel is vergeven van de neuronen. De octopus denkt met acht tentakels en ziet door zijn huid. Filosoof en Oxford-docent Amia Srinivasan schreef voor _London Review of Books een allesomvattend essay over The Sucker._

» Lees dit artikel in onze Reader

In 1815, vijftien jaar voor de publicatie van zijn beroemdste werk, De grote golf van Kanagawa, bracht Hokusai een driedelig boek met erotische prenten uit. Dat bevat een houtsnede die in het 
Westen bekendstaat als Droom van een vissersvrouw, de Japanse titel luidt Tako to ama: ‘Octopus en duikster’. Daarop ligt een naakte vrouw met de benen wijd en de ogen dicht op haar rug terwijl ze wordt gebeft door een enorme rode octopus. De ogen van het dier bollen op tussen haar gespreide benen en zijn tentakels kronkelen zich om haar sidderende lijf. Een tweede, kleinere octopus duwt zijn bek in de mond van de vrouw en krult het tipje van een tentakel om haar linkertepel. Europese critici zagen er een verkrachtingsscène in, maar zij konden geen Japans lezen.

Volgens de tekst die de lege vlakken rond de figuren opvult, verzucht de duikster: ‘O, akelige octopus! Je laat me naar adem happen met je gesabbel aan de mond van mijn baarmoeder! O! Ja… dáár! Met de zuignap, de zuignap! (…) Daar, daar! (…) Voorheen werd ik juist door mannen voor octopus uitgemaakt! Een octopus! (…) Hoe doe je dat? (…) O! Grenzen en contouren vervagen! Ik verdwijn!’

De octopus overschrijdt grenzen. Een lichaam van louter weefsel, één groot week deel zonder vaste vorm of beenderen. Zelfs grote octopussen – de grootste soort, de reuzenkraak, heeft armen van meer dan 6 meter en weegt bijna 50 kilo – passen door een spleet van krap 3 centimeter, ongeveer zo groot als hun ogen. Tel daarbij hun aanzienlijke spierkracht op – een volwassen reuzenkraak kan 
met elk van zijn 1600 zuignappen 15 kilo tillen – en je begrijpt dat octopussen moeilijk in gevangenschap te houden zijn.

Ze weten vaak door de kleinste gaatjes uit een bassin te ontsnappen. Sommige dieren slagen erin het deksel van het bassin te tillen en over de vloer naar een ander bassin te kruipen op zoek naar een lekker hapje, of naar de dichtstbijzijnde afvoer, en van daaruit wellicht terug naar zee.

Gewiekste probleemoplossers

Octopussen hebben geen vaste kleur of textuur, 
die passen ze aan hun omgeving aan: een octopus met een schutkleur kan van een meter afstand al onzichtbaar zijn. Ze hebben net als mensen een centraal zenuwstelsel, maar bij deze dieren is er geen duidelijk onderscheid tussen lichaam en brein. De neuronen van een octopus zitten door zijn hele lichaam verspreid, twee derde ervan zit in zijn armen: die kunnen allemaal op eigen houtje handelen, prooien vangen en dingen vastgrijpen. Evolutionair gezien is de intelligentie van de octopus een abnormaliteit.

De laatste gezamenlijke voorouder van de octopus enerzijds en mensen en andere intelligente dieren (apen, dolfijnen, honden, kraaien) anderzijds was waarschijnlijk een soort primitieve, blinde worm die zeshonderd miljoen jaar geleden leefde. Andere dieren die evolutionair zo ver van ons afstaan – kreeften, slakken, mossels – scoren vrij laag op denkvermogen. Maar octopussen, en tot op zekere hoogte ook hun koppotige 
neefjes de pijlinktvis en de zeekat, doorkruisen de overzichtelijke evolutionaire indeling tussen slimme gewervelden aan de ene en domme ongewervelden aan de andere kant.

Octopussen zijn gewiekste probleemoplossers, geven blijk van lerend vermogen, kunnen werktuigen gebruiken en tonen zich in staat tot nabootsing, bedrog en volgens sommigen zelfs humor. Hoe verfijnd hun vaardigheden precies zijn, daarover is de wetenschap het nog niet eens: doordat ze zo zonderling zijn, zijn ze ook lastig te bestuderen. Hun intelligentie lijkt op de onze, maar is toch ook weer totaal anders. Wellicht komt dit wonderlijke wezen nog het meest overeen met hoe wij ons intelligent buitenaards leven voorstellen.

De filosoof Peter Godfrey-Smith is ook een duiker die jarenlang octopussen 
en andere inktvissen in het wild heeft geobserveerd, vooral in zee bij Sydney, waar hij woont. Voor hem is het zonderlinge karakter van de octopus een ideaal uitgangspunt voor bespiegelingen over het wezen van intelligentie en bewustzijn zonder deze meteen te projecteren op menselijke vormen. Doordat deze soort evolutionair zo 
ver van ons afstaat, is de octopus een ‘onafhankelijk experiment in de evolutie van grote hersenen en complex gedrag’.

Voor zover we er intelligent contact mee kunnen hebben – het dier kunnen begrijpen en 
zorgen dat het ons begrijpt – is dat niet vanwege 
‘een gezamenlijk verleden of natuurlijke verwantschap, maar doordat de evolutie tweemaal bezig is geweest met het ontwikkelen van hersenen’. Het grootste potentiële probleem is dat de evolutionaire kloof tussen ons en de octopus te groot is om wederzijds begrip mogelijk te maken. In dat geval leert de octopus ons iets over de grenzen van ons bevattingsvermogen.

Een octopus is een weekdier met acht ledematen. Rond een scherpe, hoornachtige bek zitten acht armen, die van begin tot eind met zuignappen zijn bedekt. Elk daarvan kan een prooi vangen en die via de zuignappen, als over een lopende band, naar de bek voeren – in dat opzicht kun je de armen van de octopus ook als lippen beschouwen. Boven op de armen rust de kop, waar de hersenen zetelen, en twee grote ogen met als pupillen horizontale streepjes, als kattenogen die een kwartslag zijn gedraaid.

Achter de kop zit de mantel, een zakvormige massa die de ingewanden en organen bevat, waaronder drie harten, die het blauwgroene bloed rondpompen. 
Aan de mantel hangt een buisvormig aanhangsel, 
de sifon, waarmee de octopus zichzelf voortstuwt, uitwerpselen loost en vijanden met inkt bestookt. Een volwassen octopus kan in grootte variëren van de reuzenkraak, met zijn armen van zes meter, tot 
de tweeënhalve centimeter grote Octopus wolfi, die nog geen gram weegt.

Uniek monster

Linnaeus noemde de octopus een singulare monstrum, ‘een uniek monster’. Erik Pontoppidan, de bisschop van Bergen, beschreef in zijn Natuurlijke Historie van Noorwegen (1755) de Kraken, een reusachtig zeemonster dat op een octopus leek en in staat zou zijn ‘het grootste slagschip’ naar de kelder te helpen met zijn tentakels of door de draaikolk die ontstond als het de diepte in dook. Een soortgelijk schepsel, de Akkorokamui, met enorme ogen en armen die het dier zelf kan afstoten en weer laten aangroeien, komt voor in de volksverhalen van de Aino en wordt overal in Japan nog in Shinto-tempels vereerd. Victor Hugo’s roman Les travailleurs de la mer bevat een lange beschrijving van de octopus of ‘duivelsvis’:

Zou verschrikking het doel van de schepping zijn geweest, dan was er geen volmaakter schepsel dan de duivelsvis. (…) Deze vormeloze massa zwemt langzaam op je af. Ineens dijt die massa uit en schieten er acht stralen tevoorschijn uit een gezicht met twee ogen. Die stralen leven: ze kronkelen als likkende vlammen. (…) Gruwelijk groot zwelt het [beest] op! (…) Wurgende armen, verlammend huidcontact. Als schurftig of rottend vlees ziet het eruit. Een monsterlijke vleesgeworden ziekte. (…) Onder aan elk van die tentakels zitten twee rijen puistvormige pukkels, steeds kleiner naar het einde toe. (…) Weke massa’s zijn het, rond, eeltig en asgrauw. (…) Een kleverige dril, voorzien van een boosaardige wil: bestaat er iets verschrikkelijkers?

Kleverig zijn octopussen inderdaad. Volgens Sy Montgomery, auteur van het voortreffelijke The Soul of an Octopus, voelt het slijm op de huid van een octopus aan als een mengsel van kwijl en snot. Maar boosaardig is de octopus allerminst, althans niet tegen mensen. Een doodenkele keer wordt een mens aangevallen, wordt een giftige beet uitgedeeld of een camera gestolen als ze zich bedreigd of geïrriteerd voelen, maar over het algemeen zijn het zachtaardige en nieuwsgierige dieren. (Vissers daarentegen doden octopussen vaak door de hersenen eruit te bijten, en in veel landen worden ze levend gegeten.)

Duikers die octopussen in het wild tegenkomen, worden vaak met een of twee tentakels voorzichtig afgetast, en soms bij de hand genomen en meegetroond voor een rondleiding door de buurt. Aristoteles verwarde die nieuwsgierigheid met gebrek aan intelligentie en noemde de octopus een ‘dom schepsel’ omdat het dier zo gretig op de uitgestoken hand van een mens afkomt. Octopussen kunnen mensen herkennen en reageren vaak verschillend op verschillende personen: de een krijgt een aai van de armen, de ander wordt met de sifon bespoten.

Dat is opvallend voor zo’n sterk solitair dier. Ze leven immers alleen en sterven vrij snel nadat hun jongen uit het ei komen. Het mannetje blijft tijdens de paring zo ver mogelijk bij het wijfje vandaan om te voorkomen dat hij door haar wordt opgegeten, hij strekt alleen één behoedzame arm met een pakketje sperma richting haar sifon.

Maar hoe slim zijn octopussen precies? Ze hebben een half miljard neuronen, ongeveer evenveel als een hond. (Een mens heeft er honderd miljard.) Hun hersenen zijn ook vrij omvangrijk in verhouding tot hun lichaamsgrootte, een teken van hun ‘investering’ in intelligentie. Maar deze cijfers geven slechts een heel grove indicatie van dierlijke intelligentie. Het aantal neurale verbindingen en de complexiteit van dat netwerk spelen ook een rol. (Kraaien en papegaaien hebben kleine hersenen, maar zijn in recent onderzoek toch zeer intelligent gebleken.)

En de verhouding tussen brein en lichaamsgrootte gaat voorbij aan het feit dat de meeste neuronen van de octopus zich buiten zijn hersenen bevinden. Bovendien hebben zijn hersenen een totaal andere structuur dan 
de onze. Zelfs de hersenen van vogels en vissen vertonen een sterke structurele gelijkenis met het menselijk brein, maar de hersenen van de octopus zijn naar een heel ander model gebouwd.

Omdat de vergelijking met onze hersenen dus weinig zegt, wordt het gedrag van de octopus als de beste potentiële graadmeter voor zijn cognitieve vermogens beschouwd. Maar daarbij stuiten wetenschappers vaak op wat Godfrey-Smith de ‘discrepantie’ tussen anekdotisch bewijs en experimenteel onderzoek noemt. Octopussen presteren in het laboratorium redelijk goed: ze kunnen de weg vinden in een doolhof, met behulp van hun geheugen eenvoudige puzzels oplossen, een deksel van een potje of een kindveilige dop van een fles draaien om aan eten te komen. (Er is zelfs gefilmd hoe een octopus het deksel van een potje schroeft van binnenuit.)

Maar het kost soms verrassend veel tijd om een octopus iets nieuws te leren, wat volgens sommige onderzoekers wijst op hun cognitieve beperkingen. Veel van het eerste onderzoek naar de intelligentie van octopussen is uitgevoerd in het Stazione Zoologica in Napels. Peter Dews, een psychobioloog van Harvard, leerde daar in 1959 drie octopussen een hendel over te halen om een stukje sardine te bemachtigen. Twee van de drie, Albert en Bertram, haalden de hendel ‘redelijk regelmatig’ over. De derde, Charles, deed het met veel kracht, door zich met zijn armen af te zetten tegen de zijkant van het bassin, tot hij de hendel uiteindelijk brak en het experiment voortijdig moest worden beëindigd.

Dews wist ook te melden dat Charles herhaaldelijk een lamp het water in trok en ‘de sterke neiging vertoonde om water over de rand te spuiten; vooral (…) in de richting van de onderzoeker’. ‘Dit gedrag,’ schreef Dews, ‘stond een soepel verloop van de experimenten in de weg en (…) is duidelijk niet verenigbaar met het overhalen van hendels.’ Hij achtte zijn experiment deels mislukt. Volgens Godfrey-Smith typeert dit ‘het probleem met octopusgedrag’. Het zijn bijzonder nieuwsgierige beesten die er een handje van hebben om voorwerpen voor hun eigen doeleinden te gebruiken. Misschien hebben ze moeite met het aanleren van sommige handelingen. Of misschien hebben ze gewoon wel wat beters te doen.

Als octopussen in gevangenschap leven, lijken ze zich daarvan bewust te zijn. Ze passen zich aan, maar bieden ook verzet. Als ze proberen te ontsnappen, wat ze veelvuldig doen, wachten ze vaak een moment af dat ze niet in de gaten worden gehouden. Octopussen hebben bassins in laboratoria laten overlopen door met hun tentakels de afvoer te verstoppen. Een octopus aan de universiteit van Otago veroorzaakte zo vaak kortsluiting – door water te spuiten naar de lampen boven de bassins – dat hij weer moest worden losgelaten in zee. Jean Boal, inktvisonderzoeker aan de Millersville University in Pennsylvania, beschreef wat er gebeurde toen ze een rijtje bassins afliep om octopussen ontdooide pijlinktvis te voeren, niet echt hun lievelingshapje.

Toen Boal terugliep, zag ze dat de octopus in het eerste bassin de pijlinktvis niet had opgegeten, maar in zijn uitgestoken arm hield. Naar Boal kijkend kroop hij over de bodem van het bassin langzaam naar de afvoer en duwde de pijlinktvis daarin. (Volgens de Romeinse redenaar Claudius Aelianus uit de derde eeuw na Christus, die zich beter in de octopus kon verplaatsen dan Aristoteles, waren zijn twee hoofdkenmerken ‘ondeugd en sluwheid’.)

Hoe voelt het om een octopus te zijn? Is dat überhaupt een gevoel? Of is de octopus, zoals Godfrey-Smith het uitdrukt, ‘gewoon een biochemisch machientje waarbinnen slechts duisternis heerst’? Zulke vragen – ‘hoe is het om een vleermuis te zijn?’ vroeg Thomas Nagel in een zeer invloedrijk essay uit 1974 – zijn alternatieve vormen van de filosofische vraag of een dier bewustzijn heeft. Voor veel filosofen is de bewustzijnsvraag een kwestie van alles of niets: je hebt het of je hebt het niet. Mensen hebben het, chimpansees en dolfijnen misschien ook.

Muizen, mieren en amoebes vermoedelijk niet. Dat het zo’n alles-of-nietskwestie is, heeft ermee te maken dat we ons moeilijk kunnen voorstellen dat er verschillende gradaties van bewustzijn zijn. Andere cognitieve eigenschappen, zoals geheugen, taalvermogen en oplossend vermogen, zijn vaardigheden die van individu tot individu en van soort tot soort kunnen verschillen. Het is lastiger om je voor te stellen hoe de mate van bewustzijn kan variëren.

Zoals Godfrey-Smith het formuleert: ‘hoe kan een dier maar half voelen hoe het is om dat dier te zijn?’ Maar als bewustzijn iets natuurlijks is, iets wat mettertijd is geëvolueerd, is het ook niet waarschijnlijk dat het zich in de evolutionaire geschiedenis op enig moment zomaar ineens, volledig gevormd, heeft aangediend. Godfrey-Smith gaat ervan uit dat bewustzijn een product van de evolutie is en accepteert de logische gevolgtrekking dat er dan ook primitievere voorlopers moeten zijn: dat er dus toch gradaties van bewustzijn bestaan.

In zijn ogen is bewustzijn – het bezit van een ‘inwendig’ model van de ‘uitwendige’ wereld, een geïntegreerd, subjectief wereldbeeld – niet meer dan een hoogontwikkelde vorm van wat hij ‘subjectieve ervaring’ noemt. Volgens Godfrey-Smith beschikken veel dieren over een zekere mate van subjectieve ervaring, al kun je dat nog geen volwaardig bewustzijn noemen. Hij wijst op wat de fysioloog Derek Denton de ‘oeremoties’ noemde: dorst, ademnood, fysieke pijn.

Deze gewaarwordingen breken in onze hogere mentale processen in en laten zich niet onderdrukken. Ze grijpen terug op een meer elementaire ervaring van de wereld – een ervaring die volgens Godfrey-Smith geen verfijnd mentaal model van de wereld vereist. Denk je, vraagt hij, dat pijn, dorst of ademnood ‘alleen worden gevoeld bij de gratie van verfijnde cognitieve processen die pas in een laat stadium van de evolutie van zoogdieren zijn ontstaan? Lijkt me niet.’

Zijn punt wordt onderstreept door het fenomeen pijn bij dieren. Simpele dieren lijken bij fysiek letsel een schrikreactie te vertonen, en er is experimenteel onderzoek dat erop lijkt te wijzen dat ze pijn ervaren, dat ze fysiek letsel onaangenaam vinden. Zebravissen die geïnjecteerd worden met een stofje waarvan wordt aangenomen dat het pijn veroorzaakt, verkiezen een minder aantrekkelijke omgeving als daar een pijnstillende stof in het water wordt verspreid. Ook kippen met letsel aan hun poten geven de voorkeur aan voer dat ze minder lekker vinden als daar een pijnstiller in zit.

Insecten lijken geen pijn te voelen, die zwoegen zelfs bij ernstig letsel door alsof er niets aan de hand is. Maar garnalen en krabben wrijven over beschadigde lichaamsdelen, en ze doen dat minder als hun een pijnstiller wordt toegediend. Dit is allemaal geen sluitend bewijs dat dieren pijn ervaren – maar het is ook niet duidelijk wat wel sluitend bewijs zou zijn. Zoals Godfrey-Smith schrijft: ‘Je kunt nog steeds betwijfelen of deze dieren iets voelen, ja. Maar die twijfel kun je ook hebben over je buurman.’

Als zelfs eenvoudige dieren al beschikken over elementaire vormen van bewustzijn of subjectieve ervaring, hoe zou dat dan kunnen voelen? Hoe voelt het om een gewonde krab te zijn? Daarvoor grijpt Godfrey-Smith naar een metafoor van de evolutietheoretici Simona Ginsburg en Eva Jablonka: witte ruis. Primitief bewustzijn, schrijft hij, is misschien zoiets als ‘geknetter van lichamelijke elektriciteit’, een ‘vaag gezoem’ dat in de loop van de evolutie aan complexiteit en helderheid wint.

Menselijk bewustzijn

Als er gradaties van bewustzijn bestaan, waar zit de octopus dan op die schaal? Het is vrijwel zeker dat octopussen pijn kunnen lijden. Ze wrijven over gewonde lichaamsdelen en schermen ze af, en ze worden daar niet graag aangeraakt. (Tot voor kort werden ze door onderzoekers zonder verdoving opengesneden, en bij oudere proeven werden vaak stroomstoten toegediend. Sinds 2010 is er een EU-richtlijn voor dierproeven, die inktvissen in dezelfde categorie plaatst als gewervelde dieren op grond van hun ‘vermogen om pijn, lijden, angst of blijvende schade te ervaren’.)

MOGEN WE EVEN JE AANDACHT?
Dit artikel krijg je van 360 cadeau. We geloven dat internationale context leidt tot een beter begrip van de wereld om ons heen. Het biedt nieuwe invalshoeken op een werkelijkheid die overal anders is. Bovendien maken we relevante, originele en mooie verhalen graag toegankelijk voor een groot publiek. Deel dit artikel als onze missie je aan het hart gaat. Of, nog beter, sluit je aan bij 360 met een (proef / cadeau) – abonnement. Doneren kan ook als je niet genoeg tijd vindt om te lezen, maar 360 wil steunen in haar voortbestaan.
Bedankt

Octopussen voelen niet alleen pijn, maar beschikken ook over verfijnde zintuiglijke vermogens: een uitstekend gezichtsvermogen en een scherpe smaak- en reukzin. Als je daarbij hun grote zenuwstelsel en hun complexe gedrag optelt, is het in de ogen van Godfrey-Smith vrijwel zeker dat octopussen een rijke subjectieve ervaring hebben. Maar misschien hebben ze meer dan dat. Sommige wetenschappers, met name Stanislas Dehaene, denken dat een bepaald type mentale processen, het type dat een rol speelt bij de uitvoering van nieuwe en langdurige taken, niet alleen hand in hand gaat met ons menselijk bewustzijn, maar zelfs helpt verklaren waarom wij over bewustzijn beschikken.

De nieuwsgierigheid en het aanpassingsvermogen van de octopus doen Godfrey-Smith aan deze typisch menselijke vormen van intelligentie denken. En zo lijkt de octopus misschien meer op de mens dan we altijd dachten. De vraag hoe de subjectieve ervaring van een octopus eruit kan zien, wordt gecompliceerd door de vreemde relatie tussen zijn hersenen en zijn lichaam. Zijn armen bevatten meer neuronen dan zijn hersenen, zo’n tienduizend per zuignap. De armen hebben reuk- en smaakzin en een kortetermijngeheugen.

En elke arm handelt met een grote mate van zelfstandigheid. Een geamputeerde arm kan nog steeds bewegen en dingen grijpen, pijnprikkels ontwijken en van kleur veranderen. (In The Soul of an Octopus fantaseert Montgomery over een octopus die de intelligentie van mensen onderzoekt door te kijken hoeveel kleurpatronen een afgehakte mensenarm in één seconde produceert.) Maar de hersenen van het dier kunnen de armen ook aansturen 
en ‘de touwtjes in handen nemen’ als dat nodig is, bijvoorbeeld om slechts één tastende tentakel uit te steken naar een vreemdeling.

Godfrey-Smith oppert dat de octopus fenomenologisch hybride is: de armen zijn een deel van hemzelf, maar zijn in zekere zin ook ‘een ander’. Vandaar dat de octopus wel gezien wordt als mascotte van de ‘belichaamde cognitie’-beweging in de psychologie, die ervan uitgaat dat intelligentie iets is van het hele lichaam, door de wijze waarop dat lichaam bepaalde handelingen mogelijk of onmogelijk maakt. Dat de mens kan lopen, is in die zienswijze niet alleen een simpele functie van de hersenen die van bovenaf de ledematen aansturen, maar ook van onze gewrichten ten opzichte van elkaar. Zo bezien is ons lichaam een drager van informatie die ons handelen mogelijk maakt.

Het lijdt geen twijfel dat het lichaam van een octopus radicaal van het onze verschilt, en dat de intelligentie van dat dier alleen kan worden begrepen door te begrijpen hoe die intelligentie is belichaamd. Maar door de octopus vanuit het standpunt van belichaamde cognitie te bekijken, doen we de vreemdheid van het dier misschien ook tekort. Over ons eigen lichaam denken we graag in termen van mogelijkheden en beperkingen, maar het lichaam van de octopus, zo zegt Godfrey-Smith, ‘is proteïsch, is een en al mogelijkheid’. Alleen al de vraag hoeveel zijn lichaam bijdraagt aan intelligent gedrag, veronderstelt een scheiding tussen lichaam en hersenen die voor de octopus niet lijkt op te gaan. Het hele lichaam van de octopus is vergeven van de neuronen. Het is geen object dat wordt aangestuurd door het denkende deel: zijn hele lijf is een denkend deel.

Een andere eigenaardigheid die zich presenteert wanneer we ons proberen te verplaatsen in een octopus heeft te maken met hoe het dier zich verhoudt tot kleuren. De huid van een octopus is een soort gelaagd beeldscherm met kleurzakjes, zogenaamde chromatoforen, die de pixels zijn waarmee het dier naar believen van kleur kan veranderen, om op te gaan in zijn omgeving of juist een aanvaller af te schrikken. Eén soort, de Thaumoctopus mimicus, kan met wisselende vormen en kleuren meer dan vijftien verschillende dieren nabootsen, zoals platvissen, koraalduivels en zeeslangen.

Ook lijkt de kleur van een octopus zijn stemming uit te drukken: sommige octopussen worden wit als ze lange tijd door een mens worden geaaid, of na de paring. Ze kunnen complexe patronen vertonen van stippels en strepen, knipperende kringen en golven van kleuren. Maar toch lijken de meeste inktvissen, en ook octopussen, kleurenblind te zijn. Hun ogen ontberen de fotoreceptoren die nodig zijn om kleur te kunnen waarnemen, en bij proeven blijken ze ook niet in staat verschillend gekleurde voorwerpen van elkaar te onderscheiden.

Onderzoekers hebben onlangs ontdekt dat octopussen niet alleen fotoreceptoren in hun ogen hebben, maar ook in hun huid. Dat zou betekenen dat hun huid niet alleen kan ruiken en proeven maar ook kan zien, door visuele informatie naar de hersenen te sturen of zelf te verwerken. Beide mogelijkheden zijn even maf: ofwel de hele huid van de octopus functioneert als één groot oog, of het lichaam van de octopus ziet dingen buiten zijn hersenen om.

En dat is nog niet het hele verhaal, want de fotoreceptoren in zijn huid kunnen evenmin kleuren zien als die in zijn ogen. De meest plausibele hypothese is voorlopig dat het dier dankzij een of andere complexe interactie tussen de fotoreceptoren en de chromatoforen kleuren kan vertonen die het zelf niet waarneemt.

Octopussen gebruiken hun vermogen om van kleur te veranderen voornamelijk ter camouflage en om te communiceren met andere octopussen. Maar soms vertonen ze ineens complexe kleurpatronen zonder schijnbare aanleiding, zonder dat er een natuurlijke vijand of andere octopus in de buurt is. Godfrey-Smith noemt zulke doelloze kleurveranderingen ‘chromatisch gebabbel’ en oppert dat het een onwillekeurige fysieke reflex is.

Kan er toch iets van een bedoeling in schuilen? Zouden octopussen in zichzelf praten? Het probleem is dat octopussen geen taal lijken te hebben, en dus vermoedelijk evenmin in zichzelf kunnen praten als met anderen. (Wittgenstein poneerde immers dat het bestaan van een 
‘privétaal’, die slechts door één persoon gesproken en begrepen wordt, per definitie onmogelijk is. En of dat nu inderdaad categorisch onmogelijk is of niet, zo’n taal is in ieder geval evolutionair onwaarschijnlijk, want het vermogen om in jezelf te praten lijkt een latere internalisering te zijn van het vermogen om met anderen te praten.)

Met de megapixels in zijn huid kan de octopus in theorie informatie van schier oneindige complexiteit uitbeelden – zijn lichaam heeft een expressieve bandbreedte waarvan een chimpansee of baviaan slechts kan dromen. Maar de meeste kleursignalen van octopussen lijken geen consistent effect op soortgenoten te hebben. Het zijn blijkbaar berichten zonder inhoud, woorden zonder betekenis.

De meeste octopussen leven niet langer dan een jaar of twee. De reuzenkraak, de soort met de langste levensduur, leeft hooguit vier jaar. Zowel de wijfjes als de mannetjes paren maar één keer in hun leven en takelen daarna razendsnel af: ze krijgen witte plekken op hun huid, verliezen hun eetlust en vertonen klunzig en verward gedrag. De wijfjes verhongeren terwijl ze hun eitjes bewaken en de mannetjes dwalen doelloos door de oceaan tot ze ten prooi vallen aan roofdieren. De meeste intelligente dieren, maar ook sommige andere weekdieren, leven beduidend langer dan de octopus.

Medawar-effect

Waarom duurt het leven van de octopus zo kort? Evolutiebiologen verklaren veroudering doorgaans met het zogenaamde Medawar-effect: mutaties met een schadelijk effect dat zich vroeg in het leven manifesteert, worden door natuurlijke selectie geëlimineerd. Maar mutaties waarvan de schadelijke effecten zich pas op latere leeftijd aandienen, blijven in een populatie aanwezig. De meeste dieren zijn als gevolg van ziekte, ongevallen of natuurlijke vijanden al gestorven voordat ze de leeftijd bereiken waarop die ouderdomsmutaties kunnen optreden.

Daardoor krijg je in elke dierenpopulatie een opeenhoping van mutaties met negatieve gezondheidseffecten op latere leeftijd, wat uiteindelijk de schijn van een voorgeprogrammeerde maximale levensduur wekt. Bij de octopus heeft dat Medawar-effect in combinatie met de excentrieke lichaamsbouw geresulteerd in deze ongewoon korte levensduur. Al vroeg in zijn evolutie heeft de octopus zijn beschermende schelp ingeruild voor een leven van onbegrensde mogelijkheden.

De prijs daarvoor was een verhoogde kwetsbaarheid voor gewervelde roofdieren met tanden. Een dier met een week lichaam zonder schelp kan geen lang leven verwachten, dus mutaties met schadelijke effecten die zich al na enkele jaren manifesteren zullen zich gemakkelijk in de hele populatie verspreiden. Het resultaat is een leven dat rijk is aan subjectieve ervaring, maar opvallend kort van duur.

Aquarium

Deze zomer ben ik onderweg van San Francisco naar Los Angeles eens bij het Monterey Bay Aquarium gestopt om daar naar de octopussen te kijken. De permanente collectie bevatte toen twee reuzenkraken, maar er waren nog veel meer octopussen te zien in de tijdelijke show Tentacles, de grootste tentoonstelling van koppotigen ooit gehouden. Het was de tweede keer in mijn leven dat ik een levende octopus zag. (Aan de eettafel heb ik al meer dode octopussen gezien dan ik wil weten. Je kunt er heerlijke carpaccio van maken. Hoef ik nooit meer.)

Mijn eerste keer was bij een strand op Mykonos, waar ik aan het snorkelen was. Er viel niet veel te zien op de zeebodem, alleen wat kleine kreeftjes en rondflitsende zilverkleurige visjes, tot ik een paar meter verderop ineens een rode massa zag, ongeveer zo groot als een kat, die me met één oog in de gaten hield. Ik bleef erboven hangen en staarde terug. De octopus maakte kleine, kalme bewegingen, strekte en krulde zijn armen, schuifelde over de bodem. Uiteindelijk kroop hij naar een stuk touw dat een eindje verderop lag en wikkelde zich daar omheen. Zijn lijf werd een bruin, pokdalig hoopje met één enkel spierwit oog, de pupil een zwart streepje. Toen ging dat oog dicht en was de octopus verdwenen.

In Monterey zaten de twee reuzenkraken ieder in een bassin van enkele meters breed. De eerste was onstuimig, balde zijn lijf samen om het dan weer uit te rekken, strekte zijn armen en drukte zijn zuignappen tegen de wanden, bewoog zich spuitend en woelend door het water. Toeristen stonden druk te fotograferen, met flits, ondanks het bijschrift dat octopussen niet van fel licht houden. Kinderen gaven blijk van walging en bewondering. Bij zo’n octopus wordt je oog als vanzelf naar die kronkelende tentakels vol zuignappen en dat bobbelende lijf getrokken.

De ogen lijken loom en lodderig. Alleen als je goed kijkt, zie je dat ze je in feite wijd open aanstaren. Ik keek de octopus in de ogen en zag dat hij me strak aankeek terwijl zijn lichaam achter hem opzwol en weer kromp. De tweede octopus was stiller, hing opgerold boven in haar bassin. Een paar doorzichtige strengen parelvormige eitjes zweefden ernaast, door haar gelegd en met veel moeite met de uiteinden van haar armen bijeengeveegd: het restant van de leg die de verzorgers uit het bassin hadden geschept. Haar huid was dof en wit. Ze lag op sterven.

De logica van zo’n aquarium is net als bij een dierentuin de logica van de natuurbescherming: enkele dieren moeten hun vrijheid opofferen voor de bescherming van de hele soort. (‘Utilitarisme voor de dieren, kantianisme voor de mens,’ zoals de filosoof Robert Nozick schreef.) Dit principe wordt overtuigend gedemonstreerd in een aquarium zoals dat van Monterey, met zijn hypermoderne onderzoekscentrum, zijn beschermingsbeleid en zijn onderwijsprogramma. Veel dieren lijken het daar prima naar hun zin te hebben, voor zover te zien, en andere lijken niet eens te beseffen waar ze zijn.

Veel van deze dieren leiden er ongetwijfeld een langer en gezonder leven dan ze in zee zouden hebben. Toch blijven er ethische vragen bestaan over dieren zoals octopussen, die zo duidelijk naar vrijheid verlangen. Vanuit ons gezichtspunt is het leven van een octopus in het wild misschien al inherent tragisch: sociale vermogens zonder sociaal verkeer, spreken zonder gehoord te worden, een leefwereld zonder levensduur. Een alien. Leek de octopus maar meer op ons, dan konden we hem misschien gemakkelijker met rust laten.

Auteur: Amia Srinivasan

Peter Godfrey-Smith: Other Minds: The Octopus and the Evolution of Intelligent Life, uitgever HarperCollins, 2017.

Sy Montgomery: The Soul of an Octopus: A Surprising Exploration into the Wonder of Consciousness, uitgever
Simon & Schuster, 2016.

London Review of Books
Verenigd Koninkrijk | tweemaandelijks tijdschrift | oplage 45.905

Besteedt aandacht aan literatuur en politiek, in navolging van de prestigieuze New York Review of Books. Bij uitstek geschikt om op de hoogte te blijven van wat actueel is in de Angelsaksische letteren. Meer dan de helft van de oplage wordt in het buitenland verkocht.

Plaats een reactie