We weten niet wat ons te wachten staat

El Espectador / 360  | 15 februari 2019 - 14:0815 feb - 14:08

De Belgische ingenieur Danile Debouck heeft in Colombia de grootste bonenverzameling ter wereld aangelegd. Hiermee helpt hij alternatieven te vinden tegen de rampzalige gevolgen van klimaatverandering voor de landbouw. Bijna alle zaden, 30.000, zijn opgeslagen in een genetisch archief.

De afgelopen veertig jaar heeft Daniel Debouck zich beziggehouden met het verzamelen, classificeren en bewaren van duizenden soorten zaden van bonenrassen, cassaveplanten en grassoorten. Het zou goed kunnen dat er niemand op de wereld is die zo veel verstand van bonen heeft als Debouck. In de enorme koelruimtes van het genetische archief van het Internationaal Centrum voor Tropische Landbouw (CIAT) in Palmira, waar Debouck werkt met een team van tachtig man, worden op 18 graden onder nul 37.987 verschillende soorten bonenzaden en 23.140 grassoorten (voor veevoer) bewaard, die bij elkaar het genetisch erfgoed van 142 landen vormen.

Debouck werkte tot 1977 bij het ministerie van Landbouw in België en kwam in Colombia terecht met het plan zich daar twee jaar aan de wetenschap te wijden. Die twee jaar werden er 42. Eerst was hij technicus bij de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) van de Verenigde Naties en sinds 1996 stuurt hij het Programma voor genetische hulpbronnen van het CIAT aan. Debouck: ‘Zie ons als de curatoren van deze bonenverzameling, in wezen het eigendom van andere landen. Aan ons de taak erop te passen.’

MOGEN WE EVEN JE AANDACHT?
Dit artikel krijg je van 360 cadeau. We geloven dat internationale context leidt tot een beter begrip van de wereld om ons heen. Het biedt nieuwe invalshoeken op een werkelijkheid die overal anders is. Bovendien maken we relevante, originele en mooie verhalen graag toegankelijk voor een groot publiek. Deel dit artikel als onze missie je aan het hart gaat. Of, nog beter, sluit je aan bij 360 met een (proef / cadeau) – abonnement. Doneren kan ook als je niet genoeg tijd vindt om te lezen, maar 360 wil steunen in haar voortbestaan.
Bedankt

Sinds een aantal jaren stromen er bij de zadenbank van het CIAT e-mailverzoeken binnen van wetenschappers uit de hele wereld die genetisch materiaal zoeken dat resistent is tegen schimmels, hoge temperaturen of zouten. Wetenschappers speuren naarstig naar zaden waarmee gewassen duurzaam kunnen worden verbouwd, in verband met het scenario dat het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) vier maanden geleden voorspiegelde: de komende twintig jaar zal de aarde met 1,5 procent opwarmen als gevolg van de klimaatverandering, waarvan de impact groter is dan we hadden verwacht.

Dit betekent dat piekperiodes van droogte en overstromingen elkaar zullen afwisselen en dat het neerslagpatroon verandert. Gewassen lopen de kans te worden aangetast, vooral tijdens hun kwetsbaarste periode: die van bloei en vruchtvorming. Wordt die cyclus verstoord, dan kan de oogst grotendeels of helemaal mislukken.

Diversiteit

Voor de boeren uiteraard een groot probleem, maar ook geen vrolijk toekomstbeeld voor stedelingen en een stap terug voor de 3,6 miljoen Colombianen die van een minimumsalaris – of minder – moeten rondkomen, doordat levensmiddelen schaars en duur zullen worden. ‘De landbouw zal het in de nabije toekomst moeten doen met water van slechtere kwaliteit, omdat het wellicht te zout is geworden. Willen we in de toekomst de voedselvoorziening op peil houden, dan moeten we soorten zoeken die beter bestand zijn tegen zout water,’ aldus Debouck.

Landbouwwetenschappers en landbouwkundig ingenieurs zoals Debouck observeren en documenteren al zestig jaar lang hoe bemesting en chemische gewasbeschermingsmiddelen bijdragen aan een grotere biodiversiteit en een grotere resistentie tegen ziektes, schimmels, droogte of langdurige regenval. Maar volgens Debouck ligt de oplossing in de gebruiken van onze Amerikaanse voorouders die bonen, aardappelen en cassave veredelden tot de nieuwe, sterkere soorten die vandaag de dag vier miljard monden voeden. Het enige wat ze deden was gebruikmaken van de diversiteit die planten eigen is.

Debouck vertelt dat vóór de komst van Columbus de boon voorkwam in een gebied dat zich uitstrekte van ongeveer halverwege de Verenigde Staten tot aan de Centrale Vallei in Chili. Het was niet één unieke soort, het waren vijf verschillende bonensoorten die de inheemse bevolking verkregen door maïs, boon en pompoenen te kruisen. Ze hoefden slechts van elke soort de zaden te selecteren die het beste gedijden in de lokale omstandigheden (ze beschikten immers niet over moderne technieken en hulpmiddelen). ‘Die biodiversiteit was er niet zomaar, ze diende een doel: er moest voedsel worden geproduceerd onder verschillende condities en de enige mogelijkheid om iets duurzaams te krijgen, was gebruik te maken van die diversiteit,’ legt de plantendeskundige uit. ‘Daarom is een laboratorium als het onze zo belangrijk. Wij bewaren zo veel mogelijk bonensoorten. Want we weten niet wat ons nog te wachten staat.’

De wetenschapper geeft een trieste opsomming van tientallen beschavingen met een falende landbouw – waarvan velen niet meer bestaan. Hij wijst naar een replica van een stenen, met bespikkelde bonen beschilderde kruik van de Mochica, een inheemse Peruaanse beschaving die de woestijnachtige vallei van de rivier de Moche veranderde in vruchtbare grond. Het rivierwater dat uit de Andes naar beneden stroomde, geleidden ze een andere kant op en met bakstenen bouwden ze een netwerk van talrijke aquaducten, waarvan er vandaag de dag nog veel in gebruik zijn. Zo ontwikkelden ze een landbouw met wel dertig verschillende soorten gewassen. Maar na dertig jaar regenval restte enkel nog modder, en de drie decennia droogte die daarop volgde (van 563 tot 594 v. Chr.), reduceerde de hoeveelheid beschikbaar water. In de loop van de drie volgende eeuwen waaierde de bevolking uit, verhongerde en hield op te bestaan.

De beruchtste catastrofe deed zich voor in Ierland, tussen 1848 en 1850, toen een miljoen mensen stierf van de honger en nog eens een miljoen moest vluchten naar de Verenigde Staten. Een schimmel tastte de zaden en de oogst van de aardappel aan en maakte in twee jaar tijd een einde aan het gewas waarvan de Ieren destijds praktisch tweemaal daags aten. ‘In de Andes ontwikkelde die schimmel mee met verschillende aardappelsoorten,’ vertelt Debouck. ‘Maar in Ierland gebeurde dat niet. Van de dertig soorten die Ierland bereikten, wist maar eentje zich aan te passen aan de lokale omstandigheden. En die ene soort bleek gevoelig voor de schimmel die de Ieren met uitsterven bedreigde, terwijl bij ons de schimmel een beetje de weg kwijtraakte, doordat er variaties waren binnen een plantensoort. De oogst werd daar niet door aangetast. Dát is waarom het genetisch erfgoed zo belangrijk is: voedselverzekering.’ Als een mantra blijft de wetenschapper deze zin ettelijke malen herhalen tijdens ons gesprek.

Bijna alle zaden die zijn opgeslagen in het laboratorium zijn digitaal gecatalogiseerd, zodat de hele wereld toegang heeft tot het enorme genetische archief. Maar voor je de koelruimtes betreedt, staan de meer dan 30.000 zaden uitgestald op een 3 meter brede plank aan de muur: bruine bonen, witte bonen, kromme, holle, langwerpige en bloedrode.

Deboucks decennialange speurtochten, waarvoor hij naar veertien landen reisde en waarbij hij 3900 variaties verzamelde, laten zien dat de geschiedenis zich weerspiegelt in de schoonheid van de bonenzaden. Volgens de wetenschapper en zijn collega’s hebben de planten in Zuid-Amerika een esthetische selectie ondergaan. Of, om het simpel te zeggen: de mensen bewaarden de mooiste zaden (en dat doen ze nog steeds). Debouck: ‘In Bolivia en Argentinië selecteren kinderen bij gebrek aan speelgoed samen met hun ouders gekleurde bonen om mee te spelen. Een collega heeft deze gewoonte, die nog steeds in zwang is, in Ecuador beschreven. De kinderen leren zo de eerste beginselen van de landbouw. Dit soort spelletjes vind je overal, van Cundinamarca [in Colombia] tot aan Chuquisaca, in Bolivia.’

Vroeger stopten zwarte vrouwen en slavinnen de zaadjes in hun vlechten; inheemse vrouwen zaaiden en ruilden ze voor de zaadjes van andere soorten om ze te kruisen, verdelen en bewaren. Dat was hun levensverzekering. ‘In de toekomst gaan de boeren in verschillende jaartijden zaaien en zullen ze van sommige soorten verschillende varianten hebben per cyclus, en daar zullen zeker ze baat bij hebben. In andere gevallen hebben ze behoefte aan laatbloeiers, omdat ze niet weten hoe de regentijd zal uitpakken. Daarom is het noodzakelijk om verschillende varianten te zaaien: vroegbloeiers, middenbloeiers en laatbloeiers. Het is de enige garantie om het hele jaar door te kunnen eten,’ legt Debouck uit.

Zeldzame soort

Vorige maand bezochten Debouck en twee collega-wetenschappers de bergachtige en vrij afgelegen streek Fila Cruces in Costa Rica, waar ze bonen verzamelden voor de Universiteit van Costa Rica. Tot dusver heeft Debouck de wetenschap veertien nieuwe soorten geschonken, maar de Phaseolus angucianae, de soort die hij en zijn collega’s onlangs hebben beschreven, heeft een speciale plek in zijn hart. ‘We vonden vier bonensoorten op slechts een paar kilometer van elkaar. Het bleek een zeldzame soort te zijn, die hoog boven de zeespiegel groeit. Deze soort is dus bestand tegen ziektes, en ik dacht toen: dit is de hemel op aarde voor mijn collega van pathologie, ze zal onvermoede genen vinden die resistent zijn tegen schadelijke ziektes of overstromingen.’

Om bonenzaad te mogen verzamelen dien je een officiële vergunning te hebben, want volgens het Verdrag inzake plantgenetische hulpbronnen van de Verenigde Naties – met richtlijnen voor de quarantaine, de vermenigvuldiging, de beschrijving, het oogsten, het drogen, de kwaliteitscontrole, het opslaan en de conservering van duizenden zaden uit de hele wereld – zijn wilde plantensoorten intellectueel eigendom van een land en is het risico op biopiraterij reëel. Debouck probeert zich strikt te houden aan het verdrag, dat Colombia heeft ondertekend maar nog niet heeft bekrachtigd.

Tijdens zijn zoektocht heeft Debouck wereldwijd 86 natuurhistorische musea bezocht en meer dan vierduizend plantensoorten opgestuurd naar zijn laboratorium in Palmira. De FAO heeft berekend dat de wereldbevolking in 2050 waarschijnlijk de tien miljard zal aantikken, waardoor de vraag naar voedsel met 50 procent zal toenemen in gebieden waar de landbouwgrond is uitgeput en de klimaatverandering een factor van betekenis zal zijn. ‘Er zal spanning ontstaan tussen de stad en het platteland vanwege het water, een basisbehoefte. Zouten, sulfaten en carbonaten aan water onttrekken is heel duur. Bovendien krijgen we te maken met onvoorspelbare droogteperiodes, ziektes en plagen, omdat de opwarming van de aarde het neerslagpatroon zal veranderen, wat weer zijn weerslag zal hebben op de organismen. Alles in ogenschouw nemend, denk ik dat biodiversiteit de oplossing is om de wereldburgers van voldoende voedsel te kunnen blijven voorzien.’

In 2017 werd Debouck door de Belgische regering gelauwerd met de Leopoldsorde en in februari 2018 ontving hij in Spitsbergen (Noorwegen) ter gelegenheid van het tienjarig jubileum van de Wereldzadenbank de Crop Trust Legacy Award voor de poortwachters van de biodiversiteit. In de Wereldzadenbank, bijgenaamd de ‘Ark van Noach’ en gebouwd met het geld van de Noorse belastingbetaler, worden op 1000 kilometer van de Noordpool en bij 20 graden onder nul zo’n 80.000 zaadmonsters uit de hele wereld bewaard (van de vier miljoen die men wil veiligstellen). Reservekopieën van bijna 94 procent van de verzameling bonenrassen, cassaveplanten en grassoorten die Debouck en zijn team aanlegden, zijn in Spitsbergen te vinden. Ze hebben een reis van zo’n 25.000 kilometer afgelegd.

Plaats een reactie