Het ethisch mijnenveld van de genetica

NZZ Folio / 360  | 15 June 2019 - 13:0015 Jun - 13:00

Afgelopen jaar publiceerde de Amerikaanse psychologe Jessica A. Salvatore een onderzoek met een verrassende uitkomst: scheidingen zijn voor minstens 13 procent erfelijk. Het blijkt namelijk dat het scheidingsrisico gepaard gaat met bepaalde persoonlijkheidskenmerken.

» Lees dit artikel in de Reader

In de gouden eeuw van de genetica zijn we eraan gewend geraakt dat lichaamslengte, aanleg voor een hartinfarct of een kromme neus erfelijk kunnen zijn. Het is duidelijk dat de genen die we van onze ouders krijgen biologische lichaamskenmerken beïnvloeden. Maar een scheiding?

Een scheiding is niets biologisch, net zomin als een huwelijk. Er gaat geen natuurwetenschap schuil achter het proces dat een man en een vrouw trouw aan elkaar beloven, een regen van rijst over zich heen krijgen, een bruiloftstaart van drie lagen aansnijden en zeven jaar later veel geld betalen om het huwelijk te verbreken.

Om de erfelijkheid van zo’n ritueel van een percentage te voorzien is absurd, maar toch hebben Jessica Salvatore en haar collega’s van de Virginia Commonwealth University in het Amerikaanse Richmond dat gedaan. ‘Genetica, het opvoedingsmilieu en het doorgeven van scheiding tussen generaties’ heet het onderzoek, dat in het tijdschrift Psychological Science is gepubliceerd. Hierin heeft Salvatore van duizenden adoptiekinderen de veranderingen in burgerlijke staat vergeleken met die van hun biologische ouders en hun adoptieouders.

MOGEN WE EVEN JE AANDACHT?
Dit artikel krijg je van 360 cadeau. We geloven dat internationale context leidt tot een beter begrip van de wereld om ons heen. Daarom zijn we blij als je dit artikel voor ons deelt. Nog blijer zijn we als je je bij ons aansluit. Je kunt nu met 50% korting 360 proberen: 5 nummers voor maar 15 euro.
Bedankt!

Toen in de tweede helft van de negentiende eeuw duidelijk werd hoe biologische vererving werkt, ging de aandacht van de onderzoekers uit naar het onderscheiden van de aandelen aanleg en milieu. Al snel ging het niet meer om erfelijke ziekten en duidelijk gedefinieerde lichaamskenmerken, maar om gedragspatronen, persoonlijkheid en intelligentie. Dat dieren instincten doorgeven, was een vaststaand feit. Een spin hoeft niet te leren hoe hij een web moet bouwen, een net uitgekomen zeeschildpad kruipt zonder instructie in de richting van het water. De vraag was in hoeverre 10.000 jaar beschaving de natuur uit de mens hebben verdreven. Komen we ter wereld als ‘onbeschreven blad’ dat door onze ervaringen geleidelijk wordt gevuld, zoals de filosoof John Locke in de zeventiende eeuw dacht? Of zijn we robots die door onze genen worden bestuurd?

Dat deze nuchtere vragen het begrip ‘nature-nurture war’ hebben opgeleverd, is geen toeval, want het antwoord kan enorme maatschappelijke gevolgen hebben dat naargelang de inhoud ervan ideologieën van links tot rechts bedient.

Eugenetica

Het geloof in de almacht van de vererving is erbij gehaald om heersende maatschappelijke verhoudingen te rechtvaardigen en in de Tweede Wereldoorlog de vernietiging van ‘levensonwaardig leven’ te bevorderen. Het geloof in de almacht van het milieu en de socialisatie daarentegen openbaart zich in de totalitaire controle van het volk in communistische landen of in conversietherapieën tegen homoseksuele neigingen.

De Engelse geleerde Francis Galton was in 1869 de eerste die de erfelijkheidsleer van zijn neef Charles Darwin toepaste op geestelijke capaciteiten. Hij riep het begrip eugenetica (‘goed geboren’) in het leven, dat stond voor de verbetering van de aangeboren eigenschappen van een ras. Hij meende dat de Britse bovenlaag zijn positie te danken had aan vererfde intelligentie en maakte zich zorgen over het voortbestaan van de intellectuele elite omdat die later en minder kinderen voortbracht dan de onderlaag.

De psychologie nam aan het begin van de twintigste eeuw een tegengesteld standpunt in. ‘Geef me een stuk of tien welgevormde, gezonde kinderen en mijn eigen, door mij ontworpen wereld waarin ik ze kan grootbrengen,’ schreef de psycholoog John B. Watson in 1913, ‘en ik verzeker jullie dat ik er willekeurig eentje kan uitkiezen om die te trainen tot wat voor specialist ook – een dokter, een advocaat, een koopman en ja, zelfs een bedelaar en een dief, helemaal onafhankelijk van zijn talenten, neigingen, capaciteiten, gaven en het ras van zijn voorouders.’ Hijzelf had de ongelukkige neiging om met een van zijn studentes naar bed te gaan, wat hem zijn baan kostte. Maar de prevalerende stroming van het behaviorisme bleef bestaan. Volgens die psychologische leer was een zuigeling niet meer dan een bundeltje elementaire reflexen, dat zich door de opvoeding naar believen liet vormen.

‘Toen zoöloog Edward O. Wilson zijn opvattingen tijdens een lezing te berde bracht, kiepten protesterende studenten een emmer water over hem heen’

Totdat zoöloog Edward O. Wilson durfde te stellen dat universele karaktertrekken als agressie, huichelarij en stamgevoel van biologische oorsprong waren. Toen hij zijn opvattingen tijdens een lezing te berde bracht, kiepten protesterende studenten een emmer water over hem heen.

Maar volgens de evolutiebioloog was er simpelweg geen reden om aan te nemen dat de evolutie bij de hals van de mens ophield. Bovendien werden in die tijd plausibele verklaringen ter ondersteuning van die theorie gevonden, die zelfs gevoelens als liefde of altruïsme onderbouwden, ook al waren die in strijd met het grondbeginsel dat de evolutie alleen egoïstisch gedrag voortbrengt. Het sterkste bewijs voor de vererving van talent, karaktertrekken en andere neigingen kwam echter van een experiment van de natuur: tweelingen.

Eeneiige tweelingen zijn genetisch identiek, twee-eiige hebben gemiddeld de helft van hun erfelijke materiaal met elkaar gemeen – zoals normale broers en zussen. Op dit verschil berustte het eerste klassieke tweelingenonderzoek uit de jaren twintig: omdat tweelingen even oud zijn en normaal gesproken in dezelfde omgeving opgroeien, nam men aan dat ze in dezelfde mate worden beïnvloed door hun milieu. Als eeneiige tweelingen meer op elkaar lijken dan twee-eiige, kan dus alleen het erfelijke materiaal daarvoor verantwoordelijk zijn. Het elegante aan deze methode was dat je niet hoefde te weten waaruit dat erfelijke materiaal bestond.

De eerste tweelingenonderzoeken werden uitgevoerd lang voordat in 1953 de structuur van het DNA werd ontraadseld. Het volstond om eigenschappen te vinden waarin eeneiige tweelingen gemiddeld meer op elkaar leken dan twee-eiige. Met een beetje statistiek kon daaruit een percentage voor de erfelijkheid van die eigenschap worden bepaald.

De betekenis van dit percentage wordt vaak verkeerd opgevat. Als wetenschappers berekenen dat de lichaamslengte voor 86 procent erfelijk is dan betekent dat niet dat bij 86 procent van de mensen erfelijk bepaald is hoe groot ze worden en bij 14 procent niet. En het betekent vooral niet dat de lichaamslengte van een individu voor 86 procent door de genen wordt bepaald en voor 14 procent door het milieu. Wat het wel betekent, is dat 86 procent van het verschil in lengte tussen mensen genetisch is te verklaren en 14 procent is toe te schrijven aan voeding, andere invloeden uit het milieu en toevalligheden bij de ontwikkeling. Het percentage voor de erfelijkheid is altijd een gemiddelde voor grote groepen mensen, waaruit geen conclusie voor een individu kan worden getrokken.

Een erfelijkheid boven de 45 procent geldt als hoog, zoals de aanleg tot kaal worden van 79 procent. Dat 79 procent geen 100 procent is, ervoeren Chinese tweelingbroers onlangs bij een politiecontrole. Ze hadden twintig jaar lang een rijbewijs gedeeld, maar nadat het haar van een van hen was uitgevallen werd de zwendel ontdekt.

Scheidingsrisico

Behalve de tweelingenmethode zijn er nog andere mogelijkheden om aanleg en milieu te ontrafelen. Een daarvan heeft Jessica Salvatore toegepast bij haar scheidingsonderzoek. Het is bekend dat kinderen uit gebroken gezinnen eenmaal volwassen vaker scheiden dan kinderen die met vader en moeder opgroeien. De oorzaken worden meestal in het gezinsleven gezocht: een scheiding heeft zo’n impact op een kind dat het latere problemen in de eigen relatie maar moeilijk te boven komt. Wat daarbij werd vergeten: de kinderen worden niet alleen gevormd door de strijd en de slechte sfeer in het gezin, maar ook door de genen van de ouders.

Salvatore slaagde erin beiden aandelen te ontwarren door de levensloop te volgen van 19.715 personen die meteen na hun geboorte waren geadopteerd en dus niet meer onder invloed van hun biologische ouders stonden. De resultaten waren eenduidig: in hun scheidingsgedrag leken deze mensen meer op hun biologische ouders, broers en zussen met wie ze nauwelijks contact hadden dan op hun adoptieouders en stiefbroers en -zussen. Kinderen gingen later 22 procent vaker scheiden als het huwelijk van hun biologische ouders op de klippen was gelopen.

Een scheiding van de adoptieouders had daarentegen geen invloed. Salvatore denkt niet dat er zoiets bestaat als een scheidingsgen dat slechte huwelijkspartners van ons maakt. Maar het blijkt dat het scheidingsrisico gepaard gaat met bepaalde persoonlijkheidskenmerken als onberekenbaarheid en geringe zelfbeheersing. En die kenmerken staan onder de subtiele invloed van veel genen.

‘Anders dan de lichaamslengte zijn persoonlijkheidskenmerken en intelligentie niet met een duimstok te meten’

Tweelingen- en adoptieonderzoeken zijn nog altijd omstreden. Ze worden vaak bekritiseerd om redenen van methodiek en wereldbeschouwing. De kritiek op de methodiek begint bij de eigenschappen waarvan de erfelijkheid wordt onderzocht. Anders dan de lichaamslengte zijn persoonlijkheidskenmerken en intelligentie niet met een duimstok te meten. De psychologen hebben daarvoor hulpmiddelen als de intelligentietest en het vijffactorenmodel van de persoonlijkheid gecreëerd, waarvan de bewijskracht te wensen overlaat. Bovendien komen de onderzochte personen vaak uit de witte middenklasse, wat het resultaat kan vertekenen. En spectaculaire individuele gevallen van gescheiden opgegroeide tweelingen die allebei rode schoenen dragen en een hond hebben die Toby heet, geven een onrealistisch beeld van de vererving. Dat zijn allemaal bezwaren die uiteindelijk tot betere methoden en exactere metingen leiden.

De bedenkingen uit wereldbeschouwelijk oogpunt betreffen niet zozeer de inzichten uit het aanleg-milieu-onderzoek als wel de mogelijke gevolgen daarvan voor de maatschappij. Ze hebben te maken met de fundamentele onrechtvaardigheid dat sommigen onder ons bij het gen-pokeren de vermeende betere of slechtere kaarten hebben gekregen. Wat moeten we aan met het inzicht dat meer dan 50 procent van de verschillen in het intelligentiequotiënt te verklaren is met vererving? Dat de gemiddelde man van nature het grotere agressiepotentieel heeft? Moeten bepaalde kinderen helemaal niet meer naar school gaan omdat ze er toch niet van profiteren? Gelden er voor mannen verzachtende omstandigheden als ze uithalen?

Dergelijke vragen maken een ethisch mijnenveld van het onderzoek naar aanleg en milieu. Dorothy E. Roberts, hoogleraar burgerrecht aan de University of Pennsylvania, vindt het onderzoek naar de biologische basis van intelligentie gevaarlijk. Volgens haar heeft dat met de eugenetica gemeen dat het ‘de biologische onderbouwing van de sociale ongelijkheid’ biedt. Zou je niet eerst de docentes beter moeten betalen en de armoede moeten bestrijden voordat je onderzoek doet naar de vererving van intelligentie? De gedragsgenetici vinden deze argumenten absurd en noemen de bril als voorbeeld. Niemand is op het idee gekomen om gezichtsstoornissen niet te onderzoeken alleen maar omdat ze erfelijk zijn.

De interessantste uitkomsten uit de gedragsgenetica gelden inderdaad helemaal niet de aanleg, maar het milieu. Eric Turkheimer van de University of Virginia werd met een verwarrend resultaat geconfronteerd toen hij kinderen uit arme gezinnen bij zijn onderzoeken betrok. Bij kinderen uit de middenklasse lag de erfelijkheid van intelligentie op 60 procent, maar bij de arme kinderen bijna op nul. Hoe kan dat? Zou het percentage voor de erfelijkheid niet constant moeten blijven?

Aanleg en milieu

Uit het onderzoek blijkt hoe onafscheidelijk aanleg en milieu met elkaar verweven zijn. Van een plant kan nog zo’n rijke oogst worden verwacht, als hij in slechte grond wordt geplant, zal hij geen vrucht dragen. Zo vergaat het ook kinderen van wie het intellectuele potentieel onder slechte omstandigheden verkommert. Hier levert de gedragsgenetica argumenten vóór en niet tegen sociale hervormingen.

Het samenspel van aanleg en milieu is toch al veel gecompliceerder gebleken dan werd aangenomen. Dat heeft vooral te maken met het feit dat complexe eigenschappen als intelligentie, openheid en medelijden niet van één, maar van duizenden genen afhangen, die op hun beurt worden beïnvloed door het milieu en andere genen. In 2017 vonden onderzoekers bij een onderzoek onder 80.000 personen 52 genen die bij elkaar genomen maar een klein percentage van de verschillen in intelligentie verklaarden.

Zoals bij de arme kinderen het milieu de functie van de genen beïnvloedt, zo kunnen omgekeerd genen de levensomstandigheden vormen. Wie lezen van begin af aan gemakkelijk afgaat, zal er meer plezier in hebben en eerder in een bibliotheek te vinden zijn, wat de leeslust extra bevordert. Door dergelijke zelfversterkende processen zijn percentages over de erfelijkheid altijd maar een momentopname.

De tweede wereldbeschouwelijke tegenwerping tegen de gedragsgenetica betreft de vrees dat de inzichten als moreel richtsnoer zouden kunnen dienen. Er zullen inderdaad altijd mensen zijn die wetenschappelijke inzichten verkeerd interpreteren om andere mensen, rassen of het andere geslacht te discrimineren. Ze maken een vergissing die al honderd jaar geleden is geïdentificeerd, de zogenaamde naturalistische dwaling. Dat is de poging om uit de natuur af te leiden wat goed en juist is. Maar de kille logica van de evolutie kent geen moraal. Die bewerkstelligde alleen het succes van de gedragingen die in het verleden tot meer nageslacht leidden. Sommige daarvan waardevol, andere verfoeilijk.

Wat is een goed leven? Hoe moet de mens zich gedragen? Wat is rechtvaardigheid? Er zijn veel plekken waar we naar een antwoord op de grote vragen kunnen zoeken. In de genen zullen we dat niet vinden.

Auteur: Reto U. Schneider

Neue Zürcher Zeitung
Zwitserland | dagblad | oplage 155.000

Een van de oudste kranten ter wereld. Dagblad van wereldklasse bekend om zijn intellectuele diepgaande stijl en zijn liberale signatuur.

Plaats een reactie