Negentien wijsjes per minuut

360 | Amsterdam  | 10 July 2019 - 13:0110 Jul - 13:01

Vogels zijn verbluffend intelligente wezens, bewijst Jennifer Ackerman in haar nieuwe boek De genialiteit van vogels. Ze kunnen spellen en rekenen, geven cadeautjes en troosten elkaar. In dit fragment neemt Ackerman de zang- en imitatiekunsten van verschillende soorten onder de loep.

» Dit artikel bieden we je aan namens onze partner De Balie, die vanaf morgen een Vogelprogramma heeft georganiseerd.

Alle vogels vocaliseren. Ze schreeuwen, jodelen, krassen, jammeren, ratelen, tsjitten, 
ziiiten en zingen als engelen. Ze roepen om andere vogels te waarschuwen voor predatoren, en om familie, vrienden en vijanden te identificeren. 
Ze zingen om hun territorium te verdedigen, uit te zetten of af te bakenen en om partners het hof te maken.

Roepen zijn in de regel kort, simpel, bondig en 
aangeboren, net als een menselijke gil of lach; beide seksen brengen er een bepaalde boodschap mee over. Zang is over het algemeen langer, complexer en 
aangeleerd; in tropische gebieden zingen doorgaans zowel de mannetjes als de vrouwtjes, in gematigde streken meer gebruikelijk de mannetjes, en dan alleen tijdens het broedseizoen. Maar er loopt geen nette scheiding tussen roep en zang en er bestaan tal van uitzonderingen. Zo vallen de roepen van kraaien in een tiental categorieën (oproepend tot de aanval, scheldend, begroetend, bedelend, verkondigend, in duet) en sommige daarvan zijn aangeleerd. En de roepen van de Amerikaanse matkop zijn aanzienlijk complexer dan de tweetonige zang van de koolmees.

MOGEN WE EVEN JE AANDACHT?
Dit artikel krijg je van 360 cadeau. We geloven dat internationale context leidt tot een beter begrip van de wereld om ons heen. Daarom zijn we blij als je dit artikel voor ons deelt. Nog blijer zijn we als je je bij ons aansluit: Probeer nu 5 nummers voor maar 15 euro. Stopt automatisch.
Bedankt

Maar met dat zingen is iets speciaals aan de hand. ‘Bijna alle dieren die vocaal communiceren doen 
dit instinctmatig,’ zegt Erich Jarvis, die aan Duke University onderzoek doet naar vocaal leren. ‘Bij de geboorte weten ze al hoe ze moeten krijsen of roepen of schreeuwen.’ Deze uitingen zijn aangeboren of ingeprent, net als het mèè van een schaap. ‘Vocaal leren daarentegen behelst het vermogen een geluid te horen en vervolgens, door de spieren van je strottenhoofd of je syrinx te gebruiken, dat geluid zelf te herhalen,’ legt Jarvis uit, ‘of dit nu een geluid is dat met spraak wordt aangeleerd of een noot bij vogelzang.’

Syrinx

Bijna de helft van alle vogels op aarde behoort tot 
de zangvogels, circa vierduizend soorten. Hun zang varieert van het prevelende, melancholische gegrinnik van de sialia tot de uit veertig noten opgebouwde aria van de koevogel, van het lange, ingewikkelde lied van de rietzanger tot het heldere fluiten van de heremietlijster en de verbluffend naadloze duetten van mannetje- en vrouwtjewenkbrauwwinterkoning.

Vogels weten waar ze moeten zingen en wanneer. 
In de openlucht draagt het geluid het verst circa een meter boven de begroeiing, dus zingen vogels vanaf een zangpost om zo min mogelijk last te hebben van interferentie. Vogels die in de onderlaag van het bos zingen gebruiken tonale geluiden en lagere frequenties dan vogels die in de kroonlaag zingen. Sommige vogels gebruiken frequenties die het lawaai van insecten en verkeer omzeilen. Vogels die in de buurt van luchthavens leven beginnen hun ochtendkoor eerder dan normaal, zodat er minder overlapping is met het kabaal van de vliegtuigen.

In zijn gedicht ‘Ode aan het vogelkijken’ vraagt Pablo Neruda zich af: ‘Hoe / kan uit zijn keel / kleiner dan een vinger / het water vallen / van zijn lied?’

Door één enkele uitvinding: een uniek instrument, de syrinx, genoemd naar de nimf die in een rietstengel veranderde toen ze achterna werd gezeten door Pan, god van de velden, het vee en de vruchtbaarheid. Het heeft lang geduurd voor wetenschappers de details van dit orgaan hadden achterhaald, aangezien het diep in de vogelborstkas huist, op het punt waar de luchtpijp zich opsplitst in de bronchiën die lucht naar de longen geleiden. Pas enkele jaren terug zijn onderzoekers er met behulp van MRI-scans en micro-CT eindelijk in geslaagd een verbluffend driedimensionaal hogeresolutiebeeld van het orgaan in actie te creëren.

Dit hightechbeeld laat een buitengewoon bouwwerkje zien. Het bestaat uit fijne kraakbeenringen en twee membranen – één aan elke kant van de syrinx – die door de luchtstroom supersnel in trilling worden gebracht en zo twee onafhankelijke klankbronnen vormen. Getalenteerde zangvogels zoals de spotlijster en de kanarie kunnen die membranen onafhankelijk van elkaar laten vibreren, waardoor ze gelijktijdig twee verschillende, harmonisch ongerelateerde tonen kunnen produceren – links één met een lage frequentie, rechts één met een hoge. Bovendien kunnen ze het volume en de frequentie van elk van de twee met een adembenemende snelheid variëren. De klanken die ze zo voortbrengen behoren tot de akoestisch meest complexe en gevarieerde in de natuur. (Dit fenomeen is zeer bijzonder. Wanneer een mens praat, bewegen alle toonhoogten en harmonieën van onze vocalisaties in dezelfde richting.)

Dit alles wordt gecontroleerd door minuscule, maar krachtige spieren. Sommige zangvogels, zoals de spreeuw en de zebravink, kunnen die spiertjes met een precisie van minder dan een milliseconde (meer dan honderd keer zo snel als het knipperen van een mensenoog) samentrekken en ontspannen. Dit staaltje van supersnelle spiercontractie komt slechts bij een handvol dieren voor, zoals in het orgaan dat het geratel van de ratelslang voortbrengt. De Oost-Amerikaanse winterkoning, een klein bruin bolletje dat bekendstaat om zijn vliegensvlugge zang, kan wel zesendertig tonen per seconde aan – veel meer dan onze oren of hersenen kunnen waarnemen of opnemen. Sommige vogels kunnen hun syrinx zelfs zo manipuleren dat ze menselijke spraak kunnen nabootsen.

Vogels met een uitgebreider stel syrinxspieren produceren over het algemeen complexere zang. De spotlijster in die ceder beschikt over wel zeven paar spieren, die hem in staat stellen zijn vocale acrobatiek schijnbaar moeiteloos vol te houden – zeventien, achttien, negentien wijsjes per minuut wanneer hij goed op dreef is. Tussen de noten door houdt hij de luchttoevoer op gang met kleine ademhalinkjes.

‘Een Australische natuurfilmer merkte eens op dat het een verrassende ervaring is om door het bos te lopen en plotseling geconfronteerd te worden “met een fazantachtige bruine vogel die naar je blaft als een hond”’

Maar ook al wordt zijn fantasmagorische zang door de syrinx uitgevoerd, zijn brein initieert en coördineert het geheel. Elk spiertje wordt via prikkels vanuit een ingewikkeld netwerk van gebieden in de linker- en rechterhersenhelft aangestuurd. De prikkels coördineren de spiertjes in elk van de helften van de syrinx en zorgen daar voor precies de juiste luchtstroom voor de honderden geïmiteerde frasen die de spotlijster voortbrengt.

Het lijkt allemaal zo moeiteloos te gaan.

Maar is dat wel zo? Stel dat je een Duits of Portugees zinnetje wil nazeggen. Dan moet je zorgvuldig luisteren naar de persoon die het uitspreekt en je moet het ook nog accuraat horen. Dat is nog niet zo eenvoudig, verzekert psycholoog Tim Gentner, en al helemaal niet wanneer je op een feestje of in een rumoerige straat bent, waar je dat zinnetje uit een kakofonie van geluiden moet zien te pikken, een fenomeen dat ‘auditieve stroomsegregatie’ of ‘selectieve aandacht’ wordt genoemd. Vogels hebben veel met dit soort kabaal te stellen, vooral tijdens zangpieken zoals het ochtendkoor. ‘Veel vogels zijn sociale wezens; ze communiceren met elkaar in relatief grote groepen,’ aldus Gentner, werkzaam aan de University of California, San Diego. ‘Er zijn een hele hoop signalen, en niet alles daarvan is op elk moment even nuttig voor elk individu, dus één belangrijke taak is uitvogelen welke akoestische stromen relevante informatie dragen.’

Wanneer je eenmaal een doelfrase uit al dat rumoer hebt geïsoleerd, moet je deze in gedachten houden terwijl je brein de klankenstroom vertaalt naar een set motorische opdrachten, die vervolgens weer naar je strottenhoofd worden gezonden, in de hoop dat dit een vergelijkbare klankenstroom zal voortbrengen. 
Je zal het zinnetje echter zelden al de eerste keer goed hebben. Het vergt oefening, vallen en opstaan, je eigen fouten horen en ze verbeteren. Als je het zinnetje wil vasthouden, moet je het zo vaak herhalen dat de hersenbanen die de herinnering in de eerste plaats hebben gecreëerd, worden versterkt. En als je het voor altijd wil onthouden, moet je het ook nog archiveren in een veilige langetermijnopslagplaats.

Spotlijsters zijn hier buitengewoon bedreven in. Het bewijs wordt geleverd door sono- of spectrogrammen. Dankzij deze visuele omzettingen van auditieve signalen (met de frequentie of toonhoogte op de verticale as en de tijd op de horizontale) kunnen wetenschappers subtiele verschillen in vogelzang zichtbaar maken.

Als je het sonogram van het prototype van een vogellied naast dat van de imitatie van een spotlijster legt, blijkt dat de spotlijster zich vrijwel perfect aan het oorspronkelijke script van de boomklever, de lijster of de whippoorwill houdt. Wetenschappers hebben ontdekt dat wanneer een spotlijster het lied van een rode kardinaal nazingt, hij zelfs de spierpatronen van die vogel nabootst. Als bepaalde tonen van zijn model buiten zijn normale frequentiebereik vallen, vervangt hij ze door andere of laat ze weg, maar in dat laatste geval zal hij andere tonen verlengen om de lengte van het lied gelijk te houden. Wanneer het snelvuur van tonen (bijvoorbeeld van kanariezang) hem te snel gaat, zal hij tonen clusteren en korte pauzes inlassen om adem te kunnen halen, maar nog steeds een identieke liedlengte aanhouden. Een whippoorwill of een lijster vliegt er misschien niet in, maar mij leidt hij met gemak om de tuin.

Natuurlijk is de spotlijster niet de enige imitator van het vogelrijk. De rosse spotlijster, eveneens van de familie der Mimidae, kan tien keer zo veel liedjes nabootsen als de spotlijster, maar niet zo nauwkeurig. Ook spreeuwen zijn begaafde imitatoren, evenals nachtegalen, die circa zestig verschillende wijsjes kunnen nazingen na elk slechts een paar keer te hebben gehoord. Van bosrietzangers is bekend dat 
ze een woeste, gedreven, internationale potpourri zingen, doorspekt met de wijsjes van meer dan 
honderd andere soorten. Sommige van die wijsjes zijn Europees, opgepikt in zijn broedgebied, maar 
de meeste zijn Afrikaans, verzameld in de streken 
in Oeganda waar hij zijn winters doorbrengt. Zijn imitaties van de borangraszanger, de wijntortel en de broebroe vormen een soort akoestische landkaart van zijn Afrikaanse reizen.

De liervogel is de geluidsdief bij uitstek. Een Australische natuurfilmer merkte eens op dat het een verrassende ervaring is om door het bos te lopen en plotseling geconfronteerd te worden ‘met een fazantachtige bruine vogel die naar je blaft als een hond’. De treurdrongo, die schrandere Afrikaanse vogel die eksterbabbelaars om de tuin leidt, imiteert niet alleen de alarmroep van de babbelaars, maar ook die van verrassend veel andere soorten. Zijn truc dient altijd hetzelfde doel: rechtschapen vogels of zoogdieren de stuipen op het lijf jagen, zodat hij 
hun moeizaam vergaarde hapjes kan stelen.

Er zijn gevallen bekend van een goudvink die erop getraind was ‘God Save the King’ te zingen, van een katvogel die de taptoe liet horen (wellicht opgepikt van ceremonies op de begraafplaats in de buurt) en van een kuifleeuwerik in het zuiden van Duitsland die zich de vier fluittonen eigen had gemaakt waarmee een plaatselijke herder zijn honden aan het werk zette. Zijn imitaties waren zo accuraat dat de honden de gefloten commando’s van de vogel direct opvolgden: ‘Naar voren! Snel! Halt! Hier komen!’ 
Die commando’s verspreidden zich vervolgens weer onder andere leeuweriken, waardoor een gebiedje met lokale ‘kreten’ (en waarschijnlijk enkele zeer kortademige herdershonden) ontstond.

Sommige vogels zijn buitengewoon goed in het 
imiteren van menselijke spraak. De grijze roodstaartpapegaai is er een van. De beo komt beslist ook in aanmerking, evenals de kaketoe. Die paar soorten worden als de grote redenaars van de vogelwereld beschouwd. Over een paar andere soorten uit de kraaien- en papegaaienfamilies, zoals parkieten, 
verschillen de meningen. The New Yorker berichtte 
ooit eens: ‘De eerste woorden die een parkiet uit Westchester na weken van stilte sprak, waren 
“Zeg wat, verdorie, zeg wat!”’

Het imiteren van menselijke geluiden vraagt veel van een vogel. Wij vormen onze klinkers en medeklinkers met onze lippen en tong, die tot de meest soepele, flexibele en onvermoeibare delen van het menselijk lichaam behoren. Voor vogels, die geen lippen hebben en een tong die in de regel niet wordt gebruikt voor het maken van klanken, is het nogal wat om de nuances van de menselijke spraak onder de knie te krijgen. Dit verklaart wellicht waarom slechts een handvol soorten die vaardigheid heeft verworven. Papegaaiachtigen zijn in die zin bijzonder dat ze hun tong gebruiken bij het roepen en hem kunnen manipuleren om klinkers te vormen, eigenschappen die waarschijnlijk ten grondslag liggen aan hun vermogen om spraak te imiteren.

De grijze roodstaartpapegaai is de parlementariër van het vogelrijk. Irene Pepperberg maakte deze papegaaien en hun spraakvermogen beroemd door haar werk met Alex, misschien wel de beroemdste sprekende vogel ter wereld. Pepperberg placht verschillende soorten vragen over voorwerpen te combineren, en Alex kon ze met een bijna perfecte precisie beantwoorden. Als ze hem bijvoorbeeld een groen vierkant van hout liet zien, vertelde hij welke kleur het had, welke vorm en, nadat hij het had aangeraakt, van welk materiaal het was gemaakt. Hij had een voorliefde voor zinnetjes die hij in het lab hoorde, zoals ‘Let op!’, ‘Rustig maar’ en ‘Doei, ik ga nu eten, ik zie je morgen weer!’

Alex was niet de enige vogel die grapjes maakte. Ik ken een grijze roodstaart die zijn naam, Throckmorton, met een shakespeareaanse precisie uitspreekt. Throckmorton is genoemd naar de man die tussenpersoon was voor de Schotse koningin Maria Stuart (en in 1584 werd opgehangen wegens samenzwering tegen koningin Elizabeth i). Hij heeft een breed repertoire aan geluiden uit het gezinsleven, waaronder de stemmen van zijn baasjes Karin en Bob, die hij in zijn eigen voordeel gebruikt. Hij roept Karins naam met een ‘Bob-stem’, die volgens Karin heel goed is – ze kan het verschil niet horen. Ook imiteert hij de ringtonen van hun mobieltjes. Een van zijn favoriete trucs is dat hij Bob uit de garage roept door zijn ringtoon na te doen. Als Bob dan komt aanrennen, ‘neemt’ Throckmorton de telefoon ‘op’ met de stem van Bob: ‘Hallo? Uh-huh, uh-huh, uh-huh.’

Hij sluit het gesprek af met de vlakke toon die je hoort als de verbinding is verbroken.

Favoriete Bob-woord

Throckmorton imiteert het klok-klokgeluid van Karin die water drinkt en het geslurp van Bob als hij kleine slokjes neemt van zijn te hete koffie, en ook het blaffen van de vroegere hond van het gezin, een jack russell die al negen jaar dood is. Hij beheerst ook het keffen van de huidige hond, een dwergschnauzer, en doet doodleuk mee als hij blaft, ‘waardoor mijn huis wel een kennel lijkt’, aldus Karin. ‘En ook dit doet hij weer perfect. Niemand merkt dat er een papegaai zit te blaffen in plaats van een hond.’ Toen Bob eens snipverkouden was, breidde Throckmorton zijn repertoire uit met snuiten, hoesten en niezen. Een andere keer kwam Bob met een vreselijke buikgriep terug van een zakenreis; Throckmorton maakte nog zes maanden daarna kokhalsgeluiden.

Een tijd lang was zijn favoriete Bob-woord ‘shhhhhhhiiiit’.

Er zijn gevallen bekend van papegaaiachtigen die andere papegaaiachtigen leerden vuilbekken. Een jaar of wat geleden kreeg een natuurkenner die bij de Search & Discover-desk van het Australian Museum werkte telefoontjes van mensen die wilde kaketoes in de outback hadden horen vloeken. Een aan het museum verbonden ornitholoog zinspeelde erop 
dat de wilde vogels dat hadden geleerd van voorheen gekooide kaketoes en andere papegaaiachtigen die ontsnapt waren en zo lang wisten te overleven dat ze zich konden aansluiten bij een groep, met wie ze de woorden deelden die ze in gevangenschap hadden opgepikt. Als het inderdaad zo is gegaan, is dat een mooi voorbeeld van culturele overdracht.

Auteur: Jennifer Ackerman

Jennifer Ackerman (1959) schrijft al bijna dertig jaar 
over wetenschap, natuur en biologie. Ze publiceert regelmatig in Scientific American, National Geographic en The New York Times.

Plaats een reactie