Waarom is er geen EU-forie?

Cicero / 360  | 26 april 2019 - 17:0726 apr - 17:07

Eind mei kiezen de burgers in de Europese Unie een nieuw Europees parlement. En hoewel deze verkiezingen als historische tweesprong worden bestempeld, valt er in het algemeen weinig enthousiasme te bespeuren. Wat zijn de oorzaken van die desinteresse?

» Lees dit artikel in de Reader

Er zijn goede redenen voor het ontbreken van EU-forie. De structuren van de Europese Unie zijn niet vormgegeven om mensen aan te zetten tot gepassioneerde medewerking op politiek gebied. De geschiedenis van de Europese eenwording werd vanaf het einde van de Tweede Wereldoorlog bepaald door de gedachte dat oorlog en nationalisme konden worden voorkomen door samenwerking op het hoogste niveau. Die moest gerealiseerd worden door vertegenwoordigers van de Europese landen ruimte te bieden voor onderhandelingen, afspraken en overeenkomsten, die het nationale niveau oversteeg; ruimte die niet meteen en rechtstreeks onderworpen was aan 
de democratische controle door het nationale electoraat.

MOGEN WE EVEN JE AANDACHT?
Dit artikel krijg je van 360 cadeau. We geloven dat internationale context leidt tot een beter begrip van de wereld om ons heen. Het biedt nieuwe invalshoeken op een werkelijkheid die overal anders is. Bovendien maken we relevante, originele en mooie verhalen graag toegankelijk voor een groot publiek. Deel dit artikel als onze missie je aan het hart gaat. Of, nog beter, sluit je aan bij 360 met een (proef / cadeau) – abonnement. Doneren kan ook als je niet genoeg tijd vindt om te lezen, maar 360 wil steunen in haar voortbestaan.
Bedankt

Dat supranationale niveau was niet bedoeld als daadwerkelijk tegenwicht tegen de democratische basis van de nationale politiek, maar meer als aanvulling daarop. Het doel was om het gemeenschappelijk handelen te vereenvoudigen. Toch won het aspect dat Europese politiek in zekere zin onttrokken is aan de greep van het volk, het democratische kiezersvolk, snel aan betekenis. Het bleek dat de verwijzing naar ‘Europa’ zich er goed voor leende om politieke maatregelen te nemen die anders maar moeilijk uit 
te leggen waren aan de kiezers. Zo leidden de politieke zwakte van de nationale elites en het wantrouwen tegenover hun respectieve electoraten ertoe dat nationale politiek ‘vereuropeeste’ en steeds vaker door middel van ‘Europese verordeningen’ werd bedreven.

Dat is gemakkelijk: politiek voeren zonder de strijd om de meerderheid te hoeven winnen, desondanks vaak je zin krijgen en bovendien Brussel de zwartepiet toespelen – waarvoor niemand zich daar verantwoordelijk voelt. Dat politieke ritueel drukt een stempel op de politieke cultuur in Europa: er wordt afbreuk gedaan aan de legitimatie van de parlementaire democratie, want de burgers hebben steeds vaker de indruk dat hun stem op veel vlakken zonder gevolg blijft omdat ‘Brussel’ toch wel beslist – een indruk die steeds weer door nationale politici wordt bevestigd. De op Europees niveau voortschrijdende samenwerking van de nationale elites heeft het verbond gestabiliseerd maar in even grote mate gezorgd dat mensen zich ervan afkeren. Niet voor niets heeft de Europese politiek de reputatie wereldvreemd te zijn en in het gunstigste geval stof te bieden voor hoogdravende toespraken, maar in de regel intellectueel betuttelend te zijn en ergerlijke voorschriften uit te vaardigen.

Het vaak bediscussieerde democratisch falen van de EU is dus geen toevallige bijwerking of een omissie van de Europese eenwording. Integendeel, de gedachte dat Europa in de allereerste plaats een project van de regeringen is, behoort tot de kern van het hele proces. De verbindende factor die jarenlang heeft voorkomen dat politiek en bevolking zich steeds meer van elkaar verwijderden, was de juist ten tijde van de Koude Oorlog alom populaire gedachte van een verenigd en vreedzaam Europa, die als richtlijn voor het Europese eenwordingsproces werd gepresenteerd. Hoe abstract die gedachte ook bleef en hoe weinig bruikbaars er voor de politieke praktijk ook van af te leiden viel, zo onaantastbaar leek ze te zijn. De overwinning van het nationale denken en handelen ten gunste van een supranationale samenwerking voor vrede en welvaart ontwikkelde zich tot de West-Europese geloofsbelijdenis. Dat veranderde met de ontbinding van het Warschaupact en het streven van de Oost-Europese landen om deel te gaan uitmaken van het verenigde en welgestelde Europa.

Terwijl de West-Europese samenlevingen eensgezind waren in het getemperde nationalisme en het benadrukken van Europese samenwerking, namen de Oost-Europese landen een andere houding aan: natuurlijk was het streven richting het Westen sterk, maar tegelijkertijd ervoer men de nog maar net bevochten overwinning op het socialisme niet alleen als herwinning van de politieke soevereiniteit, maar ook als die van de nationale identiteit. Dat gevoel was zo sterk dat in enkele Oost-Europese landen delen van de oude elites met het spelen van de nationale kaart aan de macht probeerden te blijven – met soms rampzalige gevolgen, zoals nog altijd op de Balkan is te zien. Waar de West-Europese samenlevingen zich dus blijven vastklampen aan hun leidmotief van de beperking van het nationaal denken, dringen de Oost-Europese samenlevingen juist aan op het behoud en de ontplooiing van nationale soevereiniteit. Dat is de belangrijkste oorzaak van de steeds zichtbaardere politieke spanningen binnen Europa.

Voor de burgers duikt ‘Europa’ tegenwoordig telkens weer op als er iets besloten wordt waarover ze niet zelf mogen beslissen. De EU wordt als latent ondemocratisch en wereldvreemd ervaren. Daar veranderen ook het bestaan van het Europese parlement en de komende verkiezingen maar weinig aan, want de kernfuncties van een parlement – de verkiezingen, de politieke controle en eventueel het niet herkiezen van een regering – zijn maar ten dele aanwezig.

Bovendien heerst er onder de meeste Europeanen geen collectief politiek bewustzijn waarin men zichzelf ziet als basis van een democratische Europese orde. Hoe zou dat ook kunnen als juist het aspect van de democratische participatie op Europees vlak zo onderontwikkeld is? Zelfs in de meest pro-Europese landen gelden de Europese verkiezingen als nationale stemmingsindicator, waarbij het Europese parlement als verzorgingshuis voor uitgebluste of mislukte beroepspolitici dient.

Angst voor verwoesting

Omdat euforie over de politieke invloed van de Europese Unie maar moeilijk op te wekken is, is de politiek ertoe overgegaan het tegenovergestelde te doen: ze wakkert angst aan voor de verwoesting van Europa. Daarbij neemt ze geen externe vijanden op de korrel, maar interne, die ze verwijt de democratie als wapen tegen de EU en het Europese gedachtegoed te misbruiken. De komende Europese verkiezingen worden gepresenteerd als finale slag tussen de overtuigde, democratische Europeanen en de op het verleden gerichte, Europa- en democratievijandige populisten van alle landen. Tot 
op zekere hoogte lukt het zo om in 
elk geval de belangstelling voor de aanstaande stembusgang te vergroten. Het probleem is alleen dat ook op die manier geen gevoel van democratische verandering kan worden opgeroepen.

Democratie is gebaseerd op een gevoel van de burger dat wordt gevormd door vertrouwen in de individuen, vrijheid en politieke rekenschap tegenover het electoraat. De mensen in Europa vinden het moeilijk om die waarden in verband te brengen met de Europese Unie. De aanhangers van de EU grijpen daarom naar de in Brussel en ook in de Europese hoofdsteden gepredikte intolerantie tegenover politieke dissidenten. Het noodlottige daaraan is dat het bestaan van andere meningen een basisvoorwaarde is voor een vitale en relevante democratie. Als echter vrijwel alle critici als ‘populisten’ (zoals de Franse gele hesjes en EU-critici in Oostenrijk, Polen, Scandinavië, Italië en Hongarije) of als idioten (vooral Groot-Brittannië en Italië) worden afgeschilderd, beperkt dit paradoxaal genoeg niet de speelruimte van de vermeende vijanden van de democratie, maar die van de democraten. Dat leidt tot een nog consequentere afwerende houding van de ‘EU-democraten’ tegenover andersdenkenden – en daarmee voor de Europese instituties tot een verder verlies van relevantie.

Het zou mooi zijn als er eind mei in Europa echt serieus te nemen verkiezingen plaatsvonden. Maar daarvoor zou Europa zich moeten bezinnen op de democratische kern van de Europese gedachte. Hysterie, alarmisme en angst zijn in elk geval geen goede raadgevers. Dat geldt juist in controversiële debatten. Zonder meningsverschillen kan er geen vrijheid van meningsuiting zijn – en ook geen democratie. Maar er is hoop, want of de democratie zegeviert blijkt niet op de verkiezingsdag, maar in de tijd daarna.

Auteur: Matthias Heitmann

Cicero | Duitsland | maandblad | oplage 88.000

Net als de Cicero die de Romeinse republiek wilde redden, draait dit culturele maandblad om de macht der ideeën. Cicero is in 2004 opgericht en profileert zich als de Duitse tegenhanger van The New Yorker. Vooraanstaande persoonlijkheden en politici schrijven voor het blad.

Plaats een reactie