1. Klimaatpaniek

The New York Times

| New York | Jelmer Mommers | 28 mei 2019

‘Paniek’ was lange tijd een verboden woord in het klimaatdebat. Niet zo verrassend misschien, want de gevolgen van de klimaatverandering zijn te groot en te traumatisch om ten volle te kunnen bevatten. Maar wegkijken is geen optie meer, betoogt David Wallace-Wells.

Het tijdperk van klimaatpaniek is aangebroken. Vorige zomer werd het hele noordelijk halfrond geteisterd door een hittegolf die het leven kostte aan tientallen mensen, van Quebec tot Japan. Een paar allesverwoestende bosbranden, de ergste in de geschiedenis van Californië, legden meer dan 400 duizend hectare land in de as. De hitte was dusdanig dat de autobanden en de sneakers van de mensen die aan de vlammen probeerden te ontkomen smolten. Door orkanen in de Pacific zagen drie miljoen mensen in China zich gedwongen te vluchten en werd Hawaï’s East Island grotendeels weggevaagd.

We leven tegenwoordig in een wereld die sinds eind negentiende eeuw, toen men wereldwijd records begon bij te houden, slecht 1 graad Celsius warmer is geworden. Maar nu stoten we meer opwarmende CO2 uit dan ooit in de menselijke geschiedenis sinds het begin van de industrialisatie.

In oktober kwam het IPCC van de Verenigde Naties met het zogenaamde Doomsday-rapport – ‘een oorverdovend, indringend rookalarm dat in de keuken afgaat’, zoals een VN-functionaris het beschreef – waarin de klimaatopwarming wordt vastgesteld op 1,5 tot 2 graden Celsius. Bij de opening van een belangrijke VN-conferentie twee maanden later zei David Attenborough, de zoetgevooisde stem van BBC’s Planet Earth en nu het milieugeweten van de Engelssprekende wereld, het nog grimmiger: ‘Als we niets ondernemen,’ zei hij, ‘staat ons de ineenstorting van onze beschavingen en de uitsterving van een groot deel van de natuur te wachten.’

Wetenschappers denken er al een tijd zo over. Maar ze hebben er niet vaak op die manier over gepraat. Gedurende tientallen jaren waren er maar weinig dingen die bij klimaatwetenschappers een slechtere reputatie hadden dan ‘alarmisme’. Dat is een beetje vreemd. Je hoort meestal niet van experts op het gebied van de gezondheidszorg dat je voorzichtig moet zijn als je over, bijvoorbeeld, de risico’s van kankerverwekkende stoffen praat. De klimatoloog James Hansen, die in 1988 voor het Amerikaans Congres een verklaring aflegde over de opwarming van de aarde, heeft dat fenomeen ‘wetenschappelijke terughoudendheid’ genoemd en zijn collega’s erop aangesproken: dat ze hun bevindingen zo gewetensvol bewerkten dat niet goed overkwam hoe groot de dreiging werkelijk was.

Je hoort meestal niet van experts op het gebied van de gezondheidszorg dat je voorzichtig moet zijn als je over, bijvoorbeeld, de risico’s van kankerverwekkende stoffen praat

Die neiging werd sterker terwijl de uitkomst van de onderzoeken almaar grimmiger werd. Jarenlang ging de publicatie van ieder belangrijk essay of boek gepaard met een stortvloed van commentaar waarin standpunt en toon langs de meetlat werden gelegd. Veel van die artikelen ontbeerden volgens wetenschappers de juiste balans tussen slecht nieuws en optimisme, en werden daarom betiteld als ‘fatalistisch’.

In 2018 begon die omzichtigheid bij wetenschappers te veranderen, misschien omdat voornoemde extreme weersomstandigheden ze geen keus lieten. Sommigen van hen begonnen zelfs het alarmisme te omarmen – zeker na dat VN-rapport. Het onderzoek dat erin werd samengevat, was niet nieuw, en over een stijging boven de 2 graden Celsius werd niet eens gesproken, al stevenen we af op een opwarming van die omvang. Hoewel het rapport – opgesteld door bijna honderd wetenschappers van over de hele wereld – zich niet uitsprak over de schrikbarende scenario’s van opwarming, verschafte het wetenschappers wel een nieuw soort toestemming. Namelijk: het is eindelijk oké om door het lint te gaan. Het is zelfs redelijk.

Vooruitgang

Voor mij is dit vooruitgang. Paniek lijkt misschien contraproductief, maar we staan op een punt waarop alarmisme en rampdenken waardevol zijn, om meerdere redenen.

De eerste is dat klimaatverandering nou juist een crisis is omdát het een dreigende catastrofe inhoudt die wereldwijd een krachtig antwoord vereist, en wel onmiddellijk. Met andere woorden: het is terecht om ongerust te zijn. Als we qua uitstoot zo doorgaan als nu bereiken we tegen 2040 waarschijnlijk een opwarming van 1,5 graad Celsius, zitten we binnen enkele tientallen jaren daarna op 2 graden en tegen het jaar 2100 misschien op 4 graden.

Naarmate de temperatuur stijgt, kunnen veel van de grootste steden in het Midden-Oosten en Zuid-Azië in de zomer dodelijk heet worden, misschien al wel in 2050. In het Noordpoolgebied zouden er ijsvrije zomers komen en door de niet te stoppen desintegratie van de West-Antarctische ijskap, die volgens sommige wetenschappers al is begonnen, komen kuststeden overal ter wereld onder water te staan. Koraalriffen zouden grotendeels verdwijnen. En er zouden tientallen miljoenen klimaatvluchtelingen zijn, misschien veel meer, op de vlucht voor droogte, overstromingen en extreme hitte. Bovendien bestaat de mogelijkheid dat er meerdere door het klimaat veroorzaakte natuurrampen tegelijkertijd plaatsvinden.

Er zijn veel redenen om te denken dat we een opwarming van 4 graden Celsius niet zullen bereiken, maar wereldwijd gezien neemt de uitstoot nog steeds toe, en met iedere dag die er voorbijgaat hebben we minder tijd om wat we nu als een catastrofaal hoge opwarming beschouwen – 2 graden Celsius – te voorkomen. Om veilig onder die grens te blijven, moeten we volgens het VN-rapport in 2030 de uitstoot van broeikasgassen met 45 procent hebben verminderd ten opzichte van het niveau van 2010. Maar in plaats daarvan stijgt die nog steeds. Dus verontrust zijn is geen teken van hysterie; als het over klimaatverandering gaat, eisen de feiten dat we verontrust zijn. Dat is wellicht de enige logische reactie.

© Jon Tyson Unsplash
© Jon Tyson Unsplash

Dit verklaart ook de tweede reden waarom alarmisme nuttig is: door de grenzen van wat voorstelbaar is nauwkeuriger te omschrijven, maakt rampdenken het gemakkelijker om de dreiging van klimaatverandering goed te begrijpen. Jarenlang hebben we in de kranten gelezen dat 2 graden opwarming als het hoogst draaglijke niveau werd gezien – als dat hoger werd, zouden er rampen volgen. Over een hogere opwarming werd buiten wetenschappelijke kringen amper gesproken. Dus was het eenvoudig om je intuïtief een beeld te vormen van het scala aan mogelijkheden dat begon bij het klimaat zoals het nu is en eindigde bij de pijn van 2 graden, het plafond van het lijden.

In werkelijkheid is het vrijwel zeker een vloer. Verreweg de waarschijnlijkste voorspellingen voor het einde van deze eeuw vallen tussen de 2 en 4 graden opwarming. Dus eerlijk onder ogen zien hoe de wereld er in dat geval uit zal zien – bij 2 graden opwarming, of 3, of 4 – is een veel betere voorbereiding op de uitdagingen die ons te wachten staan dan je terugtrekken in de geruststellende, relatieve normaliteit van het heden.

Onderschatting

De derde reden is dat onderschatting een veel groter politiek probleem blijft dan fatalisme, hoewel bezorgdheid over klimaatverandering gelukkig toeneemt. In december bleek uit een nationale enquête dat 73 procent van de Amerikanen meende dat er inderdaad sprake is van wereldwijde opwarming, het hoogste percentage sinds de vraag in 2008 voor het eerst werd gesteld. Maar een meerderheid was niet bereid om zelfs maar 10 dollar per maand te spenderen om daar iets tegen te doen; de meesten vonden 1 dollar per maand wel voldoende,
volgens een peiling van een maand daarvoor.

Afgelopen herfst verwierpen kiezers in Washington, de ‘Evergreen State’, in een door de Democraten overheerste stemming zelfs een bescheiden CO2-belastingplan. Zijn die mensen niet bereid om dat geld op tafel te leggen omdat ze denken dat het geen zin meer heeft of omdat ze denken dat het nog niet nodig is?

Dat is een retorische vraag. Als we in 2000 waren begonnen om de CO2-uitstoot terug te dringen, hadden we volgens het Global Carbon Project de emissie maar met 2 procent per jaar hoeven verminderen om veilig onder de 2 graden opwarming te blijven. Zijn we toen niet in actie gekomen omdat we dachten dat het al te laat was of omdat we de opwarming nog niet gevaarlijk genoeg vonden? Slechts 44 procent van de ondervraagden in een onderzoek van vorige maand beschouwde klimaatverandering als een politieke topprioriteit.

Maar dat hoort het wel te zijn, want het probleem wordt alleen maar erger door het op de lange baan te schuiven. Als we op dit moment een breed opgezette actie zouden ondernemen om de CO2-emissie in te dammen – een gigantische onderneming waarbij onze energiesystemen, bouw- en transportinfrastructuur en de productie van ons voedsel grondig op de schop worden genomen – dan zou de noodzakelijke uitstootvermindering maar 5 procent per jaar zijn. Als we dat nog tien jaar uitstellen, wordt het ongeveer 9 procent per jaar. Daarom meent VN-secretaris-generaal António Guterres dat we nog maar tot 2020 de tijd hebben om van koers te veranderen en er iets aan te gaan doen.

Terwijl ik me de afgelopen drie jaar in de klimaatwetenschap verdiepte, breidde het onderzoek zich uit naar steeds duisterder gebieden

Een vierde argument ten gunste van rampdenken putten we uit de geschiedenis. Angst kan mensen mobiliseren, zelfs de wereld veranderen. Toen Rachel Carson in 1962 Silent Spring publiceerde, haar polemiek tegen pesticiden die een keerpunt inluidde, schreef Life Magazine dat ze ‘de zaken overdreef’ en deed The Saturday Evening Post het boek af als ‘alarmistisch’. Toch leidde het tot een landelijk verbod op DDT (een organisch chemisch insecticide).

Tijdens de Koude Oorlog schrokken nucleaire vijanden er niet voor terug te wijzen op de verschrikkingen van wederzijdse verwoesting, en in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw beperkten campagnes tegen rijden onder invloed zich niet tot het loven van nuchterheid. In het Doomsday-rapport trok het klimaatveranderingspanel een heldere vergelijking voor de mobilisatie die nodig is om catastrofale opwarming te voorkomen: de Tweede Wereldoorlog, die president Franklin Roosevelt beschreef als ‘een uitdaging aan het leven, de vrijheid en de beschaving’. Hoop was niet voldoende voor het voeren van oorlog.

‘Bewuste consumptie is een uitvlucht, een neoliberale afleidingsmanoeuvre van collectieve actie, want dat is wat we nodig hebben.’ – © Joel de Vriend / Unsplash
‘Bewuste consumptie is een uitvlucht, een neoliberale afleidingsmanoeuvre van collectieve actie, want dat is wat we nodig hebben.’ – © Joel de Vriend / Unsplash

Maar het sterkste argument voor de wijsheid van rampdenken is dat al onze mentale reflexen in de tegenovergestelde richting gaan, we willen eigenlijk niet geloven in een heel slechte afloop. Ik weet dat uit eigen ervaring. Terwijl ik me de afgelopen drie jaar in de klimaatwetenschap verdiepte, breidde het onderzoek zich uit naar steeds duisterder gebieden.

Het aantal wetenschappelijke goednieuwsartikelen dat ik in die tijd tegenkwam, was waarschijnlijk op tien vingers te tellen. De slechtnieuwsartikelen liepen misschien wel in de duizenden – elke dag was er weer een verontrustende aanleiding om onze opvattingen over het zich voltrekkende milieudrama bij te stellen.

Ik weet dat de wetenschap gelijk heeft, ik weet dat de dreiging alomvattend is en ik weet dat de effecten schrikwekkend zullen zijn als de emissies onverminderd voortgaan. Maar als ik me mijn leven over dertig jaar voorstel, of het leven van mijn dochter over vijftig jaar, moet ik toegeven dat ik geen wereld voor me zie die in brand staat, maar een die lijkt op die we nu hebben. Zo moeilijk is het nu eenmaal om passiviteit af te schudden. We leven allemaal in een waan, niet in staat om te bevatten dat klimaatverandering volgens het wetenschappelijk onderzoek neerkomt op een allesomvattend gevaar. Een gevaar zo groot als het leven zelf.

Gedragseconomie

Hoe kunnen we ons zo laten misleiden? Eén antwoord vinden we in de gedragseconomie. De lijst van denkfouten die de laatste vijftig jaar door psychologen zijn aangedragen lijkt misschien eindeloos, en ze vertekenen onze perceptie van een veranderend klimaat. Die optimistische eenzijdigheid, zelfbeschermende vooringenomenheid en emotionele reflexen vormen bij elkaar een hele bibliotheek aan klimaatmisleiding.

We bouwen onze kijk op het universum op uit onze eigen ervaringen, een natuurlijke neiging die vast en zeker dient om de gevaren te herkennen die het voortbestaan van onze soort bedreigen. We hebben de neiging om te wachten tot anderen iets doen voor we zelf optreden; een voorkeur voor de huidige situatie; weerzin om dingen te veranderen en een overmaat aan vertrouwen dat we dingen gemakkelijk kunnen veranderen als dat nodig zou zijn, op welke schaal dan ook. We zien de dingen alleen door een waas van zelfbedrog.

Het geheel van deze denkfouten maakt klimaatverandering tot iets wat door de ecologische theoreticus Timothy Morton een ‘hyperobject’ wordt genoemd: een conceptueel feit dat zo groot en complex is dat het nooit helemaal goed begrepen kan worden. In zijn boek Worst-Case Scenarios schrijft de rechtsgeleerde Cass Sunstein dat wij het over het algemeen moeilijk vinden na te denken over onwaarschijnlijke maar potentiële risico’s. Daar lopen we voor weg om ons over te geven aan onverschilligheid of paranoia. Zijn oplossing biedt weinig houvast: we moeten allemaal strenger zijn in onze kosten-batenanalyse.

Dat klimaatverandering vertrouwen in deskundigheid vereist precies op het moment dat het vertrouwen van het publiek in deskundigheid inzakt, is een van de vele paradoxen van het probleem. Dat klimaatverandering zo veel van onze denkfouten raakt, laat zien hoe belangrijk dit fenomeen is en hoezeer het van invloed is op het menselijk leven, namelijk op bijna alle aspecten daarvan.

En terwijl klimaatverandering in de afgelopen decennia meer op de voorgrond is getreden, zijn alle denkfouten die ons in de richting van onverschilligheid duwen aangemoedigd door de verhalen die we over opwarming te horen krijgen: door de journalistiek die de omvang van het gevaar en het tempo waarin het zich voltrekt omzichtig beschrijft.

Dus wat kunnen we doen? En trouwens, wie is ‘we’? De omvang van de dreiging van klimaatverandering is dusdanig dat er op elk niveau georganiseerd moet worden – gemeenschappen, staten, naties en internationale overeenkomsten die de actie onderling coördineren. Maar de meesten van ons wonen niet in de zalen van de VN of in de bestuurskamers waarin over het klimaatakkoord van Parijs werd onderhandeld.

In plaats daarvan leven we in een consumentencultuur die als boodschap heeft dat we ons politieke stempel op de wereld kunnen drukken door te bepalen waar we winkelen, wat we dragen, hoe we eten. In dat plaatje passen de recente voedingsaanbevelingen van The Lancet voor diegenen die de klimaatverandering willen beperken door wat ze eten – minder vlees voor sommigen, meer groenten – of suggesties zoals die in The Washington Post rond de tijd van de goede voornemens werden gepubliceerd. Bijvoorbeeld: ‘Ga verstandig om met je airco.’

Als ik per jaar een paar hamburgers minder eet, wat dan nog?

Maar bewuste consumptie is een uitvlucht, een neoliberale afleidingsmanoeuvre van collectieve actie, want dat is wat we nodig hebben. Mensen moeten proberen om volgens hun eigen waarden te leven, zowel op het gebied van klimaat als op andere terreinen, maar de effecten van individuele lifestylekeuzen zijn uiteindelijk te verwaarlozen vergeleken met wat de politiek kan bereiken.

Een elektrische auto kopen is een druppel op de gloeiende plaat vergeleken met het scherp verhogen van brandstofbesparende normen. Bewust minder vliegen is heel wat gemakkelijker als er meer hogesnelheidstreinen rijden. En als ik per jaar een paar hamburgers minder eet, wat dan nog? Maar als boeren verplicht worden om hun vee zeewier te laten eten, wat volgens een studie de methaanuitstoot met bijna zestig procent zou verminderen, dan zou dat een enorm verschil maken.

Dat is wat wordt bedoeld als de politiek een ‘morele multiplier’ wordt genoemd. Het is ook een ontsnapping aan de persoonlijke, emotionele last van klimaatverandering en aan wat als hypocriet zou kunnen worden ervaren door wie leeft in de wereld zoals die is en zich tegelijkertijd zorgen maakt over de toekomst. We vragen mensen die belasting betalen en daarmee voor een maatschappelijk veiligheidsnet zorgen niet om die inzet ook te tonen via filantropische acties, en evenmin zouden we iemand – en zeker niet iedereen – moeten vragen zijn of haar eigen ecologische voetafdruk te verlichten voor we ook maar hebben geprobeerd om wetten en beleid uit te vaardigen die onze collectieve uitstoot zouden verminderen.

Dat is het doel van politiek: dat we samen beter zijn en beter handelen dan we als individuen zouden kunnen.

Milieuactivisme

En de politiek is druk bezig met klimaatverandering. Afgelopen herfst werd in Groot-Brittannië een actiegroep gevormd met de alarmistische naam Extinction Rebellion. Die groep werd onmiddellijk zo groot dat ze tijdens haar eerste grote protestactie delen van Londen lamlegde. Haar voornaamste eis: ‘Vertel de waarheid.’ Die eis wordt herhaald door Genevieve Guenthers organisatie End Climate Silence, en de oproepen van klimaatveranderingspanels om de natuurlijke hulpbronnen van de planeet in te zetten tegen de opwarming zijn op inspirerende wijze aan de basis opgepakt door het Climate Mobilization-project van Margaret Klein Salamon.

Milieuactivisme is natuurlijk niet nieuw, en dit zijn slechts de groepen die in de afgelopen jaren zijn opgericht, tot actie aangezet door klimaatpaniek. Maar die paniek verplaatst zich ook omhoog. In het Congres heeft vertegenwoordiger Alexandria Ocasio-Cortez van New York liberale Democraten rondom een Green New Deal verzameld – een oproep om de Amerikaanse economie te reorganiseren rondom schone energie en hernieuwbare welvaart. De gouverneur van de staat Washington, Jay Inslee, heeft zichzelf min of meer uitgeroepen tot een presidentskandidaat met één enkel thema.

En hoewel er geen enkele directe vraag over klimaatverandering aan Hillary Clinton noch Donald Trump werd gesteld tijdens de presidentiële debatten in 2016, zal de kwestie de voorverkiezingen van de Democraten in 2020 zeer zeker domineren, samen met ‘Medicare voor iedereen’ en gratis studeren. Michael Bloomberg, de voormalige burgemeester van New York die verklaarde minstens 500 miljoen dollar te willen investeren in de kandidaat die Trump verslaat, staat erop dat deze kandidaat een concreet plan voor het klimaat heeft.

Zo ziet het begin van een oplossing eruit – een heel klein beginnetje en maar een gedeeltelijke oplossing. We hebben waarschijnlijk de kans laten lopen om 2 graden opwarming af te wenden, maar we kunnen 3 graden voorkomen en zeker al het vreselijke lijden dat boven die grens ligt.

Maar hoe langer we wachten, hoe erger het wordt. En dat is een laatste goede reden voor rampdenken: wat creëert meer gevoel van urgentie dan angst?

Auteur: David Wallace-Wells

David Wallace-Wells is klimaatcolumnist en adjunct-hoofdredacteur van New York Magazine en schrijver van het net verschenen The Uninhabitable Earth: Life After Warming, waaruit dit essay (in aangepaste vorm) afkomstig is.

Openingsbeeld: © Eerst de zorg voor het klimaat, huiswerk komt later wel weer aan de beurt. – © Jonathan Kemper / Unsplash

The New York Times
Verenigde Staten, dagblad, oplage 1.120.402

De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.

Dit artikel van Jelmer Mommers verscheen eerder in The New York Times.
Recent verschenen