• The Nation
  • Cultuur
  • 1. Weg met dat malle idee van mannelijkheid

1. Weg met dat malle idee van mannelijkheid

The Nation | Collier Meyerson | 06 september 2018

Mannen zijn sterk, beheerst en gewelddadig, zo wil het cliché. Als ze zich misdragen komt dat omdat ze niet anders kunnen. Maar in werkelijkheid ligt dit soort gedrag helemaal niet vast, betoogt journaliste Collier Meyerson. ‘Laten we die hele categorie onaangename mannelijke eigenschappen gewoon weggooien.’

Ik durf er een lieve duit om te verwedden dat mijn vader negentig procent van alle Oscar-genomineerde films van dit jaar heeft gezien. 
En ik weet ook vrij zeker dat hij bij al die films heeft gehuild. Hij geneert zich niet voor zijn tranen bij films, tv-programma’s of commercials. Hij is een watje, en daar is hij trots op. Of het kan hem in ieder geval niet schelen.

Lichamelijk is mijn vader sterk; hij tennist veel. Maar hij is erg mager. Zelf noemt hij zijn benen spillepoten, en hij zegt dat die niet menselijk zijn, eerder op kippenpoten lijken (en dat is ook zo). Mijn vader is de liefheid zelve, hij staat altijd achter me, wil graag al mijn problemen aanhoren en toont voortdurend zijn genegenheid. ‘Poppi’ stuurt me drie keer per dag een tekstbericht om te zeggen dat hij van me houdt en trots op me is. Net nog, terwijl ik deze alinea optikte, kreeg ik een berichtje van hem: ‘Ik hou oneindig keer oneindig veel van je, meer dan wie dan ook in alle sterrenstelsels en daarbuiten, tot in de eeuwigheid.’ En telkens als ik een artikel heb geschreven, stuurt hij daarover een e-mail aan al zijn vrienden, onze familieleden, zijn collega’s, mijn vrienden en ook, 
op de een of andere manier, aan mijn collega’s. Deze kant van mijn poppi past niet bepaald bij wat in ons land over het algemeen ‘masculien’ heet, dat meestal staat voor sterk, beheerst en gewelddadig.

‘Ziekte die mannelijkheid heet’

Maar in andere opzichten is mijn softe vader behoorlijk ‘masculien’. Hij kan heel woest worden, al neemt dat met het ouder worden wel wat af. Ik weet nog 
dat ik hem als kind een keer op zijn werk opzocht en daar gaten in de muur zag – toen ik ernaar vroeg, 
zei hij een beetje schaapachtig dat hij gefrustreerd was geweest na een telefoontje of een gesprek met een klant, rechter of advocaat van de tegenpartij. Ook houdt mijn poppi er niet van als je het niet met hem eens bent – nou ja, dat is niet zo vreemd, zelf hou ik daar ook niet van. Maar hij blijft je voortdurend in de rede vallen en je zijn standpunt opdringen, en maakt het je onmogelijk om je eigen gedachtegang af te maken. 
Vroeger, wanneer hij naar voetbal op tv keek, kon ik hem in het hele huis tegen de tv horen brullen: ‘O, kom op nou, jij (puntje puntje puntje)’, op een toon waar ik van schrok. Tegenwoordig blijf ik uit de buurt van zijn kamer wanneer hij naar sport kijkt – en ik denk dat mijn moeder om dezelfde reden een eigen tv in de keuken heeft.

Als je dit leest, vind je mijn vaders minder prettige gedrag misschien vrij normaal voor een witte heteroman, en daar heb je gelijk in. (Ik kan het weten, ik heb met heel wat heteromannen een relatie gehad.) Maar altijd als ik mijn vader en de meeste andere hetero-mannen in mijn nabije omgeving 
probeer aan te spreken op hun vrouwenhaat, zijn hun antwoorden voor mij steeds weer een heuse schok, en geen plezierige. Wanneer ik zeg dat hun onaangename eigenschappen – tegen muren slaan, vrouwen overschreeuwen, tegen een sportwedstrijd brullen op een toon die je zou moeten bewaren voor een confrontatie met een moordenaar – voortkomen uit ‘de ziekte die mannelijkheid heet’, om [activiste en feministe] bell hooks te citeren, kijken ze me altijd bevreemd en boos aan.

© Getty
© Getty

Comedian Michael Ian Black schreef onlangs in 
The New York Times een boeiend en eerlijk stuk, onder de titel ‘The Boys Are Not All Right’. Naar aanleiding van de Parkland-schietpartij die het leven kostte aan zeventien leerlingen en leerkrachten, erkende hij dat ‘niet meisjes de trekker overhalen. Het zijn jongens. Het zijn bijna altijd jongens.’ Black pleitte ervoor 
dat we vraagtekens plaatsen bij wat het betekent 
om jongen en man te zijn in de Verenigde Staten. 
‘Er moet een manier zijn om te verbreden wat het betekent om een man te zijn, zonder onze masculiniteit te verliezen. Ik weet niet hoe we ons kunnen openstellen voor de rijke complexiteit van ons man-zijn.’ Daarmee begint hij op hetzelfde punt als veel mannen in mijn leven: dat bepaalde aspecten van masculiniteit natuurlijk en onveranderlijk zijn, en dat het erom gaat aan die eigenschappen iets toe te voegen, zodat er meer feminiene eigenschappen bij komen, in plaats van die hele categorie masculiene eigenschappen onder de loep te nemen of, wat mij betreft, in zijn geheel weg te gooien.

Het klinkt misschien cru, de masculiniteit weggooien. Maar eigenlijk is het helemaal niet zo’n gekke gedachte. 
We hoeven maar iets meer dan honderd jaar terug te kijken om te begrijpen dat het concept masculiniteit in Amerika bedacht is ter verdediging van de witte macht en de witte mannelijke dominantie over zwarte mannen en over vrouwen van alle rassen.

In haar baanbrekende boek Manliness and Civilization: A Cultural History of Gender and Race in the United States, 1880-1917, schrijft auteur Gail Bederman: 
‘Ik zie het man-zijn niet als een intrinsieke essentie of een verzameling karaktertrekken, eigenschappen of sekserollen. Het man-zijn – of ‘masculiniteit’ zoals het tegenwoordig meestal wordt genoemd – is een 
continu, dynamisch proces.’ Volgens Bederman moeten we om te beginnen ophouden te beweren dat masculiniteit kenmerken heeft die onvervreemdbaar zijn. ‘Gender,’ schrijft ze, ‘is 
dynamisch en altijd in verandering.’

Vroeger betekende man-zijn niet grof of gewelddadig gedrag vertonen, maar een beschaafd karakter hebben en het huwelijk uitstellen om vermogen te vergaren

Volgens Bederman begonnen tussen 1820 en 1860 steeds meer mannen zichzelf als middenklasse te beschouwen: ondernemers, professionals en managers. En de nieuwe scheidslijnen brachten voor mannen belangrijke nieuwe ideeën mee over de mannelijke identiteit, waarbij het vooral ging om hoffelijkheid. In die 
periode betekende man-zijn niet grof of gewelddadig gedrag vertonen, maar een beschaafd karakter hebben en het huwelijk uitstellen om vermogen te vergaren. En vervolgens hoorde een man dan zijn vrouw, zijn kinderen of zijn werknemers een goed leven te bieden.

Tussen 1879 en 1910 nam het aantal middenklassemannen met een eigen bedrijf af van 67 procent tot 37 procent, wat weer een nieuwe verschuiving veroorzaakte. ‘Victoriaanse middenklassemannen rond de eeuwwisseling waren geobsedeerd door het man-zijn,’ schrijft Bederman. Ze werden ‘geobsedeerd’ door cowboyromans en door jagen en vissen. In diezelfde tijd ontstonden er nieuwe benamingen, zoals ‘watje’, ‘halfzachte’, ‘eitje’, die duidden op ‘gedrag dat men ooit beheerst en mannelijk had gevonden, maar dat nu overbeschaafd en verwijfd leek’, schrijft Bederman. Rond 1890 verscheen voor het eerst een zelfstandig naamwoord dat ‘het wezen van het man-zijn’ moest uitdrukken – man-zijn werd 
nu ‘masculiniteit’ genoemd.

Het idee was volgens Bederman dat ‘mannelijk zijn’ een ‘moreel aspect’ kende, het werd door een woordenboek uit die tijd gedefinieerd als ‘de juiste kenmerken hebbende voor een man; onafhankelijk van geest of in gedrag; sterk, moedig, ruimdenkend, etc.’ Maar toen tussen 1879 en 1896 de economie instortte en daarmee ook de hele ‘beschaafde’ identiteit van de witte middenklasseman, veranderde het idee ‘mannelijkheid’ opnieuw. Als mannen daarna mannelijke macht wilden 
uitdrukken, gebruikten ze daarvoor ‘masculien’ en ‘masculiniteit’. ‘Het 
bijvoeglijk naamwoord “masculien” werd gebruikt voor alle eigenschappen die mannen hadden, goed of slecht,’ schrijft Bederman. Het morele element was losgelaten.

De verschuiving in de mannelijke 
identificatie van witte middenklasse-Amerikanen aan het eind van de negentiende eeuw was ook een manier om de witte overheersing te rechtvaardigen. ‘Het was niets nieuws,’ schrijft Bederman, ‘om witheid te verbinden aan mannelijke macht. Tot in de jaren zestig van de negentiende eeuw werden burgerrechten in Amerika 
uitgelegd als “mannelijke” rechten, 
die alleen witte mannen toekwamen. Zwarte mannen, of ze nu vrij waren of slaaf, mochten geen “mannenrechten” uitoefenen – niet stemmen of zich verkiesbaar stellen, niet in een jury dienen of bij het leger. De conclusie was onuitgesproken maar overduidelijk: zwarte mannen waren, in tegenstelling tot witte, minder dan mannen.’ Maar toen het begrip ‘masculiniteit’ aan het eind van de negentiende eeuw opkwam 
en zwarte mannen vochten voor ‘mannenrechten’, ontstond er een nieuw idee. Witte middenklassemannen begonnen te geloven dat er inderdaad een universele mannelijke kwaliteit bestond: wildheid. Maar ze onderscheidden zich van hun zwarte tegenhangers door te beweren dat zij zich verder ontwikkeld hadden. Bederman gebruikt het voorbeeld van het blad National Geographic, dat voor het eerst in 1889 verscheen en populair werd doordat het ‘adembenemende verhalen publiceerde van de heroïsche avonturen die “beschaafde” witte mannelijke ontdekkingsreizigers beleefden bij 
“primitieve stammen in donker Afrika”. Zo hielden ook Angelsaksische kolonisten vol dat beschaafde witte mannen een aanleg hadden voor besturen, die het overwinnen van meer “primitieve” donkerder rassen noodzakelijk maakte.’

Excuus om te overheersen

De nieuwe Amerikaanse definitie van masculiniteit werd in de twintigste eeuw in steen gebeiteld. Zwarte mannen kregen wel het recht om te stemmen, maar onder de Jim Crow-wetten, die tot ver in de twintigste eeuw golden, bleven ze ondergeschikt aan witte mannen, die de economische mogelijk-heden van zwarte mannen beperkten en hen vaak afschilderden als ongeremde verkrachters. Van de vroege westerns tot de actiefilms die we vandaag de dag bekijken – vrijwel altijd werden heteromannen gecast als hoofdrolspelers; wapens werden een 
ritueel en het speelgoed van jonge witte mannen in ons land. En masculiniteit werd een verzonnen excuus om te overheersen.

In zijn essay schrijft Michael Ian Black: ‘Ik geloof in jongens. Ik geloof in mijn zoon. Maar soms zie ik hem, zestien jaar oud, zijn frustratie wegslikken, zijn zorgen wegstoppen, de trap op stampen zonder tegen ons te zeggen wat er aan de hand is, en dan wil ik hem laten zien hoe het eruitziet om kwetsbaar en open te zijn, maar ik kan het niet. Omdat 
ik zelf ook ooit een jongen was.’

Dat Black zijn zoon niet kan laten zien hoe kwetsbaarheid eruitziet, komt niet doordat hij daar biologisch niet toe in staat is. Die blokkade is gevormd door gewoonte, cultuur en een Amerikaanse geschiedenis die is gegrondvest op witte mannelijke overheersing. Wie zegt dat we daaraan vast moeten houden? Pas als we inzien dat genderidentificatie 
te veranderen, te kneden en zelfs weg te gooien valt, kunnen we beginnen de jongens ‘all right’ te maken.

Auteur: Collier Meyerson

The Nation
Verenigde Staten | weekblad | oplage 104.000

Oudste continu opererende weekblad 
van de VS, progressief van toon. Heeft behalve voor achtergrond en opinie ook veel aandacht voor cultuur, zoals poëzie. Bekende columnisten waren/zijn 
Naomi Klein, Christopher Hitchens en 
Gary Younge.

Dit artikel van Collier Meyerson verscheen eerder in The Nation.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!

En ontvang wekelijks het beste uit de internationale pers in uw mailbox.