• The New Yorker
  • Politiek
  • 3. Geen vrede zonder vrouwen

3. Geen vrede zonder vrouwen

The New Yorker | New York | Isaac Chotiner | 30 oktober 2019

In Afghanistan worden op dit moment vredesbesprekingen gevoerd met de Taliban. De voorzitter van de Afghaanse mensenrechtencommissie is bang dat de rechten van vrouwen het eerst zullen sneuvelen, als ze geen plaats aan de onderhandelingstafel krijgen.

Sima Samar is voorzitter van de onafhankelijke mensenrechtencommissie van Afghanistan en heeft een lange carrière achter de rug als voorvechtster van de verdrukten. Ze is geboren in Afghanistan en haalde in 1982 haar artsendiploma aan de universiteit van Kaboel. Haar man werd in 1984 door het communistische regime ontvoerd – hij is nooit teruggekomen – en zij vluchtte met haar zoon naar Pakistan.

Daar richtte ze de Shuhada-organisatie op, voor zwangerschapszorg aan Afghaanse vluchtelingen. Nadat de Taliban in 2001 waren verslagen, keerde Samar terug naar Afghanistan, waar ze minister van Vrouwenzaken werd in het interim-kabinet van Hamid Karzai. Vervolgens werd ze speciale mensenrechtenvertegenwoordiger van de Verenigde Naties in Soedan. Sinds 2004 is Samar voorzitter van de onafhankelijke nationale mensenrechtencommissie in Afghanistan, die onafhankelijk van de Afghaanse regering opereert.

Aan het begin van dit jaar kondigde de regering-Trump aan dat er een basis lag voor een vredes-akkoord met de Taliban dat uiteindelijk zou moeten leiden tot de terugtrekking van de Amerikaanse en NAVO-troepen. Maar president Ashraf Ghani en vrouwenrechtenactivisten in Afghanistan vrezen dat een door de Amerikanen gesloten akkoord hun belangen zal ondermijnen, en dat de Taliban zich er op de langere termijn niet aan zullen houden. Afghanistan heeft de afgelopen twee decennia wel vooruitgang geboekt op het gebied van mensen-rechten, maar is voor vrouwen nog steeds een van de gevaarlijkste landen ter wereld. Samar is niet tegen vredesbesprekingen, maar heeft altijd gezegd dat daar ook vrouwen bij betrokken moeten worden en dat er rekenschap moet worden afgelegd voor de mensenrechtenschendingen in het verleden.

Kort geleden had ik telefonisch contact met Samar, terwijl zij in Kaboel was. Tijdens ons gesprek, dat geredigeerd is omwille van de lengte en de leesbaarheid, hebben we besproken hoe het er nu voorstaat met de mensenrechten in Afghanistan in vergelijking met vroeger, wat de vredesbesprekingen wel en wat ze niet zouden kunnen bereiken, en hoe het land kan ontkomen aan een voortdurende staat van oorlog.

Hoe staat het nu met de mensenrechten in Afghanistan, en hoe gaat het in vergelijking met de tijd voor het Amerikaanse ingrijpen?

We hebben veel bereikt. In de jaren negentig werden in Afghanistan de rechten van alle inwoners geschonden, maar met name die van vrouwen. Vrouwen mochten niet naar school, vrouwen mochten niet alleen over straat lopen, of naar de winkel gaan om brood te kopen; ze moesten begeleid worden door een mannelijk familielid en ze werden gedwongen een boerka te dragen – een ontkenning van de waardigheid en de identiteit van de Afghanen. Dit gold ook voor mannen: zij moesten een tulband dragen. En de kinderen mochten niet met speelgoed spelen waar muziek uit kwam of dat eruitzag als iets levends. Stel je voor, ze mochten niet eens vliegeren, want een vlieger lijkt op een vogel.

Vergelijk dat eens met hoe het nu is: zo’n negen miljoen kinderen gaan naar school, jongens en meisjes, al blijft de toegang tot onderwijs beperkt door de oorlog die nog steeds gaande is in sommige delen van het land, en ook door de oorlogscultuur, die niet alleen is meegebracht door de Taliban maar daarvoor al door de moedjahedien en tijdens de oorlog tegen de pro-Russische regering in ons land. In conflicten zijn vrouwen kwetsbaarder, met name voor seksueel misbruik, dus werden ze door hun familie in de gaten gehouden. Politieke groeperingen beperkten de mobiliteit en de rechten van vrouwen, en hun vrijheid van meningsuiting. Nu horen vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid tot
de grootste successen in dit land. Vergeleken met onze buurlanden lopen we op dat punt voorop.

Denkt u dat de huidige regering mensenrechten hoog in het vaandel heeft?

Ja, natuurlijk. De regering na de Taliban, die toen werd geleid door president Karzai, gaf prioriteit aan mensenrechten en demensenrechtenactivisten, onder wie ikzelf en de mensenrechtencommissie, streden er ook voor. En voor de huidige regering geldt dat nog steeds. Natuurlijk is de oppositie, de gewapende oppositie, niet blij met de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid in het land. En ook enkele illegale gewapende groeperingen die niet tot de Taliban behoren, zetten in verschillende delen van het land de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid onder druk.

U hebt uitgelegd waarom het bijvoorbeeld met de mensenrechten beter gaat dan toen de Taliban aan de macht waren. Denkt u dat dit zo kan blijven zonder de Amerikaanse militaire aanwezigheid? Of is het volgens u zo dat een blijvende bezetting en voortdurende staat van oorlog niet alleen mensenrechtenschendingen met zich meebrengen, maar juist ook de enige mogelijkheid vormen om de geboekte vooruitgang vast te houden?

Uit de recente geschiedenis, de 41 jaar strijd in Afghanistan, blijkt wel dat een volledige terugtrekking ongeacht de omstandigheden in het land, tot mislukken gedoemd is. Zo is het ook gegaan toen de Sovjet-Unie zich terugtrok. Bij een plotselinge terugtrekking zal de situatie verslechteren. Amerikaanse en NAVO-troepen zijn partners van de Afghaanse regering en het Afghaanse volk. En dat partnerschap moet gebaseerd zijn op het besef dat het terugtrekken van de troepen, of het afwijzen van de troepen, afhankelijk moet zijn van de omstandigheden in het land.

Wij zijn heel dankbaar voor de steun van het Amerikaanse volk en de Amerikaanse regering, maar ik denk dat dit partnerschap en deze steun door moeten gaan tot wij op eigen benen kunnen staan. En die kant gaan we op.

Die Walküre. – © Marco Borggreve
Die Walküre. – © Marco Borggreve

Dus u ziet wel vooruitgang?

Ja. In 2002 hadden we geen leger. We hadden geen politie. We hadden geen inlichtingendiensten. Daarna kwamen de milities naar Kaboel en traden die op als leger, als politie. Nu hebben we ons leger op poten gezet, en dat moet worden getraind en ondersteund. We hebben onze nationale politie. We hebben een betere inlichtingendienst. Nogmaals, ik zeg zeker niet dat het allemaal volmaakt is, en misschien kunnen deze diensten voorlopig niet zonder de steun van de NAVO en de VS als onze partners.

Onlangs heeft de regering-Trump geprobeerd om via onderhandelingen een eind te maken aan de strijd met de Taliban. Wat denkt u van die onderhandelingen en vindt u het een goed idee?

Bij alle conflicten over de hele wereld moet onderhandeld worden, daar is geen twijfel aan. In Afghanistan zijn regimes gekomen en gegaan en helaas, mét alle steun van de internationale gemeenschap, zijn we om heel eerlijk te zijn nog steeds in oorlog. Dus een van de manieren om die strijd te beëindigen is via onderhandelingen. Dat kunnen geen onvoorwaardelijke onderhandelingen zijn. Maar als de Taliban werkelijk bereid zijn het democratische proces hier in Afghanistan te accepteren – dat zoals ik al zei, niet volmaakt is, maar waarvoor mensen wel een hoge prijs hebben betaald – dan kunnen ze meedoen aan de verkiezingen. Laat me een voorbeeld geven.

In 2005 hebben moellah Muttawakil en moellah Qalamuddin – Muttawakil was minister van Buitenlandse Zaken onder de Taliban en Qalamuddin was minister van Zeden en Deugd, de man die mensen op straat sloeg en dingen riep als: ‘Waarom loop jij rond zonder mahram [mannelijk familielid]?’ Of ‘Waarom is je haar niet langer?’ of ‘Waarom heb je zo’n korte baard?’ – zich allebei verkiesbaar gesteld, en ze hebben het niet gehaald. Daaruit blijkt dus wat het Afghaanse volk wil. Als zij het democratische proces accepteren, laat ze dan maar komen.

Maar als mensenrechtenactivist vind ik dat mensen wel verantwoording moeten afleggen – we mogen de rechtsgang niet ondermijnen. In de vorige akkoorden, ook in het akkoord van Bonn, waren we die verantwoording vergeten. We waren het recht vergeten. We waren de oorlogsslachtoffers vergeten. En wat gebeurde er? De oorlog ging door. En de oorlog gaat nog steeds door.

Maar heeft de regering genoeg macht? Of hebben de Taliban zo veel macht dat die voorwaarden niet opgelegd kunnen worden, omdat de onderhandelingspositie van de Verenigde Staten, of van de Afghaanse regering, die niet veel lijkt te voelen voor deze besprekingen, te zwak is?

Tja, dat is een zorg, want nogmaals, daarmee ondermijnen we verantwoording en het recht. Ik wil niet zeggen dat er wraak moet worden genomen. Ik zeg niet dat zij geëxecuteerd moeten worden, maar we moeten een methode hebben om de wonden van de slachtoffers te helen. Op zijn minst zou van deze mensen geëist moeten worden dat ze spijt betuigen tegenover het volk. Honderdduizenden mensen hebben tijdens die conflicten het leven verloren. Dat waren alleen nog de burgers en dan was er natuurlijk ook nog het leger. De andere kant heeft ook veel mensen verloren. Daar is geen twijfel aan. Maar we zouden een methode moeten hebben om een eind te maken aan die eindeloze herhaling van wraak, van moorden, van burgerslachtoffers in het land.

Wij eisen dat vrouwen deze keer wél een actieve rol spelen in het geheel van de onderhandelingen

Veel vrouwenrechtenactivisten zeggen bezorgd te zijn over deze onderhandelingen, omdat ze het idee hebben dat een akkoord met de Taliban ten koste zal gaan van de rechten van vrouwen. Bent u daar ook bang voor?

Ik maak me er grote zorgen over. Natuurlijk zeggen zij telkens dat er ook rekening met vrouwen gehouden zal worden, maar bij alle onderhandelingen die dezer dagen gaande zijn, bij de besprekingen tussen verschillende groepen, zelfs bij de gesprekken met de speciale VS gezant, zijn geen vrouwen aanwezig. Eergisteren was er een bespreking waar Gulbuddin Hekmatyar bij was. Hij vocht een jaar of anderhalf jaar geleden nog tegen het Afghaanse volk en tegen de VS. Maar hij was bij de bespreking aanwezig en de vrouwen waren er niet.

Is dat die vroegere krijgsheer?

Ja, ja. We maken ons allemaal zorgen. Wel heeft ambassadeur [Zalmay] Khalilzad [de Amerikaanse speciaal vertegenwoordiger voor verzoening in Afghanistan] enkele ontmoetingen met vrouwen gehad. Maar ik vind dat niet genoeg. Vrouwen horen betrokken te worden, niet alleen in woorden, maar ook in daden, concreet en praktisch. Vrouwen zijn de slachtoffers van het conflict.

Als ik u zo hoor, is het lastig voor te stellen dat er ooit een tijd komt waarin Afghanistan níét ofwel oorlog en buitenlandse militaire aanwezigheid ofwel echte onderdrukking zal kennen.

Tja, om eerlijk te zijn: de mensen maken zich echt zorgen. Ze hebben al eerder onderhandelingen meegemaakt. Ze zijn heel, heel erg bezorgd, en daarom eisen wij, en eis ik persoonlijk, dat vrouwen deze keer wél meedoen en een actieve rol spelen in het geheel van de onderhandelingen, niet alleen aan de onderhandelingstafel, maar ook in de Afghaanse regering, of in uw regering, bij het maken van de plannen. En dat geldt ook voor mensen met een handicap. Er zijn in dit land honderdduizenden mensen die gehandicapt zijn geraakt als gevolg van de strijd, van de voortdurende oorlog in het land. Dus deze mensen hebben ook het recht om mee te praten, en hun rechten moeten in de onderhandelingen worden gehoord.

Wat doet uw commissie zoal? Hoe ziet een gemiddelde werkdag van u eruit?

De commissie bestaat uit verschillende afdelingen, waarin we ons onder andere bezighouden met voorlichting over mensenrechten en met het monitoren van en onderzoek doen naar mensenrechten. We hebben door het hele land vertegenwoordigers die twintig rechten monitoren, te beginnen met het recht op leven, het recht op onderwijs. We hebben een afdeling vrouwenrechten, een voor kinderrechten en ook een voor de rechten van mensen met een handicap. Eén kleine afdeling richt zich op burgerslachtoffers en schendingen van internationale mensenrechten en humanitair recht. We trainen de politie op het vlak van mensenrechten, en we trainen het leger, de rechters, de aanklagers, de leerkrachten. We werken aan het curriculum voor de scholen.

En de laatste tijd nemen we ook deel aan de National Inquiry on Women, Peace and Security. Dus houden we openbare hoorzittingen. We nodigen functionarissen en de vrouwengroepen en activisten uit om te komen praten over de rol van vrouwen in vrede en veiligheid. En we leggen mensen lange vragenlijsten voor, om zo representatieve onderzoeksgegevens te krijgen.

Tot slot zou ik willen zeggen: als we tijdens de onderhandelingen de mensenrechten en vrouwenrechten ondergraven en onderscheid blijven maken tussen mensen van verschillende religies of etnische afkomst, zal dat het conflict opnieuw aanwakkeren. Dan komt er geen einde aan het conflict.

Auteur: Isaac Chotiner

The New Yorker
Verenigde Staten | weekblad | oplage 1.043.000

Sinds 1925 hét New Yorkse tijdschrift met als handelsmerk de satirische karikaturen en geïllustreerde covers. Is met zijn parels van reportages, scherpe politieke analyses, fictie en essayistiek, en brede belangstelling voor cultuur favoriet onder liefhebbers van het journalistieke ambacht.

Dit artikel van Isaac Chotiner verscheen eerder in The New Yorker.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

360 is jarig en trakteert!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief en krijg 3 maanden gratis toegang tot 360 online.