• Esquire
  • Cultuur
  • 4. De Ian Fleming van Swinging London

4. De Ian Fleming van Swinging London

Adam Diment werd eind jaren zestig wereldberoemd met zijn spionageroman The Dolly, Dolly Spy. Zijn rebelse, flamboyante hoofdpersoon Philip McAlpine was een fictieve versie van hemzelf. Waarom verdween hij op het hoogtepunt van zijn succes?

Voordat ik aan dit verhaal begon, kende ik Adam Diment alleen van Wikipedia, als het razend succesvolle literaire wonderkind dat in de jaren zestig met zijn populaire spionageromans in één klap het grootste fenomeen in de Britse boekenwereld werd. In 1967, op zijn drieëntwintigste, sleepte hij op basis van één nog niet gepubliceerd manuscript een contract voor zes boeken in de wacht, met het grootse voorschot dat ooit aan een beginnend schrijver was betaald. Hij werd meer gepromoot als een popster dan als romanschrijver, en de Londense pers noemde hem dan ook ‘de belangrijkste gebeurtenis in de entertainmentindustrie sinds de Beatles’. Overal dook zijn gezicht op, altijd omringd door meisjes, of het nu in de zondagsbijlagen was of op de zijkant van een dubbeldekker.

Bij de verschijning in 1967 van The Dolly, Dolly Spy noemde de Financial Times het debuut van Diment een ‘King’s Road-minithriller, dressed to kill’. Het boek werd in dertien talen vertaald en er werden binnen een jaar een miljoen exemplaren van verkocht. Al snel volgde The Great Spy Race (‘Volkomen ongerijmd, maar betreurenswaardig verslavend’, The Observer) en The Bang Bang Birds (‘De beste prestatie van deze schrijver tot nu toe. James Bond, pak maar in!’, The Times Literary Supplement).

Voortdurend werd de vergelijking met Bond gemaakt en dat was, twee jaar na de dood van Ian Fleming, ook onvermijdelijk. Maar er zijn weinig overeenkomsten tussen de shaken-not-stirred Bond en Diments antiheld. Philip McAlpine is een sarcastische, marihuana rokende en in Carnaby Street-stijl geklede charmeur, die tegen wil en dank voor een vage onderafdeling van MI6 werkt, onder druk van de kleine, uitgesproken machiavellistische Rupert Quine, een werkgever met normen die even buitensporig zijn als zijn psychedelische garderobe.

‘Ik vond hem enorm cool,’ zegt misdaadschrijver Peter James, een van de vele McAlpine-fans. ‘James Bond was een fantasiefiguur, ver weg, in een andere wereld, bijna op een andere planeet. Maar Philip McAlpine had bij mij op school kunnen zitten, hij was de knappe veroveraar die iedereen stiekem graag wilde zijn.’

McAlpine was lang en blond en bezat de luchthartigheid van zijn tijd. Daarmee was hij – zoals de schrijver vrolijk toegaf – bijna een fictieve versie van Diment zelf. En in een tijd dat een schrijver meestal veilig binnen de foto op zijn boekomslag bleef, werd Diments succes even sterk bepaald door wat hij schreef als door zijn flamboyante imago en zijn uitspraken over seks en drugs, die altijd weer mooie koppen in de kranten opleverden.

De schrijver met zijn agent Desmond Elliott (l.) en model/actrice Suzie Mandrake. © Loomis Dean / Getty
De schrijver met zijn agent Desmond Elliott (l.) en model/actrice Suzie Mandrake. © Loomis Dean / Getty

Maar in 1971, na de verschijning van Think Inc, nam Adam Diment simpelweg de benen. Hij liet een spoor van onvervulde mogelijkheden achter: een contract voor nog twee romans, een afgebroken Hollywooddeal waarmee McAlpine de volgende filmspion zou zijn geworden. De storm in de media zwakte af tot hier en daar een gerucht dat hij was gesignaleerd, telkens op een andere, steeds vager wordende, maar altijd exotische locatie. In 1975 bracht The Observer een kort artikel onder de kop: ‘Wat is er toch met Adam Diment gebeurd?’ en het antwoord luidde kort en bondig: ‘Diment woont tegenwoordig in Zürich, houdt zich verre van de publiciteit en heeft geen plannen voor een nieuw boek.’

Veertig jaar later is er nog niets veranderd: geen nieuwe boeken, geen publiciteit en een auteur die zwijgt. Maar anders dan die van zo veel tijdgenoten uit die gouden periode van de Britse spionageroman – Gavin Lyall, Adam Hall, John Gardner – weigerde de ster van Diment te verbleken. In woordenboeken en synoniemenlijsten worden veel woorden toegeschreven aan zijn kleurrijke sixtiesvocabulaire. Op internet bestaat een levendige handel in oude McAlpine-pockets, met hun typerende guns and girls op de cover, ook in grappig vertaalde versies zoals het Zweedse En hip, hip agent [de Nederlandse vertaling luidt Spionage onder druk] en het Franse Les poupées bang bang [Nederlands: De pief-paf-poef poezen].

Boerenzoon

Door de jaren heen hebben uitgevers verschillende (vergeefse) pogingen gedaan om toestemming te krijgen voor een heruitgave van de romans, en hebben thrillerschrijvers van opeenvolgende generaties gezegd dat ze door zijn boeken zijn beïnvloed. En nog steeds vragen mensen zich af wat er toch gebeurd is met Adam Diment.

Zes jaar geleden publiceerde voormalig tv-producer Rob Baker op zijn blog over moderne geschiedenis het stuk ‘The Disappearance of Adam Diment’. Daarin bracht hij alle toen beschikbare informatie over Diment bij elkaar (artikelen, recensies, boekomslagen, tijdschriftfoto’s, plus twee anonieme brieven uit 1969 aan de Bank of England, met schimmige beschuldigingen aan het adres van Diment over witwassen en drugshandel). Het is bepaald niet het enige stuk over Diment dat op internet is verschenen, maar het is de moeite waard, vanwege het bijbehorende discussieplatform, dat is uitgegroeid tot een bedevaartsoord voor Diment-fans.

Er zijn eerbetuigingen van mensen die vroeger al gek waren op de McAlpine-boeken en van mensen die ze nog maar net hebben ontdekt; herinneringen van mensen die Diment in zijn hoogtijdagen hebben gekend of die beweren dat ze hem later hebben ontmoet in Rome, op Ibiza of in Nepal. Sommige mensen beweren dat hij jaren geleden gek geworden is door drugsgebruik, anderen houden vol dat het prima met hem gaat (en dat hij nog steeds schrijft).

Samen laten ze zien dat het verhaal van Diment de natte droom is van elke complotdenker: een afwezige schrijver, een opeenvolging van mooie meiden, een filmdeal die niet doorging, de suggestie van chantage, en dat alles overgoten met een nostalgisch sausje van seks en hasj. Ingrediënten genoeg voor een perfecte Swinging Sixties-thriller, maar weinig feitelijkheden.

Loom, opgewekt controversieel en ontwapenend kleinerend over zijn eigen boeken. ‘Persoonlijk zou ik het rotzooi noemen!’

Frederick Adam Diment werd in 1943 geboren in Weymouth. Zijn ouders waren boeren. Als tiener zat hij op Lancing College, een voorname Victoriaanse kostschool met beroemde literaire oud-leerlingen als Evelyn Waugh, Christopher Hampton en David Hare. In de archieven van de school is echter niets te vinden waaruit de toekomstige carrière van Diment is af te lezen. De gegevens over hem zijn kort en zeggen weinig: ‘Binnengekomen voorjaar ’57. Bronzen Medaille. Prijs voor tekenen ’61. Naar landbouwschool in Cirencester.’

De landbouwschool lijkt een onwaarschijnlijke omweg voor een toekomstig schrijver. Diment brak zijn opleiding dan ook halverwege af. Hij verhuisde naar Londen, waar hij een kamer deelde met een andere vroegere Lancing-leerling, de toekomstige tekstdichter Tim Rice. De schaarse keren dat Rice hem in zijn autobiografie noemt, vormen nu het leeuwendeel van wat bekend is over Diments leven vóór McAlpine; Rice was erbij toen Diment van het ene baantje in het andere rolde en ondertussen veertien verschillende boekmanuscripten produceerde, die allemaal door uitgevers werden afgewezen. En hij was erbij toen Diment naar Fulham verhuisde, naar een flat van James Leasor, die in 1965 Passport to Oblivion [Paspoort voor de vergetelheid] publiceerde, een van de best verkopende boeken van dat decennium.

Het voorbeeld van Leasor werkte blijkbaar stimulerend op Diment, en in zeventien dagen tijd rammelde hij manuscript nummer vijftien uit zijn machine: The Runes of Death. Volgens de overlevering werd het verhaal uitgegeven zonder dat er een letter in werd gewijzigd, afgezien van de titel, die werd vervangen door het beter bij de tijdgeest passende The Dolly, Dolly Spy. Lucy Abelson, die destijds als journalist voor het tienerblad Rave werkte, interviewde Diment bij de verschijning van zijn boek. Het stuk zette de toon voor alle interviews die Diment in zijn succesperiode zou geven: loom, opgewekt controversieel en ontwapenend kleinerend over de boeken zelf. ‘Persoonlijk zou ik het rotzooi noemen!’

Van het begin af aan was de belangrijkste aantrekkingskracht van de boeken niet het luchtige, snelle proza waarin ze waren geschreven, maar de onduidelijke grens tussen McAlpine en Diment zelf. Bij fotosessies poseerde hij bereidwillig als zogenaamde spion: met een machinegeweer in de aanslag, als piloot in een Tiger Moth, achter het stuur van een snelle sportauto, innig verstrengeld met een meisje of bezig een joint te draaien.

Hasj was het belangrijkste ingrediënt in het verhaal achter McAlpine en in Diments eigen verhaal. Het was het symbool van de tegencultuur, dat hen beiden onderscheidde van keurige Bond. Opgewonden citeerde een Italiaans tijdschrift een trotse uitspraak van zijn uitgever: ‘Diment schrijft 750 woorden per uur, met behulp van hasj’. ‘Jongeren praten graag over dit soort dingen, maar dat betekent niet dat ze het ook echt doen,’ verzuchtte zijn vader, toen een reporter van Life bij de familie op de stoep verscheen. In een terugblik op al die media-aandacht zou Tim Rice tientallen jaren later over het succes van zijn vroegere huisgenoot zeggen: ‘Iemand moest de eerste drugsschrijver worden, en Adam had het geluk dat hij dat was.’

Adam Diment beleeft avonturen met zangeres Victoria Brooke. – © Loomis Dean / Getty
Adam Diment beleeft avonturen met zangeres Victoria Brooke. – © Loomis Dean / Getty

‘Ik ben bang dat ik u zal teleurstellen. Maar het is zeker dat het personage dat Diment aan de buitenwereld toonde, gecreëerd was door mijn baas, Desmond Elliott.’ Dat is de eerste zin van mijn correspondentie met Carolann Smith-Dorrien, en het was voor mij ook de eerste aanwijzing dat Diment zelf misschien wel even fictief was als de spion die hij had bedacht. Smith-Dorrien werkte eind jaren zestig als assistent van de man die verantwoordelijk was voor de snelle opkomst van Diment.

Desmond Elliott was een legende in de Londense uitgeverswereld, een kleine, roodharige Ier met een kleurrijke smaak op het gebied van pakken, en het is dan ook verleidelijk om in hem Diments roodharige meesterspion Rupert Quine te herkennen. Hij boekte zijn eerste succes met The Virgin Soldiers van Leslie Thomas en zou later nog bestsellerauteurs als Jilly Cooper, Richard Doyle en Penny Vincenzi begeleiden.

‘Adam was lang en blond, en vrij knap,’ zegt Smith-Dorrien. ‘En hij was kneedbaar. Ik weet zeker dat Desmond iets heeft gezegd in de trant van: “Ik kan iets van jou maken, als je me mijn gang laat gaan.”’ Kennelijk stond Diment daar wel voor open. Hij liet zijn haar groeien, kocht een Bond-waardige Aston Martin en, zoals Rice zegt, ‘begon te doen alsof hij voortdurend stoned was. Elliott stuurde hem naar King’s Road, waar hij zich uitdoste als een soort achttiende-eeuwse dandy.’

Deze wending in het leven van Diment klinkt ook door in het verhaal van een vrouw met een naam die te volmaakt is om waar te zijn: Suzie Mandrake, die in T_he Dolly, Dolly Spy_ opduikt als Veronica, een vroeg liefje van McAlpine. Zelf heeft ze een veelbewogen carrière achter de rug (meisje uit de hogere kringen, nachtvlinder, kunstenaarsmodel, pornosterretje) die een eigen roman waard is.

‘Hij was nog behoorlijk groen, echt een plattelandsjongen, toen we elkaar leerden kennen,’ herinnert ze zich. ‘Adam ging veel met mijn vriendje en mij om, en zo maakte hij kennis met het leven in Chelsea. Zijn new romantic-look kwam pas toen hij beroemd werd en pr-foto’s liet maken. Vóór die tijd was hij meer een “anoraktype”. Volgens mij was die look bedacht door Desmond Elliott.’

In Londen kreeg Diment veel aandacht in de pers en er werd een feest gegeven ter ere van de verschijning van The Dolly, Dolly Spy, uiteraard in nachtclub Dolly’s in St. James’s Street. In het hele land werd Diment gevraagd voor allerlei evenementen, om prijzen uit te reiken, schoonheidswedstrijden te jureren. En altijd waren er de meisjes, die door Elliott werden geronseld om zich samen met de schrijver te laten fotograferen: Victoria Brooke, die later met een Getty trouwde, Camille, een glamoureus meisje uit Cuba dat nog verder uit zicht is geraakt dan Diment, en – kortstondig – Mandrake. Zij en Diment kregen een relatie, maar die duurde niet lang. ‘Voornamelijk,’ zegt ze lachend, ‘omdat zijn ouders het verschrikkelijk vonden dat hij ze wilde laten kennismaken met een meisje met wie hij op een foto in het blad Life in bed lag en ook nog een waterpijp rookte.’

Kort daarna regelde Elliott een deal voor de verfilming van The Dolly, Dolly Spy, met David Hemmings als McAlpine. Het was een logische stap: de eerste vijf Bondfilms waren een doorslaand succes geweest en er werd een stroom navolgers geproduceerd die probeerden mee te liften op de spionnenrage, zoals Licensed to Kill, Our Man Flint en OK Connery. De opnamen zouden eind 1968 beginnen en Diment zette zijn succesverhaal voort. Hij rammelde er binnen dat jaar nog twee romans uit, schreef columns in tijdschriften, trad geregeld op in praatprogramma’s, had een cameo in de cultfilm Popdown (over buitenaardse wezens in Swinging London) en maakte een promotietournee door Europa.

Maar veel journalisten vonden Adam Diment te mooi om waar te zijn. De Britse New Statesman merkte op: ‘Volgens sommigen is het fenomeen Diment te vergelijken met wat er in de popmuziek gebeurt: een ster die wordt bedacht door trendgevoelige ondernemers, die een aardig gezicht vinden en dat vervolgens zijn mond laten bewegen op de maat van de muziek.’

De grote invloed van Elliott op zijn imago doet niets af aan het succes van Diment, of aan zijn schrijverschap. Het zou wel voor een deel kunnen verklaren waarom hij dat alles op een bepaald moment de rug heeft toegekeerd. ‘Hij was heel luchthartig,’ zegt Mandrake, ‘maar in zijn hart wilde hij graag een serieus denker zijn, en al genoot hij er eerst wel van dat hij beroemd was, het begon hem al snel te vervelen.’ Per slot van rekening moest de jonge schrijver zien om te gaan met de gevolgen van het feit dat hij niet één maar twee denkbeeldige personages had gecreëerd: Philip McAlpine en Adam Diment.

Niet vergeten

Adam Diment blijkt helemaal niet moeilijk te vinden te zijn. Ondanks alle verhitte speculaties in de loop der jaren is hij nooit werkelijk verdwenen à la Lord Lucan of Agatha Christie. Dit is het informatietijdperk, en de basisfeiten van zijn leven (net als die van ons allemaal) zijn met één keer zoeken op Google te vinden. Het duurt niet lang om erachter te komen dat hij levend en wel is, en dat hij er gewoon voor heeft gekozen om geen antwoord te geven op vragen die te maken hebben met zijn vroegere roem. Als ik zijn vrienden en familieleden benader, stuit ik op loyaal stilzwijgen en hoffelijke afwijzing. Pr-mensen sturen verontschuldigende e-mails: ‘Tim Rice wil dit liever niet doen zonder toestemming van Adam Diment en hij kan hem op dit moment niet bereiken.’ Jilly Cooper ‘kan zich de heer Diment nog maar heel vaag herinneren’.

Maar de grotere wereld is Diment niet vergeten. Britse thrillerschrijvers van nu zoals Jeremy Duns en Adrian Magson roemen hem om zijn manier van schrijven. ‘Ik was nog een tiener en had geen cent te makken,’ zegt Magson, als hij vertelt hoe hij in een kringloopwinkel in Zuid-Londen op The Dolly, Dolly Spy stuitte. ‘Het was verfrissend en paste goed bij het gevoel van die tijd. Ik vond het leuk dat McAlpine zo tegen het gezag was, een echte rebel en jong genoeg om zich nergens iets van aan te trekken, maar met genoeg ervaring om zichzelf uit de problemen te halen. Het boek bevatte bovendien zwarte humor, dat beviel me ook.’

Duns, die nog niet zo lang bewonderaar van Diments boeken is, zegt: ‘Ik vind dat ze erg worden onderschat. In zijn tijd werden ze door de marketeers verkocht als een hip alternatief voor de saaie, middelbare James Bond, en Diment werd gepresenteerd alsof hij bijna een alter ego van zijn personage was. Daardoor werden zijn boeken denk ik minder serieus genomen. Natuurlijk hebben ze wel wat Austin Powers-trekjes, maar het zijn ook strakke, goedgeschreven thrillers, met een sterke plot.’

Favoriet bij Magson en Duns is The Dolly, Dolly Spy, het debuut dat alle records brak en dat in de The New York Times werd bejubeld als ‘een van de grappigste antispionageromans’. Maar het boek dat mij het meest bijblijft is Think Inc, de grimmige finale van de reeks. Dit deel is in een aantal jaren in plaats van weken geschreven, toen Diment zich terugtrok uit de scene van King’s Road, en het combineert het beste van zijn schrijverschap – een razend tempo, plotselinge overgangen naar ijzig efficiënt proza, verrassende vlagen onverklaard geweld – met een nieuwe, koele sfeer.

De roman begint in de nasleep van een internationale operatie die hopeloos is misgelopen. Na een gespannen confrontatie met Quine wordt McAlpine ontslagen uit de dienst, en om een aanslag op zijn leven te ontlopen neemt hij zonder spijt afscheid van Swinging London en gaat hij ervandoor. Al zwervend door Europa wordt hij lid van een internationaal opererende misdaadbende. Het is een verhaal zonder hoop, elk hoofdstuk hamert een nieuwe nagel in de doodskist van Diments slimme spion. Het eindigt in een sombere, prikkelende cliffhanger, waarin McAlpine alleen is achtergebleven en al zijn levenskansen en geluk heeft opgebruikt.

Think Inc was geen al te groot succes. Tegen die tijd hielden weinig mensen zich bezig met de vervagende roem van de auteur, afgezien van krantencolumnist Eric Hiscock, die het volmaakte grafschrift voor de carrière van de schrijver bedacht: ‘Diments zijn blijkbaar niet forever.’

Hier en daar valt een glimp op te vangen van Adam Diments leven na de roem. Een kennis uit Londen is hem begin jaren zeventig op Ibiza tegengekomen en gelooft dat Diment van plan was om psychologie te gaan studeren aan de Universiteit van Californië. Toen The Observer het ‘Waar is hij?’-artikel publiceerde, woonde Diment in Zürich, de Aston Martin was vervangen door een aftandse Fiat en de rol van beroemd auteur door die van redacteur bij een in psychologie gespecialiseerde uitgeverij. Zijn laatste schrijfwerk dateert – voor zover ik weet – uit die tijd: een bepaald niet spannende introductie bij de nieuwste aanbieding van de uitgeverij.

Backpacker Clay Caughman ontmoette Diment twee jaar later in een afgelegen hotel in Nepal. ‘Adam had de kamer naast mij. Hij zat elke ochtend te tikken en elke middag kwam de ganja-man langs om ons wiet te verkopen. We hebben veel gepraat, voornamelijk over schrijven. En hij leefde nog steeds van het geld dat hij had verdiend met The Great Spy Race, dat weet ik nog.’ Maar toen Suzie Mandrake hem eind jaren zeventig in Londen zag, waren die fondsen blijkbaar uitgeput. ‘We waren elkaar uit het oog verloren. Ineens stopte hij voor mijn neus bij een bushalte, en hij zei dat hij tegenwoordig als minicab-chauffeur werkte.’

Daarna is er voor zover bekend tientallen jaren niets meer van Diment vernomen. Tot er, zo’n tien jaar geleden, weer sporen opdoken: Lucy Abelson kwam hem tegen op een schrijversconferentie in Winchester. Rond dezelfde tijd ontmoette de Canadees Hugh Harrison Diment in een bar in Cambodja en raakte met hem bevriend. ‘Ik weet dat hij nog minstens één boek heeft geschreven. Het probleem is dat uitgevers weinig voelen voor de onderwerpen waarover hij heeft geschreven en dat hij er niet voor voelt om zijn ziel te verkopen… Maar ik durf met vrij grote zekerheid te zeggen dat als Adam een uitgever bereid vindt de manuscripten uit te geven die hij een hele tijd geleden in een schoenendoos heeft gestopt, hij met alle plezier zal instemmen met de herdruk en verspreiding van een passende hoeveelheid van zijn spionageromans uit de jaren zestig.’

Anderen zijn daar minder zeker van. Adam Jezard, een redacteur van de Financial Times die als jongen dol was op de McAlpine-boeken, is die boeken en hun auteur nooit vergeten. ‘Toen ik ouder werd, verdwenen de boeken en kreeg ik er juist meer belangstelling voor. Uiteindelijk deed ik een poging om Adam op te sporen, en ik wist via zijn vader contact met hem te leggen. Adam kwam aan de telefoon en zei dat wat er in het verleden was gebeurd hem niet interesseerde.’ Jezard zucht. ‘Wel heel jammer. Dit is zo’n verhaal dat geen eind krijgt.’

Op de drempel

Mij lijkt het een goed idee om Diment op te sporen. Ik wend me tot zijn jongere broer Nicholas, die vriendelijk en eerlijk reageert: ‘Adam is tegenwoordig een beetje op zichzelf en houdt niet van interviews. Maar wat wil je weten? Misschien kan ik je helpen. Ik zeg niet dat ik zomaar alles mag beantwoorden, maar je kunt het altijd proberen.’

Wat wil ik weten? Dat is een redelijke vraag, die ik tot nu toe steeds heb vermeden sinds ik aan dit artikel begon te werken. Adam Diment, de man die vier decennia geleden de schrijver Adam Diment achter zich liet en nooit te kennen heeft gegeven dat hij van gedachten wilde veranderen. Maar in deze wereld waarin alles toegankelijk moet zijn, accepteren we geen ontbrekende puzzelstukjes; er is altijd een andere route rond het probleem. En tijdens de korte treinreis van Londen naar het dorp waar Diment nu woont, heb ik alle redenen gerepeteerd die hem misschien, heel misschien, toch van gedachten kunnen doen veranderen. Misschien zit er meer vast aan dit verhaal. Misschien kan het op zijn minst een eind maken aan de nieuwsgierigheid, aan het telkens weer opgerakeld worden van dat verleden. En misschien is het zelfs wel een opluchting, na al die jaren van stilte, om eindelijk te praten.

Het huis van Diment staat boven aan een lange helling, net voorbij de grens waar villawijken en hoge bomen plaats maken voor het open landschap. Het ziet er kleiner uit dan ik had verwacht, een wirwar van schoorstenen en gevels, en ramen die zo klein zijn dat ze ontworpen lijken om het licht buiten te houden in plaats van het binnen te laten. Er klinkt geen geluid in het weidse, lege landschap, er is geen beweging, geen teken van leven, er zijn alleen golvende landerijen en een zachte hemel. Maar onverwacht, bijna tot mijn schrik, staat de voordeur op een kier.

Ik klop aan. Na een paar minuten klop ik nog een keer, een nerveuze roffel en roep dan luid de gang in: ‘Meneer Diment?’ Geen antwoord. Ik zou zo dit schijnbaar lege huis vol mogelijke antwoorden binnen kunnen gaan. Diment is misschien buiten of weg, of hij is wel binnen, maar laat zich niet zien en wacht tot ik wegga. Maar dan klinkt op de weg plotseling gebrul, als de wachtende taxichauffeur even gas geeft. De stilte wordt verbroken en daarmee ook de magie; ik sta, onuitgenodigd, op de drempel van een vreemde.

Een paar uur na mijn vergeefse bezoek krijg ik een telefoontje van Diments jongste zoon. Zijn vader is niet eens in het land. De afgelopen jaren is hij weer het pad van de drop-outs naar het Verre Oosten op gegaan, dat hij voor het eerst in de jaren zeventig had gevolgd.

In een opwelling zoek ik het nummer op van het hotel in Phnom Penh waar Hugh Harrison ooit Diment heeft ontmoet. Het kost een paar minuten moeizaam herhalen via een krakende lijn, om vast te stellen dat daar een Britse toerist logeert met een naam die in de verte zou kunnen klinken als ‘Diment’, maar het duurt slechts een paar seconden voor de opgewekte receptionist aanbiedt om hem te gaan halen. Ik leg de telefoon neer, half in shock, met kloppend hart. Is Adam Diment al die tijd maar één telefoontje bij me vandaan geweest?

Tien minuten later bel ik terug en als ik verschillende keren ‘Dai-ment’ heb gebruld, weten ze weer wie ik ben en wat ik wilde. ‘O, jaaa. Dai-ment! Hij weg.’

Auteur: John Michael O’Sullivan
Vertaler: Annemie de Vries

Esquire
Verenigd Koninkrijk | maandblad | oplage 53.000

Stijl, hotspots, auto’s, horloges en meer mannennieuws.

Dit artikel van John Michael O’Sullivan verscheen eerder in Esquire.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!

En ontvang wekelijks het beste uit de internationale pers in uw mailbox.