• Internazionale
  • Economie
  • Bestemming Paradijs

Bestemming Paradijs

Internazionale | Rome | Francesca Borri | 31 maart 2017

Dat paradijselijke eilandenrijk de Malediven is verre van paradijselijk voor de lokale bevolking. Sterker nog. Ze noemen het een hel. ‘Male’ telt het hoogste aantal Syriëgangers per hoofd van de bevolking. De doodstraf is heringevoerd, de sharia geformaliseerd en voor het stelen van een mango staat een lange celstraf.

‘Het zijn goede vechters, hè?’ zegt de taxichauffeur trots als ik hem vertel dat ik uit het Midden-Oosten kom en journalist ben. Praat in Parijs, in Brussel, in Tunis met moslims over de jihadisten van IS en ze zeggen allemaal beschaamd, bijna verontschuldigend: Ze zijn knettergek. Op de Malediven zeggen ze: Het zijn helden.

Veel westerse toeristen beseffen niet eens dat het een islamitisch land is. De Malediven zijn evenwel het niet-Arabische land met het hoogste aantal Syriëgangers per hoofd van de bevolking. Circa tweehonderd, op vierhonderdduizend inwoners. De regering ontkent het. Maar iedereen heeft wel een broer of een neef in Syrië. Toen de hele wereld in augustus naar de Olympische Spelen keek, keken ze hier allemaal naar de strijd om Aleppo. En moedigden ze Al-Qaida aan.

In theorie zijn de Malediven een archipel van 1192 eilanden. Maar voor de Malediviërs is er maar één eiland: Male. De hoofdstad. Op de eilanden hebben ze maar een paar winkels, en een school. Een voetbalveldje. Soms is er niet eens elektriciteit. Voor alles moet je naar Male. Male lijkt een stad als duizenden andere, maar beslaat slechts 5,8 vierkante kilometer en heeft officieel honderddertigduizend inwoners, al wonen er in werkelijkheid twee keer zo veel: in Male is ieder hoekje en gaatje bewoond.

In een van de hoofdstraten, de Buruzu Magu, sla ik een heel smal steegje in dat uitzicht biedt op een stukje ansichtkaart: een blauw, een groen en een geel huis. Aan het einde een wenteltrap. Achter de eerste deur rechts wonen ze met zijn vijven, achter de eerste links met zijn negenen, en achter de tweede zijn ze allemaal immigrant, ze komen uit Bangladesh, wonen met zijn achttienen in één kamer en slapen bij toerbeurt. In het huis daarna staat achter een deur een tafel van halfverrot multiplex, moeder en dochter zitten in het donker te kletsen en naast hen, op een versleten mat, zit een eveneens versleten oude vrouw te reutelen, haar dorre grijze haar uitstaand als de draden van een doorgebrande gloeilamp. Ze wonen er met zijn zestienen, te midden van vodden en schoenen met gaten, met jute en stukken golfplaat opgelapte muren, de stank van lichamen. De keuken is een butagasstel. In de kamers staan geen tafels of stoelen, er is helemaal niets, ook geen ramen, alles ligt door elkaar op de grond, de was hangt aan het plafond te drogen. Aan de muur hangt een plasmatelevisie, gekregen bij de laatste verkiezingen, in ruil voor een stem. Maar een gemiddeld inkomen hier is 8000 rufiyaa, 470 euro: net genoeg voor een elektriciteitsrekening. De huur voor drie kamers is 20.000 rufiyaa.

Kinaan is in zo’n huis opgegroeid. Met z’n zessen in één kamer, ouders die voortdurend ruziemaakten. De zee was hun douche. Nu is hij eenendertig, en de bekendste en meest gevreesde misdadiger van Male. Als je met hem op pad bent, maakt iedereen ruim baan. Male is verdeeld tussen een dertigtal gangs, elke heeft tussen de vijftig en de vijfhonderd leden. We hebben het hier over een tiende van de bevolking, in de hoogste schatting: een vijfde van alle jongeren. In de eerste en laatste studie over straatgeweld, uit 2009, zei 43 procent van de ondervraagden dat ze zich zelfs in hun eigen huis niet veilig voelden. Kinaan is op zijn vijftiende voor het eerst in de gevangenis beland, omdat hij had gevochten. Hij is sinds zijn zeventiende verslaafd aan heroïne en alcohol. En hij verkoopt nog steeds drugs om te overleven. ‘Want niemand biedt je hier een tweede kans,’ zegt hij. ‘Ik ben bereid elk soort werk te doen, maar niemand heeft me ooit willen aannemen. Zelfs niet als losser in de haven. Vroeg of laat worden we allemaal gearresteerd, allemaal vanwege drugs, want als je met z’n tienen in een kamer woont, leef je in feite op straat. Male is een hel, je hebt er geen toekomst, niks, en alcohol is verboden: heroïne kost veel minder dan wodka. En onzinnig genoeg zijn de straffen erg streng. Als je een mango steelt, riskeer je een jaar gevangenisstraf en ben je voor het leven getekend. Maar tegelijkertijd is er sprake van totale tolerantie: we worden namelijk ingehuurd door politici. Tegen vaste tarieven, twaalfhonderd dollar voor het ingooien van een etalage, zestienhonderd voor het molesteren van een journalist. De opdrachten variëren van flyeren tot iemand overhoopsteken. Dus als ze willen, als je van nut bent, halen ze je uit de gevangenis.’ Kinaan is twee keer veroordeeld, maar heeft zijn straf nooit uitgezeten. Net zomin als zijn vriend Dhonko. ‘En wat doe jij dan voor werk?’ vraag ik hem. Hij lacht. ‘Ik zit vijfentwintig jaar gevangenisstraf uit.’

Kinaan probeert al tien jaar lang zijn leven te veranderen. En dus heeft hij besloten om nu op eigen houtje een tweede kans te creëren: hij heeft besloten naar Syrië te gaan. ‘Het is niet moeilijk. Niemand houdt je tegen. Ze hebben er allemaal belang bij zich van ons te ontdoen: we hebben al hun misdrijven gepleegd, we kennen al hun geheimen. En we willen hier allemaal weg. Alles is beter dan Male.’

Bewoners van Villingili, 2009. – © Tommaso Bonaventura / Contrasto
Bewoners van Villingili, 2009. – © Tommaso Bonaventura / Contrasto

‘Als ik in Syrië word gedood, is het in elk geval om een goede reden.’

Voor velen hier is Syrië een economische en morele kans: een vorm van verlossing. Het enige wat Kinaan nog weerhoudt is dat hij wil proberen zijn broer Humam te redden. Na een moratorium van zestig jaar wordt de doodstraf weer uitgevoerd. En Humam staat boven aan de lijst: hij is beschuldigd van het neersteken van een gedeputeerde. Hij heeft zijn bekentenis ingetrokken en verklaard dat hij door de politie onder druk is gezet, en bovenal vertoont hij, volgens Amnesty International, vaak tekenen van geestelijke instabiliteit. Maar hoe het ook zij, hij blijft de dader van een duidelijk politieke moord. Afrasheem Ali was presidentskandidaat, en Maumoon Abul Gayoom, die dertig jaar lang, van 1978 tot 2008, president was van de Malediven en ook nu nog wordt beschouwd als de vader des vaderlands, had verklaard dat zijn partij de kandidaat zou steunen met de sterkste geloofsbrieven inzake de islam. Afrasheem Ali dus, en niet Abdulla Yameen, de huidige president.

Maar toen hij op een avond op weg was naar huis, is Afrasheem Ali vermoord.

In het nieuwe wetboek van strafrecht is niet alleen de doodstraf heringevoerd, maar is een jaar geleden ook voor de eerste keer de sharia geformaliseerd. Op de Malediven is de islam altijd politiek geweest, en niet louter religie. Toen Gayoom aan de macht kwam, waren de Malediven nog gewoon een archipel van primitieve vissers. Want in werkelijkheid is het er helemaal geen paradijs: ze hebben er niet eens een zoetwaterbron. Gayoom had in Caïro aan de Al-Azhar-universiteit gestudeerd: voor de Malediviërs uit die tijd was zijn woord niet dat van een president, maar het woord van God. Het was Gayoom die de resortformule ontwikkelde, het toerisme van vijfduizend dollar per nacht.

Het was dé manier om het land te moderniseren, maar ook om het onder controle te houden, door de bevolking op Male te concentreren en vooral door elk contact met andere culturen te verbieden. Van de 1192 eilanden zijn er slechts 199 bewoond, en 111 zijn resorts, maar er is geen enkele interactie. Ook niet in de resorts. Buiten werktijd is het de werknemers verboden er rond te blijven hangen.

En dan zijn de resorts ook nog eens gebouwd door buitenlandse ondernemers. De wet gebiedt wel dat die een Maledivische partner hebben – over het algemeen een Malediviër die goed bevriend is met een politicus. Of die zelf politicus is. Op de Malediven bezit 5 procent van de bevolking 95 procent van de rijkdom.

Zelfs de tsunami in 2004 is geïnterpreteerd als een straf van God. In allerlei filmpjes is te zien hoe het water op een van de eilanden alles wegvaagt, behalve de moskee

Daar komt bij dat elke tegenstander niet alleen maar een tegenstander is: hij is een ongelovige. Shadindha Ismail, 38 jaar en hoofd van het Democracy Network, de belangrijkste organisatie voor de mensenrechten, zegt hierover: ‘Ze hebben het geloof gepolitiseerd en de politiek gesacraliseerd.’

Zelfs de tsunami in 2004 is geïnterpreteerd als een straf van God. In allerlei filmpjes is te zien hoe het water op een van de eilanden alles wegvaagt, behalve de moskee.
Het resultaat is dat er nu veel, heel veel jongens zijn als Ali. Klaar om naar Syrië te vertrekken.

Ali is 22 en ziet er bescheiden, bijna ascetisch uit. Hij is mager, draagt slippers, jeans en een overhemd met een mao-boord dat een beetje op een tuniek lijkt. Drie, vier centimeter baard. Het is een zwijgzame, verlegen jongen. En hij is er bovenal klaar voor: hij heeft de drieduizend dollar voor de reis bijna bij elkaar gespaard – door hasj te verkopen. Hij is nog nooit buiten de Malediven geweest, maar inmiddels heeft hij een mobieltje met alle kaarten van Turkije en weet hij alles van het front. Hij weet minder over Syrië. Over de complexheid ervan. De gevechten tussen de rebellen, de plunderingen, de smokkel – eigenlijk gaat hij ook niet naar Syrië, want, zegt hij: ‘Ik ga naar het paradijs.’

‘Wat denk je er te vinden?’ vraag ik.

Hij twijfelt geen moment. ‘Broederschap.’ Een nieuw leven. Een ander leven. ‘Een samenleving waarin we allemaal mensen zijn, en geen gieren of kadavers, zoals hier, waar iedereen van elkaar profiteert. Jij mag dan denken dat je nergens in gelooft,’ zegt hij, ‘maar je gelooft wel, je gelooft in de wereld zoals die is. Je gelooft net zo veel als ik.’

Van de islamitische staat waarin hij zou willen wonen weet hij vooral wat het niet moet zijn. Maar Husham lacht als ik hem vertel dat bij ons wordt gezegd dat Syriëgangers niet echt weten wat de islam inhoudt, als ik hem vertel over de Engelse jongen die op het vliegtuig een shariahandboek kocht. ‘Geen enkele moslim zou zichzelf een islamdeskundige durven noemen, of het moet een imam zijn,’ zegt hij. ‘Maar de Koran begint met: “Lees”.’ Dan kijkt hij me aan en zegt: ‘Net als Kant, toch? Sapere aude.’ Hij is twintig, en ziet eruit als wat hij is: een student, en een briljante ook, jeans, poloshirt en schoudertas. Shariafaculteit.

Onder de Malediviërs

‘Islam is rechtvaardigheid. We zouden een tweede Zwitserland kunnen zijn, ware het niet dat alles hier een kwestie van gunsten is. Als je ziek wordt, klop je op de deur van de president en betalen ze je behandeling in het buitenland. Dat is ook de reden dat niemand in opstand komt. Iedereen hier lost zijn problemen zo op. We zijn geen burgers: we zijn bedelaars.’ Maar waarom begint hij dan niet met de Malediven, vraag ik hem. ‘We zijn moslims. We zijn één gemeenschap. En Syrië heeft simpelweg prioriteit. Als we met vijfhonderdduizend doden eerder aan onszelf zouden denken dan aan Syrië, zou dat raar zijn.’

Zijn rolmodel, na Mohammed, is Malcolm X.

En toch zou op de Malediven genoeg voor hem te doen zijn. Alleen moslims kunnen hier burgers zijn, op school is de islam het belangrijkste vak en vijf keer per dag sluiten de winkels voor het gebed, al blijven de werknemers dan binnen zitten koffiedrinken. Ze gaan niet naar de moskee. Het is net als met alcohol: het is verboden, maar wordt verkocht in de bar van het Island Hotel, naast het vliegveld. Als je maar betaalt. Zelfs de minister van Islamitische Zaken is gefilmd in gezelschap van twee prostituees.

Toeristen krijgen hier echter helemaal niets van mee. Ook niet de toeristen die voor een verblijf in een guesthouse kiezen, een recent idee van Mohamed Nasheed, die Gayoom in 2008 heeft opgevolgd bij de eerste democratische verkiezingen in de geschiedenis van de Malediven. Anders dan de resorts bevinden de guesthouses zich op de bewoonde eilanden. En dus leveren ze niet alleen wat salaris op, maar doorbreken ze ook het culturele isolement: in de guesthouses ben je in theorie onder de Malediviërs.

Het eerste is geopend in Maafushi, twee uur met de veerboot vanaf Male. Vier Napolitanen dwalen verloren over dat wat op de bordjes wordt aangeduid als Bikini Beach, het strand voor buitenlanders. Ze zijn hier sinds gisteren, twee gescheiden ondernemers, een met zijn twee twintigjarige zoons. Ze hadden geen idee dat de Malediven islamitisch waren. En het is ook een schuilplaats van IS, zeg ik. ‘Jezus,’ roept Andrea met grote ogen uit. Dan zegt hij tegen zijn vriend: ‘Gast, hoor je dat? IS zit hier. Naar vrouwen kunnen we fluiten.’

In feite is er helemaal niets in Maafushi. In 2012 is Nasheed met een staatsgreep afgezet, en de huidige regering tracht de guesthouses alleen maar tegen te werken: ze betalen dezelfde belastingen als de resorts, waar een tweepersoonskamer echter geen honderd, maar duizend dollar per nacht kost, en er wordt helemaal niets in de eilanden geïnvesteerd. Naast het strand heeft Maafushi alleen maar een paar cafés. ’s Avonds is het enige vertier de krabbenrace, zegt Andrea. ‘Je betaalt voor de naam en dat is het. Alleen om te zeggen dat je op de Malediven bent geweest.’ Een van de twee jongens dwaalt bij zonsondergang met ontbloot bovenlijf door de minimarket, hij checkt elk flesje vruchtensap in een wanhopige zoektocht naar een biertje. Hij heeft nog niet ontdekt dat er wel degelijk bier is: er ligt een boot voor de kust waar alcohol wordt verkocht. Maar in Maafushi verkoopt niemand het, en dus wordt de Koran geëerbiedigd. We staan voor de moskee. De mannen werpen hem een boze blik toe. Hij snapt wat ik denk. ‘Het is warm,’ zegt hij. ‘Mijn huid is helemaal zout, mijn T-shirt plakt eraan vast.’ Er komt een vrouw in een niqaab voorbij, ze wendt zich gegeneerd af. ‘Doorlopen, gedrocht dat je bent,’ zegt hij. ‘Wie wil jou nou?’ Hij kijkt naar haar man. ‘Hou ’r maar lekker.’

‘Als je uit een rijke familie komt, ga je in het buitenland studeren. Anders ga je naar Syrië’

Heel veel vrouwen dragen een niqaab. Helemaal bedekt. Helemaal in het zwart. ‘Maar deze extreme soort islam is geen traditie, het is innovatie,’ zegt Mariyath Mohamed, dertig jaar, journaliste. ‘Net als in Gaza. Net als in Bagdad. Dertig jaar geleden droeg niemand een hoofddoek.’ De islam hier is geënt op het boeddhisme. Het nationale museum mag dan in 2012 bestormd zijn en de beelden die er stonden kapotgeslagen, je hoeft maar een van de oudere moskeeën binnen te gaan om te zien dat het ooit tempels waren. De gebedsrichting naar Mekka werd pas later diagonaal op de vloer aangegeven.

Maar toen kwam Gayoom. En hij niet alleen. ‘Een paar jaar later kwamen ook alle seculiere Arabieren hier die na 1967, na de zesdaagse oorlog en de nederlaag van Nasser in Saoedi-Arabië waren gaan studeren. Voor Gayoom, voor zijn ideologische monopolie, vormden zij een gevaar. En dus werden ze allemaal in de gevangenis gegooid. Ze werden gemarteld. Gedood. En tot helden gemaakt. Voor velen vertegenwoordigden ze niet alleen de islam, maar ook het verzet tegen een regime.’ En toen, zegt ze, kwam de tsunami. En nu ‘is de volgende tsunami Syrië’.

Maar voor de regering bestaat het fundamentalisme niet. Bij het nieuws van de eerste twee Malediviërs die waren gedood in Syrië, in 2014, wees president Yameen elke verantwoordelijkheid af. ‘We hebben onze landgenoten in het buitenland altijd verzocht zich netjes te gedragen,’ verklaarde hij.

‘De regering gaat de confrontatie min of meer uit de weg, en in wezen onderschrijft ze bepaalde denkbeelden. Zoals iedereen,’ zegt Nazeer. Hij is 23 en een van de bekendste dissidenten. Hij is zich aan het specialiseren in mensenrechten. Maar hij is ook de neef van Ali. Ze zijn erg close, maar toch probeert hij hem niet tegen te houden. ‘Ik kan geen oordeel vellen over zijn keuze. Voor mij is het simpelweg een verloren strijd,’ zegt hij.

Het is dus niet een verkeerde oorlog op zich: voor Nazeer is het alleen een verkeerde oorlog omdat die gedoemd is tot een nederlaag te leiden. Hij zoekt een promotieplaats in Europa. ‘Hier kun je niet studeren. Letterlijk: de toeristen hebben een heel eiland voor zich, en wij hebben niet eens een rustig hoekje om ons op een boek te concentreren. En dan gaan ze af en toe ook nog pal voor je huis van boord en fotograferen je ellende onder het mom dat het folklore is. Maar kijk eens waar we zijn,’ zegt hij. We zijn op het strand van Male. Het is een kunstmatig strand – ook nog eens vervuild door afval van het ziekenhuis. ‘We hebben zelfs geen zee meer. Wat hebben we voor alternatieven? Als je uit een rijke familie komt, ga je in het buitenland studeren. Anders ga je naar Syrië.’

Kinaan is klaar om te vertrekken. Om de onderdrukten te helpen, preciseert hij. Niet om ongelovigen uit te roeien. ‘Een van de gangs heet Bosnië. Wie weet hoeveel er ooit Aleppo zullen heten.’

Auteur: Francesca Borri
Vertaler: Yon Boeke

Openingsbeeld: Toeristen op het eiland Villingili in de Malediven in 2009. – © Tommaso Bonaventura / Contrasto

Francesca Borri

Francesca Borri (1980) studeerde journalistiek in Florence en Pisa en werkte vervolgens in het Midden-Oosten en de Balkan. Haar eerste boek, uit 2008, ging over het conflict in Kosovo, in 2010 gevolgd door een publicatie over het Israëlisch-Palestijnse conflict. In 2012 richtte zij zich op de Syrische Burgeroorlog en versloeg vooral de strijd om Aleppo. Haar boek daarover, Onze vrouw in Aleppo, verscheen in Nederlandse vertaling bij De Geus. Borri schrijft voor onder meer de Italiaanse tijdschriften Il Fatto Quotidiano, Internazionale en voor de Engelstalige website over het Midden-Oosten, Al-Monitor.

Internazionale
Italië | weekblad | oplage 125.000

Geïnspireerd door het Franse weekblad Courrier International startte hoofdredacteur Giovanni di Mauro in 1993 het Italiaanse equivalent, Internazionale. Het weekblad – de grote broer van 360 – kiest de beste verhalen uit de wereldpers en maakt artikelen toegankelijk die anders ontoegankelijk zouden zijn gebleven voor een lezerspubliek dat overwegend weinig andere talen dan het Italiaans spreekt. Internazionale besteedt veel aandacht aan fotografie en deinst niet terug voor lange longreads. Voorts heeft het blad zijn eigen buitenlandse columnisten, gerenommeerde namen als Nathalie Nougayrède, Paul Mason en Bernard Guetta. Allemaal journalisten die hun pen onafgebroken inzetten voor een gezonde parlementaire democratie.

Elk jaar organiseert Internazionale een festival in Ferrara aan de spoorlijn van Bologna naar Venetië, waar giornalisti di tutto il mondo drie dagen lang de wereldproblematiek bespreken.

Dit artikel van Francesca Borri verscheen eerder in Internazionale.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

360 is jarig en trakteert!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief en krijg 3 maanden gratis toegang tot 360 online.