• The New Yorker
  • Cultuur
  • De andere Fransen

De andere Fransen

The New Yorker | New York | George Packer | 02 juni 2016

Nieuws uit het buitenland is iets anders dan nieuws over het buitenland, luidt al honderd edities lang het adagium van 360. We laten lokale journalisten aan het woord over de situatie in hun land. Maar soms wijken we daarvan af, zoals hier. George Packer (staff writer bij The New Yorker en auteur van de grootse analyse van het moderne Amerika, The Unwinding) beschrijft zijn verkenning van ‘het andere Frankrijk’. Een betere titel – ja, op je honderdste verjaardag mag je zelfs beweren dat je het beter weet dan The New Yorker – zou misschien zijn ‘de andere Fransen’. Want zijn stuk gaat juist over hetzelfde Frankrijk en iedereen – binnen en buiten de Périphérique – die nolens volens meebouwt aan de toekomst van dat land.

Fouad Ben Ahmed had nooit veel aandacht besteed aan Charlie Hebdo. Hij vond het satirische tijdschrift grof en te sterk gefixeerd op de islam en hij kon er niet om lachen, maar hij geloofde ook niet dat het blad veel kwaad deed. Een van de cartoonisten, Stéphane Charbonnier, tekende ook voor Le Petit Quotidien, een kinderblad waarop Ben Ahmed een abonnement had voor zijn kinderen. 
Op 7 januari 2015, toen hij hoorde dat twee broers met Algerijnse namen, Saïd en Chérif Kouachi, op 
de redactie van Charlie Hebdo twaalf mensen hadden geëxecuteerd, onder wie Charbonnier, als wraak voor covers van het blad waarop Mohammed belachelijk werd gemaakt, schreef Ben Ahmed op Facebook: ‘Mijn Franse hart bloedt, mijn moslimziel huilt. Niets, ABSOLUUT NIETS kan deze barbaarse daden rechtvaardigen. Praat me niet van media of politici die een spel zouden spelen, want er is geen excuus voor barbarij. #JeSuisCharlie’

Forum

Die avond verliet Ben Ahmed zijn huis in een Parijse voorstad en ging de stad in om samen met tienduizenden anderen een wake te houden. Zijn Algerijns-Tunesische afkomst is zichtbaar aan zijn donkere huid, en een paar blanke extremisten slingerden hem bedreigingen naar zijn hoofd, maar Ben Ahmed negeerde ze – Frankrijk was ook zijn land. Op 11 januari liep hij met anderhalf miljoen medeburgers in een mars vanaf de Place de la République.

Ben Ahmeds Facebookpagina werd een forum waarop anderen, voornamelijk Franse moslims, over de aanslagen discussieerden. Velen uitten alleen hun verdriet en woede; sommigen kwamen met samenzweringstheorieën waarin ze beweerden dat dit een complot was om moslims in diskrediet te brengen. ‘Laat de politie maar onderzoek doen naar de achtergronden van dit bloedbad,’ vond Ben Ahmed. Een vrouw schreef: ‘Ik houd mijn hart vast voor de moslims van Frankrijk. De bekrompen of bange geesten zullen zich nog verder ingraven en een amalgame maken – alle moslims over één kam scheren met de terroristen.’ Ben Ahmed was het met haar eens: ‘Ons land zal nog verder verdeeld raken.’ Hij verdedigde zijn gebruik van de hashtag #JeSuisCharlie door te zeggen dat er, hoe legitiem het vóór de aanslag ook was geweest om kritiek te hebben op de inhoud van Charlie, daar nu geen plaats meer voor was. ‘Als we nu nog een debat gaan voeren over de redactionele koers van het blad, is het alsof we zeggen “Ja, maar…”,’ zou hij later tegen mij zeggen. ‘In deze omstandigheden is dat ondenkbaar.’

Na het bloedbad van Charlie Hebdo heerste in Frankrijk en daarbuiten algemeen het idee dat de moorden op de een of andere manier te maken hadden met de banlieues

Ben Ahmed, 39 jaar, werkt als contactpersoon tussen de inwoners en het gemeentebestuur van Bondy, 
een voorstad ten noordoosten van Parijs, in het 93ste departement. Het 93ste was tientallen jaren lang 
een bolwerk van de vroegere arbeidersklasse en de communistische partij, maar staat nu vooral bekend om zijn inwoners van Arabische en Afrikaanse origine. Veel Parijzenaars associëren het 93ste met verloederde sociale woningbouw, criminaliteit, werkloosheid en moslims.

Frankrijk heeft allerlei typen voorsteden, maar het woord ‘banlieues’ is een negatief begrip geworden, dat staat voor sloppenwijken waar immigranten in de meerderheid zijn. Binnen de banlieues liggen de cités, enorme betonnen woningbouwprojecten die in de decennia na de oorlog zijn gebouwd in de brutalistische stijl van Le Corbusier. Ooit waren ze bedoeld als modelsteden voor werkende mensen, nu heersen er armoede en sociale uitsluiting. De cités en hun bewoners zijn het onderwerp van veel bezorgde en boze discussies in Frankrijk. Onlangs verschenen twee boeken van de hand van de vooraanstaande politiek wetenschapper Gilles Kepel, Banlieue de la République en Quatre-vingt-treize [Drieënnegentig]. 
Het zijn studies naar het grootschalige verval en 
de groeiende segregatie tussen bevolkingsgroepen. Ook voor dat laatste kent het Frans een negatieve benaming: communautarisme.

Na het bloedbad van Charlie Hebdo – en nadat een derde terrorist, Amedy Coulibaly, een zwarte politieagente bij een joodse school en vier joden in een koosjere supermarkt had doodgeschoten – heerste in Frankrijk en daarbuiten algemeen het idee dat de moorden op de een of andere manier te maken hadden met de banlieues. Maar het is niet gemakkelijk om een direct verband te leggen. Weliswaar komt antisemitisme in deze geïsoleerde gemeenschappen steeds sterker op, maar het profiel van de Franse jihadist valt niet samen met een bepaalde klasse; veel jihadisten komen uit middenklassegezinnen. Het gevoel van uitsluiting in de banlieues is een nijpend probleem dat de overheid tientallen jaren heeft verwaarloosd, maar meer banen en betere huisvesting zullen geen eind maken aan het Franse jihadisme.

Thiais, een voorstad ten zuiden van Parijs. – © Pierre-Olivier Deschamps / Hollandse Hoogte
Thiais, een voorstad ten zuiden van Parijs. – © Pierre-Olivier Deschamps / Hollandse Hoogte

Ben Ahmed woont al zijn hele leven in het 93ste. Een paar jaar geleden is hij met zijn vrouw Carolina en hun twee kinderen naar een klein huis in de omgeving van het vliegveld Charles de Gaulle verhuisd. Daar wonen ze dichter bij de particuliere school waar ze hun kinderen naartoe sturen omdat de meeste openbare scholen in het 93ste overvol en chaotisch zijn, en jongere, minder gekwalificeerde leerkrachten hebben. Als tiener woonde Ben Ahmed in een van de ergste voorsteden, Bobigny, in een beruchte cité die l’Abreuvoir heet. Als twintiger en begin dertiger werkte hij als buurtopbouwwerker voor de gemeente Bobigny met probleemjongeren – soms zijn eigen vrienden en buren, vaak jongeren die net uit de gevangenis kwamen of daar snel terecht zouden komen. Hij weet meer van het leven in de cités dan welke wetenschapper ook.

Na de aanslagen schreef Ben Ahmed een open brief aan president François Hollande, onder de kop ‘Allemaal deels verantwoordelijk, maar niet schuldig’. Hij noemde zich een banlieuebewoner die vaak ‘de dood van dichtbij’ had gezien. Hij schreef over de problemen van de werkloosheid, de discriminatie en de collectieve afzondering van de samenleving. Hij bracht in herinnering hoe in oktober 2001 in Parijs een voetbalwedstrijd tussen Frankrijk en Algerije – de eerste sinds de Algerijnse onafhankelijkheid in 1962 – afgeblazen moest worden, toen duizenden Franse jongeren van Noord-Afrikaanse afkomst boe riepen tijdens de 
Marseillaise en het veld op stormden onder het roepen van ‘Bin Laden, Bin Laden!’ Het Franse publiek reageerde met heilige verontwaardiging.

‘Het probleem manifesteerde zich daar, recht voor onze neus,’ schreef Ben Ahmed. ‘Maar wij stelden niet de juiste vragen, we kozen voor stigmatisering, afwijzing van de ander.’ Hij vervolgde: ‘Die dag is de tweedeling ontstaan, het gevoel afgewezen te worden door de politieke klasse, toen we andere vragen hadden kunnen stellen: Wat is er aan de hand? Wat is het probleem?’

Ben Ahmed gaat altijd gekleed in een strak, donker pak, zelfs in het weekend, alsof zo’n formele stijl voor een Arabier uit het 93ste de enige manier is om serieus genomen te worden. Toen ik kort na de aanslagen een ontmoeting met hem had, zei hij tegen me: ‘In het Frans zeggen we: “De kap maakt de monnik niet” – maar helaas is dat wel het geval.’ Dat is ook de reden waarom hij altijd heel secuur Frans spreekt, niet de met Arabisch doorspekte straattaal van de banlieues. Hij draagt zijn haar gemillimeterd, de zwarte stoppels van zijn haarlijn komen op zijn 
voorhoofd samen in een puntje. Hij heeft een breed, jongensachtig gezicht en een ontwapenende lach.

Inwoners van de banlieues zeggen vaak bij wijze van wrange grap dat je een visum en een inentingsbewijs nodig hebt om Parijs binnen te mogen

Terwijl hij met grote, besliste passen door het 93ste beent, lijkt het wel of hij iedereen bij naam kent. Maar als jongere in l’Abreuvoir moest hij wel leren vechten – hij deed in die tijd aan boxe française, een vorm van kickboksen – en als hij onder druk staat, kunnen zijn ogen waakzaam en uitdrukkingsloos worden. Toen hij twee jaar geleden met zijn kinderen een bioscoop binnenkwam, zag hij dat een van de bezoekers een geweer bij zich had. (De man kwam een rekening vereffenen met zijn vrouw en haar minnaar.) Ben Ahmed zei tegen zijn kinderen dat ze moesten gaan liggen, sloop de tien meter naar de man met het wapen toe, greep hem van achteren beet, werkte hem naar de grond en hield hem in een Braziliaanse jiujitsu-houdgreep. Nadat er beveiligingsmensen bij waren gekomen, nam Ben Ahmed zijn kinderen mee de bioscoopzaal in om naar Man of Steel te gaan kijken.

Ben Ahmed koesterde al langer politieke ambities, en door dit incident werd hij een plaatselijke held. Hij besloot zich kandidaat te stellen voor de gemeenteraad. ‘Ik kan met iedereen praten, want ik heb respect voor de ander. Ik geloof dat iedereen wel iets goeds in zich heeft.’ Ben Ahmeds vrouw en zijn vrienden vinden hem een beetje naïef, maar naïviteit is bijna onmisbaar voor een moslim uit de banlieues die in een tijd van nationale crisis tussen bevolkingsgroepen de Franse politiek in wil.

Parallelle werelden

De ringweg rondom Parijs staat bekend als de Périphérique. Als je de voorsteden binnenkomt of uitgaat, heet dat ‘de Périphérique oversteken’, alsof de ringweg een grens is. Inwoners van de banlieues zeggen vaak bij wijze van wrange grap dat je een visum en een inentingsbewijs nodig hebt om Parijs binnen te mogen. ‘Er zijn twee parallelle werelden,’ zegt Mehdi Meklat, een jonge blogger van Le Bondy Blog, die over het leven in de banlieues schrijft. Volgens hem is de relatie tussen Parijs en de voorsteden ‘schizofreen’.

Met de RER, het spoorwegnetwerk dat Parijs met zijn voorsteden verbindt, ben je in negentien minuten van Gare du Nord bij de halte van Ben Ahmed. De rit begint in een tunnel en als de trein boven de grond komt, zijn de boulevards met hun talloze bistroluifels verdwenen. Zelfs het weer lijkt anders – vochtig en somber, met een wind die uit het zuidwesten blaast. (De voorsteden van het 93ste zijn ontstaan rond fabrieken die ten noordwesten van Parijs waren geplaatst, omdat daar de industriestank wegwaaide van de Lichtstad.) Het spoor doorsnijdt een wanordelijk landschap van met graffiti overdekte muren, glazen kantoorgebouwen, voetbalvelden, vuilnishopen, 
verlaten industrieterreinen, bescheiden huizen met rode daken en clusters van twintig verdiepingen hoge kolossen – de cités.

De banlieues zijn veel diverser dan de getto’s van Amerikaanse steden. Tijdens een rit met de RER zag ik een man die Tamil sprak in zijn mobiele telefoon, een Aziatische vrouw die op haar twee zoontjes lette, Noord-Afrikaanse vrouwen in elk type hijab, of niet in hijab, een bejaarde blanke man, een zwarte man in blazer die de sportpagina’s van de krant zat 
te lezen, een Arabische man die in het gangpad stond te bedelen met een kind in zijn armen. Rijke wijken liggen naast arme, particuliere koophuizen staan tussen sociale woningbouw en mensen van alle kleuren en religies doen hun boodschappen in de lokale winkelcentra. In een restaurantje in Montreuil, aan een lege straat in de buurt van een cité, werden Arabische mannen bediend door een blanke serveerster. De banlieues hebben generaties immigranten gehuisvest, en de oudere lichting van Portugezen, Italianen en Polen is niet helemaal 
verdwenen met de komst van de recentere golven Arabieren, Afrikanen en Chinezen, in de afgelopen decennia. Aangenomen wordt dat de voorsteden nog altijd overwegend blank zijn, al weet niemand dat zeker, omdat het in Frankrijk verboden is gegevens bij te houden op basis van etniciteit of godsdienst. (Voor de cités is geen exacte telling nodig – die zijn 
in overgrote meerderheid Arabisch en zwart.)

De zuidelijke voorstad Thiais wordt onderdeel van de nieuwe metrolijn Grand Paris Express Ligne 17, die in 2024 klaar zal zijn en niet alleen luchthaven Charles de Gaulle bedient maar ook luchthaven Le Bourget. Met de aanleg van de metrolijn is 1,8 miljar
De zuidelijke voorstad Thiais wordt onderdeel van de nieuwe metrolijn Grand Paris Express Ligne 17, die in 2024 klaar zal zijn en niet alleen luchthaven Charles de Gaulle bedient maar ook luchthaven Le Bourget. Met de aanleg van de metrolijn is 1,8 miljar

Hoe vitaal ze ook zijn, de banlieues lijken los te staan van de stad, en van Frankrijk zelf. Parijzenaars en toeristen zie je er zelden, en de bewoners klagen dat journalisten er alleen maar komen om verslag te doen van autobranden en druggerelateerde schietpartijen. De voorstad Clichy-sous-Bois, waar in 2005 de rellen ontstonden die zich vervolgens over het hele land verspreidden, probeert tegenwoordig wat extra inkomsten te genereren door nieuwsgierige buitenstaanders een tour de banlieue aan te bieden. Veel bewoners van de voorsteden denken er ondertussen niet aan om naar Parijs te gaan. Vergeleken met de Amerikaanse sloppenwijken zijn de kwaliteit van 
de woningen en de veiligheid in de banlieues nog redelijk goed, maar de psychologische afstand tussen het 93ste en de Champs-Élysées kan onoverkomelijk lijken – veel groter dan die tussen The Bronx en Times Square.

De appartementenblokken in de cités, vaak gegroepeerd rond een apotheek, een supermarkt en een fastfoodtent, zijn naar binnen gericht. Vaak hebben ze geen straatnaam, geen duidelijke entree en onvoldoende parkeerplaatsen. Het gevoel van vervreemding wordt nog versterkt door de namen van de omringende straten en scholen, verwijzingen naar een historisch Frankrijk dat weinig te maken heeft met het dagelijks leven van de bewoners. 
De straten rond Gros Saule – een van drugs doortrokken cité waar de politie zich niet durft te vertonen – hebben namen als rue Henri Matisse en rue Claude Debussy.

‘Het is een sociale grens,’ zegt Badroudine Abdallah, een collega van Mehdi Meklat bij Le Bondy Blog. ‘Het gaat er niet alleen om of je zwart of Arabisch bent. Het gaat er ook om of je relaties hebt, een netwerk.’ Meklat en Abdallah, allebei in de twintig, vertellen me dat Franse leerlingen aan het eind van de lagere school een week lang stage moeten lopen. Hun klasgenoten kwamen, als ze geluk hadden, terecht in 
een armoedig bakkerijtje of een apotheek, en anders vonden ze geen plek, want bedrijven honoreren geen aanvragen van immigrantenkinderen uit het 93ste.

Porte de Thiais. De Franse terrorist Amedy Coulibaly werd in het geheim begraven op een begraafplaats in Thiais. – © Pierre-Olivier Deschamps / Hollandse Hoogte
Porte de Thiais. De Franse terrorist Amedy Coulibaly werd in het geheim begraven op een begraafplaats in Thiais. – © Pierre-Olivier Deschamps / Hollandse Hoogte

Als je uit de banlieues komt is dat een grote belemmering op de arbeidsmarkt, en bijna elke inwoner die ik er tegenkwam kon wel een verhaal vertellen over discriminatie. Fanta Ba, dochter van Senegalese immigranten, gebruikt tegenwoordig op sollicitatieformulieren haar tweede naam, France, en verfranst haar achternaam tot Bas, maar ze heeft nog steeds geen werk. Elke keer als ze berichten over een terroristische aanslag in Frankrijk hoort, bidt ze: ‘Laat het geen Arabier zijn, geen zwarte, geen moslim.’ Op 7 januari zette ze de tv uit en vermeed ze twee dagen lang Facebook. Ze kon er niet tegen om telkens weer die gewelddadige beelden te zien, of te moeten horen dat alle moslims daar verantwoordelijkheid voor zouden dragen. ‘Om te moeten zeggen: “Je suis Charlie”, of: “Ik ben moslim en ik veroordeel dit” – dat was te veel gevraagd,’ zegt ze. ‘Ik had er niets mee te maken. Ik vroeg me af: hoe moet dit aflopen? Gaan ze straks een kruis zetten op de voordeuren van moslims of Arabieren?’

Echte Fransen

Ben Ahmed heeft een vriend in Bobigny, Brahim Aniba, die accountant is en zoals veel banlieuebewoners ooit een periode van werkloosheid heeft doorgemaakt. Om een uitkering te kunnen krijgen moest hij een afspraak maken bij een jobcoach. Aniba vertelde me dat de coach, om hem te helpen, vroeg: ‘Heb je geen tante die in Parijs of ergens anders woont? Want Bobigny, cité Grémillon, tja…’ Dat was het Franse equivalent van Schijtstad. De jobcoach raadde hem aan: ‘Als je een adres in Parijs hebt, een postbus, alleen maar om je post te ontvangen, dan is dat beter. En je achternaam, Aniba – die is wel oké, maar je voornaam, Brahim… gebruik liever B.’
‘Mevrouw, waarom laat ik niet liever gewoon meteen mijn broek zakken?’ zei Aniba.

De simpele bepaling wie Frans is en wie niet, kan 
een luchtig gesprekje lastig maken. Als mensen de dertigjarige journaliste Widad Ketfi vragen waar 
ze vandaan komt, antwoordt ze: ‘Uit Bondy.’ Maar daarmee is de kous nooit af. ‘Welke afkomst?’ ‘Frans.’ ‘Waar komen je óúders vandaan?’ ‘Uit Frankrijk!’ 
Zelfs burgers met een immigrantenachtergrond duiden blanken vaak aan met de term Français de souche – ‘echte Fransen’. Wat impliceert dat mensen met een donkerder huid niet helemaal Frans zijn.

Zoals Fanta Ba het zegt: ‘Je doet alles voor Frankrijk, om geaccepteerd te worden, maar je voelt dat je niet welkom bent.’ Dit geldt zeker voor moslims. In een enquête van Le Monde na de aanslagen gaf een meerderheid van de ondervraagden aan te vinden dat de islam niet verenigbaar is met de Franse waarden. 
In een cité als Trappes, waar Ba is opgegroeid, keren sommige moslims zich van de Franse samenleving af: vrouwen verdwijnen onder de zwarte abaya; mannen gaan van school om via internet islamitische kleding te verkopen. Ba draagt geen hoofddoek, 
maar ze is wel strikter geworden in haar geloof nu ze het moeilijk heeft, alleen en zonder baan. Als iemand zich terugtrekt, zegt zij, is dat vaak een reactie op uitsluiting.

‘Ik had moeten proberen dat pad niet op te gaan. Het probleem is waarom dat pad überhaupt bestaat’

Bij de verkiezingen van 2012 gingen negen van de 570 zetels in de Assemblée Nationale naar niet-blanke kandidaten – een toename van acht zetels. Frankrijk blijft een klassenmaatschappij, waar sociaal kapitaal het allerbelangrijkste is. Het land wordt geregeerd door de énarques – afgestudeerden aan de prestigieuze École Nationale d’Administration in Straatsburg. Volgens politiek wetenschapper Laurent Bouvet is een diploma van een eliteschool de enige garantie om een goede baan te vinden in een land dat kampt met economische stilstand. Dit geldt ook in Amerika steeds meer, maar in de VS integreren immigranten veel makkelijker dan in Frankrijk. Wat beide landen gemeen hebben – en wat ze uniek maakt – is een nationale identiteit die niet alleen gebaseerd is op geschiedenis, bloed, geboortegrond en cultuur, maar ook op de idee van de volkssoevereiniteit. In Frankrijk wordt dit ‘republicanisme’ genoemd, en in theorie geldt dit begrip voor het hele land. In de praktijk hangt je deelname aan de Franse republiek niet alleen af van democratie en secularisme, maar ook van wat je draagt, wat je eet en hoe je je kinderen noemt.

In 2007 werd er een nationaal immigratiemuseum geopend in het Palais de la Porte Dorée, een art-decopaleis aan de oostrand van Parijs dat in 1931 voor een koloniale expositie werd gebouwd. Volgens de traditie hoort een nationaal museum in Frankrijk geopend te worden door de president, maar Nicolas Sarkozy, die immigratie tot speerpunt van zijn verkiezingscampagne had gemaakt, weigerde te komen opdraven. Het Musée de l’Histoire de l’Immigration opende zijn deuren zonder officiële ceremonie. (Pas zeven jaar later, in december 2014, verrichtte de socialist Hollande de inauguratieplechtigheid.) Toen ik in februari in het museum was, zag ik er maar weinig bezoekers. Veel Parijzenaars weten niet eens dat het bestaat.

‘Frankrijk heeft allerlei typen voorsteden, maar het woord ‘banlieues’ is een negatief begrip.’ © Pierre-Olivier Deschamps / Hollandse Hoogte
‘Frankrijk heeft allerlei typen voorsteden, maar het woord ‘banlieues’ is een negatief begrip.’ © Pierre-Olivier Deschamps / Hollandse Hoogte

Een gemiste kans, want de tentoonstelling vertelt een rijk verhaal, dat teruggaat naar het midden van de negentiende eeuw, toen Frankrijk nieuwe immigranten ontving terwijl de rest van Europa die juist creëerde. Nog in de jaren dertig van de vorige eeuw had Frankrijk het grootste aantal immigranten per hoofd van de bevolking ter wereld. De bordjes in het museum bieden historische geruststelling: ‘De figuur van de niet-assimileerbare vreemdeling komt mee op elke immigrantengolf. Van de Italianen aan het eind van de negentiende eeuw tot de Afrikanen van vandaag, de stereotypen veranderen nauwelijks: immigranten zijn met te veel, ze brengen ziekten mee, ze kunnen in de criminaliteit belanden, het zijn vreemde elementen binnen de eigen natie. Deze angst voor vreemdelingen, die in tijden van crisis telkens weer de kop opsteekt, wordt vaak gecombineerd met antisemitisme en gevoed door racisme.’

Het moeilijkst verteerbare aspect van het Franse koloniale verleden is Algerije. Dat land werd aan het begin van de negentiende eeuw door Europeanen gekoloniseerd. Het werd onderdeel van het Franse rijk en dat bleef het tot de onafhankelijkheid in 1962, na een oorlog van acht jaar waarin zevenduizend mensen omkwamen. Het is nauwelijks te overschatten hoe zwaar dit verhaal, dat zo dichtbij en zo treurig is, vervolgens werd onderdrukt. La battaglia di Algeri (De slag om Algiers), het neorealistische meesterwerk van filmmaker Gillo Pontecorvo over opstand, onderdrukking, terrorisme en marteling in Algiers, was in Frankrijk na zijn verschijning in 1966 vijf jaar lang verboden en is er nog steeds taboe. Op 17 oktober 1961 doodde de Franse politie bij een demonstratie voor de onafhankelijkheid van Algerije in Parijs tweehonderd mensen, onder meer door ze van de bruggen af in de Seine te gooien. Het heeft veertig jaar geduurd voordat Frankrijk erkende dat deze slachting had plaatsgevonden, en het incident wordt op scholen nog steeds nauwelijks vermeld. Jonge mensen in de banlieues vertelden me dat de koloniale geschiedenis op scholen slechts vluchtig wordt behandeld en dat er nauwelijks literatuur uit voormalige koloniën wordt gelezen.

Geschiedenis

Volgens Andrew Hussey, een Brits onderzoeker van het London University Institute in Parijs, vormt de onrust in de banlieues – telkens terugkerende rellen, autobranden, botsingen met de politie – een nieuw front in de lange oorlog tussen Frankrijk en zijn 
Arabieren, met name Algerijnen. Het doel van het geweld is niet hervorming of revolutie, maar wraak. ‘Het leven van de jongeren in de banlieues draait om wiet, meisjes, gangsters en islam,’ zegt hij. ‘Ze hebben geen historisch besef, zijn zich niet bewust van waar in Noord-Afrika ze vandaan komen, kennen alleen kleine beetjes Arabisch die ze niet begrijpen, stukjes islam die hun niet echt iets zeggen.’

In zijn boek The French Intifada beschrijft Hussey het conflict in zulke harde bewoordingen dat zijn Franse uitgever weigerde er een Franse vertaling van uit te geven. Zijn onderzoek in de banlieues is minder genuanceerd dan dat van zijn collega-politicoloog Gilles Kepel (als ik tegenover inwoners van de banlieues de term ‘Franse Intifada’ liet vallen, werd er ongelovig gelachen), maar het is levendig en uit de eerste hand. Het boek begint met een ooggetuigenverslag van een acht uur durende ondergrondse veldslag op Gare du Nord, in 2007, tussen politieagenten en banlieuejongeren die schreeuwen: ‘Na’al abouk la France!’, Arabisch voor ‘Fuck Frankrijk!’ Hussey schrijft: ‘Deze kreet – eigenlijk meer een vervloeking – heeft niets te maken met de Franse traditie van volksopstanden.’ Maar hij heeft het in zijn portret niet over de banlieuebewoners die zowel moslim als Frans proberen te zijn – mensen als Fouad Ben Ahmed.

Op een avond in een Thais restaurant in de voorstad Aulnay-sous-Bois zegt Ben Ahmed tegen me: ‘Ik ken mijn eigen geschiedenis nauwelijks. Daar wordt geen les over gegeven, en omdat ze zo pijnlijk is, hebben mijn moeder en mijn grootvader me er nooit over verteld.’ Hij kent wel de hoofdlijnen van de Frans-Algerijnse oorlog, en vertelt over pieds noirs – Franse kolonisten die Algerije als hun vaderland beschouwden en dat land na de onafhankelijkheid moesten ontvluchten – en harkis, Algerijnse moslims die het Franse gezag steunden en door andere Algerijnen werden verketterd. Aan het eind van de oorlog maakte geen van beide landen ruimte voor burgers met conflicterende loyaliteiten en identiteiten: Algerije werd een Arabische staat en Frankrijk dekte zijn wonden toe door te doen alsof het conflict nooit had plaatsgevonden. Wederzijdse schuldgevoelens en verwijten hebben verhinderd dat de pieds noirs, harkis en Algerijnen die om economische redenen naar Frankrijk immigreerden met hun gedeelde verleden in het reine kwamen. Ben Ahmed: ‘En aangezien noch onze ouders noch de overheid ons over onze geschiedenis vertellen, kunnen andere mensen ons nu leugens verkopen om dingen te rechtvaardigen die niet te rechtvaardigen zijn.’ Hij doelt op de jihadisten.

Toen ze allebei achttien waren, zei zij tegen Ben Ahmed dat hij moest kiezen: het was zij 
of zijn vrienden

Ben Ahmeds grootvader was een Algerijn die dienst nam bij het Franse leger en in 1958 naar de Parijse banlieues immigreerde. De meeste immigranten uit die periode kwamen naar Frankrijk om te werken – als fabrieksarbeiders, of straatvegers – en woonden in krotten. Hun aanwezigheid zou maar tijdelijk zijn. Toen duidelijk werd dat de meeste immigranten niet naar huis zouden terugkeren, werden de krottenwijken opgeruimd en de arbeiders gehuisvest in de cités. Ben Ahmeds grootvader kon zich, dankzij zijn inkomen als militair, een klein huis in het 93ste veroorloven. Ben Ahmeds moeder werkte als secretaresse in een metaalbedrijf; zijn vader verdween toen Fouad twee was. Hij groeide in betrekkelijke welstand op in het huis van zijn grootouders, tot 1989, toen zij dat huis verkochten. Ben Ahmed was toen dertien.

Zijn moeder zat in die tijd zonder werk en moest met haar zoon verhuizen naar l’Abreuvoir, de cité in Bobigny. Bij de bouw in de jaren zestig werd l’Abreuvoir gezien als een innovatief ontwerp, met zijn golvende, veertien verdiepingen hoge flatgebouwen en ronde groene torens. Maar in de jaren negentig was het een centrum voor heroïnehandel geworden. Op een keer kwam Ben Ahmed de benedenhal van zijn gebouw binnen en zag hij een man staan met een zak drugs en een pak bankbiljetten. ‘Donder op, of ik maak je af,’ zei de man. Ben Ahmed ging ervandoor.

Op school deed hij niet erg zijn best en hij bleef verschillende keren zitten, maar zijn moeder dwong hem om door te gaan, want als hij van school ging zou haar bijstandsuitkering omlaag gaan. Hij droeg een steentje bij aan hun huishouden door wasmachines te bezorgen bij appartementen in Parijs. Hij had vrienden die in drugs handelden en zelf zou Ben Ahmed misschien ook de criminaliteit in zijn gegaan, als hij niet Carolina had leren kennen, de dochter van een politiek vluchteling uit Chili. Toen ze allebei achttien waren, zei zij tegen Ben Ahmed dat hij moest kiezen: het was zij 
of zijn vrienden. Met hulp van Carolina maakte hij zijn middelbare school af, haalde aan de hogeschool zijn diploma maatschappelijk werk en werd jongerenwerker.

Een van de jongeren die Ben Ahmed probeert te helpen, is J.-P., een losgeslagen jongen uit Salvador Allende, ook een cité in Bobigny. Ben Ahmed is twaalf jaar ouder dan hij en kent J.-P. al bijna sinds zijn geboorte. (‘Bobigny is net een dorp,’ aldus J.-P.) J.-P. is een métis: zijn vader is Arabisch, zijn moeder blank. Zijn grootvader is in 1984 uit Algerije gekomen en als straatveger gaan werken. Zijn vader hoort bij ‘een ontwortelde generatie met hun kont op twee stoelen’, zoals J.-P. het noemt – ongewenst zowel in hun oude als in hun nieuwe land. J.-P.’s vader leeft nog, maar de meeste van zijn vaders vrienden zijn jong gestorven, door geweld, drugs of aids.

J.-P. groeide op als getatoeëerde fan van Scarface en Tupac Shakur. Op zijn veertiende werd hij van school gestuurd en begon hij drugs te verkopen en te stelen. ‘Tegenover mensen die met geweld de wet willen handhaven, moet je zelf het meest gewelddadig zijn als je het laatste woord wilt hebben,’ zegt J.-P. Hij ziet zichzelf niet als slachtoffer. ‘Ik was een klein klootzakje. Ik heb er zelf voor gekozen om daarin terecht te komen. Ik had moeten proberen dat pad niet op te gaan. Het probleem is waarom dat pad überhaupt bestaat.’

Binnen de banlieues liggen de cités, enorme betonnen woningbouwprojecten die in de decennia na de oorlog zijn gebouwd in de brutalistische stijl van Le Corbusier. Ooit waren ze bedoeld als modelsteden voor werkende mensen, nu heersen er armoede en social
Binnen de banlieues liggen de cités, enorme betonnen woningbouwprojecten die in de decennia na de oorlog zijn gebouwd in de brutalistische stijl van Le Corbusier. Ooit waren ze bedoeld als modelsteden voor werkende mensen, nu heersen er armoede en social

We rijden in Ben Ahmeds Citroën door het 93ste. J.-P., een jongen met een lichte huid, gescheurde spijkerbroek en slechte tanden, zit achterin. Hij doet geen moment zijn oortelefoons uit en trekt zich geregeld terug in een soort roes, om daar dan weer een en al concentratie en welbespraaktheid uit tevoorschijn te komen. Hij heeft sinds 2010 drie keer in de gevangenis gezeten. Zijn eerste veroordeling, zegt hij, was voor ‘zo’n beetje alles – wapenbezit, geweldpleging, drugs’.

Ben Ahmed vertelt dat J.-P. en hij een tienermeisje hebben gekend van wie het vriendje een gangster was. Ben Ahmed had het meisje aangeraden om voorzichtig te zijn, en toen dit haar vriend ter ore kwam, sprak die Ben Ahmed erop aan: ‘Wat the fuck wil jij eigenlijk?’ De volgende avond vroeg Ben Ahmed een kennis uit de cité van de vriend om samen met een paar anderen naar hem toe te gaan en de man tot kalmte te brengen. Toen de vriend de groep zag aankomen, trok hij een pistool en vuurde waarschuwingsschoten af.

‘Soms is het moeilijk – als je bepaalde mensen wilt helpen en dan in een lastige situatie terechtkomt,’ vertelt Ben Ahmed me.

‘Twee jaar later ben ik nog met dat meisje naar bed geweest,’ zegt J.-P. lachend. ‘Diezelfde kerel schoot me in mijn been.’

‘Wat soms ook moeilijk is voor iemand als ik, is om J.-P. te helpen,’ zegt Ben Ahmed. ‘Soms heb je het idee dat mensen niet klaar zijn om geholpen te worden.’

‘Hé, je wordt vervelend,’ zegt J.-P. ‘Geef me 100.000 euro. Dát zou pas helpen.’ Hij klaagt dat zijn maag rammelt. We zetten hem af bij een Senegalese cafetaria.

‘Je bent heel intelligent, maar er mankeert iets aan je hoofd,’ zegt Ben Ahmed tegen hem.

‘Ik hou van mijn leven,’ antwoordt J.-P. ‘Het is nooit te laat om te veranderen.’ Hij loopt weg, een beetje mank.

‘Ik ben bang dat het slecht met hem afloopt,’ zegt Ben Ahmed.

Secularisme

In 2004 nam het Franse parlement een wet aan die religieuze symbolen op openbare scholen verbood, als reactie op moslimmeisjes die met een hoofddoek op school kwamen. De wet was een bevestiging van het eeuwenoude Franse concept van de laïcité, secularisme, waarin de neutraliteit van de staat tegenover religie is verankerd en dat de religie uit het openbare domein moet weren. (In Amerika was het doel van het secularisme vrijwel het omgekeerde: daar werd het de staat verboden zich met religie te bemoeien.) Maar veel Franse moslims vatten het verbod op als een uiting van ongerechtvaardigde vijandigheid. Sommigen zeiden tegen me dat de wet een uitzondering maakt voor het joodse keppeltje, al is dat niet waar.

‘De school is een heilige plek in de republikeinse 
leer – het is de kerk van de republiek,’ zegt Vincent Martigny, politiek wetenschapper op de École Polytechnique bij Parijs. ‘Een individu, en zeker een kind, wordt op school een burger, wat een hogere vorm is van het individu.’

Martigny merkt op dat ondanks de strikt republikeinse opvattingen in Frankrijk de overheid wel degelijk steun geeft aan culturele diversiteit – in de film, op plaatselijke festivals. Maar in een tijdperk van onzekerheid lijdt Frankrijk aan ‘morele paniekaanvallen’, zoals hij het noemt. In een enquête van dagblad Le Monde gaf onlangs 42 procent van de ondervraagden aan zich niet meer thuis te voelen in Frankrijk.

Na de _Charlie_-moorden werden tientallen moskeeën in heel Frankrijk bekrast of beklad en sommige zelfs beschoten. Gesluierde meisjes en vrouwen werden lastiggevallen. Enkele Franse moslims klaagden dat de Franse autoriteiten wel gewapende militairen stuurden om joodse instellingen te bewaken, maar dat islamitische instellingen aanvankelijk geen bescherming kregen. Die klacht klopte wel, maar ging voorbij aan belangrijke verschillen in omvang en aard van de dreiging: joden maken minder dan 1 procent van de Franse bevolking uit, maar zijn slachtoffer van de helft van de haatmisdrijven in het land, en in de afgelopen jaren zijn ze herhaaldelijk doelwit geweest van dodelijk geweld.

Op 8 januari 2015 werd er in het hele land een minuut stilte gehouden voor de _Charlie_-slachtoffers. Er werden minstens honderd incidenten gemeld van leerlingen op scholen in de banlieues die weigerden die stilte in acht te nemen. Mensen in het 93ste legden uit dat sommige opstandige jongeren alleen maar dwars wilden doen. Maar de publieke opinie was diep verontwaardigd. Sarkozy, die in zijn achterhoofd al bezig was met zijn volgende gooi naar het presidentschap in 2017, eiste dat scholen niet langer halal eten aanboden – als moslimkinderen geen varkensvlees wilden eten, dan aten ze maar niet.

Hélène Kuhnmunch is lerares geschiedenis op een school voor middelbaar beroepsonderwijs in Colombes, een banlieue ten noordwesten van Parijs. De beroepsopleidingen worden verafschuwd, zegt ze, als instrumenten van ’uitsluiting van het systeem’, en ze beschikken over weinig geld. Kuhnmunch geeft al vijftien jaar les aan banlieuejongeren en ze houdt van hun gevoel voor humor en hun energie. In 2008 maakte ze samen met een groep immigrantenjongeren een documentaire over de Frans-Algerijnse geschiedenis die besloten lag in de families van de leerlingen. Eén jongen ontdekte dat zijn vader een van de Algerijnen was geweest die door de politie in de Seine waren gegooid. (Hij had het overleefd.)

De lerares zegt dat haar leerlingen defensief hadden gereageerd op de _Charlie_-aanslagen, en ze voegt eraan toe: ‘Dit was niet nieuw, dit gevoel dat ze altijd weer worden aangesproken op hun afkomst en religie, dat ze worden beledigd.’ Kuhnmunch, die in Parijs woont, is niet naar de mars voor de eenheid op de Place de la République, gegaan, omdat ze wist ‘dat de banlieues daar niet zouden zijn’. Ze besteedde die dag aan het verzamelen van materiaal voor een les over de aanslagen.

Die maandag op school stak een moslim zijn hand op. ‘Madame, die cartoons – ik was ertegen,’ zei hij. ‘Maar daarvoor schiet je geen mensen dood.’ Kuhnmunch vond het verdrietig dat hij blijkbaar dacht dat hij haar gerust moest stellen. Anderen herhaalden de complottheorieën die de ronde deden op sociale media, ook een dromerige, geestige jongen die een van haar liefste leerlingen was, maar die nu afwerend en boos deed. Kuhnmunch bracht het gesprek op de geschiedenis van het secularisme. In de banlieues is laïcité synoniem geworden met atheïsme en islamofobie. Kuhnmunch vertelde haar leerlingen over het Edict van Nantes in 1598, toen koning Hendrik IV voor het eerst rechten verleende aan de Franse protestanten. De klas discussieerde over wetten die aan het eind van de negentiende eeuw waren aangenomen, en waarmee godsdienstonderwijs op openbare scholen werd afgeschaft. Kuhnmunch liet haar leerlingen antiklerikale cartoons uit die tijd zien en samen analyseerden ze de tekeningen uit Charlie Hebdo (zij het niet die over Mohammed) in hun politieke context. ‘Ze realiseerden zich dat in de kwestie van de katholieke religie dezelfde argumenten werden gebruikt als in 2004 rond de hoofddoekkwestie,’ vertelt ze. ‘En daar keken ze van op – dat dit niet alleen maar tegen de islam gericht was, dat het voortkomt uit een traditie.’

J.-P. biedt aan om me mee te nemen naar een moskee in Bobigny. Zelf gaat hij daar niet vaak heen; zijn verbondenheid met de islam heeft minder te maken met geloof dan met culturele identiteit. Op een 
vrijdagmiddag verschijnt hij bij het betonnen winkel
centrum in het centrum van de wijk, in een glanzende zwarte jas met capuchon, een lang zwart gewaad over een grijze joggingbroek, groen met gele sneakers en oortelefoons – de uitmonstering van de religieuze gangster. We lopen over een voetpad dat wegleidt van de socialewoningbouwblokken, onder spoorbanen door, omhoog naar een armzalige open plek naast een terrein waar vrachtcontainers staan weg te roesten. Er staat een dubbele oplegger naast een witte tent. Dit is de centrale moskee van Bobigny, een stad van vijftigduizend mensen. (Er zijn al jaren plannen voor een nieuwe moskee, maar die is nog steeds niet gebouwd.) Er ontstaat een opstopping op de plek waar mannen de deur van een van de opleggers binnen willen gaan. Vrouwen zijn nergens te zien, maar die zitten waarschijnlijk in de andere oplegger. Bij de ingang liggen de schoenen hoog opgetast. We persen ons de gebedsruimte in, die hoogstens tweeënhalve meter hoog is en zoeken een plek achterin.

Minstens tweehonderd mannen liggen geknield, met hun hoofd voorover op het vloerkleed. Een paar kilometer hiervandaan zullen de schitterende, echoënde kerken van Parijs komende zondag vrijwel leeg zijn. De imam, een oudere Tunesiër die nauwelijks Frans spreekt, gaat voor in het slotgebed. J.-P. houdt zijn oortelefoons in.

Na afloop, in het gedrang bij de uitgang – oude Noord-Afrikaanse mannen, zwarte jongemannen in straattenue, fundamentalisten met lange baard in enkellang gewaad – stelt J.-P. me voor aan een paar vrienden. ‘Allahu akbar,’ roepen ze verrast, bij wijze van welkom, maar kennelijk zijn ze nog meer verrast om J.-P. hier te zien. Hij zegt tegen mij: ‘Niet iedereen hoeft op dezelfde manier moslim te zijn. Er zijn 62 benaderingen van de islam.’

Ik noem er een paar op waar ik iets over weet, zoals soefisme en salafisme. ‘Wij zijn allemaal salafisten,’ zegt J.-P. ‘We willen allemaal leven als de metgezellen van de Profeet in de zevende eeuw.’

De salafisten die ik ken zijn fanatieke asceten – niet drinken, niet roken, geen vrije seks. J.-P. houdt wel van een drankje en is van plan zich vanavond eens flink te laten vollopen. Zijn opvatting van het salafisme lijkt niet veel meer dan de hoop om een betere moslim te worden.

Ongewenste kinderen

Eigenlijk voelt hij er weinig voor om me mee te nemen naar een cité – hij heeft daar te veel vijanden. In plaats van me rond te leiden in het wooncomplex waar hij zelf woont, neemt hij me mee naar de andere kant van de straat, naar een groot blok woontorens dat Chemin Vert heet. Ook hier kent J.-P. iedereen. ‘Dit is een groot rapper,’ zegt hij over een man die er rondhangt, en die knikt lusteloos. Voor een toren zitten twee jonge Arabieren; volgens J.-P. is een van hen een drugsdealer. De andere roept, als hij hoort dat ik uit Amerika kom: ‘Is het waar dat Tupac dood is?’ Een groep bebaarde mannen bij de moskee groet ons. J.-P. stelt me aan een van hen voor, en grapt dat de man binnenkort misschien wel naar Syrië afreist. De man lacht wat ongemakkelijk.

In het uitgestorven hart van Chemin Vert, op een plein tussen acht woontorens van twintig verdiepingen, staat J.-P. stil. ‘Zie je?’ zegt hij, ‘Het sluit je in.’ De cité voelt als de buitenmuren van een gevangenis. Zelfs het brutalistische Bobigny is niet meer te zien. J.-P. staart in het niets. De lucht is zwaar van regen die niet wil vallen. ‘Er is helemaal niets voor jongeren hier,’ zegt hij. ‘Ik heb nog nooit de Mona Lisa gezien. Die wil ik graag zien voor ik doodga.’

Midden in de cité bestellen we onze lunch aan de counter van een fastfoodtent: een schep gebakken vlees met gesmolten kaas. J.-P., die nog steeds zijn oortelefoons in heeft, vraagt aan de man achter de counter hoe die over Islamitische Staat denkt. De man zegt dat hij het maar slecht vindt. J.-P. is het met hem eens, maar hij vindt wel dat moslims worden onderdrukt. Als moslims in Syrië of Irak willen gaan vechten, is dat hun zaak. Frankrijk is iets anders. Als iemand Frankrijk kwaad doet, doet hij J.-P. ook kwaad.

‘Frankrijk is onze moeder,’ zegt J.-P. terwijl hij zit te eten. Zijn eigen moeder is een blanke Française. ‘Je vader, die geeft je meer – de islam. Maar je moeder blijft toch je moeder. En wat er ook gebeurt, je blijft 
je hele leven van haar houden. Ook al heeft ze niet goed voor je gezorgd.’

Ook andere moslims noemen zichzelf de ongewenste kinderen van de republiek. Journaliste Widad Ketfi: ‘Als je kinderen hebt voor wie je niet zorgt, komt er een dag waarop je tegen ze zegt: “Doe dit”, en dan zullen zij zeggen: “Bekijk het maar. Je bent mijn vader niet.”’ Soms strijden Franse moslims om de liefde van hun vader met zijn andere, bemindere kinderen, de joden. Of anders gaan ze op zoek naar een andere vader.

‘De islam geeft soms de warmte, liefde en aandacht die de republiek niet geeft,’ zegt J.-P. Hij moet er zelf om lachen. ‘Want ik – ik ben verrot.’

Er heerste in Frankrijk en daarbuiten het idee dat de moorden op de een of andere manier te maken hadden met de banlieues. Maar het is niet gemakkelijk om een direct verband te leggen. – © Pierre-Olivier Deschamps / Hollandse Hoogte
Er heerste in Frankrijk en daarbuiten het idee dat de moorden op de een of andere manier te maken hadden met de banlieues. Maar het is niet gemakkelijk om een direct verband te leggen. – © Pierre-Olivier Deschamps / Hollandse Hoogte

Toen ik J.-P. leerde kennen was hij op zoek naar werk. Uiteindelijk hielp Ben Ahmed hem aan een baan als huisschilder bij de gemeente Bondy. Maar J.-P.’s leven is niet bepaald stabiel. Er hangt hem een rechtszaak boven het hoofd – hij moet terechtstaan voor een gewapende overval. Hij zegt dat hij niet bang is dat hij weer naar de gevangenis moet, want hij is ‘vierhonderd procent onschuldig’. De eerste keer dat hij in de gevangenis zat, vertelt hij, was in Villepinte, vlak bij het vliegveld. Een van zijn medegevangenen daar was Amedy Coulibaly.

Coulibaly, de Franse zoon van Malinese ouders, was opgegroeid in een cité ten zuiden van Parijs. Op zijn vijftiende begon hij een carrière in gewapende overvallen, en tijdens een van de periodes dat hij in de gevangenis zat, in 2006, leerde hij een pas bekeerde islamist kennen, Chérif Kouachi. De beide 23-jarigen vonden een mentor in een oudere jihadist, Djamel Beghal, die in Algerije was geboren en radicale islamistische opvattingen mee had gebracht toen hij in 1987 naar Frankrijk was verhuisd. Beghal was in 2000 in Afghanistan geweest en actief geworden voor Al-Qaida; het jaar daarop werd hij in Frankrijk aangeklaagd wegens het beramen van een bomaanslag op de Amerikaanse ambassade in Parijs. Vanuit een isoleercel in de gevangenis slaagde hij erin contact te onderhouden met Coulibaly en Kouachi. Op een bepaald moment maakte Coulibaly met een naar binnen gesmokkelde camera filmopnamen van de afschuwelijke omstandigheden in de gevangenis. De beelden verschenen op de Franse tv.

De belangrijkste autoriteit op het gebied van jihadisme in Franse gevangenissen is een Iraanse socioloog in Parijs, Farhad Khosrokhavar. Voor zijn boek Radicalisation, dat vlak voor de aanslagen van januari vorig jaar uitkwam, bracht hij drie jaar lang drie dagen per week door in Franse gevangenissen, en zo ontwikkelde hij een theorie over de bekering van gevangenen. Het gebeurt in fasen. De meeste nieuwelingen groeien op zonder vader en zonder enige religieuze kennis – ze kennen alleen het gevaar en de vervreemding in de banlieues. Ze vervallen tot de misdaad en komen in de gevangenis terecht. J.-P. beschrijft de denkwijze van sommige medegevangenen zo: ‘Dat ik in de gevangenis zit, is de schuld van de staat – die heeft mij gedwongen dit leven te leiden.’ Gevangenen kijken vaak naar het nieuws op tv en zien oorlogsgeweld en dood in moslimlanden. Iemand als Coulibaly, zegt J.-P., gaat ‘dit allemaal door elkaar husselen’, bouwt zo zijn eigen ideologie op en ‘loopt tegen een slecht figuur op die hem beïnvloedt’. Een voormalige gevangene die ik in het 93ste leerde kennen, legde me uit dat islamisten zich richten op de fragiles, psychisch zwakke medegevangenen die nooit bezoek krijgen. Die vinden zo troost, een nieuwe identiteit en een politieke visie die de sociale rangorde waarin zij onderaan staan, omkeert.

Volgens de analyse van Khosrokhavar worden deze gevangenen ‘opnieuw geboren’: ‘Via het jihadisme keren ze de minachting van de anderen om (…) Als ze jihadist zijn, worden anderen bang voor ze. Een van hen zei tegen me: “Als ze eenmaal bang voor je zijn, kunnen ze niet meer minachtend tegen je doen.”’ Na hun vrijlating gaan deze bekeerlingen op ‘initiatiereis’ naar het Midden-Oosten of Noord-Afrika, en daar leren ze extreem geweld acceptabel te vinden. Ze gaan denken ‘dat zij ergens anders thuishoren, bij de islamitische gemeenschap en niet bij de Franse samenleving’.

Khosrokhavar schat dat wel 60 procent van de 64.000 gevangenen in Frankrijk moslim is. (Naar schatting maken moslims maar 8 procent van de totale Franse bevolking uit.) Voor deze gevangenen zijn nog geen tweehonderd gevangenisimams beschikbaar, vaak oudere immigranten die geen 
idee hebben van het leven in de banlieues.

Het werven van nieuwe bekeerlingen gebeurt dan ook buiten de moskee, in gevangenissen of via internet

Ooit had Frankrijk veel islamistische moskeeën, maar de Franse inlichtingendienst heeft gezorgd dat radicale imams verdwenen en nu zijn de moskeeën van het land strikt apolitiek. Het werven van nieuwe bekeerlingen gebeurt dan ook buiten de moskee, in gevangenissen of via internet. Bij het bekeringsproces zijn zelden meer dan drie mensen betrokken, om infiltratie te voorkomen. De Franse inlichtingendienst schat het aantal verdachte jihadisten op drieduizend, in een land van 65 miljoen mensen.

Radicalisering is dus geen massaal verschijnsel in de banlieues. ‘Er zijn geen kweekvijvers voor jihadisten,’ zegt Jean-Pierre Filiu, arabist aan het elitaire Parijse instituut Sciences Po. Jihadist worden is een enorme stap, waarvoor je jezelf moet afzonderen, met je 
achtergrond moet breken en niet-moslims moet ontmenselijken.

Na zijn vrijlating in 2007 leek het erop dat Coulibaly op het rechte pad wilde blijven. Hij vond een tijdelijke baan bij een Coca-Cola-fabriek, trouwde met zijn vriendin Hayat Boumeddiene middels een islamitische ceremonie en had zelfs een ontmoeting met president Sarkozy, tijdens een evenement ter promotie van werkgelegenheid voor jongeren. Maar Coulibaly 
leidde een dubbelleven. Hij brak met zijn ouders, 
die hij als ongelovigen beschouwde. Hij bleef contact onderhouden met Beghal en Kouachi en had na hun vrijlating een ontmoeting met de twee in Zuid-Frankrijk, waarbij hij ze van wapens en geld voorzag. ‘Als jihadisten ervandoor gaan,’ zegt Filiu, ‘gaan ze niet naar de banlieues. Ze gaan naar het platteland, naar een plek waar tien kilometer in de omtrek geen moslim te bekennen is.’

Transformatie

In 2010 arresteerde de Franse politie Coulibaly opnieuw en vond een voorraad explosieven in zijn appartement. Hij werd veroordeeld omdat hij plannen had gemaakt om een islamist uit de gevangenis te bevrijden die op verschillende plaatsen in Frankrijk bomaanslagen had georganiseerd, waarbij acht 
mensen waren omgekomen.

Coulibaly werd naar 
de gevangenis in Villepinte gestuurd, waar op dat moment ook J.-P. zat. Ze keken samen tv en speelden tegen elkaar op de PlayStation. ‘Hij was aardig, lachte vaak, was prettig in de omgang,’ herinnert J.-P. zich. ‘Ik heb hem nooit iemand zien lastigvallen. Hij preekte nooit. Als iemand me had verteld dat deze persoon in staat was te doen wat er is gebeurd, zou ik daar mijn geld niet op hebben gezet.’ Coulibaly werd in maart 2014 vervroegd vrijgelaten. Hij verdween van de politieradar, tot hij vlak na het bloedbad bij Charlie Hebdo weer opdook als medeplichtige van de Kouachi’s en zelfverklaard strijder van Islamitische Staat.

Meer dan de gebroeders Kouachi werd Coulibaly, die bij de bestorming van de koosjere supermarkt door de Franse politie werd doodgeschoten, voorwerp van fascinatie in de banlieues. De Kouachi’s waren als wezen opgevoed in een instelling in de provincie en radicaliseerden toen ze begin twintig waren, na de invasie van Irak, onder invloed van ronselaars in de noordoostelijke uithoek van Parijs. Bij de Kouachi’s leken alle voorwaarden voor een bestemming als jihadist aanwezig. Coulibaly was als zoon van een fabrieksarbeider door zijn beide ouders opgevoed in een cité ten zuiden van Parijs. En hij was zwart. 
De bekende jihadisten van Frankrijk waren tot dan toe Arabieren geweest, van Zacarias Moussaoui, de gedwarsboomde ‘twintigste kaper’ van 11 september, tot Mohammed Merah, die in 2012 in Toulouse drie joodse schoolkinderen, een rabbijn en drie paratroepers vermoordde. Een jongeman van Malinese afkomst vertelde me dat toen Coulibaly’s gezicht op de Franse tv verscheen, voor een zelfgemaakte IS-vlag, een vriend van zijn moeder uitriep: ‘O, nee – nu zullen ze óns de schuld geven. Daarom zeg ik je altijd dat je niet met Arabieren moet omgaan!’

Mehdi Meklat en Badroudine Abdallah van Le Bondy Blog waren zo geïntrigeerd door Coulibaly, dat ze overwogen een roman over hem te schrijven. ‘Hij zou zo iemand kunnen zijn die we kennen,’ zegt Meklat. En toch had Coulibaly zich de rol van een groot man aangemeten. Nadat hij bij de koosjere supermarkt drie klanten en een medewerker had gedood, stelde hij zichzelf rustig aan zijn vijftien gijzelaars voor, met de woorden: ‘Je suis Amedy Coulibaly. Ik ben Malinees en moslim. Ik hoor bij Islamitische Staat.’ (Abdallah hoorde er de griezelige echo in van ‘Je suis Charlie’.)

‘De andere Fransen’ in de voorstad Thiais. – © Pierre-Olivier Deschamps / Hollandse Hoogte
‘De andere Fransen’ in de voorstad Thiais. – © Pierre-Olivier Deschamps / Hollandse Hoogte

In video’s die voor de aanslag zijn opgenomen en na zijn dood gepost, wisselt Coulibaly telkens van kleding, alsof hij zijn transformatie wil onderstrepen. In de ene draagt hij het leren jack van een bendelid, in een volgende een militair kogelvrij vest, in een derde een tulband en het witte gewaad van de martelaar. In alle opnamen staat er een automatisch geweer naast hem. ‘Het was alsof hij voor zichzelf niet genoeg bestond,’ zegt Abdallah. ‘Het was niet genoeg om een gewone jongen te zijn.’

Vanuit de supermarkt legde Coulibaly contact met 
de media, waarbij hij de politie te spreken vroeg en zijn trouw beleed aan IS. Tijdens de gijzeling rechtvaardigde hij tegenover zijn gijzelaars op boze toon zijn daden door te wijzen op het gevangenzetten van moslims, de vijandigheid tegenover vrouwen die de hijab droegen, de houding van Israël tegenover de Palestijnen en het Franse militaire optreden in Mali en Syrië. Waarom konden de Franse burgers wel een mars houden na het _Charlie_-bloedbad, wilde hij weten, maar hadden ze nooit gedemonstreerd voor vervolgde moslims? ‘Ík ben in Frankrijk geboren,’ verklaarde hij.

Abdallah en Meklat wijzen erop dat in 2000, tijdens een gewapende roofoverval, de politie een goede vriend van Coulibaly voor zijn ogen heeft doodgeschoten. Met andere woorden, Coulibaly was een fragile. ‘Het was niet moeilijk hem zover te krijgen dat hij tegen de Franse samenleving ten strijde trok,’ zegt Abdallah, want Frankrijk had hem al afgewezen. Volgens deze verklaring valt er een redelijk directe lijn te trekken tussen Coulibaly’s leven in de Parijse voorsteden en het terrorisme. Maar dat verklaart niet waarom 
bijna geen enkele andere banlieusard – ook niet de criminelen die grotere vernederingen hebben moeten verduren – een massamoord op schoolkinderen, joden of cartoonisten heeft begaan. Zo is de maatschappelijke verklaring die in Frankrijk en in de 
VS opgeld doet bij links, vreemd spiegelbeeldig aan 
de rechtse neiging om een amalgame te maken – terroristen over één kam te scheren met alle moslims. Beide zienswijzen suggereren dat een dergelijke 
misdaad voor een groot deel toe te schrijven valt aan de identiteit van de dader, of dat nu een sociale of een religieuze identiteit is. Dit is niet alleen beledigend voor de overgrote meerderheid van de Franse moslims, maar bovendien ziet deze analyse Coulibaly niet als individu. En ze gaat voorbij aan het feit dat hij een bepaalde overtuiging had aangenomen. In een van zijn video’s beschrijft Coulibaly zijn motieven in de absolute bewoordingen die bij een ideologie horen: ‘Wat wij doen is volkomen legitiem, gezien wat jullie doen. Het is wraak. Jullie vallen het kalifaat aan, jullie vallen Islamitische Staat aan? Dan vallen wij jullie aan. Jullie zijn degenen die moorden. Waarom, omdat we de sharia naleven? Zelfs in ons eigen land mogen we de sharia niet naleven. Bepalen jullie soms wat er in de wereld gebeurt?’

Een andere jongere die Ben Ahmed vroeger heeft geprobeerd te helpen, was Stéphane. Hij kwam uit een katholieke Haïtiaanse familie en groeide op in een cité in Bobigny, vlak bij zijn vriend J.-P. Toen 
Stéphane dertien was stierf zijn vader, en hij werd 
op school zo onhandelbaar dat hij werd weggestuurd. Hij belandde in de kleine criminaliteit en samen met zijn vrienden dronk hij zichzelf geregeld volkomen bewusteloos.

Ideologie

Op zijn zestiende hoorde Stéphane iemand een Koranvers opzeggen, en hij voelde dat de tranen hem in de ogen sprongen. Hij begreep de woorden niet, maar het geluid greep hem aan. De meeste van zijn vrienden waren moslim, en hij besloot zich te bekeren. Hij hield op met drinken en stopte met zijn cursus voor restaurantwerk, waarbij hij varkensvlees moest klaarmaken. Maar het lukte hem nog niet om op het rechte pad te blijven; op zijn negentiende werd hij gearresteerd en hij moest voor achttien maanden de gevangenis in. Daar bad hij vijf keer per dag en bij zijn vrijlating zwoer hij dat hij zijn leven zou beteren. Hij begon een bedrijf dat opblaaskastelen en andere materialen voor kinderfeestjes verhuurde en lette erop dat hij werklozen uit de buurt in dienst nam. Hij zette een groep op die uitstapjes voor jongeren uit de cités organiseerde. Hij trouwde met de nicht van J.-P. en nu hij een inkomen had, verhuisde hij naar een klein huis niet ver van dat van Ben Ahmed.

Ik spreek Stéphane op een dag in februari. We zitten aan de keukentafel, terwijl zijn vrouw, die zwanger is, tv kijkt. Stéphane heeft een lichte baard en draagt een pyjamabroek en een T-shirt dat strak om zijn gespierde bovenlijf spant.

Zijn antwoorden zijn kort en bondig, tot ik hem vraag welke rol het leven in de banlieues heeft gespeeld bij de aanslagen van januari.

‘Het is niet de buurt of de omgeving die dat veroorzaakt, het zijn de mensen zelf,’ zegt hij. Mannen als Coulibaly ‘denken dat alles in dit aardse leven zinloos is, een voorbijgaande fase. En die ideologie van hen – die krijg je niet doordat je in een banlieue woont. Dat is je geloof.’ Stéphane begrijpt wel dat Coulibaly ‘genoeg had van de onrechtvaardigheid die we hier in Frankrijk hebben’. Maar zelfs al was Coulibaly’s milieu de achtergrond voor zijn acties, het was niet de oorzaak. ‘Hij reageerde – en veel mensen reageren, weet je. Maar de meesten hebben niet zo’n sterk geloof dat ze de daden begaan die hij heeft begaan.’

Wat houdt ze tegen? vraag ik.

‘Angst.’

Stéphane buigt zich voorover, zijn ogen houden de mijne vast. Hij heeft niet gezegd dat hij Coulibaly’s daden goedkeurt, maar hij heeft ze ook niet regelrecht veroordeeld, zoals alle anderen die ik in het 93ste heb gesproken. Stéphane lijkt te willen zeggen dat wat Coulibaly onderscheidde van al die andere boze moslims in de banlieues, de intensiteit van zijn geloof was.

‘Het gaat niet om armoede, of om het verbeteren van de levensomstandigheden van mensen. Het gaat over haat, tot op zekere hoogte. Zuivering’

Andrew Hussey, de Britse wetenschapper in Parijs, beschrijft de bedwelmende, mystieke kracht van het jihadisme. ‘Het is geen ideologie die zich bezighoudt met sociale omstandigheden,’ zegt hij. ‘Het gaat niet om armoede, of om het verbeteren van de levensomstandigheden van mensen. Het gaat over haat, tot op zekere hoogte. Zuivering.’ Hij vergelijkt het met het fascisme uit de jaren dertig. Jihadisme is iets heel anders dan gewone politiek. ‘Met deze ideologie maak je de stap van “ik ben niets” naar “ik zou alles moeten zijn”,’ zegt Hussey. Het jihadisme trekt volgens hem zowel rijke ingewijden zoals Bin Laden, als arme uitgeslotenen zoals Coulibaly. Het is ‘een zwevende ideologie, zoals de cloud – je hoeft er alleen maar in te loggen’.

Ik vraag Stéphane wat de onrechtvaardigheid was waar Coulibaly op reageerde.

‘Onrechtvaardigheid tegenover moslims.’

Van onrechtvaardigheid tegenover moslims is het voor Stéphane nog maar één stap naar de joden. Zij zijn, gelooft hij, een bevoorrechte gemeenschap in Frankrijk. Ze maken gebruik van hun tragische geschiedenis en het Franse schuldgevoel om macht te verwerven. Hij wijst erop dat er in Drancy, ook een banlieue in het 93ste, een herdenkingsmuseum staat tegenover de cité die het belangrijkste doorgangskamp in Frankrijk was voor joden die naar de concentratiekampen gingen. ‘Maar het bestaan van de slavernij, in Haïti, in Afrika, overal, willen ze niet erkennen,’ zegt hij. De Shoah was een misdaad. ‘Maar waarom wel het een erkennen en niet het ander? Je moet met gelijke maten meten. We zeggen: égalité, fraternité.’

Joodse gemeenschap

De misdaad van de slavernij kon niet erkend worden vanwege de enorme rijkdommen die ermee waren vergaard. Frankrijk had geld aan Israël gegeven als compensatie voor het Franse aandeel in de Holocaust – stel je voor wat het zou kosten om de slavernij te vergoeden! Coulibaly heeft zijn doelwit zorgvuldig gekozen, volgens Stéphane: ‘Het was een symbool, waarmee hij wilde zeggen: er is zo veel onrechtvaardigheid hier, richt je niet langer op de bedreigingen tegen één religie.’

Ik vraag hem waarom Coulibaly zijn woede niet tegen een kerk heeft gericht, aangezien de meeste Fransen katholiek zijn. ‘Omdat Frankrijk niet overheerst wordt door de christenen,’ zegt Stéphane. Volgens hem heeft de piepkleine joodse gemeenschap in Frankrijk de Assemblée Nationale, de media en de banken in haar greep. De premier, Manuel Valls, is getrouwd met een joodse vrouw en volgens Stéphane is dat de reden waarom hij na de aanslagen op televisie verscheen en zei: ‘Frankrijk zonder joden is geen Frankrijk.’ Valls heeft niet gezegd: ‘Frankrijk zonder moslims is geen Frankrijk.’ Stéphane heeft niets dan lof voor Marine Le Pen, de huidige leider van het uiterst rechtse Front National. ‘De echte Fransen, de Français de souche, zij begrijpen dat in Frankrijk nu de joden de dienst uitmaken,’ zegt hij. Ik vraag hem of Le Pen, die bekendstaat om haar anti-immigratiestandpunt, een bedreiging vormt voor de Franse moslims. ‘Als ik Valls zie, denk ik: islamofoob,’ zegt Stéphane. ‘Bij Marine Le Pen denk ik: Puur Frans, wil alles aan de Fransen geven. Snap je?’

‘Ook aan jou dus?’

‘Aan mij? Ik ben Frans.’ Stéphane laat me zijn identiteitskaart zien. ‘Veel moslims gaan op Marine Le Pen stemmen.’ Ik had dit al eerder gehoord en ook sommige peilingen wijzen erop. ‘Je weet wat ze zeggen, de vijanden van mijn vijanden zijn mijn vrienden.’

Twintig of dertig jaar lang heeft regerend links een falend beleid van soft multiculturalisme gevoerd

Ben Ahmed kent Stéphane al jaren, en hij waardeert het dat die bereid is tijd en geld te besteden aan de jongeren in de cités. Zijn succesvolle bedrijf vormt ook een inspiratiebron voor banlieuebewoners. Maar na de aanslagen van vorig jaar januari ontstond er een verschil van mening tussen hen. Stéphane hield vol dat Charlie Hebdo islamofoob was en Ben Ahmed dacht dat hij daarmee wilde zeggen dat de medewerkers hun lot hadden verdiend. Het meningsverschil maakte Ben Ahmed erg van streek.

Vorige zomer leidde de strijd in Gaza overal in Frankrijk tot protesten, waarvan sommige gewelddadig 
en expliciet antisemitisch werden, met geweld tegen synagogen en koosjere winkels. Op een dag in augustus reed Ben Ahmed naar huis vanuit het gemeentehuis van Bondy, toen hij iemand hoorde schreeuwen: ‘Vuile jood!’ Hij stopte. Een man met een keppeltje liep weg voor een andere man.

‘Vuile klootzak!’ schreeuwde Ahmed naar de man die had gescholden. Het was iemand die hij kende en de man vroeg hem verbaasd: ‘Hé, waarom praat je zo tegen me?’

‘Als jij respect betoont aan hem, betoon ik respect aan jou,’ zei Ben Ahmed.

De antisemiet liep weg. De jood bedankte Ben Ahmed. ‘Mensen maken een amalgame,’ zei hij, waarmee hij bedoelde dat Franse joden in de banlieues geregeld worden vereenzelvigd met Israëli’s.

‘Wordt u vaak uitgescholden?’ vroeg Ben Ahmed.

‘Nee, dit is de eerste keer. Het komt door de oorlog.’

‘Nee, hij is gewoon een klootzak,’ zei Ben Ahmed. ‘Een zichtbare minderheid, dat is alles.’

Ben Ahmed was al te optimistisch. Er mogen dan zo’n drieduizend potentiële jihadisten in Frankrijk zijn, er zijn veel meer antisemieten, onder wie veel Français de souche. Een generatie geleden leefden geïmmigreerde moslims en joden in goede verstandhouding naast elkaar in de banlieues. Vandaag de dag zijn er weinig joden meer te vinden in de banlieues, en degenen die er zijn proberen hun identiteit zo veel mogelijk te verbergen. Een vriendin van Ben Ahmed vertelde dat haar joodse vrienden hun kinderen verboden om op straat een keppeltje te dragen.

Het oude antisemitisme van Frans rechts en de nieuwere, door immigratie veroorzaakte spanningen kwamen in 2008 samen, toen Jean-Marie Le Pen, 
de oprichter van het Front National, peetvader werd van het derde kind van Dieudonné M’bala M’bala, de Frans-Kameroense komiek die met veel succes het schelden op joden tot amusement maakt. Dieudonné heeft een enthousiaste schare bewonderaars in de banlieues – wat Stéphane over joden zegt zou zo uit een monoloog van Dieudonné kunnen komen. Voor wie niet al in zijn kamp zit, is Dieudonné bijzonder ongeestig. Zijn film L’Antisémite uit 2012 begint als zogenaamd stomme film waarin Dieudonné, onder begeleiding van vrolijke pianomuziek, een Amerikaanse soldaat speelt die zojuist Auschwitz heeft bevrijd. (Helaas is historisch onbenul niet het enige mankement van de film.) Een kruiperige gevangene leidt hem rond door het kamp. In een gaskamer dept Dieudonné zijn hals met zyklon B, alsof het eau de cologne is; in een crematorium ziet hij de overblijfselen van kinderen aan voor kippenbotjes. Als hij in een leren leunstoel gaat zitten, zegt de gevangene tegen hem: ‘Pas op, je zit op mijn oma!’


Dieudonné heeft het antisemitisme uit extremistische kringen gehaald en in de populaire cultuur gebracht. In Montreuil spreek ik een ambtenaar van de keuringsdienst voor restaurants, Saïd Allam, die ook fan is. ‘Dieudonné is hetzelfde als Charlie Hebdo – het is satire,’ zegt Allam. ‘Hij brengt sketches over joden om mensen aan het lachen te maken, Charlie Hebdo brengt cartoons over de Profeet om mensen aan het lachen te maken – dat is hetzelfde.’ Na de aanslagen schreef Dieudonné op zijn Facebookpagina, met de hem typerende pesterigheid: ‘Ik geloof dat ik Charlie Coulibaly ben.’ Als reactie vervolgden de autoriteiten hem wegens steun aan het terrorisme, en hij is verscheidene keren veroordeeld voor aanzetten tot rassenhaat; dit heeft ertoe geleid dat zijn bewonderaars de overheid ervan beschuldigen met twee maten te meten. ‘Mensen zeggen: met de moord op Charlie Hebdo is de vrijheid van meningsuiting vermoord,’ zegt Allam. ‘Maar ze hebben zelf de vrijheid van meningsuiting vermoord door Dieudonné voor het gerecht te slepen.’

Dankzij het klagen over de dubbele moraal wordt de afschuw over de moorden verdrongen door een prettiger gevoel van slachtofferschap. Het argument dat Charlie Hebdo zich richt tegen religieuze politiek, terwijl Dieudonné het op joden gemunt heeft, was veel te subtiel voor de grimmige sfeer die na 7 januari opkwam. Dat geldt ook voor 
het inzicht dat wetten tegen haatzaaien altijd problematisch zijn, al was het maar omdat ze bijna onvermijdelijk de beschuldiging over zich afroepen dat ze selectief worden toegepast.

Ben Ahmed verafschuwt Dieudonné. ‘Hij is de enige komiek die islamofoben, antisemieten en anti-elitairen in één ruimte bij elkaar krijgt, en ze allemaal aan het lachen kan maken,’ zegt hij. ‘Niet omdat hij grappig is, maar uit haat.’

Wetteloosheid

Een multiraciale bende onder aanvoering van Youssouf Fofana, een crimineel van Ivoriaanse afkomst, ontvoerde in 2006 een joodse verkoper van mobiele telefoons, Ilan Halimi. Ze brachten hem naar een cité aan de zuidkant van Parijs. De bende eiste losgeld. Volgens een lid van de bende geloofde Fofana dat de staat hem als een slaaf beschouwde, en dat ‘joden koningen waren omdat ze aten van het geld van de staat’. Fofana ging ervan uit dat alle joden rijk waren en eiste 450.000 euro. Maar de familie van Halimi kon zo veel geld niet opbrengen en de ontvoerders martelden Halimi met vuisten, brandende sigaretten, zuur en uiteindelijk messen.

Na 24 dagen werd Halimi gevonden, naakt en verminkt, vastgebonden aan een boom in een park ten zuiden van Parijs. Hij stierf onderweg naar het ziekenhuis. Tijdens zijn lange martelgang wisten minstens vijftig mensen in de cité – van bendeleden tot buren – dat er iets gaande was, maar niemand belde de politie.

In zekere zin was de zaak-Halimi nog verontrustender dan de aanslagen van januari. Dat zo veel inwoners het geweld hadden laten gebeuren, toonde aan dat wetteloosheid en haat regel waren geworden in de banlieues. Marc Weitzman, een romanschrijver die werkt aan een boek over het Franse antisemitisme, zegt dat de haat tegen joden in de banlieues ‘altijd op de achtergrond aanwezig is in de waarden waar ze mee zijn opgegroeid – klaar om geactiveerd te worden zodra hun nihilistische criminaliteit omslaat in een zoektocht naar betekenis.’ Voor sommige bewoners kan antisemitisme het pad naar radicalisering zijn.

Ben Ahmed zegt dat hij twee opdrachten heeft in het 93ste: ‘Verkeerde ideeën in de religie corrigeren en een eind maken aan de stigmatisering van die religie.’ Twee doelen die heel wat evenwichtskunst vragen. Stel dat het corrigeren van onjuiste ideeën leidt tot meer stigmatisering van de islam? Hoe moet je bijvoorbeeld de religieuze ideeën noemen die, volgens Stéphane, Amedy Coulibaly de moed hebben gegeven om zijn daden uit te voeren?

Allam, de restaurantinspecteur uit Montreuil, beklaagt zich er bij mij over dat de moorden het etiket ‘islamistische daad’ hebben gekregen. Hij voegt eraan toe: ‘Het is heel, heel ernstig om dat te zeggen, want het veronderstelt dat het begaan van moorden met een religie te maken heeft.’ Als een blonde man cartoonisten zou vermoorden omdat zij blonde mensen belachelijk maakten, zouden mensen hem krankzinnig noemen, stelt hij. ‘En een man die mensen doodt in naam van zijn religie is een krankzinnige.’

Maar er is een verschil tussen de woorden ‘islamitisch’ en ‘islamistisch’, en dat zorgt ervoor dat er een essentieel politiek onderscheid te maken is tussen gewone gelovigen en ideologen. Dit onderscheid voorkomt juist dat moslims op één hoop worden gegooid met jihadisten. Niettemin heeft de wond van de uitsluiting zo lang doorgeëtterd onder de Franse moslims dat het onderwerp islamistisch terrorisme bijna te gevoelig is om aan te snijden. Voor een eerlijk gesprek daarover is een onderling vertrouwen nodig dat maar zelden voorkomt.

Op een avond staat Ben Ahmed het eten klaar te maken in het huis van zijn buurvrouw, Valérie Tabet. Zij is weduwe, werkt als pianolerares en haar dochter zit op dezelfde school als de kinderen van Ben Ahmed. De twee gezinnen zijn goed bevriend. Tabet, die een lichte huid heeft en kort donkerblond haar, vertelt me dat het tegenwoordig niet veilig meer is voor jonge kinderen om in het 93ste alleen op straat te zijn, en dat Ben Ahmed een soort vaderfiguur is geworden voor haar dochter. Terwijl Ben Ahmed crêpebeslag uitgiet op een hete plaat, bespreken Valérie en hij hoe iemand terrorist wordt.

Ben Ahmed zegt: ‘Ik heb de indruk dat het eigenlijk heel eenvoudig is, hoe bij deze mensen van de ene op de andere dag de knop om kan gaan.’

‘Het gaat niet van de ene op de andere dag,’ zegt Tabet.

‘Voor mij is het een kwestie van mensen die psychisch ziek zijn, misschien enigszins gestoord,’ zegt Ben Ahmed. ‘Deze mensen zijn fragiles, en op een bepaald moment worden ze geronseld door anderen…’

‘Er zijn zo veel jihadisten dat ik het niet met je eens kan zijn,’ valt Tabet hem in de rede. ‘De gebroeders Kouachi waren fragiles door hun omstandigheden – gebrek aan structuur, gebrek aan onderwijs, gebrek aan levensvisie, en dat leidt later tot geweld – maar ik ben het niet met je eens dat ze gestoord waren.’

Ben Ahmed zegt dat hij dat ook niet bedoelde. Naast de psychiatrische gevallen zijn er ook de mensen die psychologisch zwak zijn, zoals de Kouachi’s: ‘Deze mensen zouden een straatgevecht begonnen zijn om niets, om een parkeerplaats.’ En hij voegt eraan toe: ‘Coulibaly, daar word ik een beetje bang van, omdat zijn gezinsleven normaler was.’ Op de een of andere manier was Coulibaly geïndoctrineerd, en vervolgens kon hij al te gemakkelijk aan wapens komen.

‘Daar is heel makkelijk aan te komen,’ stemt Tabet in. ‘Maar er zijn veel mensen die fragile worden gemaakt door de samenleving, omdat er niet genoeg werk is voor iedereen, vanwege sociale problemen en al die dingen. Maar wat ik zie is dat die mensen één ding gemeen hebben: het zijn allemaal moslims.’ Ze voegt er vlug aan toe: ‘En ik wil niet met de beschuldigende vinger wijzen, ik bedoel de mogelijke terroristen. Maar volgens mij is het probleem de dingen die ze horen in de moskeeën, in kleine groepen.’ Ze bedoelt de radicale, haatpredikende imams.

Ben Ahmed zegt dat Tabet alleen maar herhaalt wat ze in de media hoort.

‘Maar íémand indoctrineert ze.’

‘De mensen die dat doen horen bij een netwerk, maar niet bij een netwerk dat je islamitisch zou noemen,’ zegt Ben Ahmed. ‘Niet in een moskee.’ Hij zoekt naar de naam van de man die Coulibaly in de gevangenis heeft geronseld. ‘Djamel Beghal. Dat is geen imam.’

‘Je kunt niet zeggen dat er geen mensen zijn die de religie gebruiken om deze jongeren aan te trekken.’

‘Je zegt nu “mensen”, natuurlijk, maar je zei ook “imams”. Ik zeg niet dat ze niet bestaan, maar je generaliseert op basis van de uitzondering.’

‘Ik zeg dat er veel redenen bestaan, en de gemeenschappelijke deler is dat het jonge moslims zijn. 
En dat betekent iets – het betekent dat ze de religie gebruiken.’

Ben Ahmed is kennelijk bang dat hij de islamofoben gelijk geeft als hij het met Tabet eens is. Die grens kan hij niet over. Het scheelt weinig of de twee belanden in een meningsverschil dat hun vriendschap blijvende wonden kan toebrengen.

‘Je mening is interessant,’ zegt Ben Ahmed. ‘Het punt is: ik ben ervan overtuigd dat het niet echt in moskeeën gebeurt. Het gebeurt in de gevangenis.’

‘Ja, dat is zeker,’ zegt Tabet.

‘En daarnaast er zijn mensen die naar de moskeeën komen om met jongeren te praten en dan sommigen daarvan weten in te kapselen.’

‘Voilà.’

Nu hebben ze net genoeg gemeenschappelijke basis gevonden om verder te kunnen praten.

Meer dan vijftienhonderd Franse burgers zijn het land uit gereisd om zich bij Islamitische Staat te voegen – een kwart van het totaal in Europa. Zo’n tweehonderd van hen zijn naar Frankrijk teruggekeerd. Een groeiend aantal van deze nieuwe rekruten heeft geen band met de banlieues. Volgens Farhad Khosrokhavar zijn de meeste Franse moslims die naar Syrië gaan nu jongeren uit de middenklasse, onder wie ook een aantal blanke bekeerlingen en een toenemend aantal vrouwen. Ze komen uit grote steden en kleine provinciestadjes. ‘Ze behoren niet tot gebroken gezinnen,’ zegt Khosrokhavar. Hun radicalisering kan zich in zeer korte tijd voltrekken, soms binnen enkele weken, meestal via sociale media. Ze gaan naar het Midden-Oosten omdat ze zich geraakt voelen door de narigheid waarin hun medemoslims verkeren. Sommigen schrikken daar terug voor het geweld van Islamitische Staat en proberen terug te keren; anderen voelen zich er juist door aangetrokken.

Een paar dagen voor de aanslagen van januari vloog Hayat Boumeddiene, de vrouw van Coulibaly, van Madrid naar Turkije, waar ze de grens met Syrië overstak. Een bewakingscamera op het vliegveld van Istanboel legde haar vast bij haar aankomst in Turkije, samen met een jongeman met een vlassig baardje en lang zwart haar in een knotje. Dat was de 23-jarige Mehdi Belhoucine, afkomstig uit het 93ste. Zijn oudere broer Mohamed was rond 2009 via internet geradicaliseerd en stuurde daarna boodschappen door voor een netwerk van Franse jihadisten die op weg waren naar Centraal-Azië. Aangenomen wordt dat Mohamed en Mehdi nu in Syrië zitten. De broers zijn altijd uitstekende leerlingen geweest – Mohamed heeft een voortgezette opleiding in mijnbouwtechniek gevolgd, Mehdi in elektronica – en komen uit een middenklassegezin met een eigen huis. Ben Ahmed kent hun moeder, die met hem samenwerkt in het gemeentehuis van Bondy. ‘Een heel aardige vrouw,’ zegt hij. ‘Het is zo sneu.’

‘Vóór januari had ik een helder beeld van het jihadisme,’ zegt Sylvine Thomassin, de burgemeester van Bondy. ‘Het had te maken met gezinnen met een gebrekkige ontwikkeling, ouders die in de problemen zaten, kinderen die op school mislukten.’ Het was een vreemd ‘geruststellend schema’, omdat het de weg naar radicalisering voorspelbaar leek te maken. Toen kwam het verbijsterende nieuws over de band van de gebroeders Belhoucine met aanslagplegers in Parijs. De burgemeester, die de familie Belhoucine goed kent, vindt het nu onmogelijk om nog een profiel te geven. ‘Onze islamitische medeburgers wonen voor het overgrote deel in sociale huurwoningen en de meesten hebben met dezelfde problemen te kampen als degenen die geradicaliseerd zijn, en toch zijn zij niet geradicaliseerd,’ zegt ze. ‘Dus het probleem is kennelijk niet de banlieues. Misschien is het de extreme gevoeligheid van een heel kleine groep voor alle discussies om hen heen.’

Medemenselijkheid

De Parijse strafrechtadvocaat Xavier Nogueras vertegenwoordigt twintig Franse burgers die beschuldigd worden van jihadisme. Sommige van zijn cliënten zijn gewelddadig en gevaarlijk, zegt hij, maar de meesten zijn uit idealisme naar Syrië gegaan, om andere moslims te beschermen tegen het Assad-regime en een islamitische staat op te bouwen. 
Volgens hem vormen deze mensen geen gevaar voor Frankrijk en zou de staat ze niet voorgoed van zich moeten vervreemden met jarenlange celstraffen. Nogueras wil de motieven van zijn cliënten niet 
toeschrijven aan de sociale omstandigheden in de banlieues. Weinigen van hen hebben een criminele achtergrond; sommigen hadden een goedbetaalde baan bij een groot Frans bedrijf. ‘Wat mij het meest heeft verrast, is hun enorme medemenselijkheid,’ zegt Nogueras. Voor hem zijn jihadisten boeiender dan de drugsdealers en overvallers die hij ook in zijn praktijk tegenkomt. ‘Ze hebben meer te vertellen, veel meer ideeën. Volgens hun heilige boek moeten ze de sharia toepassen, die hun opdraagt hun vrouw te bedekken, niet seculier te leven. En we zijn in een land dat hen onvermijdelijk stigmatiseert, omdat 
het seculier is. Ze voelen zich hier niet thuis.’

Het onderscheid dat de advocaat maakt tussen jihadisme thuis en in het buitenland klinkt me bepaald niet geruststellend in de oren. Coulibaly’s geloof kon hem er evengoed toe hebben gebracht om mensen 
in Syrië te vermoorden als in Parijs; ideologisch gedreven geweld kan overal plaatsvinden. Het ‘idealisme’ van cliënten die de sharia voor de hele wereld willen laten gelden, is in sommige opzichten zorgwekkender dan eenvoudige gewelddadigheid: zelfs 
al doet Frankrijk nu zijn best om moslims het gevoel te geven dat ze volwaardige kinderen van de republiek zijn, een kleine minderheid zal altijd principieel onverzoenlijk blijven.

In een winkelstraat in het 93ste, in een schaars gemeubileerd appartement zonder naam bij de bel, spreekt Sonia Imloul, een maatschappelijk werkster van Algerijnse afkomst, geregeld af met de gezinnen van geradicaliseerde jonge mensen. Ze krijgt de gevallen door via de politie of via een meldpunt van de overheid waarbij de families hebben aangeklopt. Tijdens onze ontmoeting gaat Imloul aan de keukentafel zitten, steekt een sigaret op en zegt: ‘Ik heb hier kinderen gehad van artsen, journalisten, generaals. Het lijkt wel een nationale epidemie.’ Ze let ‘met argusogen’ op haar eigen veertienjarige zoon.

Imlouls methode is erop gericht de band tussen een jongere en zijn of haar familie in stand te houden, voor er sprake is van een ‘initiatiereis’. ‘De familie heeft vaak het antwoord, zonder het te weten,’ zegt ze. Radicalisering komt al dertig jaar voor in Frankrijk; het kan nog wel eens dertig jaar duren voor er een goede oplossing voor gevonden is. Dat het probleem nu acuut is, komt volgens Imloul deels doordat het rigide secularisme van de republiek geen ruimte laat voor discussie over religieuze identiteit. ‘Als je met een radicaal niet over religie praat, kun je nergens over praten,’ zegt ze. Frankrijk benadert het probleem uitsluitend repressief. De ‘preventiegroep’ van Imloul is het enige programma in zijn soort van het land.

De aanslagen van januari hebben een oprecht gevoel van crisis veroorzaakt, en premier Valls heeft hartstochtelijke toespraken gehouden waarin hij de ‘geografische, sociale en etnische apartheid’ veroordeelt die Franse burgers uit gebieden als het 93ste de toegang tot de republiek ontzegt. Thomassin, de burgemeester van Bondy (en de baas van Ben Ahmed), wijst me op een kaart aan waar hoogbouw wordt afgebroken en vervangen door kleinere gebouwen die zijn omgeven door groene ruimte. Het doel is om een nieuw gemeenschapsgevoel te creëren. De burgemeester van Le Blanc-Mesnil, een andere banlieue in het 93ste, vertelt over een vergelijkbaar plan, volgens de principes van het ‘New Urbanism’, waarin huurders van sociale woningen eigenaar van hun huis kunnen worden. Het lijkt erop dat Frankrijk, 
na tientallen jaren wegkijken, nu een inhaalslag probeert te maken.

‘We zijn in oorlog, maar niet tegen een godsdienst,’ heeft Valls gezegd. Frankrijk voert ‘een oorlog om onze waarden te verdedigen, die universeel zijn’. Hij riep Franse moslims op om dat ook als hún strijd te zien. ‘Het is een oorlog tegen terrorisme en het radicale islamisme, tegen alles wat tot doel heeft onze solidariteit, vrijheid, broederschap kapot te maken.’

Zijn campagneposters werden beklad met hakenkruizen en racistische leuzen – ‘Vuile Arabier’ – maar dat negeerde hij

Twintig of dertig jaar lang heeft regerend links een falend beleid van soft multiculturalisme gevoerd, terwijl de zwijgende meerderheid in Frankrijk, die steeds meer culturele onzekerheid ervoer, naar rechts opschoof en de banlieues aan hun lot werden overgelaten. De Front National-kiezer en de geradicaliseerde moslim voelen zich allebei in de kou staan. Volgens politiek wetenschapper Laurent Bouvet hebben de aanslagen van januari als een onderwaterbom al die onderstromen naar de oppervlakte gebracht. ‘Secularisme is onze gemeenschappelijke deler,’ zegt Bouvet. ‘Als er een gemeenschappelijke Franse identiteit is, dan is dat geen identiteit van wortels, het is geen christelijke identiteit, het zijn geen kathedralen, 
het is niet het blanke ras. Het is een politiek project. Als we het Front National de Franse identiteit laten definiëren, zal dat een definitie zijn op basis van ras, van bloed, van religie.’

Frankrijk heeft een speciale rapporteur général voor secularisme, en op dit moment wordt die officiële functie vervuld door een serieuze jonge socialistische politicus, Nicolas Cadène. Volgens hem is Frankrijk er niet in geslaagd om een nationaal verhaal te scheppen waarin alle burgers een plek hebben. De schok van de aanslagen en de verdeeldheid daarna hebben een nieuwe benadering dringend noodzakelijk gemaakt. En hij schetst een pakket van hervormingen dat begint bij de scholen: leg uit wat de betekenis is van het secularisme, door ‘onpartijdige, neutrale’ feiten te onderwijzen over verschillende religies, om zo de leerlingen verdraagzamer en kritischer te maken; neem meer koloniale geschiedenis op in het lespakket; moedig Arabische lessen op openbare scholen aan, zodat dit niet aan de Koranschool wordt overgelaten. Een aantal van deze veranderingen wordt dit najaar al ingevoerd.

Sciences Po – het instituut voor sociale wetenschappen waar arabist Jean-Pierre Filiu doceert – hanteert al meer dan tien jaar voor een deel van elke nieuwe lichting studenten enigszins andere toelatingseisen. De Franse wet verbiedt onderscheid naar etniciteit 
of religie, dus gebruikt Sciences Po geografie als criterium. ‘We willen studenten uit het 93ste binnenhalen,’ zegt Filiu. ‘Ik heb in die toelatingscommissies gezeten, en de kandidaten uit de banlieues horen bij de beste – als je daar vandaan komt, heb je la niaque, moed, een vechtersmentaliteit.’ Ik bedenk bij mezelf wat zo’n kans had kunnen betekenen voor Ben Ahmed.

Eind maart 2015 zouden er verkiezingen worden gehouden in de honderd departementen van Frankrijk. Ben Ahmed besloot zich kandidaat te stellen als socialistisch vertegenwoordiger van Bobigny. Zijn campagneposters werden beklad met hakenkruizen en racistische leuzen – ‘Vuile Arabier’ – maar dat negeerde hij. Dagen en nachten liep hij in zijn oude buurt folders uit te delen en handen te schudden. 
De bewoners begroetten hem als een van hen, maar velen zagen er weinig heil in om te gaan stemmen. Tegen zijn vroegere buren die zich het meest verzetten – de oude vrouw in volledige hijab, de werkloze mannen bij het café, J.-P. en zijn bende – zei hij dat 
ze zich niet van stemmen konden onthouden als ze gelijkwaardige burgers wilden worden.

Ben Ahmed werd vierde. Zelfs de kandidaat van het Front National kreeg meer stemmen dan hij. De socialisten deden het, als regeringspartij, overal slecht. Extreem-rechts zette zijn opmars voort. Maar Ben Ahmed laat zich niet ontmoedigen. Hij gelooft in 
de politiek, hij gelooft in Frankrijk. Hij gaat het de volgende keer weer proberen.

Auteur: George Packer
Vertaler: Annemie de Vries

The New Yorker
Verenigde Staten | weekblad | oplage 1.043.000

Sinds 1925 hét New Yorkse tijdschrift met als handelsmerk de satirische karikaturen en cartoons en geïllustreerde covers. Is met zijn parels van reportages, scherpe politieke analyses, fictie en essayistiek, rigoureuze factchecking en brede belangstelling voor cultuur favoriet onder liefhebbers van het journalistieke ambacht in binnen- en buitenland.

Dit artikel van George Packer verscheen eerder in The New Yorker.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

360 is jarig en trakteert!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief en krijg 3 maanden gratis toegang tot 360 online.