• The New York Times Style Magazine
  • Cultuur
  • De commune, een andere Amerikaanse droom

De commune, een andere Amerikaanse droom

Overal in de Verenigde Staten schieten de zogeheten intentional communities als paddenstoelen uit de grond, nu een grote groep Amerikanen inziet hoeveel het oplevert om een stapje terug te doen uit de moderne maatschappij. ‘Ten eerste de sociale contacten, ten tweede een gevoel van zingeving, ten derde de verbondenheid met de natuur.’

De East Wind-leefgemeenschap ligt diep verscholen in de Ozarks, een gebergte in het zuiden van Missouri, en is omgeven door grillige bergketens en geelbruine velden. Om er te komen moet je over landelijke kronkelwegen rijden die stijgen en dalen, tussen met kippengaas afgegrensde boerenerven en grazige weiden vol roestige landbouwapparatuur. Uiteindelijk kom je dan bij een terrein van zo’n 5 vierkante kilometer dat goeddeels bestaat uit onontgonnen bosgrond en waar ceders, eiken, dennen en moerbeibomen een dicht bladerdak vormen. Onder dat bladerdak bevinden zich 27 gebouwen, onder meer 4 grote wooneenheden, 9 privéonderkomens, een keuken en een eetzaal, een garage, een notenpastafabriek en een koelhuis – allemaal gebouwd sinds de oprichting van deze leefgemeenschap in 1974. Buiten scharrelen boerderijdieren over het knisperende tapijt van winterbladeren – zes biggetjes, vijftig kippen, tientallen bruin-witte koeien.

Niet ver vandaar lopen twee vrouwen door een modderig weiland – een van hen met een kruiwagen. Ze zijn op weg naar de schuur van grijsverweerde planken waar de koeien staan, die vele liters melk geven. Een magere man met een rossig matje zet een kettingzaag tegen de stam van een boom. Op allerlei paadjes spreken mensen elkaar aan, informeren naar het onderbemande bosbeheerdersprogramma of vertellen anekdotes. Iedereen is op weg ergens naartoe, maar desondanks heeft niemand haast. Er is geen smartphone te bekennen. De leefgemeenschap lijkt een combinatie van een boerderij, een vrijwilligerscentrale en een druk huishouden. Er is van alles te doen maar vele handen maken licht werk.

Leden van een commune in Cross Plains in de Amerikaanse staat Wisconsin poseren voor hun schuur, 1968. Net als in de jaren zestig en zeventig is het leven in een commune tegenwoordig weer populair in de Verenigde Staten.
Leden van een commune in Cross Plains in de Amerikaanse staat Wisconsin poseren voor hun schuur, 1968. Net als in de jaren zestig en zeventig is het leven in een commune tegenwoordig weer populair in de Verenigde Staten.

East Wind is wat de 72 bewoners een intentional community noemen, een modern uitvloeisel van de utopische kolonies en communes uit voorbije eeuwen. Het is een leefgemeenschap waar mensen alles met elkaar delen: maaltijden, huishoudelijke taken, woonruimte, werk, inkomen, sociale verantwoordelijkheden en de last van zelfbestuur. De Amerikaanse term, intentional community, stamt van het einde van de jaren veertig van de vorige eeuw, toen de Inter-Community Exchange (een organisatie die in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog was opgericht in Yellow Springs, Ohio, ter bevordering van vreedzame, coöperatieve leefgemeenschappen, in de hoop zo voorgoed een einde te maken aan oorlogen) haar naam veranderde in Fellowship of Intentional Communities – de oprichters hadden het gevoel dat deze nieuwe naam beter paste bij de bewuste keuze voor dergelijke leefgemeenschappen.

De leden van East Wing variëren in leeftijd tussen de 0 en de 76. Sommigen wonen hier al meer dan dertig jaar, maar ongeveer de helft van de bevolking maakt deel uit van de nieuwste golf: mensen van eind twintig, begin dertig die zich ergens de afgelopen vier jaar hebben aangesloten. Deze nieuwe inwoners zijn naar East Wind gekomen omdat ze niet langer afhankelijk wilden zijn van fossiele brandstoffen, omdat ze hun eigen eten wilden verbouwen, omdat ze meer zeggenschap wilden over de inrichting van de maatschappij en omdat ze een financieel minder hachelijk bestaan nastreefden.

Volgens Sky Blue, de 39-jarige executive director van de Foundation for Intentional Community (FIC) en een voormalig lid van de in Virginia gevestigde commune Twin Oaks, die in 1967 is opgericht, is het aantal geregistreerde leefgemeenschappen tussen 2010 en 2016 (het laatste jaar dat er een officieel FIC-overzicht is gepubliceerd) bijna verdubbeld. Inmiddels zijn er zo’n 1200. Hoewel moeilijk is vast te stellen hoeveel mensen er precies in deze gemeenschappen wonen – men probeert bewust zo min mogelijk gegevens vast te leggen – schat Blue dat er momenteel zo’n 100.000 mensen in dergelijke gemeenschappen wonen. ‘Er is duidelijk sprake van een stijgende lijn die je niet in kaart kunt brengen,’ zegt hij. ‘Millennials hebben meer affiniteit met dit soort leefgemeenschappen dan de mensen vroeger.’

“Het is heel antikapitalistisch om alles gewoon te delen”

De Verenigde Staten zijn al vanaf het allereerste begin een proeftuin voor experimenten op het gebied van alternatieve leefwijzen. De zogeheten English Puritans and Pilgrims, geloofspuriteinen die begin zeventiende eeuw naar Amerika vluchtten om te ontsnappen aan onderdrukking en vervolging door de Church of England, stichtten in Amerika kleinere gemeenschappen waar ze in vrijheid hun geloof konden belijden. Hun voorbeeld werd in de jaren dertig van de negentiende eeuw gevolgd door, met name, de zogeheten transcendentalisten in New England, die zich wilden distantiëren van de onbarmhartige uitwassen van de industriële revolutie en in plaats daarvan een leven ambieerden dat in het teken stond van de romantische idealen.

In 1841 kochten George en Sophia Ripley, unitariërs die zich hadden laten inspireren door het ethos van de trancendentalisten, een kleine honderd hectare grond in de met dennenbossen begroeide heuvels van West Roxbury in Boston. Daar stichtten ze een van de eerste en meest invloedrijke utopische gemeenschappen van Amerika, Brook Farm geheten. Om het project te financieren, riepen ze een zogeheten maatschappij op aandelen in het leven, met aanvankelijk tien aandeelhouders.

Ze verkochten aandelen voor vijfhonderd dollar, beloofden investeerders een jaarlijkse winst van 5 procent, die ze beoogden te halen uit de verkoop van handgemaakte kleding, inschrijvingen voor een privéschooltje dat werd gedreven door Sophia, en door nieuwsgierige buitenstaanders rond te leiden tegen een geringe vergoeding. In 1840 schreef George zelfs een brief aan Ralph Waldo Emerson, de oprichter van het trancendentalisme, waarin hij de hoop uitsprak dat de vermeende leider van de beweging zich zou aansluiten bij zijn sociale experiment, of het op enige andere wijze zou steunen. Hij betoogde dat op Brook Farm ‘gedachten zouden prevaleren boven arbeid, en dat arbeid zou bijdragen aan de verbreding van gedachten’ teneinde te komen tot ‘een industrie die niet geestdodend is’.

Vrijplaats

Omdat Brook Farm zo veel verschillende doelen nastreefde – het afschaffen van het klassensysteem, het bevorderen van de gelijkheid tussen man en vrouw, een eerlijke verdeling van arbeid, het op waarde schatten van intellectuele inspanningen en vrije tijd, het stimuleren van zelfverbetering – oefende de gemeenschap een grote aantrekkingskracht uit op sociale hervormers, feministen van het eerste uur, theologen en schrijvers (Nathaniel Hawthorne was een van de oprichters).

Hoewel er uiteindelijk niet meer dan 32 mensen zouden wonen en het project in 1847 officieel werd opgedoekt, nadat de gemeenschap was geteisterd door schulden, pokken en een grote brand, groeide Brook Farm uit tot hét Amerikaanse voorbeeld voor latere utopische projecten. In de decennia die volgden, kwamen er meer gemeenschappen, zoals de Amana Colonies in Iowa en de Oneida Community in de staat New York, die fungeerden als een vrijplaats voor mensen die wilden ontsnappen aan het materialisme van de moderne tijd. Maar aan het begin van de twintigste eeuw bezweken veel van deze projecten onder financiële druk, ideologische geschillen en de wrijving tussen enerzijds de fantasie van sociale verlichting en anderzijds de realiteit van fysieke arbeid en de sobere leefomstandigheden.

Pas in de decennia na de Tweede Wereldoorlog, toen grote aantallen Amerikanen vraagtekens gingen plaatsen bij zowel het sociaal-politieke beleid als het milieubeleid, werd het verlangen om alternatieve leefgemeenschappen te stichten nieuw leven ingeblazen. Dit leidde tot de ‘hippiecommunes’ die niet zijn weg te denken uit het culturele landschap van de twintigste eeuw. Strawberry Fields in het zuiden van Californië, The Farm in het midden van Tennessee en Drop City op het platteland van Colorado – ze belichamen allemaal de radicale vrijheid, het sociale experiment en de bewustzijnsverruiming die zo bepalend zijn geweest voor de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw.

De oorspronkelijke leden van de Alpha Farm-commune, opgericht in de jaren zestig in Oregon. – © Gilles Mingasson / Getty
De oorspronkelijke leden van de Alpha Farm-commune, opgericht in de jaren zestig in Oregon. – © Gilles Mingasson / Getty

Door vrijuit elementen te ontlenen aan de psychedelische beweging, aan kunstenaarscollectieven zoals Ant Farm, Fluxus en Art Workers’ Coalition, maar ook aan de opkomende milieubeweging en subculturen zoals de Merry Pranksters, de Nature Boys – waarvan sommigen waren ontstaan in reactie op de Vietnamoorlog – wisten deze communes een snaar te raken bij een iconoclastische stroming binnen de maatschappij die zich schaarde achter socialistische idealen en de principes van de oosterse filosofie (waaronder onthechting, spontaniteit en vredelievendheid) en die veel van de heersende middenklassewaarden verwierp, zoals het idee van het gezin als hoeksteen van de samenleving en de ongebreidelde consumptiedrang.

Wie zich bijvoorbeeld bij The Farm wilde aansluiten, moest een gelofte van armoede afleggen. Veel van deze communes, die een duidelijke organisatiestructuur ontbeerden en de grootste moeite hadden om een geregeld inkomen te genereren, zouden het uiteindelijk niet redden, maar tegen die tijd hadden ze al een dubieus soort culturele onsterfelijkheid vergaard en ze zouden uitgroeien tot een soort maatstaf voor de alternatieve leefstijlen en utopische projecten van latere jaren.

Hoewel de hippiegemeenschap is verworden tot een cliché, is het DNA ervan doorgegeven aan enkele van de alternatieve leefgemeenschappen van vandaag de dag. Denk aan Cedar Moon, diep verscholen in een state park, op drie hectare landbouwgrond, niet ver van de buitenwijken van Portland, Oregon. Tot 2004 werd het terrein verhuurd aan wisselende casts van vrijdenkende kunstenaars, activisten en musici, die in twee huizen van oerboshout woonden.

Toen een projectontwikkelaar de eigenaar anderhalf miljoen dollar bood voor het stuk grond, waar hij nieuwbouw wilde neerzetten, sloegen de bewoners de handen ineen en wisten het terrein te behoeden voor een lot dat niet alleen hen dakloos zou maken, maar dat ook indruiste tegen alles waar ze voor stonden. In februari 2005 wisten 16 bewoners binnen een maand 125.000 dollar bij elkaar te krijgen, waarmee ze de onmiddellijke dreiging konden afwenden. In het jaar erna wisten ze de anderhalf miljoen bij elkaar te sprokkelen die nodig was om het terrein te kopen – wrang genoeg bestond de helft van dat geld uit leningen bij de bank.

Antikapitalistisch

Los van de twee oorspronkelijke gebouwen en een krakkemikkige schuur staan er op het terrein nu ook een sauna, een joert, een buitenkeuken, een podium voor openluchtoptredens, een ecologische buiten-wc en een kunstige belvedère, in felle kleuren geschilderd – alles zelf gebouwd door de twintig bewoners. Een aantal gebouwen is opgetrokken uit een mengsel van klei, zand en stro – een mengsel dat zijn oorsprong vindt in het laatmiddeleeuwse Engeland en dat extreem energiezuinig is dankzij de hoge thermische massa.

Vrijwel iedereen genereert een inkomen buiten de gemeenschap – Cedar Moon is geen commune volgens de officiële richtlijnen van de FIC en onder de huidige bewoners, voornamelijk mensen van in de dertig of veertig, al dan niet met kinderen, zijn enkele docenten, een therapeut, een directeur van een non-profitorganisatie en een accountant. De financiën zijn gescheiden, maar de boodschappen en de huishoudelijke apparatuur worden gedeeld (er is een wasmachine en een droger) en de beslissingen worden met z’n allen genomen, op basis van consensus. ‘Het is heel antikapitalistisch om alles gewoon te delen,’ zegt Brenna Bell, een milieuadvocate uit Cedar Moon. ‘Onze economie is afhankelijk van groei. Onze economie is afhankelijk van consumptie. En wij gaan heel bewust de andere kant op.’

Leden moeten tien uur per week investeren in de gemeenschap. Dat kan door in de appelboomgaard te werken, door de kudde geiten te melken of door te koken voor de hele groep (de kosten voor levensonderhoud bedragen zo’n 600 dollar per maand). Cedar Moon is nog wel aangesloten op het reguliere elektriciteitsnetwerk, maar de inwoners hebben een veel en veel kleinere ecologische voetafdruk dan de gemiddelde Amerikaan omdat ze hun energiebronnen delen, veel voedsel zelf verbouwen, ecologische toiletten hebben en hun huizen verwarmen met houtkachels. Vinnie Inzano, een dertigjarige masterstudent huwelijks- en gezinstherapie, is anderhalf jaar geleden naar Cedar Moon verhuisd omdat hij niet langer deel wilde uitmaken van systemen die ‘de ondergang in de hand werken,’ zegt hij. Hij heeft het idee dat de gemeenschap een betere manier biedt om in harmonie met de natuur te leven, om ‘niet bij te dragen aan de uitputting van de aarde’.

Zelfvoorzienend

Earthaven, dat bestaat uit zo’n 130 hectare dichtbebost terrein in de Blue Ridge Mountains in Californië en dat in 1994 is opgezet door achttien mensen van in de dertig en in de veertig, neemt het aspect van duurzaamheid nog serieuzer. Deze gemeenschap van grofweg honderd mensen, die door Chris Farmer, een van de leden, worden omschreven als ‘veel te hoog opgeleide vluchtelingen uit de buitenwijken’, is volledig onafhankelijk van het elektriciteitsnetwerk.

Enkele zonnepanelen, een microwaterkrachtsysteem en enkele kleinere fotovoltaïsche cellen leveren alle benodigde energie voor de bewoners, die zijn verdeeld over elf kleinere buurten, die elk bestaan uit tussen de een en de veertien huizen die zijn gemaakt van adobe, strobalen en hout dat op het terrein is gekapt. Rachel Fee, een 39-jarige herbalist, is in 2017 verhuisd naar Earthaven, na vijf jaar net buiten Nashville te hebben gewoond. Ze verlangde naar een manier van leven samen met andere mensen, waarin ruimte zou zijn voor haar idealen, zonder de druk om altijd maar te werken. Hier wordt ze niet langer ‘gevoed door het idee dat je eigenwaarde wordt bepaald door je productiviteit’, zegt ze.

Maar Fee is er ook duidelijk over dat deze manier van leven een ongekende uitdaging vormt, dat je bereid moet zijn om echt alles te delen met anderen. Haar roodbruine, strobalen huis van 75 vierkante meter staat op een glooiende helling die ze deelt met twintig andere mensen in negen verschillende gebouwtjes die dicht tegen elkaar aan zijn gebouwd. De bewoners halen hun water uit dezelfde bron en delen een badhuis. ‘Het is geen idealistische situatie,’ zegt ze. ‘Het is niet zo dat we de wereld zijn ontvlucht en ons hoofd in het zand steken – we zijn bezig het wiel opnieuw uit te vinden.’

“Wij gaan heel bewust de andere kant op”

In 2017 hebben Bjorn Grinde en Ragnhild Bang Nes, onderzoekers verbonden aan het Noorse instituut voor de volksgezondheid, een stuk geschreven over de kwaliteit van leven van Noord-Amerikanen in leefgemeenschappen. Samen met David Sloan Wilson, die aan het hoofd staat van de afdeling evolutiebiologie aan Binghamton University, en Ian MacDonald, een promovendus, hebben ze contact opgenomen met meer dan 1000 mensen in 174 leefgemeenschappen verspreid over Amerika en Canada.

Ze hebben die mensen gevraagd een cijfer te geven aan hun geluksgevoel, in overeenstemming met de SWLS, ofwel de Satisfaction With Life Scale – een wereldwijd erkende schaal om de geluksbeleving in kaart te brengen. Die resultaten hebben ze vergeleken met een veelvuldig aangehaalde studie uit 2008, uitgevoerd door de psychologen William Pavot en Ed Diener. Pavot en Diener hebben gekeken naar studies uit het verleden waarin dezelfde schaal is gebruikt om 31 ongelijksoortige populaties in kaart te brengen – waaronder Nederlandse volwassenen, Frans-Canadese studenten en de Inuit in het noorden van Groenland. Pavot en Diener kwamen tot de conclusie dat de leden van de leefgemeenschappen hoger scoorden dan 30 van deze 31 groepen.

Woongemeenschappen, zo concluderen de auteurs, ‘lijken een manier van leven te zijn die, in vergelijking met de reguliere maatschappij, minder indruist tegen de aard van de mens’. Vervolgens speculeren ze over de mogelijke redenen: ‘Ten eerste de sociale contacten, ten tweede een gevoel van zingeving, ten derde de verbondenheid met de natuur.’

Tegen de eenzaamheid

Hoewel veel inwoners van leefgemeenschappen ongetwijfeld gefrustreerd zullen zijn over de passieve houding ten aanzien van het klimaat en de toenemende economische ongelijkheid, sluiten anderen zich voornamelijk aan uit een verlangen naar sterkere sociale verbintenissen. Volgens een studie uit 2019, gepubliceerd door onderzoekers van University of California San Diego, kampt meer dan driekwart van de Amerikaanse volwassenen tegenwoordig met een gemiddeld tot  sterk gevoel van eenzaamheid – een percentage dat in de afgelopen vijftig jaar meer dan verdubbeld is. Hoewel de woonlasten in heel Amerika zijn gestegen, zijn er momenteel meer Amerikanen dan ooit die alleen wonen. Zoals Boone Wheeler, een 33-jarig lid van East Wind, zegt: ‘Eenzaamheid heeft letterlijk gevolgen voor de gezondheid: je kwaliteit van leven gaat achteruit als je geen mensen om je heen hebt – je gaat eerder dood.’

Vorig jaar februari nodigde Sumner Nichols, een 29-jarige man uit Pennsylvania, die vier jaar eerder naar East Wind was verhuisd, me uit om een kijkje te nemen in de leefgemeenschap, die oorspronkelijk was opgericht door een groep mannen en vrouwen die in Twin Oaks hadden gewoond en hadden besloten dat ze hun kennis en ervaring wilden aanwenden om een eigen leefgemeenschap te beginnen. Nadat ze een handvol volgelingen hadden verzameld tijdens tussenstops in Vermont en Massachusetts, streek de groep uiteindelijk neer in de Ozarks, omdat het land goedkoop was en grensde aan water. De inwoners, die er met hun toewijding voor zorgen dat East Wind het al zo lang weet vol te houden, hadden in de jaren zeventig in samenwerking met Twin Oaks hangmatten geknoopt, waarna ze begin jaren tachtig hun eigen notenpastalijn opzetten.

Hun producten, die voornamelijk worden verkocht in het Midden-Westen, genereren een jaarlijkse omzet van tussen de twee en drie miljoen dollar. Alle volwassenen in East Wind moeten 35 uur per week werken. Dat kan van alles zijn, koken of tuinieren, houtzagen, het onderhouden van de gebouwen, zorgen voor de dieren of werken in de fabriek. Omdat het een betrekkelijk bescheiden rooster is, blijft er voldoende vrije tijd over voor persoonlijke liefhebberijen: Nichols houdt van fotograferen in de natuur, terwijl andere leden muziek maken of produceren, zich verdiepen in de geneeskrachtige werking van kruiden of pottenbakken met gebruik van de gemeenschappelijke oven.

Ron en Nancy Bray met hun kinderen in de Mystic Arts-commune, jaren zeventig. – © John Olson / The LIFE Picture Collection / Getty
Ron en Nancy Bray met hun kinderen in de Mystic Arts-commune, jaren zeventig. – © John Olson / The LIFE Picture Collection / Getty

Zelfs hartje winter is het er adembenemend mooi, een golvend doek van bergruggen, open plekken en kalksteenwanden. Het is duidelijk dat mensen zich hier een voelen met de natuur, doordat ze kunnen wandelen, bergen beklimmen en zwemmen en doordat ze hun eigen voedsel verbouwen op een manier die voor de meeste Amerikanen onbereikbaar is. We lopen langs een slaapverblijf van vier verdiepingen dat Egyptisch blauw is geschilderd, en Nichols vertelt me dat hij, toen hij studeerde, ergens begin deze eeuw, ‘in het gat tuimelde van het klimaatveranderingsonderzoek’.

Hij stuitte op de ene na de andere website vol sombere, wetenschappelijke voorspellingen over een opwarmende aarde. Hij heeft zich nog een tijdje aangesloten bij Occupy in Bloomington, Indiana, maar hij zag dat het heilige vuur der verontwaardiging langzaam doofde zonder dat er op politiek vlak echt iets was bereikt. Nichols was zwaar gedesillusioneerd en had geen enkel geloof meer in de bedrijven en instellingen die zijn leven in een wurggreep hielden. Hij weet nog dat hij dacht: ‘Het gaat zoals het gaat. Dus de vraag is hoe je je leven wilt inrichten.’ Nadat hij op internet had gelezen over enkele leefgemeenschappen – wie gaat surfen komt al snel terecht bij gemeenschappen als East Wind – kwam hij tot de conclusie dat een dergelijke vorm van leven ‘op dit moment gewoon prettiger is’.

“Er is hier geen baas die jou vertelt wat je moet doen”

Als de avond valt, ontmoeten we nog een aantal andere inwoners die hebben besloten het ongebruikelijk warme weer aan te grijpen om naar een van de vele zwemplekken te gaan die East Wind rijk is – er lopen enkele zandbanken evenwijdig aan Lick Creek, waardoor poelen ontstaan waar je veilig kunt zwemmen. Terwijl de ondergaande zon het rustig kabbelende water in een warme gloed zet, vertelt een 31-jarige inwoner die Indo wordt genoemd en die al vijfenhalf jaar in de leefgemeenschap woont, waarom hij hier ooit naartoe is gekomen.

‘Toen ik me in Babylon bevond,’ zegt hij, de term hanterend die de leden van East Wind gebruiken voor de reguliere maatschappij, ‘hield ik me voortdurend bezig met de economie.’ De mensen die hier wonen houden zich bezig met min of meer dezelfde dingen als de mensen erbuiten, en ze hebben ook vergelijkbare problemen, voegt hij eraan toe, maar hier zijn ze tenminste verlost van de nietsontziende hiërarchieën die gelden in de maatschappij in bredere zin. ‘In plaats van een baas die jou vertelt wat je moet doen, is er hier sprake van een persoonlijke band,’ zegt hij. ‘We bekijken het gewoon vanuit een ander perspectief.’

En inderdaad, als je kunt zeggen dat er sprake is van een zekere romantiek binnen de gemeenschap – een vorm van romantiek die teruggaat op Brook Farm en op het geloof in een dagelijks leven waarin meer ruimte is voor individuele vrijheid en voor de mogelijkheid om te leven naar je eigen morele waarden – dan schuilt die romantiek erin dat we ons eigenlijk geen van allen hoeven te committeren aan politieke, sociale en economische krachten waar we niet achter staan.

Loslaten

Maar tenzij je bent opgegroeid in een leefgemeenschap of iets wat daarop lijkt, zul je, om te verhuizen naar een plek als deze, een manier moeten vinden om afstand te doen van de maatschappelijke positie die je hebt weten te vergaren. De keuze doet denken aan een regel uit Henry Thoreau’s Walden (1854), waarin de transcendentalistische schrijver de lezer op het hart drukt dat hij, wanneer hij een meer vermetel pad zou bewandelen, ‘een onzichtbare grens zal overgaan: nieuwe, universele en meer liberale wetten zullen zich in en om hem heen aftekenen; of de oude wetten zullen worden opgerekt en in een meer liberale duiding in zijn voordeel worden geïnterpreteerd… Hij zal leven met de goedkeuring van een hogere orde van wezens.’ Dat neemt echter niet weg dat er altijd de uitdaging zal blijven om los te laten. 

Auteur: Mike Mariani

Mike Mariani is een Amerikaanse journalist en schrijver die zich richt op subculturen. Zijn werk verscheen onder andere in The New Yorker en The Atlantic.

T: The New York Times Style Magazine
Verenigde Staten | maandblad | oplage 1.000.000

Een maandelijkse publicatie van The NYT gewijd aan mode, beauty, reizen en design. T werd in augustus 2004 gelanceerd en heeft een eigen redactie.

Dit artikel van Mike Mariani verscheen eerder in The New York Times Style Magazine.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!

En ontvang wekelijks het beste uit de internationale pers in uw mailbox.