• The New Yorker
  • Politiek
  • De getekende vrouw

De getekende vrouw

The New Yorker | New York | David Grann | 25 mei 2017

In het begin van de vorige eeuw werden de leden van de Osage-indianenstam plotseling schatrijk, toen er olie werd ontdekt onder hun reservaat in Oklahoma. Niet lang daarna werden tientallen van hen op mysterieuze wijze vermoord. In 1923 kreeg de voorloper van de FBI opdracht om de zaak te onderzoeken. Bijna een eeuw later ontdekte New Yorker-journalist David Grann dat de moorden nog veel omvangrijker waren dan de FBI destijds naar buiten bracht. In deze voorpublicatie uit zijn boek De maand van de bloemendoder maken we kennis met de Osage-vrouw en haar familie, die de belangrijkste slachtoffers werden van de samenzwering.

In april raken de heuvels en de uitgestrekte vlakten van het deel van Oklahoma waar de Osage-indianen wonen overdekt met miljoenen kleine bloemen: viooltjes en winterpostelein en kleine korenbloemen. De schrijver John Joseph Mathews (1894-1979), zelf een Osage, moest bij deze oceaan van kleuren denken aan ‘goden die confetti hadden uitgestrooid’. Als in mei de coyotes huilen onder een verontrustend grote maan, komen grotere planten, zoals eendagsbloem en suzanne-met-de-mooie-ogen op en beroven de plantjes van hun licht en water. De steeltjes van de bloemen knakken, de bloemblaadjes dwarrelen weg en kort daarna zijn de plantjes alleen nog onder de grond aanwezig. Daarom wordt de maand mei door de Osage-indianen betiteld als ‘tijd van de bloemendodende maan’.

Op 24 mei 1921 begon Mollie Burkhart, een bewoner van de Osage-nederzetting Gray Horse, te vermoeden dat Anna Brown, een van haar drie zusters, iets was overkomen. Anna, vierendertig, minder dan een jaar ouder dan Mollie, was drie dagen daarvoor verdwenen. Ze was wel vaker ‘de hort op gegaan’, zoals haar familie het afkeurend aanduidde. Dan ging ze tot het eind van de nacht met vrienden dansen en drinken. Maar dit keer was ze helemaal niet thuisgekomen, en de dag daarop stond Anna ook niet zoals ze anders altijd deed op de veranda van Mollies huis, haar lange haar een beetje in de war en haar donkere ogen glanzend als glas. Binnen deed Anna graag haar schoenen uit, en Mollie miste het vertrouwde geluid van haar ongehaaste tred door het huis. Daar heerste nu een even diepe stilte als op de prairie. Drie jaar daarvoor was Mollie al haar zuster Minnie kwijtgeraakt. Die was choquerend snel verzwakt en toen overleden.

De artsen hadden het over ‘een ziekte waardoor ze snel was weggekwijnd’, maar Mollie had zo haar twijfels. Minnie was pas zevenentwintig, en altijd kerngezond geweest.

Het kan verkeren

Net als hun ouders waren de namen van Minnie en haar zusters opgenomen in de Osage Roll, en daardoor waren ze officieel geregistreerd als lid van de stam. Het betekende ook dat ze een enorm bedrag bezaten. Kort na 1870 waren de Osage uit hun woongebied in Kansas verdreven en ondergebracht in een rotsachtig, naar iedereen dacht waardeloos reservaat in het noordoosten van Oklahoma. Maar tientallen jaren later ontdekte men dat onder dat land een van de grootste olievoorraden van de Verenigde Staten lag. Om die olie te mogen winnen, moesten bedrijven de Osage betalen: eerst een exploitatievergunning en daarna royalty’s. In het begin van de twintigste eeuw kreeg iedereen die als lid van de stam geregistreerd stond voor het eerst elk kwartaal een bedrag. In eerste instantie was dat maar een paar dollar, maar later, toen er steeds meer olie werd gewonnen, werden dat honderden en nog later duizenden dollars. Vrijwel elk jaar liep het bedrag verder op, als de prairiebeekjes die samen de brede, modderige Cimarro vormen, tot de stamleden vele miljoenen dollars aan inkomsten genoten. Alleen in 1923 al kwam er meer dan dertig miljoen binnen, qua koopkracht het equivalent van meer dan vierhonderd miljoen dollar nu. De Osage waren per hoofd van de bevolking het rijkste volk ter wereld.

‘Het kan verkeren!’ schreef Outlook, een weekblad in New York. ‘In plaats van honger te lijden geniet de indiaan een royaal inkomen, dat bankiers groen doet zien van jaloezie.’

Het Amerikaanse publiek raakte gefascineerd door de voorspoed van de stam, die in schril contrast stond met de gebruikelijke beelden van indianen na de eerste gewelddadige contacten met blanken – de oerzonde waaruit het land was ontstaan. Journalisten kwamen met spannende reportages over de ‘plutocratische Osage’ en de ‘rode miljonairs’ met hun uit baksteen opgetrokken landhuizen, kristallen kroonluchters, diamanten ringen, bontjassen en auto’s, mét chauffeur. Een van hen verbaasde zich over de meisjes van de Osage, die naar de chicste kostscholen gingen en de mooiste mode uit Parijs droegen, ‘alsof une très jolie mademoiselle van de Parijse boulevards per ongeluk in dit plaatsje in een indiaans reservaat was beland’.

Journalisten schreven ook over alles wat aan het traditionele bestaan van de Osage deed denken, en bij de lezers een beeld kon oproepen van ‘wilde’ indianen. In een artikel stond: ‘Dure auto’s staan in een kring om een open kampvuur heen, waarop de gebronsde, in kleurige dekens gehulde eigenaars op primitieve wijze vlees bereiden.’ In een ander meldde de journalist dat een groep Osage in een privévliegtuig arriveerde om deel te nemen aan een dansceremonie – ‘een voorval dat een romanschrijver nog niet zou kunnen verzinnen’.

De verwarring die de Osage opriepen bij het algemene publiek werd puntig verwoord door de Washington Star, die schreef: ‘In plaats van “Ach, arme indiaan”, kunnen we beter zeggen “Lach, rijke indiaan”.’

Mollie Burkhart (1) en haar zus Anna Brown (2), die op een dag plotseling verdween en later vermoord werd teruggevonden. Ze bleek lang niet de enige te zijn. – © Getty Images
Mollie Burkhart (1) en haar zus Anna Brown (2), die op een dag plotseling verdween en later vermoord werd teruggevonden. Ze bleek lang niet de enige te zijn. – © Getty Images

Gray Horse was een van de oudste nederzettingen van het reservaat. Samen met Fairfax, niet ver daar vandaan en met bijna vijftienhonderd inwoners wat groter, en Pawhuska, de hoofdstad, met meer dan zesduizend inwoners, bood het een wonderlijk en kakelbont beeld. Op straat liep van alles door elkaar: cowboys, gelukszoekers, stokers van illegale drank, waarzeggers, medicijnmannen, outlaws, U.S. Marshals, financiers uit New York en oliebaronnen. Waar eerst paarden hadden gelopen, reden nu auto’s over verharde wegen, en de geur van benzine overstemde die van de prairie. Rijen kraaien tuurden omlaag van telefoondraden. Er waren koffiehuizen en operatheaters en polovelden.

Al gaf Mollie haar geld wat minder royaal uit dan sommige van haar buren, ze had toch een mooi, ruim, houten huis laten bouwen, niet ver van de oude hut van de familie, die nog was opgetrokken uit met touw aan elkaar gebonden palen, geweven matten en boombast. Ze had een aantal auto’s en ook het nodige personeel. ‘Pottenlikkers van de indianen’, dat was de denigrerende term die veel kolonisten gebruikten voor dat personeel. Meestal waren het migranten: zwarten of Mexicanen, hoewel in het begin van de jaren twintig een bezoeker van het reservaat ontsteld meldde dat ‘zelfs blanken alle huishoudelijke taken vervullen waartoe een Osage zich niet wenst te verlagen’.

‘Squaw man’

Mollie was een van de laatsten die Anna voor haar verdwijning hadden gezien. Die dag, 21 mei, was Mollie kort nadat het licht was geworden opgestaan, een gewoonte die ze had overgehouden aan de tijd waarin haar vader elke ochtend bad tot de zon. Ze was gewend aan het koor van veldleeuweriken en oeverlopers en prairiehoenders, nu doorschoten door het pok-pok van boren die zich door de aarde groeven. Anders dan veel vriendinnen, die Osage-kleding hadden afgezworen en hun haar kort droegen, naar de mode van die tijd, sloeg Mollie een deken om haar schouders en liet haar lange haar over haar rug vallen. Daardoor was haar markante gezicht, met zijn hoge jukbeenderen en bruine ogen, goed te zien.

Haar man, Ernest Burkhart, stond tegelijk met haar op. Burkhart, een blanke man van achtentwintig, had het wat clichématig knappe voorkomen van een figurant in een western: kort bruin haar, leisteenblauwe ogen en een vierkante kin. Alleen zijn neus speelde het spel niet mee; die zag eruit alsof hij bij een vechtpartij een paar klappen had gekregen. Hij was opgegroeid in Texas, waar zijn vader een arme katoenboer was geweest en was in de ban geraakt van de verhalen over de Osage Hills, een laatste restant van het Wilde Westen, waar, zei men, nog steeds cowboys en indianen rondzwierven.

In 1912, toen hij negentien was, had hij wat spullen bij elkaar gepakt, net als Huckleberry Finn die op avontuur gaat in het Territory, en was hij in Fairfax gaan wonen, bij zijn oom William K. Hale, een dominante veehouder. ‘Die was niet het soort man dat je vroeg of je iets wilde doen, maar je gewoon iets opdroeg,’ zei Burkhart een keer over Hale. Toch werd die zijn tweede vader. Burkhart deed vooral klussen voor Hale, maar werkte ook weleens als chauffeur. Zo had hij Mollie ontmoet.

Hij greep iets te vaak naar een fles illegale drank en pokerde graag met mannen die een twijfelachtige reputatie genoten, maar onder dat ruige uiterlijk leek ook tederheid en een zweem onzekerheid te zitten, en Mollie werd verliefd op hem. Mollies moedertaal was Osage, al had ze later op school ook wat Engels geleerd, maar Burkhart studeerde net zo lang op haar taal tot hij erin kon communiceren.

Mollie had diabetes en hij zorgde voor haar als haar gewrichten pijn deden en ze rammelde van de honger. Toen hij hoorde dat een ander een oogje op haar had, mompelde hij dat hij niet zonder haar kon. Toch viel het hun niet gemakkelijk om te trouwen. Burkharts ruige vrienden lachten hem uit omdat hij een ‘squaw man’ was geworden. En al waren de drie zussen van Mollie met blanke mannen getrouwd, zij was principieel voor een gearrangeerd huwelijk, zoals haar ouders hadden gehad.

Toch vond Mollie, wier familie een geloof beleed dat een mix was van Osage-tradities en katholieke overtuigingen, dat God haar niet eerst liefde kon geven om die daarna weer af te pakken, en dus werden in 1917 ringen uitgewisseld en beloofden zij en Ernest elkaar tot in eeuwigheid lief te hebben.

In 1921 hadden ze een dochter van twee, Elizabeth, en een zoon van acht maanden, James, die ze Cowboy noemden. Mollie zorgde ook voor haar oude moeder Lizzie, die bij haar dochter was ingetrokken nadat haar man was overleden. Omdat Mollie diabetes had, was Lizzie bang dat ze jong zou komen te overlijden, en dus smeekte ze haar andere kinderen om dan de zorg over te nemen. Maar in werkelijkheid zorgde Mollie voor iedereen.

Ze zei dat de flacon leeg moest omdat ze anders kon worden beboet – het land was een jaar daarvoor drooggelegd – en bood de gasten een slok jajem aan

21 mei had een mooie dag moeten worden voor MoIlie. Ze had een bescheiden lunch georganiseerd, omdat ze graag gasten ontving. Nadat ze zich had aangekleed, gaf ze de kinderen te eten. Cowboy had vaak ernstige oorpijn, en dan blies ze in zijn oren tot hij ophield met huilen. Mollie zorgde dat haar huis keurig op orde was en dus instrueerde ze het personeel tot iedereen druk bezig was en het hele huis net zo rumoerig was als een schip dat net heeft aangelegd – op Lizzie na, die ziek was en in bed was gebleven. Mollie vroeg Ernest om Anna te bellen en te vragen of ze voor de verandering zin had om te helpen met het verzorgen van Lizzie. Anna was het oudste kind en haar moeder had een bijzonder plekje in haar hart voor haar. Ook al zorgde Mollie voor Lizzie, Anna was de dochter die door haar moeder werd verwend, ondanks haar vaak stormachtige leven.

Toen Ernest Anna opbelde met de mededeling dat haar moeder haar nodig had, beloofde die meteen een taxi te bellen en kort daarop was ze er al. Ze had een rok aan met daarop een indiaanse deken in een bijpassende kleur, en rode schoenen. In haar hand had ze een tas van alligatorleer. Voordat ze het huis betrad, had ze haastig haar verwaaide haar gekamd en haar gezicht gepoederd. Maar Mollie zag dat ze onvast op haar benen stond en met dubbele tong praatte. Anna was dronken.

Mollie maakte geen geheim van haar misnoegen. Een aantal gasten was er al. Onder hen waren twee broers van Ernest, Bryan en Horace Burkhart, die, aangetrokken door het zwarte goud, naar Osage County waren verhuisd en Hale vaak hielpen op diens ranch. Een tante van Ernest, die maar al te vaak racistische dingen zei over indianen, was ook op bezoek, en het laatste wat Mollie wilde, was wel dat Anna de oude dragonder reden tot gemopper zou geven.

Anna deed haar schoenen uit en begon meteen een scène te maken. Ze haalde een flacon uit haar tas en schroefde de dop eraf, zodat de scherpe lucht van illegaal gestookte whisky vrijkwam. Ze zei dat de flacon leeg moest omdat ze anders kon worden beboet – het land was een jaar daarvoor drooggelegd – en bood de gasten een slok jajem aan.

Mollie wist dat Anna het de laatste tijd erg moeilijk had gehad. Ze was kort daarvoor gescheiden van haar echtgenoot, Oda Brown, die een stalhouderij had. Daarna was ze steeds vaker te vinden in de rumoerige boomtowns van het reservaat die meteen na de ontdekking van de olie waren ontstaan. Plaatsen als Whizbang, waar, werd gezegd, de hele dag werd besteed aan ‘whizzen’ (zuipen) en de hele nacht aan ‘bangen’ (neuken). ‘Hier zijn alle mogelijke soorten losbandigheid en zedelijk verderf aan aan te treffen,’ meldde een overheidsrapport. ‘Gokken, drinken, overspel, leugens, diefstal en moord.’ Anna was in de ban geraakt van de panden aan het donkerste eind van de straten. Vanbuiten oogden ze keurig, maar er zaten verborgen kamers in met tientallen flessen moonshine, zoals illegale drank werd genoemd. Een van haar bedienden vertelde de autoriteiten later dat Anna heel veel whisky dronk en ‘zich tegenover blanke mannen zeer lichtzinnig gedroeg’.

In het huis van Mollie begon Anna te flirten met Ernests jongste broer Bryan, met wie ze wel eens was uitgegaan. Hij was wat somberder van aard dan Ernest en had ondoorgrondelijke ogen met gele vlekjes erin en dunner wordend haar, dat hij met pommade achterover kamde. Een sheriff die hem kende, beschreef hem als een kleine rouwdouw. Toen Bryan een van de meisjes die bij de lunch bedienden vroeg of ze zin had om die avond met hem mee te gaan naar een dansfeest, zei Anna dat ze hem zou vermoorden als hij wat uithaalde met een andere vrouw.

Ondertussen zei de tante van Ernest, zo hard dat iedereen het kon horen, hoe vreselijk ze het vond dat haar neef met een roodhuid was getrouwd. Daar kon Mollie niet meteen iets tegen inbrengen, omdat de tante door een blank meisje werd bediend, een allesbehalve subtiele verwijzing naar de maatschappelijke verhoudingen binnen het stadje.

Anna bleef stennis schoppen. Ze maakte ruzie met de gasten, met haar moeder, met Mollie. ‘Ze liep alleen maar te drinken en ruzie te maken,’ zei een bediende later tegen de autoriteiten. ‘Ik kon haar taal niet verstaan, maar ze had steeds mot.’ En ze voegde eraan toe: ‘Het gedrag van Anna was bar en boos. Ik werd er bang van.’

Die avond wilde Mollie voor haar moeder zorgen. Ernest zou met de gasten naar Fairfax rijden, acht kilometer naar het noordwesten. Daar zouden ze samen met Hale naar Bringing Up Father gaan, een rondreizende musical over een arme Ierse immigrant, die miljoenen wint in een loterij en daarna probeert om chique kringen binnen te komen. Bryan had een cowboyhoed opgezet, en zijn katachtige ogen keken vanonder de brede rand naar buiten. Hij bood Anna aan om haar bij haar huis af te zetten.
Voor ze vertrokken, waste Mollie Anna’s kleren, gaf haar iets te eten en vergewiste zich ervan dat haar zuster voldoende was ontnuchterd om weer herkenbaar te zijn als haar zus, opgewekt en aardig. Zo konden ze even plezierig samen zijn. Toen nam Anna afscheid. Door haar lach schitterde het goud van een vulling.

Met elke nacht die verstreek, werd de onrust van Mollie groter. Bryan zei dat hij Anna meteen bij haar huis had afgezet voor hij was doorgereden naar de voorstelling. Na de derde nacht zette Mollie op haar kalme, maar resolute manier iedereen aan het werk. Ze stuurde Ernest naar Anna’s huis. Hij probeerde de voordeur. Die zat op slot. Toen hij door een raam keek, leek het huis donker en verlaten.

Daar stond hij dan, in de hitte. Een paar dagen daarvoor was er een verkoelende regenbui gevallen, maar daarna straalde de hitte van de zon weer meedogenloos tussen de takken van de zwarte eiken door. In deze tijd van het jaar trilde de lucht boven de prairie van de warmte en kraakte het gras als je eroverheen liep. In de verte, door het sidderende licht, kon je de skeletachtige vormen van boortorens onderscheiden.

Anna’s hoofd van de huishouding, die naast haar woonde, kwam naar buiten en Ernest vroeg: ‘Weet jij waar Anna is?’ Voor de regenbui, zei de vrouw, was ze naar Anna’s huis gelopen om openstaande ramen dicht te doen. ‘De regen zou naar binnen kunnen slaan,’ zei ze ter verklaring. Maar de deur was op slot en van Anna was geen spoor te bekennen. Ze was verdwenen.

Het nieuws van haar verdwijning deed snel de ronde in de boomtowns, van huis tot huis, van winkel tot winkel. Wat de onrust nog versterkte, waren verhalen dat nog een Osage, Charles Whitehorn, een week eerder was verdwenen. Whitehorn, een man van dertig, sympathiek en geestig, was getrouwd met een vrouw die voor een deel blank en voor een deel Cheyenne was. Een plaatselijke krant meldde ‘dat hij populair was bij de blanken én de leden van zijn stam’. Op 14 mei vertrok hij uit zijn huis, in het zuidwesten van het reservaat, om naar Pawhuska te gaan. Hij was niet meer thuisgekomen.

Toch was er nog geen reden tot paniek. Het was denkbaar dat Anna haar huis weer was uitgelopen nadat Bryan haar daar had afgezet en naar Oklahoma City was gegaan, of zelfs de staatsgrens was overgestoken, naar het bruisende Kansas City. Misschien was ze wel aan het dansen in een van de jazzclubs waar ze graag kwam, en was ze onwetend van de chaos die door haar verdwijning was ontstaan. En ook al was ze in de problemen gekomen, ze was niet voor een kleintje vervaard: vaak had ze een klein pistool in haar tas. Nog even geduld, dan is ze weer thuis, zei Ernest geruststellend tegen Mollie.

Opeens gilde hij: “Pap!” Toen zijn vader bij hem kwam, was de jongen bevend op een rots geklommen. Hij gebaarde naar de met mos begroeide rand van de beek en zei: “Daar ligt een dode”

Een week nadat Anna was verdwenen liep een oliearbeider anderhalve kilometer van Pawhuska over een heuvel toen hij bij de onderkant van een boortoren iets tussen de struiken uit zag steken. Hij liep erheen. Het was een rottend lijk, met twee kogelgaten tussen de ogen. Het slachtoffer was van dichtbij neergeschoten.

Het was warm en nat en lawaaierig op de heuvel. De grond schokte van het geweld waarmee boren zich door het leisteensediment vraten, en jaknikkers zwaaiden hun grote koppen op en neer. Andere mensen kwamen ook kijken bij het lichaam, dat in zo verregaande staat van ontbinding was dat het niet meer kon worden geïdentificeerd. In een van de zakken zat een brief. Iemand haalde hem eruit, streek hem glad en las hem. Hij was gericht aan Charles Whitehorn, en daardoor wisten ze dat hij het was.

Rond dezelfde tijd was een man bij Three Mile Creek, niet ver van Fairfax, op eekhoorns aan het jagen, samen met zijn zoon, een tiener, en een vriend. Terwijl de twee mannen uit een beek dronken zag de jongen een eekhoorn en haalde de trekker over. Een felle, hete flits en de jongen zag het dier levenloos uit de boom vallen, in een dal. Hij rende erheen en klauterde langs de helling omlaag, het dal in, waar de lucht zwaarder was en hij het fluisteren van een stroompje kon horen. Hij vond de eekhoorn en raapte hem op. Opeens gilde hij: ‘Pap!’ Toen zijn vader bij hem kwam, was de jongen bevend op een rots geklommen. Hij gebaarde naar de met mos begroeide rand van de beek en zei: ‘Daar ligt een dode.’

Het was het opgezwollen, in staat van ontbinding verkerende lichaam van zo te zien een indiaanse vrouw. Ze lag op haar rug, met haar haar in de modder en haar lege ogen op de hemel gericht. Insecten hadden het lichaam aangevreten.

De mannen en de jongen haastten zich naar hun kar en gaven de paarden de vrije teugel. Het stof van de prairie kolkte om hen heen. Toen ze de hoofdstraat van Fairfax hadden bereikt, konden ze daar geen lawman* vinden, en dus gingen ze naar de Big Hill Trading Company, een grote winkel die tevens begrafenissen verzorgde. Tegen de eigenaar, Scott Mathis, vertelden ze wat ze hadden gezien en die liet de man komen die de begrafenissen deed. Met een aantal anderen reed deze naar het dal. Daar bonden ze het lijk op een plank en sleepten het naar boven. Daarna legden ze het in een kist, in de schaduw van een zwarte eik. Toen het opgezwollen lijk werd bedekt met zout en ijs, begon het te slinken, alsof het laatste beetje leven eruit lekte. De begrafenisman probeerde vast te stellen of het om Anna Brown ging, want die had hij gekend. ‘Het lichaam was in verregaande staat van ontbinding, zo sterk opgezwollen dat het op barsten stond en rook zeer kwalijk,’ herinnerde hij zich later. ‘Het was zo zwart als een nikker.’

Duisternis

Hij en de andere mannen konden het niet identificeren. Maar Mathis, die Anna’s financiën regelde, nam contact op met Mollie en die ging naar het bos, aan het hoofd van een sombere groep, waarvan ook Ernest, Bryan, Mollies zus Rita en Rita’s man Bill Smith deel uitmaakten. Veel mensen die Anna hadden gekend, kwamen achter hen aan, en ook de nodige ramptoeristen. Kelsie Morrison, een van de beruchtste drankstokers en drugshandelaren van het district, nam zijn vrouw, een Osage, mee.

Mollie en Rita bleven vlak naast het lijk staan. De stank was adembenemend. Boven hen draaiden gieren obsceen rondjes. Het viel de twee vrouwen niet gemakkelijk om vast te stellen of het om Anna ging – het gezicht was goeddeels weggevreten – maar ze herkenden haar indiaanse deken en de kleren die Mollie voor haar had gewassen. Toen pakte Rita’s man een stok en duwde de mond open. Daardoor konden ze Anna’s gouden vullingen zien. ‘Dat is Anna, zeker weten,’ zei Bill.

Rita begon te huilen en haar man nam haar mee. Uiteindelijk mimede Mollie het woord ‘ja’. Het was Anna. Binnen de familie was Mollie altijd degene die haar zelfbeheersing wist te bewaren en ook nu liep ze samen met Ernest bij het lichaam weg. Wat daar achterbleef, was de eerste aanzet van een duisternis die niet alleen haar familie zou dreigen te verslinden, maar ook haar stam.

  • In deze tijd was er in het zuidwesten van de Verenigde Staten nog geen echte politie. Het gezag werd gehandhaafd door sheriffs, deputy’s, town marshals en Texas Rangers, gezamenlijk ‘lawmen’ genoemd.

Auteur: David Grann
Vertaler: Pon Ruiter

Openingsbeeld: Een kamp van de Osage-indianen in Oklahoma in het begin van de 20ste eeuw. Tegenwoordig woont de stam op reservaten in Kentucky. – © Getty Images

Dit is een fragment uit De maand van de bloemendoder van David Grann, dat onlangs verscheen bij Uitgeverij Q.

The New Yorker
Verenigde Staten | weekblad | oplage 1.043.000

Sinds 1925 hét New Yorkse tijdschrift met als handelsmerk de satirische karikaturen en cartoons en geïllustreerde covers. Is met zijn parels van reportages, scherpe politieke analyses, fictie en essayistiek, rigoureuze factchecking en brede belangstelling voor cultuur favoriet onder liefhebbers van het journalistieke ambacht in binnen- en buitenland.

Gericht op New York zelf, maar ook daarbuiten gretig gelezen.

Dit artikel van David Grann verscheen eerder in The New Yorker.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

360 is jarig en trakteert!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief en krijg 3 maanden gratis toegang tot 360 online.