• Die Zeit
  • Politiek
  • De hel, dat zijn de anderen

De hel, dat zijn de anderen

Die Zeit | Hamburg | 08 oktober 2015

Theo Padnos is een oude bekende van 360. Hij werd meer dan twee jaar gegijzeld door het aan Al-Qaida gelieerde Al-Nusrafront, en zijn indrukwekkende relaas was een van onze meest gewaardeerde verhalen van 2014. Daarin noemt hij zijlings de mislukte bekering van medegevangene Matthew Schrier en diens geslaagde ontsnapping. Maar niet hoe zij temidden van het geweld en de voortdurende angst om te worden vermoord, elkaar ook nog eens naar het leven stonden. Die Zeit krijgt de twee zo ver voor één keer over hun incompatibilité te praten. Op één voorwaarde: ze willen onder geen beding samen in een ruimte worden geïnterviewd. 

Theo Padnos is Amerikaan, doctor in de literatuurwetenschap, journalist. Een slanke man van 46 jaar met halflang, grijzend haar. Op een warme zomerdag zit hij op een achterplaats in het 11e arrondissement van Parijs. Padnos draagt een korte broek en teenslippers, zijn racefiets heeft hij klaargezet om te gaan trainen. Wielrennen, zijn passie, heeft hem na een gijzeling van 22 maanden in Syrië weer fit gemaakt. Padnos praat zacht, kiest zijn woorden zorgvuldig, meestal in het Engels, maar soms schakelt hij moeiteloos over op het Frans, Duits of Arabisch.

Theo Padnos:
In oktober 2012 was ik in Syrië om research te doen voor mijn journalistieke werk. Een paar jonge Syriërs die ik in Turkije had ontmoet, zeiden dat ze me wel de grens over wilden brengen. We waren de grens nog maar net over, of ik kreeg een paar meppen en werd in de boeien geslagen. Niet veel later werd ik overgedragen aan de terroristen van het Al-Nusrafront, de Syrische tak van Al-Qaida. De Al-Nusrastrijders sloten me op in een kelder van zeven bij 
vier meter, met een houten deur en een klein raampje net onder het plafond. Voor het raampje lagen zandzakken, die nauwelijks licht doorlieten. De eerste weken sloegen ze me met dikke kabels. Ze riepen: ‘Wie heeft je naar Syrië gestuurd?’ Ik zei: ‘De CIA, de CIA,’ hoewel dat niet klopte. Maar dat was wat ze wilden horen.

Ook de 37-jarige Matthew Schrier is Amerikaan, opgegroeid in een arme buurt buiten New York. Hij droomt ervan geld te verdienen met fotograferen en vertrekt in december 2012 naar Syrië.

Op de schoorsteenmantel ligt een beige-blauwe wollen muts: een aandenken uit de hel. De muts bood warmte in de Syrische winter, maar werd later door de terroristen over zijn gezicht getrokken als blinddoek. Schrier, kaal en net zo’n pezig lichaam als Padnos, zit in het open raam te roken. Hij vertelt zijn verhaal met luide stem, anekdotisch, doorspekt met scheldwoorden. Zijn zinnen gaan vergezeld van rapgebaren.

Ik kwam uitgerekend bij zo’n fokking nerd als Theo terecht Matthew Schrier

Matthew Schrier:
Drie dagen en nachten was ik met het Vrije Syrische Leger aan het front in Aleppo. Gevechten van huis tot huis. Dichterbij kon niet. Ik stond stijf van de adrenaline.

Ik ben niet de beste fotograaf. Maar ik heb wel ballen. Om de voorpagina van The New York Times te halen, moest ik naar een plek waar verder niemand heen durfde. Dus ging ik naar dat vervloekte Aleppo. Na drie weken oorlog zat ik in een taxi terug naar Turkije. Alleen. Het was de laatste dag van 2012. Bij een controlepost in het noorden van Aleppo keerde de taxi om. Ik verstond niets, mijn chauffeur sprak geen Engels. Vijf minuten later drukte een jeep ons van de weg. Drie mannen, hun gezichten bedekt, stuk voor stuk bewapend, een van hen greep me bij mijn arm. Ik verzette me niet. Ze duwden me op de achterbank van de jeep en trokken mijn muts over mijn gezicht.

In een kelder trok een van de mannen de muts weer van mijn hoofd en glimlachte. Hij droeg een vest met kneedspringstof en draadjes eraan, alsof hij een zelfmoordaanslag wilde gaan plegen. Hij was ongeveer begin dertig en stelde zich voor als Mohammed. ‘Gaan jullie me vermoorden?’ vroeg ik. Hij zei: ‘Jee [geen ja en geen nee].’ Oké, een terrorist met humor, dacht ik. Dus riep ik: ‘Happy new year!’ Ik wilde laten zien dat ik niet bang was. Mohammed lachte. Ik ben een kind van de straat. Een paar van mijn vrienden zitten in de gevangenis. Eentje vanwege moord. Ik wist hoe ik met Mohammed moest praten. Geen paniek, dacht ik. Een paar klotedagen en dan weten ze dat je geen spion bent, maar fotograaf. Ik hoorde geschreeuw. Ik had geen idee dat Theo een paar deuren verderop zat.

Matthew Schier: ‘Ik ben niet de beste fotograaf. 
Maar ik heb wel ballen.’ – © Matt Roth / The New York Times
Matthew Schier: ‘Ik ben niet de beste fotograaf. 
Maar ik heb wel ballen.’ – © Matt Roth / The New York Times

Theo Padnos:
Toen ik voor de eerste keer in de autoband moest, was ik ervan overtuigd dat ze me zouden vermoorden. Geblinddoekt moest ik op mijn hurken gaan zitten. Ze schoven een autoband over mijn knieën 
en staken een stok onder mijn knieholten door. 
Vervolgens draaiden ze me om. Ik lag met mijn gezicht op het koude cement, mijn blote voetzolen wezen naar boven. Ze sloegen op mijn voeten. Ze goten water over me heen, ik dacht dat het bloed was. Toen zeiden ze: ‘Morgen wordt het nog erger.’

Theo Padnos – © Klaas Fopma / HH
Theo Padnos – © Klaas Fopma / HH

Matthew Schrier:
Mohammed – de terrorist met humor – mocht me. Hij gaf me goed eten, warme aardappels met ui, en ook een pisfles en een kaars. Maar ik werd ziek van verveling. Na drie weken nam Mohammed me mee de gang op en maakte een andere cel open. Binnen, in het donker, schrok iemand op. Mohammed zei: ‘Amriki. Amriki.’ Een Amerikaan. Ik kon het niet geloven. Daar zat een man met een warrige baard. Hij stonk en was angstig. Hij moest hier al een tijdje hebben gezeten. Toen wist ik dat ze me niet zouden laten gaan.

Mijn eerste gedachte was: Nu heb ik een vriend Theo Padnos

Theo Padnos:
Mijn eerste gedachte was: nu heb ik een vriend. Drie maanden lang had ik met niemand gesproken, behalve met mijn beulen. Ik was gelukkig. De eerste nacht hebben we alleen maar gepraat. Gepraat, gepraat, gepraat.

Vanaf dat moment hebben Matthew Schrier en Theo Padnos niet meer alleen hun bewakers om zich op te richten. Ze hebben nu elkaar. Een vage hoop: misschien kunnen ze samen vluchten? Maar in elk geval naar elkaar luisteren, van elkaar leren, moed verzamelen, hoop geven. Wanneer Schrier en Padnos die eerste nacht elkaar hun verhaal vertellen, wordt duidelijk: eenvoudig zal het niet worden.

Matthew Schrier:
Ik probeerde een relatie met Theo op te bouwen, hem aan het lachen te krijgen. Maar dat lukte niet. Iedereen zegt altijd dat ik grappig ben. Ik kreeg zelfs Mohammed aan het lachen, de man die Theo martelde. Ik vertelde Theo bijvoorbeeld een verhaal over school, hoe mijn beste vriend en ik het schrift verstopten waarin de leraar onze cijfers bijhield. Hoe hij uit z’n dak ging en ons uitmaakte voor klootzakken. Toen ik op het punt kwam waar verder iedereen moet lachen om hoe de leraar van woede een biljartkeu op zijn fokking hoofd in tweeën breekt, zei Theo: ‘Ik heb te doen met die leraar.’ Waarop ik zei: ‘Nee gek, die leraar is de klootzak, begrijp je dat nou niet?’

Theo vertelde dat hij naar Syrië was gekomen om over Austin Tice te schrijven, een andere Amerikaanse journalist die was gekidnapt. In mijn beleving wilde Theo geld verdienen aan het lot van een collega; een collega die in dezelfde situatie zat als wij. Op dat moment begon ik vraagtekens te zetten bij zijn karakter.

Theo Padnos:
Ja, ik wilde ook een artikel over Tice schrijven. Zoiets heeft de belangstelling van de Amerikaanse kranten. Maar ik was het meest geïnteresseerd in de religieuze spanningen tussen soennieten en alawieten. Van Amerikaanse journalisten hoor je alleen als er iets de lucht in vliegt of als er een Amerikaan wordt ontvoerd. Ze hebben geen tijd om zich te verdiepen in de duizendjarige geschiedenis van de Syrische bevolkingsgroepen. Ik wel, ik weet er veel van, ik spreek Arabisch.

Matthew Schrier:
Alle andere gijzelaars, Austin Tice, James Foley, John Cantlie, waren echte diehards. Met hen had ik het zeker kunnen vinden. Maar ik kwam uitgerekend bij zo’n fokking nerd als Theo terecht.

Theo Padnos:
Algauw hadden we onze eerste ruzie. Matt sliep, en ik kauwde mijn tanden schoon met zonnebloempitten, zoals de Arabieren dat doen. Ik deed dat heel zachtjes. Serieus, buiten vielen bommen, op de gang schreeuwden de strijders, maar dat zachte getik werkte op z’n zenuwen. Ik zei: ‘Als je wilt slapen, prima, dan doe ik het later wel, maar je kunt niet zo tegen me tekeergaan.’

Matthew Schrier:
Twee keer heb ik hem vriendelijk gevraagd ermee 
op te houden. De derde keer ben ik naar hem toe gelopen en heb ik geschreeuwd dat het lastig zou worden om zijn tanden schoon te kauwen als hij die niet meer heeft. Met gebalde vuist heb ik gedreigd hem op zijn bek te slaan.

Hij liet zijn dominantie gelden als een hond Theo Padnos

Theo Padnos:
Hij draaide compleet door en stond tegen me te brullen. De volgende 24 uur hebben we niet met elkaar gesproken. Maar omdat ik het Arabisch beheers, was Matt op mij aangewezen. Ook daarover hadden we continu ruzie. Hij wantrouwde mijn vertalingen. Ik deed mijn best, maar ik verstond gewoon niet alles. Sommige strijders hadden een accent, anderen praatten heel snel of in een soort straattaal. Wanneer ik vijf Arabische zinnen met één Engelse vertaalde, schreeuwde Matt tegen me: ‘Vertaal verdomme nou eens letterlijk!’ Ik heb hem duidelijk gemaakt dat letterlijke vertalingen zinloos zijn. Dat weet iedereen die meer dan één taal spreekt. Alleen hij niet.

Matthew Schrier:
Omdat hij Arabisch kan, deed hij alsof hij een of andere goeroe was. Bovendien had ik – zonder Arabisch – een betere relatie met de bewakers dan hij. Toen ik Theo ontmoette, kende hij niet een van de bewakers bij naam. Na drie maanden! Binnen een week heb ik ervoor gezorgd dat hij zich mocht wassen.

Theo Padnos:
Matt heeft me ook wel eens geslagen. Van kleinigheden kon hij helemaal over de rooie gaan. Luizen bijvoorbeeld. Hij had een speciale Matthew Schrier-manier om ze dood te maken.

Matthew Schrier:
Ik haalde het etiket van de drinkfles en vouwde het dubbel. Daarna deed ik de luizen ertussen en drukte ze fijn. Dat was een schone manier. Theo plette ze 
op de vloer met zijn vinger. Vervolgens liep hij die viezigheid de hele cel door. Ik heb het hem wel twee, drie keer gezegd. Daarna ben ik naar hem toe gelopen en heb hem in z’n gezicht geslagen.

Theo Padnos:
Hij liet zijn dominantie gelden als een hond. Hij gromde en als je je dan niet onderdanig opstelde, beet hij. Psychologen hebben onderzocht hoe mensen reageren op traumatische situaties. Of ze worden creatief, zo ging dat bij mij. Toen ik pen en papier kreeg in mijn cel ben ik begonnen een roman te schrijven. Of ze doen wat hun wordt aangedaan met anderen, zwakkeren. Zo was Matt. Hij heeft mij hetzelfde aangedaan als wat de terroristen hem aandeden.

‘We zien dat vaak in gevangenissen, dat de eigen vernedering wordt doorgegeven. Zij worden mishandeld, dus mishandelen ze anderen. Dan voelen ze zich sterker,’ zegt Mechthild Wenk-Ansohn van het Berlijnse behandelcentrum voor slachtoffers van marteling. ‘Maar,’ zegt ze, ‘we kennen dit gedrag vooral uit 
“normale” gevangenissen, Duitse of Amerikaanse.’ Wenk-Ansohn heeft in de afgelopen eenentwintig jaar duizenden slachtoffers van marteling en oorlogsgetraumatiseerden behandeld, de laatste tijd heel veel mensen uit Syrië die ook in de kerkers van Al-Nusra of Islamitische Staat (IS) hebben gezeten. ‘In dergelijke extreme situaties zijn gevangenen geneigd elkaar bij te staan, zelfs over ideologische grenzen heen. Koerden helpen Turken en soennieten helpen sjiieten,’ zegt de arts. Een dynamiek als die tussen Schrier en Padnos is ze nog niet eerder tegengekomen.

Theo Padnos:
Matt heeft in de VS in de gevangenis gezeten.

Matthew Schrier:
Toen ik zestien was heb ik vanwege een inbraak bijna twee maanden in een extra beveiligde gevangenis gezeten. Daar heb ik geleerd: als je je niet verweert, ga je ten onder. En wat het geweld tegenover Theo betreft: hij provoceerde me telkens weer.

Theo Padnos:
Hij zocht naar mijn zwakke plekken en vergrootte die uit tot in het extreme. In zijn ogen was ik het verwende, rijke kind, goede school, goede universiteit, en hij de harde jongen van de straat. Ik was vies, ongeschoren en als vermeende CIA-spion in een gevangenis van Al-Qaida ten dode opgeschreven – en hij was jaloers op me!

In maart kregen we een Marokkaan in onze cel, een dikke kerel, 120 kilo schat ik, een jihadist die op eigen houtje naar Syrië was gereisd en het wantrouwen van de Al-Nusrastrijders had gewekt. Met een niet verzorgde schotwond van een maand oud in zijn been. Hij had in de VS gewoond, sprak goed Engels. Zo iemand van wie je als je in het vliegtuig naast hem komt te zitten binnen drie minuten weet dat hij problemen gaat veroorzaken. Maar Matt was blij dat hij iemand anders dan mij had met wie hij kon praten.

Matthew Schrier:
Die Marokkaan had humor. Hij heeft zich gek gelachen om dat schoolverhaal van mij. We deelden zelfs een bed.

Theo Padnos:
Ze hadden het over films en zaten veel te lachen. Ik zag er de lol niet van in. Dus bleef ik aan mijn kant van de cel en probeerde me eraan te onttrekken.

Matthew Schrier:
Theo zit gewoon anders in elkaar. Ik wilde een spelletje filmcitaten met hem doen. ‘Say hello to my little friend.’ Iedere Amerikaan kent dat zinnetje, uit Scarface. Alleen Theo niet. Ik vroeg: ‘Wat heb je in godsnaam gedaan als kind?’ – ‘We hadden geen televisie.’ – ‘Wat heb je dan gedaan?’ – ‘Gelezen.’ Sjongejonge. Met zo’n klootzak zat ik opgesloten, precies het tegenovergestelde van mezelf. Dag en nacht. Ik moest zelfs smeken of hij Twintig vragen met me wilde spelen, dat spel waarbij je een persoon in je hoofd neemt en de ander er in twintig vragen achter moet zien te komen wie het is.

Theo Padnos:
Op een keer sloeg hij me omdat ik niet verder wilde spelen. We hadden zo’n beetje 24 uur achter elkaar Twintig vragen gespeeld, ik kon niet meer. Hij koos rappers en televisiesterren die ik niet kende. Weet 
ik veel hoe de vrouw van Bart Simpson heet. Ik heb Lethal Weapon 3 nog nooit gezien, Matt daarentegen negen keer. Ik koos mensen die hij kende en niet een of andere renaissancekunstenaar.

Theo Padnos in De Balie in Amsterdam waar hij op uit-nodiging van 360 met Eelco Bosch van Rosenthal sprak 
over zijn gevangenschap. – © Klaas Fopma / HH
Theo Padnos in De Balie in Amsterdam waar hij op uit-nodiging van 360 met Eelco Bosch van Rosenthal sprak 
over zijn gevangenschap. – © Klaas Fopma / HH

Matthew Schrier:
Eén ding moet ik Theo nageven: hij kwam erachter waar we gevangenzaten. Hij vond een papiertje op 
de grond waarop stond: kinderziekenhuis Aleppo. 
In de cel was het steenkoud. Meestal lagen we onder de dekens om te proberen warm te blijven.

Theo Padnos:
Het duurde niet lang of de Marokkaan kreeg ruzie met Matt, waarna ik het beter met hem kon vinden. We spraken Arabisch met elkaar, soms ook Frans. Matt kon er niet tegen buitengesloten te zijn.

Matthew Schrier:
Theo ging de Marokkaan masseren, vanwege die oude wond. Hij knielde en begon zijn been te kneden. Hij was zeer behulpzaam, maar hij zag niet wat hij daarmee ook aanrichtte.

Theo Padnos:
De Marokkaan was prikkelbaar en de massages maakten hem rustig. Als wielrenner ben ik vroeger vaak gemasseerd, ik weet hoe dat moet. In de gevangenis moet iedereen zijn capaciteiten aanwenden. Hij was net als Matt een alfadier. Zo iemand is alleen tevreden als je je onderdanig opstelt. Ik had er niets op tegen om bèta te zijn. Dan ben ik maar de zwakke broeder.

Matthew Schrier:
Vanaf het begin wilde ik me bekeren. Dat was tactisch slim. Ik vroeg om een koran in het Engels. Ik wilde niet simpelweg zeggen: Nu ben ik moslim. 
Ik wilde in de koran lezen en hun het gevoel geven dat het me ernst was. Maar ik kreeg geen koran. 
Theo was fel tegen bekeren.

Theo Padnos:
Ik was bang dat ze zouden zeggen: jullie bedriegen ons, jullie spelen met ons geloof. Misschien hadden ze ons dan doodgeschoten.

Ja, we haatten elkaar, maar hij is toch een Amerikaan Matthew Schrier

Matthew Schrier:
Op 29 maart, de Marokkaan was twee weken bij ons, heb ik de sjahada uitgesproken, de geloofsbelijdenis. Toen de bewaker kwam, zei de Marokkaan: ‘Matt is nu een moslim.’ Drie dagen later kwam er iemand met zwarte gezichtsbedekking die me een prachtige koran gaf, tweeduizend bladzijden, de koning-van-Saoedi-Arabië-vertaling. Eindelijk hadden we iets te lezen.

Theo Padnos:
Vanaf dat moment kreeg ik van Matt en de Marokkaan te horen: ‘Waarom bekeer jij je niet, idioot?’ Ze scholden me uit voor ongelovige en lieten me niet in de koran lezen. Ik had zes maanden niets meer gelezen.

Matthew Schrier:
Op 9 juni werd ik 35 jaar. De Marokkaan feliciteerde me, Theo niet. Het was de ergste verjaardag van mijn leven.

Theo Padnos:
In juli hebben ze ons naar een andere gevangenis overgeplaatst. Nu weten we dat we in Aleppo zaten, in een oud bureau voor de afgifte van rijbewijzen.

Matthew Schrier:
De nieuwe cel bevond zich ook in een kelder. Vlak onder het plafond zaten twee kapotte ramen, op ongeveer twee meter hoog. Ze keken uit op de achterplaats. Er zat een traliewerk voor, maar de muur was aan het afbrokkelen en de tralies zelf, maar half zo dik als een potlood, zaten een beetje los. Ik wist dat de Marokkaan er niet doorheen zou passen, dus ik heb er eerst over gezwegen. Maar op 16 juli haalden ze hem weg. Geen idee wat ze met hem hebben gedaan. Toen hij weg was, vroeg ik aan Theo: ‘Denk je dat we daar doorheen kunnen?’ Hij zei: ‘Ja.’ Vanaf dat moment waren we bondgenoten.

Theo Padnos:
Het raam zat zo hoog dat Matt op mijn rug moest gaan staan om de tralies los te maken. Drie dagen lang zat ik op handen en voeten. We knoopten T-shirts aan elkaar zodat we een soort laddertje 
kregen, met lussen waar je in kon stappen.

Matthew Schrier:
Het was ramadan, ze brachten het eten ’s morgens vroeg wanneer het nog donker was, en vervolgens lieten ze zich tot aan de avond niet meer zien. Door het raam kon je op een achterplaats kijken. Rondom het gebouw stond een muur, onderbroken door een inrit. Bewakers waren er niet te zien. Vlak voor de beslissende dag kregen we ruzie.

Theo Padnos:
Het ging erom hoe we het beste te werk konden gaan. Ik wilde zo min mogelijk risico nemen, Matt wilde er gewoon uit.

Matthew Schrier:
Opeens mocht ik niet meer op Theo’s rug staan. Dus pakte ik een emmer die ze ons hadden gegeven om de was te doen. Ik wilde erop gaan staan. Hij zei: ‘Als je op die emmer gaat staan, bons ik op de deur om de bewakers te laten komen.’ Ik: ‘Fuck you.’ Hij liep naar de deur en bonsde erop. Ik verstijfde. Ik kon niet geloven dat hij het echt had gedaan.

Theo Padnos:
Ja, ik heb gedreigd om te bonzen. Waarschijnlijk heb ik het ook gedaan. Hij provoceerde me. Maar het was geen ramp. Als ze waren gekomen, dan hadden we gezegd: ‘Hé, wat is er aan de hand?’ Maar ze kwamen niet. Voor Matt was altijd alles onvergeeflijk. Je hebt me aan die terroristen overgeleverd! – Nee, dat heb ik niet!

Matthew Schrier:
Een paar dagen later, op 29 juli, net voor zonsopgang, haalde ik het raam eruit en dacht: Fuck, nu is er geen weg terug meer.

Theo Padnos:
Ik heb hem voor laten gaan omdat ik aardig wilde zijn.

Matthew Schrier:
Hij heeft me alleen maar voor laten gaan omdat we buiten steeds schoten hoorden. Hij kneep ’m.

Theo Padnos:
Ik vormde met mijn handen een opstapje, tilde Matt omhoog en begon vervolgens te duwen. Hij moest zich enorm inspannen. Maar de combinatie van mijn duwen en zijn wringen had succes: hij kwam eruit.

Matthew Schrier:
In het donker ging ik naast het raam op mijn hurken zitten. Pal boven mij zag ik nog een raam, dat openstond. Het licht was aan. Daar moesten de terroristen zitten.

Theo Padnos:
Ik heb zijn sneakers, een T-shirt en zijn muts aangereikt, ben in de T-shirtladder geklommen en heb een hand uitgestoken zodat hij me eruit kon trekken.

Matthew Schrier:
Ik fluisterde: ‘Nee, je moet er met twee gestrekte armen door.’ Hij wilde niet luisteren.

Theo Padnos:
Ik bleef met mijn borstbeen in de vensteropening steken. Ik voel die plek nog altijd, dagenlang heb ik pijn gehad. Mijn hoofd, mijn schouders en een arm waren al buiten. Matt was op dezelfde plek blijven steken. Ik heb hem er toen doorheen geduwd. De truc is: ontspannen, diep inademen, wringen, wringen, wringen, en zoals ik vanaf binnen heb geduwd, had hij vanaf buiten moeten trekken. Het zou maar een paar minuten hebben geduurd, maar daar had hij geen geduld voor.

De beschrijvingen van de gebeurtenissen in de daaropvolgende minuten zijn de enige in de versies van Padnos en Schrier die duidelijk met elkaar in tegenspraak zijn. Dat hoeft niet te betekenen dat een van 
de twee liegt. Misschien betekent het gewoon dat ze de situatie anders hebben beleefd. Voor beide hoofdpersonen echter zijn de punten waarop hun herinnering van elkaar afwijkt van essentieel belang. 
Voor hen gaat het om de vraag of Matthew Schrier alles heeft gedaan wat in zijn macht lag of dat hij 
Theo Padnos in de steek heeft gelaten.

Matthew Schrier:
Ik hurkte bij dat kloteraam en probeerde hem er aan één arm uit te trekken. Het moet een minuut hebben geduurd, misschien ook langer, voordat die idioot eindelijk doorhad dat het zo niet ging. Hij liet zich weer zakken, trok zijn shirt uit en kwam toen met beide armen gestrekt naar buiten, wat ik al eerder had gezegd. Hij was al overal aan het bloeden. Ik zette een been tegen de muur en begon te trekken. Moeilijk te zeggen hoe lang ik toen nog geprobeerd heb om hem eruit te krijgen. Misschien al met al drie, vier minuten. Op een gegeven moment zei ik dat ik hulp zou gaan halen. Toen zei hij: ‘Oké.’ Eerder had ik niet weg kunnen gaan. Voordat hij oké zei, was ik als het ware verlamd.

Theo Padnos:
Om iemand eruit te trekken, heb je kracht nodig. Matt had zijn voeten tegen de muur moeten zetten. Dat heeft hij niet gedaan. Hij zei: ‘Het gaat je niet lukken, man.’ Toen hij vervolgens zei dat hij hulp ging halen, heb ik maar oké gezegd, waarna hij wegging. Het heeft allemaal minder dan een minuut geduurd. Ik neem het hem niet eens kwalijk. Wat 
ik hem kwalijk neem, zijn de zeven maanden marteling, pijn en leed die hij me heeft bezorgd. Mij bevrijden zou inspanning en risico hebben betekend, voor mij en voor hem. Dat wilde hij niet.

Matthew Schrier:
Ruim een halfuur liep ik door de ochtendschemer, er waren nauwelijks mensen op straat. Omwonenden hebben me naar het Vrije Syrische Leger gebracht. Ik vertelde hun waar ik vandaan kwam en dat Theo daar nog zat. Of zij hem konden bevrijden. Geen denken aan. Het was een wonder dat ik had kunnen vluchten. Niemand ontsnapt aan Al-Nusra, zeiden ze. De volgende dag brachten ze me naar de Turkse grens. In Turkije belde ik de Amerikaanse ambassade. Met een gepantserde wagen werd ik opgehaald. Tien uur lang werd ik ondervraagd door de FBI. Een paar dagen later was ik in New York.

Het Al-Nusrafront raakte met Matthew Schrier een gevangene kwijt – en liep mogelijk een paar miljoen euro mis. Volgens onderzoek van The New York Times hebben Al-Qaidagroepen in de Arabische wereld sinds 2008 meer dan honderd miljoen euro aan losgeld ontvangen. Ook naar IS, dat tijdens de gevangenschap van Theo Padnos een verbitterde vijand van het concurrerende Al-Nusrafront was geworden, zijn miljoenen euro’s gevloeid: minstens vijftien gevangenen werden in ruil voor losgeld vrijgelaten door IS. Volgens informatie van Die Zeit perste IS alleen al in 2014 minstens 25 miljoen euro af; geld dat waarschijnlijk ook door of namens westerse regeringen is betaald. De VS en Groot-Brittannië betalen uit principe niet.

Theo Padnos:
De dag na Matts vlucht moest ik naspelen wat er was gebeurd. Ik liet de terroristen zien: Matt was daar naar buiten aan het klimmen, terwijl ik hier op de deur stond te bonzen, maar jullie kwamen niet. Een paar dagen kreeg ik niets te eten, vervolgens was alles weer bij het oude. Het was een grote opluchting dat Matt weg was. Eindelijk had ik rust, en ik hoopte dat Obama misschien de CIA zou sturen om me te redden. Ik ging ervan uit dat Matt verteld had waar ik precies zat. Twee weken later had Matt kennelijk een aangenaam onderhoud met de journalist Chris Chivers van The New York Times, die niets beters te doen had dan in een artikel te schrijven dat Matt bij zijn uitbraak was geholpen door Theo. De terroristen pikten dat op, want het was ook op CNN. Toen wisten ze dat ik had gelogen. Ze brachten me naar de woestijn, in de buurt van Deir ez-Zor, en sloten me op in een piepkleine ruimte. Het was ongelooflijk warm, augustus in de Syrische woestijn. Ik heb daar zes weken gezeten. Telkens weer smeekte ik: ‘Doe de deur open, een klein kiertje maar! Mafi oxygen! Ik heb lucht nodig!’

Matthew Schrier:
Ik heb Chivers het verhaal van mijn vlucht verteld en gedacht: die heeft een Pulitzerprijs, die zal wel weten hoe hij met informatie moet omgaan. Via Chivers heb ik trouwens voor het eerst over IS gehoord. Hij vertelde me dat Al-Nusra en IS met elkaar overhoop lagen en toen kreeg ik een vermoeden wat dat voor gevechten waren geweest die ik vanuit onze cel had gehoord.

Theo Padnos:
Weken verstreken en werden maanden. IS werd 
sterker en Al-Nusra moest vluchten uit Deir ez-Zor. Mij namen ze mee.

Matthew Schrier:
In oktober 2013 kwam ik achter de Skype-naam van een van de terroristen, die zich Kawa noemde. Hij was net als Mohammed een van de Al-Nusraleiders in onze gevangenis geweest. Ik speelde de informatie door aan de FBI, met de tip dat ze de regering van Qatar zouden kunnen vragen contact op te nemen met Kawa om over de vrijlating van Theo te onderhandelen. Ik wist dat Kawa contacten onderhield met Qatar, en de Qatari’s zijn tenslotte onze bondgenoten. Ik wist dat Theo zo een reële kans had om vrij te komen.

Theo Padnos:
Op den duur werd ik een sajin mahtar, een gerespecteerde gevangene. Soms mocht ik me vrij bewegen. Ik vulde patroongordels en stapelde munitiekisten, wat ze me maar opdroegen. Op een keer zei een bewaker: ‘Ze zullen je binnenkort wel laten gaan, we hebben het geld nodig.’ In augustus 2014, na 22 maanden gevangenschap, lieten ze me vrij bij de grens met Israël. De Qatarese regering had me vrijgekocht, begreep ik later. Ik ben niet kwaad op 
de terroristen. Als je weet wat wij Amerikanen in Irak hebben aangericht, kun je zelfs een beetje begrip voor hen opbrengen. Maar er is iemand die ik onder geen beding ooit terug wil zien: Matthew Schrier. Ik ben 22 maanden lang gevangene van Al-Qaida geweest, maar de zeven maanden met hem waren met afstand de ergste.

Matthew Schrier:
Ik heb er alles aan gedaan om Theo eruit te halen. 
Ik heb geprobeerd om het Vrije Syrische Leger over te halen hem te bevrijden. Ik heb de FBI op het spoor van Qatar gezet. Ja, we haatten elkaar, maar hij is toch een Amerikaan. Ik heb hem e-mails geschreven toen hij vrijkwam. Ik wilde met hem praten, maar hij negeerde me.

Theo Padnos werkt aan een documentaire over zijn gevangenschap. De roman die hij in de gevangenis schreef nadat Matthew Schrier was gevlucht, wil hij publiceren. Schrier werkt ook aan een boek. Hij is gestopt met fotograferen. Tegenover Die Zeit hebben ze zich voor het eerst tegelijk uitgelaten over hun tijd in gevangenschap – natuurlijk vonden de gesprekken op verschillende locaties plaats. De strijd die ze in de cel zijn begonnen, zetten ze met andere middelen voort. Het gaat niet meer om overleven, maar om 
het laatste woord. Of de onderhandelingen van de Qatarese regering vereenvoudigd werden doordat Schrier de Skype-naam van de terrorist Kawa aan de FBI gaf, is niet bekend. De FBI geeft daar geen informatie over. Het is ook niet bekend of de Amerikaanse regering de losgeldbetaling via haar bondgenoot heeft goedgekeurd – of er zelfs maar van geweten heeft. De familie van Padnos had Qatar eveneens 
om hulp gevraagd, samen met de families van vier andere ontvoerde Amerikanen, James Foley, Steven Sotloff, Kayla Mueller en Peter Kassig. Alleen Padnos kwam vrij. Foley, Sotloff en Kassig werden om het leven gebracht door IS. Kayla Mueller stierf bij een bombardement.



Dit artikel van verscheen eerder in Die Zeit.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

360 heeft 1000 nieuwe leden nodig

Deze maand bieden wij daarom een deel van onze artikelen gratis aan. Zo kunt u vast kennismaken met ons aanbod. Leden blijven toegang houden tot onze maandelijkse digitale editie en het archief.