• Roads & Kingdoms
  • Reader
  • De held van Boenj

De held van Boenj

Roads & Kingdoms | Amanda Sperber | 08 november 2017

Evan Atar is medisch directeur en tevens de enige chirurg van het ziekenhuis in Boenj, in Zuid-Soedan. Hij heeft het tot zijn levenstaak gemaakt deze gewelddadige uithoek van de wereld van medische hulp te voorzien.

Al bedient het ziekenhuis in Boenj, Zuid-Soedan, een gemeenschap van zo’n tweehonderdduizend zielen, het is er een kale bedoening. Smoezelige muren, een ernstig tekort aan medische hulpmiddelen en slechts één operatietafel, moederziel alleen in een wit betegelde ruimte. Omdat er maar 120 bedden zijn, ligt of zit het merendeel van de patiënten op matjes en doeken op de keurig geveegde cementen vloer. Langs de wanden van de gangen binnen het ziekenhuiscomplex staan rijen patiënten in afwachting van een behandeling. Maar ondanks de netelige omstandigheden en de drukkende hitte draait het ziekenhuis op volle toeren.

Het is niet verrassend dat dr. Evan Atar, de medisch directeur en enige chirurg van het ziekenhuis, nauwelijks tijd heeft om te praten. Zijn rol is niet die van een directeur die vanuit zijn kantoor bevelen uitdeelt, vertelt hij. ‘Ik heb niet eens een kantoor; we hebben het zo druk dat er nauwelijks tijd is om ergens te gaan zitten.’ Atar heeft een ijzersterk geheugen voor namen en data. Hij herinnert zich nog de naam van de medewerker van Artsen zonder Grenzen die hem een set chirurgische instrumenten gaf toen hij in juli 1997 bij een ziekenhuis in Koermoek, Soedan, begon. Hij herinnert zich nog precies hoe lang het duurde om in 1998 de landingsstrook in Yaboes, Soedan, aan te leggen. Het Soedanese Volksbevrijdingsleger (toen een guerrillabeweging, nu de krijgsmacht van Zuid-Soedan), ngo-medewerkers en vrijwilligers hadden zeven dagen voor het project uitgetrokken. Het werden er acht.

Voor Atar geven deze trivia een zekere houvast in de chaos waarin hij opereert. Pas na een halfuur heeft de dokter even tijd om rustig te gaan zitten. Eenmaal gezeten achter een bureau in een ruimte die een wachtkamer lijkt te zijn, wordt hij voortdurend aangeklampt, zowel door patiënten als door personeel, totdat hij uiteindelijk vriendelijk te kennen geeft dat hij werk heeft te doen.

Maban

Boenj ligt in de door Soedan en Ethiopië ingeklemde provincie Maban, in noordoostelijk Zuid-Soedan. Het geweld lijkt alomtegenwoordig. In Zuid-Soedan is een machtsstrijd gaande die dreigt uit te monden in regelrechte genocide. Het land maakte zich in juli 2011 los van Soedan en is sinds december 2013 verwikkeld in een burgeroorlog die zowel politiek als etnisch van aard is. Tegelijkertijd woedt vlak over de grens in de Soedanese deelstaat Blauwe Nijl een burgeroorlog tussen het regeringsleger en de rebellen van het Soedanese Volksbevrijdingsleger-Noord in een conflict dat op nog twee andere fronten wordt uitgevochten: in het Noeba-gebergte en in het internationaal bekendere Darfoer. De bevolking uit het Blauwe Nijlgebied vocht met de Zuid-Soedanezen voor onafhankelijkheid, maar werd buitengesloten toen in 2011 de grenzen werden getekend. De huidige gevechten zijn min of meer een voortzetting van de vijftigjarige strijd die tot de onafhankelijkheid van Zuid-Soedan heeft geleid.

Door grondoorlogen, hevige bombardementen en een onvermijdelijke humanitaire crisis zijn 135.000 Soedanezen uit de door rebellen gecontroleerde Blauwe Nijl over de grens gevlucht, waar ze in Maban in vier gemilitariseerde vluchtelingenkampen leven. (Vluchtelingen meldden dat er in mei 35 doden vielen bij politieke gevechten in de kampen.) Stress en de beperkte hoeveelheid bestaansmiddelen in het gebied zorgen voor spanningen tussen de ontheemden en de gastgemeenschap die zich met slechts 60.000 zielen zwaar in de verdrukking voelt. Gevechten tussen de lokale bevolking en de vluchtelingen leidden vorig jaar met kerst tot meer dan dertig doden. Los van de 135.000 vluchtelingen zijn er ook de talloze Soedanezen die heen en weer reizen tussen Soedan en Zuid-Soedan. Ook zij zijn op het ziekenhuis aangewezen. Blauwe Nijl is straatarm: er is geen elektriciteitsnet, er zijn geen medische voorzieningen en er zijn slechts een paar functionerende scholen. Op de markten is nauwelijks iets te koop; hier en daar een handjevol rijst of wat tomaten in hergebruikte plastic zakken. Maban is een levenslijn voor voedsel, benzine en andere levensmiddelen.

Tijdens het afscheidsfeestje in Egypte probeerden zijn collega’s op hem in te praten niet naar Soedan te vertrekken. “Het wordt je dood,” hielden ze hem voor

Atar heeft het tot zijn levenstaak gemaakt deze gewelddadige uithoek van de wereld van medische hulp te voorzien. Opgegroeid in Torit in het zuiden van Zuid-Soedan (op dit moment het toneel van hevige gevechten) ontving Atar in 1988 een beurs om medicijnen te studeren in Egypte. Na de zesjarige studie en een jaar coschappen in Alexandrië werd hij door een kapelaan aangesteld bij het Victoria Hospital in Caïro om keizersneden uit te voeren bij vrouwen die daartoe waren overgehaald om ze het geld uit de zak te kloppen. Na een half jaar zittend op een groene plastic stoel in de operatiekamer te hebben doorgebracht, werd Atar eind jaren negentig overgeplaatst naar Soedan, waar de burgeroorlog op dat moment in volle gang was. Tijdens het afscheidsfeestje in Egypte probeerden zijn collega’s op hem in te praten niet naar Soedan te vertrekken. ‘Het wordt je dood,’ hielden ze hem voor. Hij antwoordde: ‘De dood ligt niet in mijn handen maar in de handen van God.’ Zijn collega’s gooiden het over een andere boeg en vroegen hem wat hij er zou gaan eten. ‘Als geneesheer ben ik daar om mensen te behandelen. Ik eet wat zij eten,’ luidde zijn antwoord. ‘Uiteindelijk beseften ze dat mijn besluit vaststond.’ Er klinkt lichte triomf door in zijn stem.

Atar werd uitgezonden naar Koermoek in de deelstaat Blauwe Nijl (tegenwoordig zuidoostelijk Soedan) en kwam aan bij wat op papier een ziekenhuis heette te zijn, maar waar in werkelijkheid niets was. ‘Er was niet eens pen of papier,’ vertelt hij. Een week later ontving Atar van Artsen zonder Grenzen de set chirurgische instrumenten om amputaties mee uit te voeren. Hij opereerde voornamelijk mensen die op landmijnen waren gestapt. In de tien jaar die volgden breidde Atar het ziekenhuis door middel van fondsenwerving uit met een tbc-afdeling en een hiv-centrum.

Kort na de afscheiding van Zuid-Soedan, in 2011, brak in Blauwe Nijl een burgeroorlog uit tussen het Soedanese regeringsleger en de overgebleven rebellen. Terwijl het bommen regende en het regeringsleger Koermoek naderde, besloot Atar het ziekenhuis te verhuizen. Met vereende krachten werd de gehele inboedel in vier vrachtwagens en een tractor geladen en overgebracht naar het Zuid-Soedanese stadje Boenj, dat in handen was van het Volksbevrijdingsleger. ‘Het was geen rechtstreekse reis,’ vertelt Atar over de omweg die ze vanwege de gevechten moesten maken. De groep trok langzaam van plek naar plek, lopend en dragend wat nodig was, met de tractor en de wagens voorop. Wat normaal gesproken niet meer dan zeven à acht uur zou moeten duren, nam een volle maand in beslag. Ze kwamen in een complete chaos aan. Er waren al 110.000 ontheemden in het gebied en er was een massale vlucht zuidwaarts gaande. De vluchtelingen vertrokken niet vrijwillig. ‘Ze werden verjaagd. We kregen ongelofelijk veel schotwonden te behandelen,’ vertelt Atar. ‘Zelf zijn we ook meermaals met bommen bestookt.’

Evan Atar in zijn operatiekamer. – © Alex Pritz
Evan Atar in zijn operatiekamer. – © Alex Pritz

De eerste patiënt die hij in Boenj opereerde had schotwonden. De hele buikwand lag open en de kogel zat nog in het lichaam. Er was op dat moment nog geen operatiezaal, dus Atar en een assistent voerden de operatie op een gewone tafel uit. De man overleefde het – en werd uiteindelijk beveiliger van het ziekenhuisterrein.

Atar is sinds die fatale oktobermaand in 2011 niet meer naar Blauwe Nijl teruggekeerd; het ziekenhuis heeft in Boenj permanent een nieuw thuis gevonden. De Soedanese president, Omar al-Bashir, heeft verkondigd dat alle hulporganisaties die in het rebellengebied opereren als collaborateurs worden beschouwd en als zodanig behandeld. Als gevolg daarvan zijn er nauwelijks internationale hulporganisaties of journalisten werkzaam in Blauwe Nijl. In de afgelopen vijfenhalf jaar zijn er meer dan vierduizend bommen gedropt op zowel militaire als burgerdoelen. Ziekenhuizen worden niet gespaard. Tegenwoordig strompelen de gewonden uit de Soedanese deelstaat de grens over naar het ziekenhuis in Boenj.

Toch overlijden er in het ziekenhuis maar weinig mensen aan hun verwondingen. ‘Voornamelijk doordat de meesten niet hier in Zuid-Soedan sterven; ze sterven in Blauwe Nijl, verstoken van medische hulp. Iemand met schotwonden die niet meteen worden verbonden bloedt binnen twee à drie uur dood,’ zegt Atar. De ergste verwondingen worden veroorzaakt door de geïmproviseerde bommen die de Soedanese luchtmacht vanuit Antonov-vrachtvliegtuigen van Russische makelij afwerpt, de zogenaamde vatenbommen die simpelweg uit het laadruim worden geschoven. ‘Olievaten vol schroot en explosieven waarmee mensen aan flarden gaan.’

Een van de slachtoffers is de vijftienjarige Jima Pame, die in het ziekenhuis wacht op een huidtransplantatie. Zijn rug raakte ernstig verbrand bij een bombardement in november 2015. Hij mag nog van geluk spreken: twee vrouwen lieten bij hetzelfde bombardement het leven. De vatenbommen zijn lastig te richten en je kunt de vliegtuigen horen aankomen, dus je hebt nog tijd om te vluchten. Maar in het afgelopen jaar heeft de Soedanese regering Soechoj-straaljagers aangeschaft, een sneller, wendbaarder soort gevechtsvliegtuig dat veel nauwkeuriger kan bombarderen. ‘De bombardementen gaan maar door, en het lijkt alleen maar erger te worden,’ zegt Atar. Hij is ervan overtuigd dat de Soedanese regering iedereen in Blauwe Nijl probeert uit te schakelen. ‘Dat is overduidelijk. Ze willen iedereen in het gebied die niet buigt uit de weg ruimen.’

Atar is de enige Zuid-Soedanese chirurg in het land. Waar Oegandese en Keniase collega’s komen en gaan, is hij al deze oorlogsjaren gebleven. Internationale ngo-medewerkers zijn in de tussentijd al vier of vijf keer geëvacueerd, en hoogstwaarschijnlijk zou Atar ondanks zijn lokale paspoort zonder enige tegenwerking kunnen vertrekken, maar hij kiest ervoor te blijven. Hij weet ook dat hij meer geld kan verdienen in de Zuid-Soedanese hoofdstad Joeba. Collega’s sporen hem regelmatig aan te verkassen. ‘Dan zeg ik: wat moet ik in Joeba?’ vertelt Atar. ‘Alleen werken voor het geld? Daar gaat het mij niet om. Ik ben liever hier dan op een plek waar je hoort dat mensen elders lijden, zonder iets te kunnen doen.’

Auteur: Amanda Sperber
Vertaler: Astrid Staartjes

Roads & Kingdom
VK | roadsandkingdoms.com

Tijdschrift voor eten, politiek, reizen en cultuur. Begon in Myanmar met de focus op Birmees nieuws maar wordt inmiddels gemaakt in New York en Barcelona. Werkt o.a. samen met Slate.

Dit artikel van Amanda Sperber verscheen eerder in Roads & Kingdoms.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!

En ontvang wekelijks het beste uit de internationale pers in uw mailbox.