• The Atavist Magazine
  • Azië
  • De verloren soldaat
">

De verloren soldaat

The Atavist Magazine | New York | Matthew Shaer | 01 januari 2021

Een halve eeuw geleden verdween een Amerikaans commando in de oerwouden van Laos. In 2008 verscheen hij opnieuw in Vietnam, naar verluidt levend en wel. Maar niets was wat het leek.

Op de ochtend van 20 mei 1968 werd in de centrale hooglanden van Vietnam een noodoproep opgepikt door de radioploeg op Forward Operating Base (FOB) One. Ongeveer 400 kilometer naar het noordwesten, aan de andere kant van de grens met Laos, was een troep Amerikaanse en Zuid-Vietnamese soldaten onder hevig vijandelijk vuur komen te liggen – de commandant van de groep maakte melding van verschillende Zuid-Vietnamezen en ten minste één Amerikaan die omkwamen in het gevecht. Er werd om acute bevoorrading en medische hulp gevraagd. John Hartley Robertson, sergeant bij FOB One, verliet met het geweer over zijn schouders het hoofdkwartier en rende over de onverharde binnenplaats in de richting van een CH-34D Sikorsky Seahorse-helikopter, die hem stond op te wachten.

Robertson was 36 jaar, slank en rank. Hij was na de middelbare school in zijn geboortestaat Alabama in dienst gegaan. Hij begon bij de Groene Baretten en werd in enkele jaren opgeleid tot parachutist in Fort Benning, in de staat Georgia. Halverwege de jaren zestig, toen de VS bezig waren met het bombarderen van Noord-Vietnam, werd hij naar Azië gestuurd om zich aan te sluiten bij de Military Assistance Command Vietnam Studies and Observation Group, of MACV-SOG, een uiterst geheime eenheid die nauw samenwerkte met de CIA.

Robertson paste perfect bij de groep, die routinematig uiterst geheime vernietigings- en verkenningswerkzaamheden uitvoerde in Cambodja en Laos. Voor het geval ze gevangen werden genomen droegen de mannen van MACV-SOG geen patches of insignes op hun uniform. In april 1968, twee jaar na zijn verblijf in Zuidoost-Azië, had Robertson de Bronze Star ontvangen voor moed, omdat hij zijn mannen veilig uit een vuurgevecht met de Vietcong had weten te leiden.

‘Zijn acties in deze periode vormden een inspiratiebron voor degenen die werden geëvacueerd’, schreef het departement van het leger later in zijn aanbevelingsbrief, waarin de ‘voorbeeldige moed’ van Robertson werd geprezen.

Seahorse

Nadat hij zich had vastgegespt aan de springstoel van de Seahorse, stak Robertson zijn duim omhoog naar de piloot van de Zuid-Vietnamese luchtmacht en leunde achterover terwijl de helikopter schokkend opsteeg vanaf het landingsplatform. Robertson begreep ongetwijfeld wat de missie inhield die hem was opgedragen: hij was de enige Amerikaanse soldaat aan boord van een SVAF-helikopter op weg naar het hart van een land, Laos, waar het Amerikaanse leger officieel niet actief was, en een regio, de A Shau-vallei, die werd beschermd door twee bataljons Vietcong-troepen en verschillende luchtafweereenheden. Robertson vormde in zijn eentje de luchtmacht. Als het misging, zouden zijn kansen op een redding klein zijn.

Tegen het middaguur legde Robertsons helikopter radiocontact met de Amerikaanse en Zuid-Vietnamese commando’s, die een stonden opgesteld rond een open plek boven op een heuvel die wordt aangeduid als 1045. Volgens Amerikaanse grondtroepen die dag was de helikopter al bijna aangekomen toen de eerste vijandelijke soldaat het vuur opende. De Seahorse was stevig – zonder lading zo’n 8000 pond – maar niet kogelvrij, en de Zuid-Vietnamese piloot probeerde de machine om te draaien voor nog een rondje. Hij kwam niet ver: terwijl de commando’s toekeken, werd vanuit het struikgewas een vijandelijke raket omhooggeschoten, die de Seahorse op de flank raakte. De motor viel uit en uit de helikopter stegen oranje vlammen op. In een nabijgelegen vallei explodeerde hij.

Het lichaam van sergeant John Hartley Robertson werd nooit gevonden.

Neergestorte helikopter, Vietnam. – © Bettman / Getty Images

In het voorjaar van 2008 was een christelijke missionaris genaamd Tom Faunce putten aan het graven op het platteland van Cambodja toen hij van een plaatselijke predikant een gerucht hoorde over een Amerikaanse soldaat die een helikoptercrash boven Laos had overleefd in het voorjaar van 1968. Volgens de predikant was de soldaat, een Groene Baret, later getrouwd met een verpleegster uit een Noord-Vietnamese legergevangenis, had hij de identiteit aangenomen van de overleden echtgenoot van de vrouw en was hij met zijn nieuwe echtgenote naar de zuidelijke Vietnamese provincie Dong Nai geëmigreerd. Lokaal stond de man bekend als Dang Tan Ngoc. Maar zijn echte naam, zei de pastoor, was John Hartley Robertson.

‘Als je in leven wilt blijven, vergeet dan alles wat je ooit hebt geleerd’

Een ander zou het verhaal misschien afdoen als pure fantasie. Maar Tom Faunce lukte dat niet. ‘Ik weet hoe het is om in de steek te worden gelaten – wat dat met je doet,’ vertelde Faunce me. ‘En ik dacht bij mezelf: wat zegt het over mij als hij een Amerikaan is en ik niets doe om met hem in contact te komen?’

Faunce is stevig gebouwd, met zilver haar en een gekromde houding. Als kind bracht hij veel tijd door in opvangtehuizen en jeugdgevangenissen. Op twaalfjarige leeftijd, toen hij tijdelijk weer onder toezicht van zijn ouders stond, zag hij zijn vader omkomen in een huisbrand. Op zeventienjarige leeftijd werd hij gearresteerd wegens geweldpleging, omdat hij een fles op het hoofd van een man kapot had geslagen. Faunce ontkende de beschuldigingen, maar een rechter bevond hem schuldig en gaf hem de keuze: gevangenisstraf of dienstplicht. Faunce koos voor het laatste. Hij werd toegewezen aan een infanterie-eenheid van het leger en belandde in in 1968, net op tijd voor het Tet-offensief, in Vietnam. ‘Als je in leven wilt blijven, vergeet dan alles wat je ooit hebt geleerd,’ kreeg hij als verwelkoming van een medesoldaat te horen.

Faunce zei graag dat hij twee eden had afgelegd, de ene aan zijn medesoldaten – niemand achterlaten – en de andere aan God: ‘Niemand onbemind laten’

Faunce overleefde twee missies, maar veel van zijn vrienden niet. ‘Anderen van mijn leeftijd zien sneuvelen, en weten dat ik dat had kunnen zijn, verscheurde mijn hart. Het voelde alsof ik ook was gestorven, samen met hen’, schreef Faunce in zijn zelf gepubliceerde memoires uit 2007, A Soldier’s Story. In de jaren tachtig probeerde hij zijn schuldgevoel te compenseren met een reeks steeds riskantere persoonlijke missies in het buitenland. Hij reisde naar de Balkan en Zuid-Soedan, waar hij voedsel en kleding uitdeelde, en smokkelde bijbels naar rebellen aan de Mosquito Coast. Hij kreeg malaria, tyfus en hepatitis. De maanden dat hij van huis was waren zwaar voor zijn vrouw, Julie, en hun vier kinderen. Maar Faunce dacht dat hij door de Heer was uitverkoren. Hij zei graag dat hij twee eden had afgelegd, de ene aan zijn medesoldaten – niemand achterlaten – en de andere aan God: ‘Niemand onbemind laten.’

In de persoon van Dang Tan Ngoc, de mysterieuze vreemdeling in Dong Nai, werden deze waarden op de proef gesteld. ‘Ik bleef maar denken aan die gelijkenis van het verloren schaap uit de evangeliën,’ vertelde hij me. ‘Er is een herder, en hij heeft 100 schapen in zijn kudde. Welnu, één schaap verdwijnt, en de herder laat de andere 99 achter om achter het ene aan te gaan.’ Hij reciteert de conclusie van de parabel uit zijn hoofd: ‘En als hij het vindt, echt waar, ik zeg je, dan verheugt hij zich meer over dat ene schaap dan over de 99 die niet zijn afgedwaald.’

Faunce begon via de Cambodjaanse predikant, die de westerse naam Ames droeg, navraag te doen naar de man in Vietnam. Ames zei dat hij aan het telefoonnummer van Ngoc kon komen. Helaas zou Faunce niet zelf kunnen bellen: John Hartley Robertson, werd Faunce verteld, sprak geen Engels meer, wat het resultaat was van ernstig mentaal en fysiek trauma opgelopen door het NVA [het Noord-Vietnamese leger].

In plaats daarvan luisterde Faunce mee toen Ames belde. Het duurde niet lang. ‘John zegt dat we hem kunnen komen opzoeken,’ zei Ames tegen Faunce. ‘Geen enkel probleem.’

‘Hij is geen Amerikaan’

De volgende dag stapten Ames, Tom Faunce en zijn neef Joe Faunce, een paramedicus die vaak met Tom meeging op zendingsreizen naar het buitenland, in een busje en reden over binnenland van Cambodja naar de provincie Dong Nai – een reis van acht uur, waarvan het grootste gedeelte over steile bergwegen en kronkelig asfalt voerde. Laat in de middag arriveerden ze bij een klein huisje in Dong Nai.

Robertson verscheen in de deuropening. Hij was slank en verschrompeld, ongeveer 1,80 meter lang, met dunner wordend grijs haar dat in plukken van zijn voorhoofd was geveegd. Met tranen in zijn ogen leidde hij zijn gasten het huis binnen en spoorde hen aan om in de woonkamer plaats te nemen. Maar zodra de Amerikanen zich op hun gemak hadden gesteld, kwam Robertsons bejaarde vrouw uit de keuken tevoorschijn en begon in het Vietnamees tegen Tom en Joe Faunce te schreeuwen. De pastoor deed zijn best om het te vertalen: ‘Hij is geen Amerikaan,’ zei ze. ‘Hij is Vietnamees!’ Robertson stuurde zijn vrouw snel de kamer uit.

Toen ze terugkwamen, was het verhaal van de vrouw veranderd. ‘Ze zei: “Nee, ik heb gelogen,”’ vertelde Faunce me. ‘Ze zei: “Hij is een Amerikaanse soldaat. Ik vrees gewoon voor mijn familie.”’

In de uren die volgden trakteerde Robertson Ames en de Faunces op verhalen over zijn militaire carrière, met een opsomming van de Amerikaanse bases en buitenposten uit de jaren zestig en de correcte identificatie van vliegtuigen die in die tijd door het Amerikaanse leger werden gebruikt. Hij had ook vragen: was zijn gezin in orde? Leefden zijn ouders nog?

Faunce had de antwoorden niet en raadde Robertson aan om hem te vergezellen naar de Amerikaanse ambassade voor een vingerafdruktest die zijn identiteit zou vaststellen en hem toegang zou geven tot zijn oude leven. Uit angst voor inmenging van de Vietnamese regering, stelde Faunce voor om naar de ambassade in Phnom Penh te reizen in plaats van naar het dichterbij gelegen Amerikaanse consulaat in Ho Chi Minh. Tot Faunces verbazing stemde Robertson ermee in. De Faunces en hun passagier deden een kleine dag over de reis naar Phnom Penh. Robertson zat met een vredige uitdrukking op zijn gezicht voor het raam.

Groene Baret John Hartley Robertson circa 1966. © Familiearchieven Robertson

Tussen 1965 en 1975 kwamen ongeveer 58.000 Amerikaanse militairen om in de oorlog in Zuidoost-Azië. Naar schatting 153.000 raakten gewond. En meer dan 2000 werden als vermist opgegeven, verdwenen als gevolg van een complex conflict dat over grenzen en oceanen en honderden kilometers oerwoud en bergachtig terrein liep.

Jarenlang, lang na de val van Saigon, vonden veel Amerikanen het nog heel geloofwaardig dat die soldaten nog altijd vastgeketend in afgelegen gevangenissen wachtten om naar huis terug te keren. (De film van Chuck Norris uit 1984, Missing in Action, en Rambo: First Blood Part II, waar de held naar wie de film genoemd werd naar Vietnam reist om een ​​groep krijgsgevangenen op te halen, hielpen dat beeld bij het publiek versterken.) Zwarte POW [prisoners of war] / MIA [missing in action]-vlaggen hingen in de New York Stock Exchange en wapperden boven het Witte Huis. ‘Je zou hun bestaan [dat van de achtergebleven soldaten] niet snel in twijfel trekken tijdens een openbare bijeenkomst of in een vreemde kroeg’, schreef de Rutgers-professor H. Bruce Franklin in zijn studie uit 1992, MIA, of Mythmaking in America, ‘want het geloof in hun lijden (…) heeft vaak de intensiteit van een religie.’

In 1993 concludeerde een Senaatscommissie onder voorzitterschap van John Kerry – en gedeeltelijk bijeengeroepen om speculatie over de MIA-kwestie aan te pakken – dat ‘hoewel de commissie enig bewijs heeft dat suggereert dat een krijgsgevangene het mogelijk tot op de dag van vandaag zou kunnen overleven, en hoewel er nog wat informatie is die nader moet worden onderzocht, er op dit moment geen overtuigend bewijs bestaat dat er in Zuidoost-Azië nog een Amerikaan in gevangenschap leeft.’

Toch weigerden veel veteranen, waaronder Faunce, de bevindingen van de commissie te accepteren, die ze afdeden als politiek opportunisme. Deze overtuiging hield stand tot ver in de jaren 2000. ‘Ik was erbij, en ik weet zeker dat hele teams in Nam spoorloos raakten,’ vertelde Faunce me afgelopen voorjaar. ‘Je maakt mij niet wijs dat we iedere overlevende naar huis hebben kunnen brengen.’

Voordat hij de man in Dong Nai ontmoette, bestudeerde Faunce de details van John Hartley Robertsons levensverhaal. Door oude militaire dossiers door te nemen, had hij ontdekt dat de Groene Baret officieel als dood werd beschouwd. Toch dacht Faunce dat het mogelijk was dat Robertson de crash had overleefd. Per slot van rekening hadden de Zuid-Vietnamezen op 20 mei 1968 weliswaar enkele zoektochten per vliegtuig verricht, maar vanwege de vijandelijke aanwezigheid waren er geen grondtroepen uitgezonden, en tegen de avond was de zoektocht geheel afgeblazen. (De troepen die Robertson had moeten redden, brachten het er ironisch genoeg allemaal levend vanaf.) Was er geen scenario mogelijk waarin Robertson uit de helikopter was gesprongen terwijl deze naar beneden stortte en zich, zwaargewond, door de NVA gevangen liet nemen?

Nu, bij de receptie van het Amerikaanse consulaat in Phnom Penh, identificeerde Faunce zich als veteraan en vertelde de achterdochtige Cambodjaanse bewakers dat hij een man had gevonden waarvan hij vermoedde dat het een vermiste Amerikaanse soldaat was. Faunce zegt dat hij en Robertson werden opgewacht door twee Amerikaanse functionarissen en voor de vingerafdruktest naar het hoofdgebouw werden geleid. (Met een verwijzing naar het privacybeleid weigerde het ministerie van Buitenlandse Zaken het bezoek van Faunce officieel te bespreken, maar vrijgegeven overheidsdocumenten die ik bekeek, bevestigen dat er een vingerafdruktest plaatsvond.)

Robertson en Faunce trokken zich in afwachting van de resultaten terug in hun pension. Rond etenstijd ging Faunces telefoon: de afdrukken kwamen niet overeen. Faunce herinnert zich dat hij de ambassademedewerkers aanspoorde om aanvullende tests uit te voeren. Robertson wist te veel om te doen alsof, protesteerde hij – als hij John Hartley Robertson niet was, was hij misschien een andere vermiste Amerikaanse militair. Maar de medewerkers van de ambassade waren onvermurwbaar. ‘Ze zeiden: “We willen geen belastinggeld verspillen,”’ herinnert Faunce zich. ‘Dus ik zei: “Maak je een grapje of zo? Je zit daar op een plek die miljoenen dollars kost maar je weigert verdere tests uit te voeren op een man die beweert dat hij Amerikaans staatsburger is?” Het maakte eerlijk gezegd dat ik alleen maar harder wilde vechten,’ vervolgt hij. ‘Er was duidelijk iets niet in de haak.’

Documentaire

Tot dat moment deed Faunce zijn onderzoek grotendeels alleen. Maar in 2009 brachten kerkvrienden hem in contact met een filmmaker genaamd Patrick Portelance, die van een wederzijdse kennis had gehoord over Faunces ontdekking in de provincie Dong Nai en een documentaire wilde maken over John Robertson. Faunce was verguld met het idee: een film zou de Amerikaanse regering onder druk kunnen zetten.

Joe en Tom Faunce kochten kaartjes voor een vlucht naar Phnom Penh, dekten de kosten van Portelances vlucht en reden met hem naar Dong Nai. Portelance vertelde me dat voordat hij vertrok, hij er op basis van het onderzoek van de Faunces ongeveer ‘50 procent’ zeker was dat de man in Dong Nai Robertson was. ‘Maar toen ik eenmaal met de man had gesproken, zou ik zeggen dat ik 75 procent zeker was.’ Portelance merkte op dat wanneer Robertson via een lokale vertaler werd ondervraagd over zijn jeugd of zijn familie, hij zijn voorhoofd fronste, er met een slanke vinger op tikte en zich verontschuldigde: die herinneringen waren verdwenen. Ook kwam Robertsons beschrijving van de crash – volgens hem waren er meerdere Amerikanen aan boord van de helikopter – niet overeen met het verslag van het leger.

Maar Portelance, die onlangs zelf betrokken was geweest bij een helikopterongeluk tijdens het filmen van een speedbootrace in de staat New York, wist ook wat hoofdletsel met de hersenen kon doen. ‘Tot op de dag van vandaag zijn er foto’s waar ik naar kan kijken met mij erop, zonder dat ik me er iets van herinner,’ vertelde hij me.

Robertson, meegaand als altijd, vergezelde Portelance en de Faunces naar hun hotel in de provincie Dong Nai, waar Joe Faunce, de paramedicus, Robertson vroeg zich uit te kleden voor een lichamelijk onderzoek. Robertson leek geenszins van zijn à propos door dit ongewone verzoek: hij trok snel zijn shirt, broek en ondergoed uit. Joe nam nota van Robertsons besneden penis – besnijdenis is zeldzaam in Vietnam – en de zware littekens op zijn buik en middel. Hij liet Robertson zijn mond openen voor een buccaal uitstrijkje voor DNA-testdoeleinden, en nam bloed af uit zijn arm.

Buiten viel de zomerse schemering in. De Faunces en Portelance beloofden met de vloeistofmonsters te doen wat ze konden. Hierop omhelsde Robertson hen om de beurt, en sloot ze in zijn lange armen. Zijn gezicht glom opnieuw van de tranen.

Ed Mahoney van de 82nd Airborne Division in de vroege jaren zestig. Foto: familiearchieven van Mahoney

Bij het bekijken van de beelden uit Vietnam, realiseerde Portelance zich dat hij tegen iets reusachtigs was aangelopen. Maar hij had maar twintig uur aan tape verzameld. Om recht te doen aan dit verhaal, zou hij terug moeten naar Dong Nai – een onmogelijkheid gezien zijn verzwakte fysieke toestand. Door zijn hoofdletsel was hij constant vermoeid en duizelig, en hij had moeite met slapen. In 2010, zo vertelde hij me, nam hij contact op met een gerespecteerde Canadese regisseur genaamd Michael Jorgensen, wiens oeuvre een Emmy Award-winnende aflevering omvatte van PBS’ Nova, met als doel Jorgensen te overtuigen met hem samen te werken aan de documentaire. Volgens Portelance sloten hij en Jorgensen later een coproductiedeal (Portelance heeft Jorgensen er later van beschuldigd dat hij hem van het project af probeerde te krijgen, wat door de regisseur wordt ontkend).

Dat de echte John Hartley Robertson blank was geweest, terwijl de man in Dong Nai Aziatische trekken had, leek Mahoney niet te storen

Jorgensen sprak Faunce per telefoon en bestelde een exemplaar van zijn boek A Soldier’s Story. Hij las het in één keer uit. ‘Dit was het verhaal van een man die als kind al erg beschadigd was, daarna ook nog eens was beschadigd door zijn ervaringen in Vietnam, en op reis ging om zijn hart en ziel te genezen,’ vertelde Jorgensen me. ‘Dat was voor mij de doorslaggevende factor, ongeacht of deze persoon nou wel of niet John Hartley Robertson was.’

Hij reisde uiteindelijk twee keer naar Vietnam, de eerste met de Faunces en Hugh Tranh, een Vietnamees-Canadese vertaler, en de tweede keer met een voormalig parachutist van het leger genaamd Ed Mahoney, die in Fort Benning was opgeleid door John Hartley Robertson. Als jonge rekruut was Mahoney onder de indruk van Robertsons evenwichtigheid en intelligentie, net als de andere onderofficieren onder hem. ‘Hij was in onze ogen de belichaming van een perfecte soldaat,’ vertelde Mahoney me onlangs.

In 1991, tijdens een reünie voor de 82nd Airborne, had Mahoney gehoord over het lot van Robertson en was hij in een staat geraakt van, zoals hij het later formuleerde, ‘volledige ontkenning’. Het was voor hem ondenkbaar dat zijn voormalige mentor zomaar in een vuurbal was opgegaan. De twee decennia die volgden sprak hij met MACV-SOG-veteranen en probeerde hij de details van de crash te achterhalen. Ook nam hij contact op met verschillende leden van de familie Robertson, die kapot waren van de verdwijning van John.

Een familielid vertelde me dat het nieuws Johns vader het hardst had geraakt – John was Joe Robertsons favoriet geweest, de grote belofte, de gedoodverfde legerheld. Joe had het moeilijk zonder hem; hij stierf in 1970. ‘John was weg, dat heeft Joe eronder gekregen, ik weet het zeker,’ zei het familielid. ‘Vanaf dat moment viel alles gewoon uit elkaar.’ Robertsons vrouw hertrouwde en nam de naam van haar nieuwe echtgenoot aan en zonder John als bindende factor groeiden zijn zussen en enige broer uit elkaar.

In 2002 had Mahoney een e-mailadres van de vrouw van Robertson gekregen, maar zijn verzoek om contact werd geweigerd. ‘Ze was vaak gecontacteerd over John,’ schreef Mahoney later in een blog. ‘Die mensen waren allemaal nep en beweerden dat ze informatie over John hadden die totaal onjuist bleek te zijn. Terugkijkend op dit contact met Johns ex-vrouw kan ik begrijpen waarom ze niet geïnteresseerd was in wat ik te zeggen had, dus ik liet het zo en heb nooit meer contact met haar opgenomen.’

Nu kreeg Mahoney eindelijk de kans om zich te herenigen met Robertson, bijna een halve eeuw nadat hij de lange Groene Baret voor het laatst had gezien. ‘Ik was heel erg opgewonden,’ vertelde hij me over zijn bezoek aan Dong Nai in 2012. ‘Ik herinner me dat ik daar aankwam, en na één blik op de man wist dat hij het was. Er was geen twijfel over mogelijk.’ (Dat de echte John Hartley Robertson wit was geweest, terwijl de man in Dong Nai Aziatische trekken had, leek Mahoney niet te storen. Toen ik hem er later naar vroeg, zei hij dat hij had geredeneerd dat leeftijd uiterlijke trekken vaak vervaagde.)

Hun ontmoeting, gefilmd door Jorgensen in een restaurant in Dong Nai, is prachtig om te zien: Tom Faunce loopt op Robertson af, knuffelt hem en begroet hem met ‘homey’. Mahoney, gekleed in een wit T-shirt, een cargoshort en witte gympen, zet een paar passen achteruit. Hij en Robertson geven elkaar eerst een hand en vallen elkaar dan ongemakkelijk in de armen. ‘Lang niet gezien,’ zegt Mahoney tegen Robertson. Van zijn kant lijkt Robertson Mahoney totaal niet te herkennen.

Later filmt Jorgensen Joe Faunce die Mahoney vraagt ​​of hij denkt dat Robertson ‘echt’ is. Mahoney antwoordt nadrukkelijk bevestigend. ‘Dit is John Hartley Robertson, de man met wie ik in 1959 tot 1961 bij Delta Company 1503, 82nd Airborne diende,’ is zijn antwoord.

Zuurstofisotopenanalyse

Jorgensen vertelde me dat Mahoneys identificatie van Robertson een ‘behoorlijk sterke getuigenis’ was. Maar het ontbrak hem aan forensisch bewijs dat de Robertson in Dong Nai John Hartley Robertson was. Gelukkig was dat een probleem dat Jorgensen eerder had overwonnen. In 2005 had hij een film geproduceerd voor Discovery Channel genaamd Arctic Manhunt: Hunt for the Mad Trapper, over Albert Johnson, een moorddadige Canadese vagebond. Om enig licht te werpen op Johnsons vroege leven, had Jorgensen een forensisch expert gevraagd de zuurstofisotoopniveaus in Johnsons tanden te meten; aangezien de zuurstofisotoopniveaus na de kindertijd niet veranderen, kan de test worden gebruikt om te bepalen waar iemand is opgegroeid.

De filmmaker pleitte ervoor hetzelfde te doen voor Robertson, en terwijl de camera’s door draaiden, liet Robertson een plaatselijke tandarts een kies uit zijn mond trekken. Jorgensen plaatste de tand in een zakje en bracht hem naar Lesley Chesson, de directeur van een firma in Utah genaamd IsoForensics.

Chesson, een vooraanstaand forensisch expert, vertelde me in een e-mail dat ze vóór 2012 nog nooit een test had uitgevoerd op een tand van een levend persoon – zuurstofisotopenanalyse wordt gewoonlijk gebruikt door archeologen en antropologen om lang begraven menselijke resten te vinden. Maar op aandringen van Jorgensen testten ze de tand op zowel zuurstof- als strontiumisotopen, een tweede mogelijke indicator voor iemands geografische oorsprong. Later kwam Jorgensen naar haar laboratorium in Salt Lake City om haar te interviewen. ‘Op basis van de zuurstof- en strontiumgegevens, en de combinatie van die twee, hebben we het tandglazuur gemeten, en het is zeer onwaarschijnlijk dat individu JHR uit Frankrijk of Vietnam kwam,’ zegt ze in de camera. ‘Het is zeer waarschijnlijk dat hij tijdens zijn jeugd, tussen de leeftijd van drie en twaalf jaar, in de Verenigde Staten heeft gewoond. Met andere woorden, het is zeer waarschijnlijk dat hij een Amerikaans staatsburger is.’

Dat was genoeg voor Mahoney. In het najaar van 2012 belde hij Jean Holley, de oudste zus van Robertson, die in de buurt van Tuscaloosa woonde. ‘Ik denk dat we je broer hebben gevonden,’ zei hij tegen haar.

Sindsdien is er door critici van Jorgensens film op gewezen dat de crises die volgden mogelijk waren afgewend als de filmmaker eenvoudigweg een test had laten doen waarin Jeans DNA werd vergeleken met de vloeistofmonsters die de Faunces hadden verzameld. Maar het documentaireteam beweert – en een familielid bevestigt dat – dat Jean de tests weigerde: ze sprak liever persoonlijk met de man.

Nooit vergeten

In de winter van 2012 stuurde Jorgensen Hugh Tranh naar Vietnam om Robertson op te halen en naar Edmonton, Alberta, te brengen, waar Jean hen verwachtte. Mensen die in de aanloop van die gebeurtenis met Jean Holley spraken, herinneren zich dat ze een andere vrouw was geworden, opgewekt en optimistisch. Johnny was voor Jean de favoriet van al haar broers en zussen geweest tijdens hun jeugd; door zijn verdwijning was ‘een deel van haar voor altijd vermist’, zoals een familielid zich herinnerde. Nu, aan het einde van haar eigen leven, kreeg ze de kans om Johnny weer vast te houden. Ze bleef maar glimlachen.

Jean vloog met haar 63-jarige man, Henry Holley, en een van haar dochters, Gail Holley Metcalf, die John Hartley Robertson op haar tiende verjaardagsfeestje voor het laatst had gezien, van haar huis in Tuscaloosa naar Canada. De reünie vond plaats op 17 december. In de laatste versie van Jorgensens film wordt het gebeuren vanuit verschillende hoeken weergegeven: Robertson en Tranh in een taxicabine, die door het verkeer in de binnenstad racen; Tom en Joe Faunce en Ed Mahoney die zelfverzekerd op Jean Holley en Metcalf af lopen; Jean Holley in een rolstoel, haar ogen groot en waterig.

Als Robertson de kamer binnenkomt, gaat het volume van de soundtrack omhoog. Jean stapt uit haar rolstoel, kreunt blij en zij en Robertson omhelzen elkaar. Beiden snikken. ‘We zijn je absoluut nooit, nooit vergeten,’ zegt Jean, terwijl ze Robertsons hoofd vasthoudt. Later vertelt ze de familie dat ze er ‘geen moment over twijfelde’ dat deze man haar broer was.

Op 4 februari waren Jean en Henry Holley betrokken bij een ernstig auto-ongeluk nabij hun huis in Tuscaloosa. Henry stierf als gevolg van zijn verwondingen. Jean, die ernstig hoofdletsel opliep, kreeg fulltime revalidatiezorg.

Toen ik dit voorjaar contact opnam met Gail Metcalf, vertelde ze me dat in 2012 ‘mijn moeder geloofde dat ze haar broer had gevonden en dat ze gelukkig was’. Dat was genoeg voor Metcalf. Ze voegde eraan toe: ‘We hebben dat hoofdstuk afgesloten.’

De film van Jorgensen, Unclaimed, ging op 20 april 2013 op het Hot Docs-festival in Toronto in première. In een artikel dat in de Toronto Star werd gepubliceerd, noemde verslaggever Linda Barnard de documentaire ‘dramatisch’ en ‘hartverscheurend’. Unclaimed, vervolgde ze, geeft ‘overtuigend’ weer dat Tom Faunce John Hartley Robertson had teruggevonden.

Een paar dagen later pakte de Huffington Post het verhaal op en publiceerde een eigen artikel onder de kop: ‘Vietnam-veteraan die in de strijd zou zijn omgekomen wordt na 44 jaar gevonden.’ Een van de lezers van het HuffPo-stuk was een man uit Virginia genaamd Rodney Millner, die toevallig heel veel wist over John Hartley Robertson.

Fraudeur

Millner is 67; hij bracht het grootste deel van zijn professionele leven door bij de luchtmacht, als inlichtingenanalist. Begin jaren negentig, toen hij met pensioen ging, was hij overgestapt naar een bureau bij het POW / Missing Personnel Office van het ministerie van Defensie, of DPMO, waar hij de taak kreeg om het schijnbaar eindeloze aantal ‘live-’ en ‘dog-tag’-meldingen die uit Zuidoost-Azië kwamen te doorzoeken. Als het bewijsmateriaal gerechtvaardigd was, stuurde hij een zaak voor verder onderzoek door naar veldmedewerkers. ‘Op het hoogtepunt, halverwege de jaren negentig, behandelden we 500 zaken per jaar,’ vertelde Millner, die onlangs met pensioen ging en dus voor het eerst vrijuit kan spreken over de Robertson-zaak. ‘Er kwamen veel meldingen binnen omdat het gerucht ging dat als je bewijs had dat ons naar een MIA leidde, je in de VS zou mogen verblijven. Dat was niet waar. Maar het is moeilijk een hardnekkig gerucht de kop in te drukken.’

Over het lezen van het HuffPo-artikel vertelt hij: ‘Ik herinner me dat ik behoorlijk gefrustreerd was. Omdat [de documentaire] op een aantal punten niet klopte: we wisten niet alleen al heel lang van de man in Dong Nai, maar hebben ook onomstotelijk bewezen dat hij een fraudeur was.’

In 2009, nadat Tom Faunce Robertson naar de ambassade in Phnom Penh had begeleid, werd Millner gevraagd een rapport op te stellen over alle recente claims waarbij John Hartley Robertson betrokken was. Millner kende de naam van de vermiste Groene Baret al lang – dat gold voor de meeste mensen op het bureau van de DPMO in Vietnam. ‘Uit Dong Nai kwamen om de een of andere reden altijd een hoop meldingen’, vertelde Garnett Bell, hoofd van het POW / MIA-kantoor van de Defense Intelligence Agency, een voorloper van de DPMO, afgelopen voorjaar. ‘Ik schat dat we vier tot vijf half-Aziaten uit dat gebied hebben gehad die beweerden Amerikaanse krijgsgevangenen te zijn.’

Tijdens zijn ambtsperiode in de jaren tachtig, vertelde Bell me, had hij een onderzoeker naar Dong Nai gestuurd om een ​​vingerafdruk te maken van ene ‘John Robertson’; de resultaten waren negatief. Maar tegen 1992 verscheen ‘Robertson’ opnieuw op de radar van de regering, dit keer met dank aan een Laotiaanse dissident, Khambang Sibounheuang, die beweerde kennis te hebben van de verblijfplaats van een Amerikaanse krijgsgevangene die zich in Dong Nai schuilhield. Geïntrigeerd reed Mark ‘Zippo’ Smith, een gepensioneerde legerwachter die toen werkte als privébeveiliger voor de prinses van Cambodja, naar de Vietnamese grens om de man te ontmoeten. ‘Ik stap uit de auto en zie daar een lange, half-Aziatische man,’ herinnert Smith zich. De naam van de man was Larry Stevens, kreeg hij te horen.

Smith wist dat Stevens, een marinevlieger die sinds 1969 vermist werd, een van de personen was geweest die op een wijdverspreide foto stond waarvan werd beweerd dat hij drie Amerikaanse krijgsgevangenen in Vietnamese hechtenis toonde. (De twee anderen waren kolonel John Leighton Robertson en Major Albro Lundy Jr., beide van de Air Force, maar de foto’s, die in het voorjaar van 1991 op de cover van Newsweek verschenen, bleken later frauduleus te zijn.)

‘Ik keek hem aan en zei: “Jij bent Larry Stevens niet,”’ herinnert Smith zich. ‘Toen reed ik weg.’ Een paar jaar later kreeg Smith opnieuw informatie over een Amerikaanse krijgsgevangene. Hij reisde naar Phnom Penh en trof dezelfde man aan, die hem samen met een paar Vietnamese mannen stond op te wachten. ‘Nu pas zei de man dat hij John Leighton Robertson heette,’ herinnert Smith zich. Smith zwaaide met zijn pistool en suggereerde dat de wereld misschien beter af zou zijn als hij de bedrieger ter plekke neerschoot. Ik heb Smith verschillende foto’s van Faunces John Robertson gemaild, en Smith bevestigde dat dit inderdaad de man was die hij aan de Vietnamese grens ontmoette.

Smith zegt dat hij het incident heeft gemeld bij het ministerie van Defensie. Maar de DIA – en later de DPMO – had geen enkel mandaat: behalve de Vietnamese regering waarschuwen, kon de dienst niets doen om een ​​soevereine inwoner van een vreemd land te laten straffen.

Geconfronteerd met de beschuldigingen dat Robertson een fraudeur was, voerde Jorgensen aan dat zijn critici hem verkeerd begrepen

Zoals Rodney Millner in zijn rapport uit 2009 opmerkte, dook Robertsons naam vervolgens op aan het begin van het millennium, toen een reeks vingerafdrukken die naar verluidt toebehoorden aan John Hartley Robertson arriveerden bij de Virginia-kantoren van de DPMO. De afzender was een Vietnamees-Amerikaanse vrouw in Maryland, die net als Khambang Sibounheuang, de Laotiaan, goed bekend was bij de DPMO-onderzoekers: bij het bureau bestond het vermoeden dat ze als Amerikaans dekmantel diende voor oplichters in Vietnam.

Er volgden een aantal foto’s, allemaal met een slanke man met zilverkleurig haar waarvan werd vastgesteld dat hij momenteel in de provincie Dong Nai woonde. De afbeeldingen leken gefotoshopt en waren voorzien van onjuiste informatie: op een ervan is de naam ‘Robby’ op de borst van de persoon gekrabbeld. Op een andere wordt als laatst bekende adres van Robertson 518 South Louis St., Boston vermeld, een adres dat op geen enkele kaart bestaat en ook nooit heeft bestaan.

Toch werd in 2006 opnieuw een onderzoeker naar Dong Nai gestuurd om met de vermeende MIA te spreken. Volgens deze onderzoeker gaf de man, die van Europees-Aziatische afkomst leek te zijn, onmiddellijk toe dat hij al zijn leven lang staatsburger was van Vietnam, genaamd Dang Tan Ngoc. ‘Ondanks verzoeken van DPMO heeft geen enkele bron enige informatie verstrekt waaruit blijkt dat hun bewering geldig is’, besloot Millner zijn rapport. Hij deponeerde het document onder het referentienummer 1184 en stuurde het naar zijn bazen.

Op 1 mei 2013, toen Jorgensen zich erop voorbereidde om Unclaimed op grote schaal vrij te geven, ontving de Britse krant The Independent een kopie van het rapport uit 2009, opgesteld door Rodney Millner, en publiceerde een samenvatting van Millners bevindingen. Geconfronteerd met de beschuldigingen dat Robertson een fraudeur was, voerde Jorgensen aan dat zijn critici hem verkeerd begrepen: zijn film ging niet over iemands identiteit. In plaats daarvan ging het ‘over iemands’ – Tom Faunces – ‘emotionele reis’. De kritiek, zei hij, ‘zet me er niet toe aan mijn film te heroverwegen.’

Tom en Joe Faunce trokken zich met hun gezin terug in hun huizen. ‘We waren gefrustreerd door de publieke reactie,’ vertelde Joe Faunce me onlangs. ‘We hadden het gevoel dat mensen niet de juiste vragen stelden.’ Hij wees me op een onderzoek uit 2013 door Robert Burns van de Associated Press, waarin hij de manier waarop de regering meldingen van POW / MIA afhandelde, beschreef als ‘hopeloos onbekwaam en zelfs corrupt’. Het artikel, dat zich richtte op een vertrouwelijke interne evaluatie, ontdekte dat de MIA-database die door overheidsonderzoekers werd gebruikt, onvolledig was en dat het proces om stoffelijke resten te testen ‘ernstig disfunctioneel’ was.

Het zou een vergissing zijn om de DPMO op hun woord te vertrouwen, concludeerden Joe en Tom Faunce. De DPMO kon noch de identificaties van Holley en Mahoney, noch Robertsons ongevraagde en correcte herinneringen uitleggen – tijdens een scène die niet voorkomt in Unclaimed – dat Henry Holley ooit een apotheek bezat. (‘Niemand van onze crew wist dat,’ zegt Jorgensen.) ‘Hoe kon hij zoveel weten over de echte Robertson?’ vroeg Joe mij.

Een heleboel gegevens

Die laatste vraag stelde ik in gesprekken met verschillende huidige en gepensioneerde POW / MIA-onderzoekers. Ze reageerden allemaal op dezelfde manier: het opgraven van biografische informatie over een vermiste soldaat is het makkelijkste deel van elke MIA-zwendel. ‘Ik heb hier veel over nagedacht tijdens mijn tijd als onderzoeker,’ vertelde een gepensioneerd ambtenaar me. ‘En wat ik ontdekte was dat veel van deze oplichters contacten hadden in de Noord-Vietnamese regering of toegang tot Amerikaanse personeelsdossiers die van bases waren gestolen.’ Hij herinnerde zich dat hij ooit bestanden had gevonden van een Noord-Vietnamese soldaat die ‘een heleboel gegevens had over Amerikaans personeel, zelfs bijvoorbeeld de maten van de laarzen die de soldaten droegen.’

Andere potentiële bronnen waren onder meer tijdschriften zoals Task Force Omega, die informatie verzamelden over Amerikaanse militairen die in Vietnam verloren waren gegaan en die in de jaren tachtig en negentig algemeen verkrijgbaar waren in Zuidoost-Azië. (John Hartley Robertson, John Leighton Robertson en Larry Stevens zijn allemaal opgenomen in de archieven van Task Force Omega). ‘Waar het op neerkwam,’ zei de ambtenaar, ‘was dat het materiaal voorhanden was voor ieder die de brutaliteit had het te gebruiken.’

De bevindingen van de zuurstofisotooptest op de kies waren voor mij moeilijker te begrijpen. Deze worden in Unclaimed gepresenteerd als definitief bewijs van Robertsons land van herkomst en dus zijn burgerschap: ‘Wat er ook gebeurt, de test toont aan dat je een Amerikaan bent,’ zegt Tom Faunce tegen Robertson in een door Jorgensen gefilmd gesprek. 

Dit voorjaar heb ik Lesley Chesson van IsoForensics een e-mail gestuurd met het verzoek om een ​​kopie van de resultaten van de test die ze op de tand van Robertson uitvoerde. Chesson zei dat ze me die niet kon geven zonder toestemming van Myth Merchant Films, het bedrijf van Jorgensen, maar een producer bij Myth Merchant stemde ermee in me een samenvatting te sturen. In de samenvatting staat inderdaad dat een aantal gebieden in de VS zuurstofisotoopwaarden heeft die overeenkomen met die in de kies. Een meting van de zuurstofisotoopniveaus van de neerslag (een iets andere maatstaf die afhankelijk is van weermodellen) laat echter waarden zien die consistent zijn met een reeks andere plaatsen: China, Myanmar en verschillende Europese landen.

Ik stuurde de samenvattende brief van Chesson naar twee vooraanstaande experts op het gebied van zuurstofisotopenanalyse. Per e-mail antwoordde Carolyn Chenery, een wetenschapper bij de British Geological Survey, dat ‘een Noord-Amerikaanse afkomst mogelijk is’. Maar ze voegde eraan toe: ‘een groot deel van de rest van de wereld kan niet worden uitgesloten.’ Wolfram Meier-Augenstein, een professor aan de Robert Gordon University, in Aberdeen, Schotland, was het daarmee eens: ‘Gegevens over de tand leveren geen bewijs dat de man westers is’, zei hij. ‘Misschien wel, maar misschien ook wel Aziatisch.’

‘Ik zou willen weten of hij blij is met zijn nieuwe gezin in Vietnam. En of hij nog steeds aan zijn oude gezin thuis denkt’

In 2014 dienden Gail Holley Metcalf en John Michael Robertson, het enige kind van de enige broer van John Hartley Robertson, DNA-monsters in bij een laboratorium in Alabama om de speekselmonsters verzameld door Joe Faunce in Dong Nai mee te kunnen vergelijken. De monsters kwamen niet overeen. ‘Op dit moment hebben we geen DNA-bewijs van een biologische relatie tussen mijn moeder en “John”,’ schreef Holley Metcalf destijds in een verklaring.

Maar John Michael Robertson, ofwel Mike, blijft hopen dat de man in de documentaire zijn oom is. ‘Er is iets wat de regering achterhoudt,’ vertelde hij me dit voorjaar in een telefoongesprek. Hij vroeg zich hardop af of het mogelijk was om nieuw speeksel van Robertson te krijgen, of om John naar de Verenigde Staten of Mexico te halen voor een strengere reeks tests onder strengere voorwaarden.

Ik vroeg Mike wat hij zou zeggen als hij de kans kreeg om met de man in Dong Nai te praten. Hij antwoordde dat hij Robertson een kaartje had gestuurd voor Veterans Day, samen met een oude zwart-witfoto uit midden jaren zestig van John Hartley Robertson die met zijn gezin voor zijn huis in Alabama staat. ‘Ik denk dat ik zou willen weten wat die foto met hem deed, snap je?’ zei Mike. ‘Ik zou willen weten of hij blij is met zijn nieuwe gezin in Vietnam. En of hij nog steeds aan zijn oude gezin thuis denkt.’

En als hij een fraudeur is? ‘Dan wil ik dat ook weten,’ zei hij.

Kans

Tom Faunce was altijd het meest voor de hand liggende kanaal om Robertson te bereiken, en toen hij me niet zo lang geleden vertelde dat hij een nieuwe missie naar Cambodja aan het plannen was – en dat hij Robertson daar misschien ook heen kon krijgen – greep ik de kans. We ontmoetten elkaar in Phnom Penh, in een guesthouse in het backpacker district van de hoofdstad. Faunce deed de deur van zijn kamer open in een korte broek en een MIA-T-shirt. Aan zijn riem hing een lang mes.

‘Mijn gedachte is: als de man nep is, arresteer hem dan,’ vertelde Faunce me tijdens de lunch in een nabijgelegen café. ‘Dan wil ik als veteraan ook dat hij straf krijgt – niemand mag zich als soldaat voordoen. Maar ik begrijp niet hoe je kunt proberen om iemand zomaar af te schrijven.’

Hij maakte zich zorgen om zijn vriend: hij had gehoord dat Robertson een probleem had met zijn benen, of misschien zijn rug, en dat het moeilijk voor hem was om het huis te verlaten. Faunce wilde hier in Phnom Penh een rolstoel voor hem kopen; ook wat medicijnen, als hij erachter kon komen welke pillen Robertson precies nodig had.

‘Denk je dat John ons in Cambodja zal ontmoeten?’ vroeg ik.

De reis zou Robertson belasten, antwoordde Faunce, maar hij beloofde dat we hem later die dag zouden bellen. Dat deden we, maar niemand nam op.

De dagen die volgden vergezelde ik Faunce op zijn pre-expeditierondes. Binnenkort zou het droge seizoen beginnen en Phnom Penh was al schaduwloos, de lucht vervuld van dieseldampen en stof. We reden naar het kantoor van een plaatselijke drukker en laadden een vrachtwagen vol bijbels en christelijke audioboeken. We stopten bij een pakhuis waar Faunce met de eigenaar onderhandelde over de prijs van een pak kleren uit China.

Maar er was nog steeds geen nieuws uit Dong Nai, en ik begon onrustig te worden. Aan de vooravond van zijn vertrek naar de bergen smeekte ik Faunces lokale fixer, Ratha Soy, een laatste poging te doen om Robertson te bereiken. Hij zou vast wel openstaan ​​om ons aan de Cambodjaanse grens te ontmoeten. Met tegenzin toetste Soy de cijfers op zijn mobiel in. Het was een kort gesprek. ‘Sorry,’ zei Soy terwijl hij ophing. ‘Hij kan het niet. De politie is er en hij is bang.’

‘Is de politie er, of is hij ziek?’ vroeg ik.

‘Beide,’ zei Soy.

Ik vertelde Faunce dat ik geen keus had: ik zou een busticket naar Vietnam kopen. Ons afscheid was niet hartelijk. ‘Je zult hem niet kunnen vinden,’ zei Faunce tegen me. Zelfs als ik dat zou doen, zou Robertson niet met me praten, hield hij vol; ‘De enige Amerikanen die hij vertrouwt, zijn Joe en ik.’

Thuis in de VS had ik elke minuut van Unclaimed doorgenomen, op zoek naar het soort identificerende detail dat me naar Robertson zou kunnen leiden. Het mocht niet baten: de Vietnamese hotels en restaurants die in de film waren afgebeeld waren naamloos, de huizen generiek. Maar toen ik de film aan een vriend in Ho Chi Minhstad liet zien, ving hij iets op dat ik had gemist: het telefoonnummer op een reclamebord van een fruitgroothandel naast de tandarts van Robertson.

Via een vertaler kwam ik in contact met de vrouw van de tandarts, die haar man hielp met het inplannen van de afspraken. Natuurlijk herinnerde ze zich de con lai, oftewel de man van gemengde afkomst, zei ze me – hij woonde in het volgende dorp. En ze had nog steeds zijn telefoonnummer. 

Om Dong Nai te bereiken vanuit Ho Chi Minh-stad, de voormalige hoofdstad van de Republiek Zuid-Vietnam, rijd je pal naar het oosten over het gladde nieuwe asfalt van Route CT101 alvorens naar het noorden te gaan over een reeks steile heuvels, als de ruggengraat van een draak. De heuvels maken plaats voor schaduwrijke groepen rubberbomen, de rubberbomen weer voor de stad.

Tot in de jaren zeventig was de provincie Dong Nai grotendeels wildernis, maar aan het einde van de oorlog maakte de communistische regering deel uit van het New Economic Zones-programma, waardoor het gebied werd opengesteld voor honderdduizenden noorderlingen. Tegenwoordig is Dong Nai een snel industrialiserende buitenwijk van Ho Chi Minh-stad, vol met fabrieken voor rubberverwerking en machine-onderdelen, niet te onderscheiden van welke andere Vietnamese productiehub dan ook. De horizon is wazig van de smog; benzinestations verdringen de weg.

Het kantoor van de tandarts, dat ook dienstdeed als zijn huis, bevond zich aan een drukke laan in de wijk Dinh Quan. Op de ochtend dat ik hem bezocht, passeerde ik, samen met een fotograaf en een tolk, een half dozijn patiënten die op een bank voor de voordeur zaten te wachten – één hield een zak met ijs tegen zijn kin. ‘Wortelkanaalbehandeling,’ legde de vrouw van de tandarts met een brede glimlach uit. Als ze überhaupt was aangedaan was door onze aanwezigheid, liet ze het niet merken: ze leidde ons naar de woonkamer en draaide een gammele ventilator onze kant uit.

We hadden hem gebeld en hij was gekomen – zo gemakkelijk was het geweest

Terwijl we ijskoffie dronken vroeg ik haar wat ze wist over Robertson. Ze zei hetzelfde als vrijwel iedereen die ik in Dong Nai zou interviewen: hij was van Frans-Vietnamese afkomst, een van de tientallen mensen van gemengde afkomst die overbleven na de lange westerse bezetting van haar land. Ze haalde haar schouders op om duidelijk te maken dat ze er niet veel over had nagedacht. Maar hoe zit het met de documentairefilmploeg die de con lai naar haar kantoor had gebracht? Wekte die niet de indruk dat er iets speciaals was aan Dang Tan Ngoc? Weer haalt ze haar schouders op. ‘Misschien was het een film over de oorlog?’ oppert ze.

Ze belde Ngoc op haar mobiele telefoon. ‘Hij is hier over tien minuten,’ zei ze terwijl ze ophing. ‘Hij woont om de hoek.’

De eerstvolgende keer dat ik opkeek, zat de man van Unclaimed op de bank voor de voordeur, naast de wachtende patiënten, het ene lange been over het andere gekruist, zijn handen losjes rustend op zijn knieën. Hij was netjes gekleed, in een gekreukte broek en beige overhemd. Om zijn pols droeg hij een nepgouden Rolex. Niet voor de laatste keer werd ik getroffen door zijn kalme manier van doen: de onbezorgde glimlach, de lange sigaret waaraan langzaam askegel groeide. We hadden hem gebeld en hij was gekomen – zo gemakkelijk was het geweest.

De vrouw van de tandarts wuifde hem naar binnen. Hij sloeg een kopje koffie af, nam een ​​glas water aan en plaatste zich in de stoel rechts van mij. ‘Ik ben blij je te zien,’ zei hij, in wat mijn tolk later identificeerde als een duidelijk Zuid-Vietnamees accent.

Terwijl we beleefdheden uitwisselden, bekeek ik zijn gezicht. Het zou kunnen kloppen, zoals Tom Faunce me had verteld, dat Robertsons lengte dezelfde was als die van John Hartley Robertson, of, zoals Ed Mahoney had gezegd, dat zijn haarlijn overeenkwam met die van de Groene Baret. Maar ik zag alleen de kleinste flikkering van gelijkenis in Robertson met de man uit 1968: de kin was vierkant, niet rond, zoals die van Robertson, de ogen hadden een heel andere vorm.

‘We hoorden dat je ziek was,’ zei ik tegen hem.

Zijn benen, zei hij. Veel pijn. Ik vroeg hem naar de kaart die Mike Robertson had gestuurd; hij zei dat hij die niet had ontvangen. Hij glimlachte en raakte mijn pols even aan.

‘Kun je me je echte naam vertellen?’ vroeg ik.

‘Hij herinnert zich alleen dat zijn naam Johnson is,’ vertaalde de tolk.

‘Johnson?’

De tolk stak zijn hand op. ‘Nee, hij weet zijn achternaam niet meer. Ja, door het martelen doet zijn hoofd zelfs nu soms nog pijn.’

Weten de mensen in zijn dorp dat hij een Amerikaan is?’

‘Nee, vanwege zijn vrouw – ze weet dat hij een Amerikaan is, maar ze is bang voor wraak van de lokale bevolking, dus heeft ze iedereen gezegd dat hij een Fransman is van gemengde komaf.’

Het was bijna één uur ’s middags. Robertson wilde niet dat we meegingen naar zijn huis, maar hij accepteerde graag een lunchaanbod. Op zijn aanraden reden we samen naar een openluchtrestaurant aan de rand van de stad. Aan een tafel in de schaduw van een hellende palmboom stak Robertson een nieuwe sigaret op en vertelde dat het gebied vol tijgers had gezeten toen hij er aankwam. Mensen hadden met messen een weg door de jungle gehakt om hun huizen te bouwen. Nu was het beter, maar de provincie Dong Nai was nog steeds arm. Hij was nog steeds arm.

Ik vroeg hem of hij werkte. ‘Ik was een tijdje motortaxichauffeur,’ zei hij – hij gebruikte een mooie motor die Tom Faunce voor hem had gekocht. Maar daarvoor werd hij te oud. ‘Ik kweek pomelo’s,’ zei hij – een grapefruitachtig gewas afkomstig uit Zuidoost-Azië.

Contouren

Een serveerster zette een hete pan cháo, een soort gekruide rijstepap, op tafel. Kon Robertson ons vertellen over de crash? Alles wat er maar in hem opkwam. Hij reciteerde de contouren van het verhaal zoals dat in de documentaire wordt getoond: hij was een Amerikaan, hij had een helikoptercrash gehad, zijn vrouw had hem gered. Maar het raakte uit koers, de versnellingen waren verroest – nu vond de crash ’s nachts plaats, niet ’s ochtends; hij was in de buurt van de Cambodjaanse grens geweest.  

‘Ik zat in de helikopter artillerie klaar te maken om te schieten, en er waren drie tot vijf Amerikanen bij me,’ legde hij uit. ‘Toen kwam er een raket.’

Zou het mogelijk zijn dat hij ons een van zijn overheidspapieren liet zien, bijvoorbeeld een identiteitsbewijs? Er was bij hem ingebroken, antwoordde hij. De dieven hadden wat geld en al zijn papieren meegenomen.

‘Wat zijn uw dromen voor de toekomst?’ vroeg ik.

‘Ik wou dat ik meer geld had om een ​​groter stuk land en een boerderij te kopen.’

‘Maar niet om terug te gaan naar de Verenigde Staten?’

‘Ja, en om naar de Verenigde Staten te gaan. Naar Boston.’

‘Waarom Boston?’ vroeg ik.

‘Mijn oude zus woont daar,’ zei hij.

‘Weet je,’ zei ik, ‘er zijn daar mensen die niet geloven dat u John Hartley Robertson bent. Er zijn tests gedaan,’ voegde ik eraan toe, wachtend tot hij de vertaling had gehoord.

Hij wees naar zijn hoofd. ‘Het ongeluk,’ zei hij. ‘Het was een zwaar ongeluk. Ik was gewond. Mijn geheugen is slecht.’

‘Is het mogelijk dat u Robertson niet bent?’

‘Ik weet het niet.’

‘Misschien bent u een andere Amerikaanse soldaat.’

‘Oké,’ zei hij.

‘Is het niet mogelijk dat u Vietnamees bent?’

‘Oké,’ zei hij. ‘Ja.’

Ngoc begon moe te worden, zijn voorhoofd raakte bedekt met zweet.

‘Ik zou graag naar huis willen,’ zei hij ten slotte.

Ik had Ngoc beloofd dat we niet naar zijn huis zouden gaan, en ik was van plan mijn woord te houden. Maar niets weerhield ons ervan zijn buren te bezoeken. Nadat we Ngoc bij zijn motor hadden afgezet, klommen we weer in onze vrachtwagen en reden, volgens de aanwijzingen van de vrouw van de tandarts, over een smalle eenbaansweg de stad uit. Bij een van de huizen werden we door een geamputeerde jongen bekeken die toen hij ons zag opzij sprong en om zijn moeder gilde. Bij een ander huis stond een angstaanjagend uitziende hond op wacht. Bij de derde keer vroegen we de kalende bewoner wat hij ons kon vertellen over de lokale con lai. ‘Waarom vraag je het hem niet zelf?’ antwoordde hij, en spuugde theatraal tabak in onze richting.

We stopten bij een eetkraampje langs de weg om uit te rusten. In een hangmat lag een zwartharige man met een pantertatoeage op zijn borst een biertje te drinken. Het licht was zacht en goudkleurig, de schaduwen waren langgerekt. De eigenaar van de stand, een elegant geklede oudere vrouw, bevestigde dat ze een con lai kende die Ngoc heette, maar lang niet zo goed als haar vader – haar vader en de con lai waren goede vrienden. De vader werd opgetrommeld. Zijn ogen hadden totaal verschillende kleuren, een bruin en een lapis; zijn witte haar stond in een trotse kuif overeind. ‘Ik ken Ngoc sinds 1976,’ zei hij. ‘Het is een goede man.’

Wat voor werk deed Ngoc? vroeg ik.

De man begon een opsomming: motortaxichauffeur, inspecteur kwaliteitscontrole in een nabijgelegen fabriek, politieagent.

‘Politieagent?’ flapte de vertaler eruit. ‘Weet je zeker dat?’

‘Absoluut,’ zei de man. ‘Je moet met Tan Som praten. Som, legde hij uit, was al twintig jaar de schoonzoon van Ngoc; Som en de dochter van Ngoc waren nu gescheiden, maar Som had met Ngoc bij het korps gewerkt en hij had de personeelsdossiers van Ngoc gezien. 

Het duurde even voordat Som bij de eetkraam arriveerde; hij had bij een maatje thuis gehangen, rijstwijn gedronken. Toen hij aankwam, schudde hij me de hand, stak een sigaret op en praatte vijftien minuten onafgebroken. Ngoc, zei Som, was in 1947 geboren en groeide op in een weeshuis in Saigon. Op achttienjarige leeftijd had Ngoc het weeshuis verlaten en was hij bij de marine gegaan, waarvoor hij tijdens de oorlog in het Zuid-Vietnamese leger diende – een dienstplicht die Ngocs bekendheid met Amerikaanse bases en commando’s gedeeltelijk kon verklaren. Later was hij naar het noorden gekomen, naar Dong Nai, en had hij een positie als agent bekleed. Ngoc was een paar jaar hoofd van de politie geweest.

‘En hij heeft twee kinderen,’ zei ik.

‘Tien, denk ik. En vier zijn in de Verenigde Staten.’

‘Heeft Ngoc er ooit aan gedacht daar ook heen te gaan?’

‘In de jaren negentig dacht hij daarover, maar uiteindelijk wilde hij zijn familie in Vietnam niet achterlaten,’ zei Som. ‘Hij vond het te moeilijk om afscheid te nemen.’

Neergeschoten Amerikaanse piloten en hun nobele Vietnamese redders waren een centrale troef van de Vietnamese cinema in de jaren zeventig en tachtig

Had een van de dorpelingen westerse filmmakers in hun gehucht gezien? Dat hadden ze inderdaad, antwoordde hij, maar Ngoc had vragen daarover van tafel geveegd en zijn buren hadden het verder gelaten. Ze hadden het eindproduct nog nooit gezien.

‘Wist je dat Ngoc in de film zegt dat hij een Amerikaanse soldaat is?’ zei ik.

Som schudde zijn hoofd. In de stilte kon ik hem horen ademen. Hij zag er oprecht uit. Een beetje geschrokken. ‘Dat is onmogelijk,’ zei hij.

Ons hele gesprek was de man met de tatoeage op de borst in zijn hangmat blijven liggen terwijl hij zijn biertje dronk en rustig luisterde. Nu begon hij te praten. Hij vroeg of het kon zijn dat we fictie met feiten verwarden: hij herinnerde zich dat hij eind jaren zeventig een tijdelijke rol had gehad als setbewaker van een Vietnamese film die hier in Dong Nai was opgenomen. Hij vertelde de plot van de film: een Amerikaanse helikopterpiloot wordt neergeschoten boven vijandelijk gebied en genezen door een goedhartige Vietcong-verpleegster. De verpleegster en de piloot worden verliefd en leven nog lang en gelukkig.

‘Ngoc,’ zei hij, ‘speelde de piloot.’

Volgens de Vietnamese filmarchivaris Do Thuy Linh waren neergeschoten Amerikaanse piloten en hun nobele Vietnamese redders een belangrijke troef van de Vietnamese cinema in de jaren zeventig en tachtig. In de avonturenfilm Con Lai Mot Minh (vertaling: Left for Dead) uit 1984 krijgt een gewonde Amerikaanse vlieger bijvoorbeeld hulp – en op een gegeven moment zelfs moedermelk – van een Vietnamese boerin. Toch kon Linh geen film vinden met iemand die op Ngoc leek in de hoofdrol. ‘Als die film inderdaad bestaat,’ zei ze, ‘is er ook nog een kans dat hij is opgenomen maar niet uitgebracht’, in welk geval hij niet zou voorkomen op lijsten met producties uit die tijd.

Terwijl ik naar de man in de hangmat luisterde, voelde ik me diep gedesoriënteerd, zoals je kan hebben als je een onbekende trap oploopt en je voet op een tree belandt die er niet is. De werkelijkheid hapert even.

De nacht viel over het dorpje. In de omringende bomen zongen de vogels. We namen afscheid van Som en de eigenaar van de stand en haar vader, en reden met de taxi terug naar Ho Chi Minhstad. Op de achterbank sloot ik mijn ogen en stelde me de laatste momenten van de missie van John Hartley Robertson voor: de raket die de helikopter tegemoet snelde, de helikopter die in rondjes naar de bodem van de vallei zweefde. Hoe verbazingwekkend dat die paar onweerlegbare details de basis waren geworden van zo’n levendig verzinsel. Niet zomaar een verzinsel, maar het soort fictie dat de mensen die deze consumeren een spiegel voorhoudt, waardoor ze er een stukje van zichzelf in kunnen vinden. Het was een fabel geworden die dromen had vervuld en gebeden verhoord. En wat was ervoor nodig? Enkel de bereidheid van een arme con lai in de provincie Dong Nai om ‘ja’ te zeggenJa: ik zal je vertellen dat ik een lang verloren gewaande Amerikaanse soldaat ben. Ja: ik reis naar de ambassade in Phnom Penh voor een vingerafdruktest. Ja: ik zal mijn broek voor je uittrekken. Ja: ik zal je mijn kies aanbieden. Ja: ik accepteer deze glimmende nieuwe motor.

Ja: ik zal je helpen te blijven geloven.

Twee weken na mijn terugkeer uit Vietnam ontving ik een vreemde e-mail van Tom Faunce. Hij had ‘contact gehouden met John om hem wat dollars te sturen’, schreef hij. Ik had hem verteld dat ik Ngoc had gevonden, maar nu zei hij dat Ngoc dat ontkende. ‘Weet niet waarom hij tegen ons zou liegen’, schreef Faunce. ‘Zei dat hij je nooit had ontmoet.’ Ik stuurde Faunce een foto van Ngoc en mijzelf in Dong Nai. ‘Ik weet niet zeker wat er aan de hand is’, antwoordde Faunce.

In de daaropvolgende weken sprak ik telefonisch met Joe Faunce en Hugh Tranh, de vertaler van Jorgensen. Faunce kon niet van het idee af worden gebracht dat Ngoc Robertson was. Hij sms’te me dat hij en Mike Jorgensen ‘carrières moesten beschermen die afhingen van wat je schrijft. Er is storm op komst. Denk aan de kleine jongens!’ Hij beloofde een ‘lijst met punten’ te sturen van ‘wat volgens mij en vele anderen feiten zijn’ omtrent Robertsons identiteit, maar de lijst is nooit gekomen. (Evenmin heb ik kunnen verifiëren dat Ngoc familieleden heeft in de VS.)

Hugh Tranh was korter af. Tranh praat nog steeds regelmatig met Ngoc en heeft geholpen geld in te zamelen om naar Dong Nai te sturen. Hij zei dat hij twijfelde aan de geldigheid van de DNA-tests en noemde Jean Holleys omhelzing van Ngoc als bewijs van de identiteit van de man. (Ed Mahoney had een soortgelijke houding: ‘Als ik het mis heb, hoe kan ik er dan zo naast zitten?’ vroeg hij me.) Op Tranh kon ik alleen maar antwoorden dat we soms zien wat we willen zien.

‘U mag uw feiten hebben, maar ik heb de mijne,’ zei hij en hing op.

De waarheid

Mijn laatste gesprek met Tom Faunce vond plaats in april. We spraken een uur lang, waarin Faunce van het ene stadium van verwerking in het volgende leek te belanden: van woede tot ontkenning, ontkenning tot acceptatie, acceptatie tot verdriet. Hij vertelde me dat hij er nooit helemaal van overtuigd was geweest dat zijn Robertson John Hartley Robertson was. Daarna nam hij dat weer terug en zei dat hij de vermiste Groene Baret wél had gevonden, of op zijn minst een Amerikaans staatsburger.

Toch erkende Faunce dat hij zich zorgen maakte vanwege Ngocs leugen dat hij mij niet had ontmoet in Dong Nai. ‘Het zet me gewoon aan het denken, snap je?’ zei hij. ‘Als iemand over één ding liegt, kan hij over heel veel dingen liegen.’

Maar er was nog tijd om het uit te zoeken: binnenkort is Faunce van plan terug te keren naar Cambodja voor een bijbelverspreidingsmissie. Misschien, dacht hij, zou hij een uitstapje over de grens maken naar dat lommerrijke plaatsje in Dong Nai en eindelijk de waarheid vinden.

Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verstuurd.
inschrijven

360 heeft 1000 nieuwe leden nodig

Deze maand bieden wij daarom een deel van onze content gratis aan. Zo kunt u vast kennismaken met ons aanbod. Leden blijven toegang houden tot onze maandelijkse digitale editie en het archief.