De roekeloze voetbalobsessie van Viktor Orbán

Viktor Orbán steekt zijn liefde voor voetbal niet onder stoelen of banken. Terwijl bijna de helft van het land onder de armoedegrens leeft, pompt hij miljoenen in de bouw van kolossale stadia. En hij is nog lang niet klaar. ‘We hebben nu een club, maar we willen ook graag een museum, een kenniscentrum en een uitgeverij. Voor de mensen.’

Felcsút lijkt een slaperig Hongaars dorpje als alle andere, met één hoofdstraat en een paar winkeltjes. Tot je het voetbalstadion ziet, dat hoog uittorent boven alle huizen in dit dorp met 1800 inwoners, veertig kilometer ten westen van Boedapest. De in 2014 voltooide Pancho Arena moet wel een van de markantste voetbaltempels ter wereld zijn: meer kathedraal dan stadion, met dat glooiende dak, die koperen torentjes en de gewelfde houten stijlen langs de tribunes om het veld.

Het stadion draagt de bijnaam die de supporters van Real Madrid in de jaren vijftig gebruikten voor de grootste Hongaarse speler aller tijden, de spits Ferenc Puskás. Het is ook de thuisbasis van de eveneens naar hem vernoemde club Puskás Akadémia FC, opgericht in 2007 en onlangs naar de eerste divisie gepromoveerd. Het biedt plaats aan meer dan 3800 toeschouwers: meer dan tweemaal zoveel als er mensen in het dorp wonen. Maar net zoals Puskás geen band had met Felcsút – hij heeft er nooit een voet gezet en begon zijn voetbalcarrière in Boedapest – zo is dit stadion ook niet echt voor de dorpelingen bedoeld.

Dat wordt nog duidelijker als je bij het complex de parkeerplaatsen ziet die gereserveerd zijn voor een hele trits Hongaarse oligarchen: mannen met een vette bankrekening en hechte banden met de regering. Zo is er een plekje voor de bankier Sándor Csányi, de rijkste man van het land en voorzitter van de Hongaarse voetbalbond. Voor István Garancsi, eigenaar van de naburige club Videoton FC. Voor de evenals Garancsi in de bouw rijk geworden oligarch László Szíjj. Twee plaatsen voor Lőrinc Mészáros, burgemeester van Felcsút en voorzitter van Puskás FC, die sinds het aantreden van jeugdvriend Viktor Orbán als premier in 2010 met stip is binnengekomen op het lijstje van de rijkste Hongaren. En er is natuurlijk een plekje voor Orbán zelf, die een deel van zijn jeugd in Felcsút heeft gewoond en er gedurende zijn eerste termijn als premier (van 1998 tot 2002) enige tijd als semiprof in de vierde divisie heeft gevoetbald.

Grote liefde

Toen wij het stadion afgelopen voorjaar op een bewolkte zaterdagmiddag bezochten, werd in het dorp gezegd dat Orbán die dag de wedstrijd zou bijwonen. Als hij niet in het buitenland zit, brengt hij het weekend vaak door in zijn datsja in Felcsút. Sinds hij in 2010 een kolossale verkiezingsoverwinning boekte met zijn populistische partij, heeft Orbán meer macht naar zich toe getrokken dan enige andere Europese leider. Hij heeft de grondwet herschreven, het constitutioneel hof volgestopt met bondgenoten en een oude politieke vriend tot hoofd van het OM benoemd. Duizenden voorheen onafhankelijke instanties staan nu onder leiding van Orbán-getrouwen, zoals de nationale bank, de kiesraden en tal van culturele instellingen en sportbonden.

Orbán heeft er geen moeite mee om zoveel mogelijk geld naar zijn grote liefde te sluizen: voetbal. Maar het is niet makkelijk om hem vragen te stellen over alle nieuwe stadions die in Hongarije verrijzen. Behalve op de staatsradio, waar goedgezinde journalisten hem naar de mond praten, staat hij de pers zelden te woord.

De beste manier om met Orbán in contact te komen, zowel voor Hongaarse oligarchen als voor buitenlandse journalisten, is via een bezoek aan de Pancho Arena. Vandaar dat het parkeerterrein op wedstrijddagen vol staat met dure auto’s van mannen die graag aanschurken tegen de macht. ‘Ook al heb je de pest aan voetbal, die wedstrijden moet je bijwonen,’ zegt Gyula Mucsi van de anti-corruptiewaakhond Transparency International. ‘Dat is de enige plek waar de elite zich buiten haar eigen kleine kringetje wil begeven. Grote bouw- en infrastructuurprojecten en andere plannen waarmee veel geld gemoeid is, worden in feite in de skybox afgekaart.’

Dan Nolan en David Goldblatt met Viktor Orbán bij het Felcsut-stadion.
Dan Nolan en David Goldblatt met Viktor Orbán bij het Felcsut-stadion.

Op de zaterdagmiddag dat wij er zijn, is Orbáns parkeerplaats een paar minuten voor de aftrap nog steeds onbezet. Maar misschien komt hij wel te voet. Het stadion ligt immers maar op twintig meter van zijn huis.

De 54-jarige Orbán speelt al meer dan zijn halve leven een rol in het publieke leven [van Hongarije], sinds hij bekendheid verwierf tijdens de afbrokkelnig van het communistische regime in 1989. Wat er in de steeds minder benaderbare premier nog over is van de 26-jarige jongeman van toen, is vooral in Felcsút zichtbaar. Zijn voetbalobsessie is vermaard: hij schijnt soms wel zes wedstrijden per dag te zien. Zijn eerste bezoek aan het buitenland als regeringsleider was voor de Parijse WK-finale in 1998. Volgens welingelichte kringen heeft hij sindsdien geen enkele WK- of Champions League-finale overgeslagen.

In de Pancho Arena, met die opvallende welvingen en houten dakstijlen die getuigen van Orbáns nationalistische voorliefde voor ‘Hongaarse organische architectuur’, zit zelden meer dan een paar honderd man publiek. Maar de premier leeft intens mee met de verrichtingen op het veld en lijkt geen oog te hebben voor de bewindslieden en oligarchen om hem heen. Toch loont het de moeite om in zijn gezelschap te verkeren: volgens de laatste telling onderhielden zeven van de 33 rijkste Hongaren op de lijst van Forbes Magazine nauwe banden met de regering. De hoogste stijger van vorig jaar (hij staat nu op nummer acht) was Orbáns vriend Mészáros, de burgemeester van Felcsút en voorzitter van de lokale club, die zijn vermogen heeft verdrievoudigd en enorm veel acquisities heeft gepleegd. Zo kocht hij op één dag 192 regionale kranten op.

Het stadion dreigt een blijk te worden van zijn keizerlijke overmoed, een mikpunt voor protesten van tegenstanders en kritische blikken van instanties

Nu bijna alle media in handen van Orbán-getrouwen zijn en de verdeelde oppositie nog worstelt met deze nieuwe werkelijkheid, is Orbáns bewind de keizerlijke fase ingegaan. Kranten die kritiek leveren op de regering worden opgedoekt. Onafhankelijke ngo’s worden als ‘buitenlandse actoren’ bestempeld en bedreigd met gerechtelijk onderzoek. Tijdens de viering van vijfhonderd jaar Reformatie verklaarde Orbán onomwonden dat de regering ‘een uitdrukking van Gods genade’ is.

Maar het stadion in Felcsút mag dan een symbool lijken van de absolute macht van Orbán, die er zetelt als een koning omringd door hovelingen – het dreigt nu ook een blijk te worden van zijn keizerlijke overmoed, een mikpunt voor protesten van tegenstanders en kritische blikken van instanties. De Europese Commissie heeft een onderzoek ingesteld naar de met EU-gelden aangelegde antieke spoorlijn tussen de twee dorpen waar Orbán is opgegroeid. En twee uitspraken van het Hongaarse Hooggerechtshof dwingen de regering om de angstvallig geheimgehouden cijfers vrij te geven over wat er aan sport en voetbalstadions wordt uitgegeven – cijfers die de werkelijke kosten van Orbáns voetbalobsessie kunnen blootleggen.

Vervelend kind

Die obsessie is al vroeg begonnen. Wat we van Orbáns jeugd weten, komt vooral uit interviews van meer dan tien jaar geleden. Het zeer kleinbehuisde gezin – Orbán is de middelste van drie broers – woonde in bij zijn grootouders van vaderskant in Alcsútdoboz, het dorp naast Felcsút. Zijn vader Győző gaf hem ‘een of twee keer per jaar’ een pak rammel. Győző was partijlid, maar over politiek werd thuis niet veel gepraat. ‘Mijn milieu had eigenlijk geen echte tradities,’ heeft Orbán later gezegd. ‘Mijn achtergrond was zo’n ongecultiveerd, samengeraapt… iets.’ Zijn voetballiefde erfde hij van zijn grootvader, een voormalige dokwerker die in de Tweede Wereldoorlog aan het Oostfront had gevochten. Die heeft hem ongetwijfeld veel verhalen verteld over de legendarische nationale ploeg van voor de oorlog en de heroïsche nederlagen in de WK-finales van 1938 en 1954.

Toen de kleine Viktor tien was, verhuisde het gezin naar Felcsút. In de oogsttijd moest Orbán op het land werken: aardappels sorteren en bieten rooien. Slopend werk. ‘Je moet de ratten meteen keihard op hun kop meppen, anders rennen ze langs je spade omhoog en bijten ze in je hand,’ was een les die hij daar leerde. Toen het gezin weer verhuisde, naar het nabijgelegen Székesfehérvár, zag hij – op zijn vijftiende – voor het eerst warm water uit een kraan stromen. Orbán kon goed leren, maar omschreef zichzelf als ‘een ongelooflijk vervelend kind: brutaal, onbeschoft, agressief’. Het was meer op wilskracht dan talent dat hij een plek veroverde in Videoton, de topclub uit Székesfehérvár die het in 1985 tot de UEFA Cup-finale schopte.

Orbán genoot van de sociale kansen die het voetbal hem bood: ‘Elke wedstrijd bracht mensen met allerlei verschillende achtergronden bij elkaar. Elke keer als ik van team wisselde, leerde ik ook weer nieuwe culturen kennen.’

In 1988 studeerde Orbán rechten in Boedapest, waar hij samen met 36 andere studenten Fidesz oprichtte, de partij die hij nog steeds aanvoert. Toen het communistische regime in 1989 begon te wankelen, groeide Orbán in korte tijd uit tot een prominent jongerenleider. Tijdens een bijeenkomst op het Heldenplein in Boedapest ter ere van de herbegrafenis van Imre Nagy (de premier die was opgehangen voor zijn rol in de Hongaarse opstand van 1956) hield Orbán voor een menigte van 250 duizend mensen een toespraak waarin hij van leer trok tegen de Sovjet-Unie en eiste dat de Russen hun troepen uit Hongarije terugtrokken. Het getuigde van lef en van opportunisme (want naar verluidt hadden de sprekers die dag onderling afgesproken om niet over het vertrek van Rusland te beginnen). Hoe dan ook schreef hij er geschiedenis mee.

Een minder bekend feit uit die roerige periode is dat de Fidesz-kopstukken die nu de machtigste posities in Hongarije bekleden – premier Orbán, president János Áder en parlementsvoorzitter László Kövér – destijds samen in een minivoetbalteam zaten. Eind jaren tachtig speelden de toekomstige bewindslieden elke vrijdag in hun team met de studentikoze naam Fojikasör, vrij vertaald ‘Het Bier Vloejt’. Volgens Zsolt Komáromy, die vaak tegen Orbán heeft gespeeld, was voetbal voor de latere premier ‘een uitlaatklep voor zijn agressie. Eén keer pakte hij de bal op. Toen iedereen stilstond, riep hij ineens: “Hij was niet uit!” en speelde door en scoorde. Hij schreef zijn eigen regels, zo van: ik bepaal zelf wel of hij in of uit is.’

Pancho Arena, ‘met twaalf miljoen euro een koopje’.
Pancho Arena, ‘met twaalf miljoen euro een koopje’.

In 1990 kwam Orbán in het parlement. Hij groeide al snel uit tot de leider van het toen nog liberale Fidesz. Hij had contact met pro-Europese liberale intellectuelen, die zijn politieke talent erkenden en hem plaagden met zijn dorpse manieren. Maar nadat Fidesz bij de volgende verkiezingen onverwachts werd weggevaagd, liet Orbán het liberalisme voor wat het was en transformeerde hij zijn partij tot vaandeldrager van een nieuwe rechtse middenklasse. Toen Fidesz met de slogan ‘twee kinderen, drie slaapkamers, vier wielen’ in 1998 de verkiezingen won, vormde het een coalitie met twee kleinere partijen en werd de 35-jarige Orbán de jongste premier van Europa.

Bij de wedstrijden zag je ineens ‘politici van Fidesz die in zwarte auto’s kwamen aangereden, en er stonden lijfwachten langs het veld’, zegt Imre Wirth, die ook tegen Orbán heeft gevoetbald. Zijn collega’s bleven spelen voor Het Bier Vloejt, maar de premier werd semiprof bij Felcsút, dat toen in de vierde divisie speelde. Na de nipt verloren verkiezingen van 2002 legde hij steeds meer nadruk op populistische anti-immigratiesentimenten, en hij weigerde zijn nederlaag te erkennen op grond van de redenering dat ‘het volk’ nooit de oppositie kan zijn. Hij woonde geen parlementsdebatten meer bij en richtte zich op de kiezers die zich na de breuk met het communisme ‘in de steek gelaten’ voelen.

Toen de socialistische regering in 2006 onder vuur lag vanwege een schandaal, greep Orbán zijn kans en ging hij de straat op. In de aanloop naar de vijftigste verjaardag van de Hongaarse opstand probeerden betogers – waaronder veel beveiligers van Ferencváros, de grootste voetbalclub van het land – in de geest van 1956 het gebouw van de nationale tv te bestormen. Op 23 oktober 2006, de eerste dag van de officiële herdenking van de opstand, gaf Orbán een toespraak bij een betoging van radicale nationalisten. Weer braken er rellen uit en agenten zonder identificatienummer schoten met rubberkogels op de demonstranten. Uit gelekt diplomatiek berichtenverkeer bleek dat de VS bang was dat Orbán ‘met vuur speelde’.

Het jaar daarop hebben Orbán en Mészáros op 1 april – de dag waarop Puskás tachtig zou zijn geworden – met een startkapitaal van slechts 500 euro voetbalclub Puskás Academy opgericht. Ook begon Mészáros, samen met Orbáns vrouw Anikó en zijn vader, grond op te kopen rond de club. Drie jaar later maakte de Hongaarse politiek een ruk naar rechts en won Orbán bij de verkiezingen een absolute meerderheid. Het lag nu in zijn macht om de grondwet te hervormen. Hij noemde het een ‘stembusrevolutie’ en beloofde de ‘onvoltooide wisseling van regime’ af te ronden die in 1989 was ingezet.

‘Als we alleen maar geld in sport staken, zou die kritiek terecht zijn. Maar we steken ook geld in onderwijs, gezondheidszorg, infrastructuur enzovoort’

Het stadion in Felcsút is niet de enige vrucht van de sportieve bouwwoede die onder Orbán is ontketend. In Boedapest brengen we een bezoek aan het nieuwe stadion van MTK. De voorzitter van die oude voetbalclub, Tamás Deutsch, is een van de oprichters van Fidesz en zit voor die partij nu in het Europees Parlement. ‘Dit is geen stadion, het is een voetbalkasteel, een heel nieuw concept,’ zegt Deutsch, gezeten op een Italiaanse bank in zijn eigen skybox. Deutsch kent Orbán al heel lang en heeft in de jaren tachtig ook vaak met hem gevoetbald toen ze nog studeerden. Hij was altijd een ‘veeleisende ploeggenoot’, zegt Deutsch, zelfs in die vriendschappelijke potjes. ‘Als iemand een persoonlijke fout maakte, foeterde hij hem uit.’

Het merkwaardige nieuwe stadion van MTK, met achter de goals geen tribunes maar een betonnen muur, heeft 27 miljoen euro gekost, de helft meer dan begroot. Het is gefinancierd met behulp van Orbáns omstreden TAO-regeling, waarbij bedrijven belastbare winsten mogen investeren in sportclubs en culturele instellingen en daarover nauwelijks verantwoording hoeven af te leggen. Verder is met overheidsgeld ook een nieuw stadion met 24 duizend zitplaatsen gebouwd in Boedapest, de Groupama Arena van Ferencváros (officiële kosten 63 miljoen euro), en het Nagyerdei Stadion met 20 duizend zitplaatsen in Debrecen (55 miljoen euro).

Dan was de Pancho Arena met 12 miljoen euro een koopje. Maar de club van Felcsút ontvangt dankzij de TAO-regeling wel zo’n 10 miljoen euro per jaar. In Mezőkövesd, een stadje met 17.000 inwoners in het noorden van Hongarije, verrees een nieuw stadion met 4200 zitplaatsen voor de lokale club. De voorzitter daarvan is staatssecretaris András Tállai, tevens hoofd van de Hongaarse belastingdienst. Tállai toonde zijn erkentelijkheid door een schilderij van Orbán en Puskás te laten maken.

Deutsch verdedigt het stimuleringsprogramma voor sportstadions tegen de kritiek dat veertig procent van de Hongaarse huishoudens nog steeds onder de armoedegrens leeft. ‘Als we alleen maar geld in sport staken, zou die kritiek terecht zijn,’ houdt hij ons voor. ‘Maar we steken ook geld in onderwijs, gezondheidszorg, infrastructuur enzovoort.’ Critici van de regering kunnen tegenwerpen dat de overheid momenteel meer geld besteedt aan sport dan aan lerarensalarissen.


Om het belang van voetbal voor de Hongaren te begrijpen, legt Deutsch uit, moet je naar de geschiedenis kijken. In het begin van de twintigste eeuw, zegt hij, ‘was Hongarije een toonaangevend voetballand’. Dat klopt: in het interbellum was Hongarije een van de landen met een cultuur van geraffineerd combinatievoetbal, het spel van de zogenaamde Donauschool dat in steden als Praag, Wenen, Boedapest en Bratislava hoogtij voerde. Dat artistieke spel bereikte zijn hoogtepunt in de legendarische nationale ploeg van de jaren vijftig, de ‘Magische Magyaren’. Dat team onder aanvoering van Puskás, de voetballer met de meeste goals op topniveau van alle voetballers in de twintigste eeuw, was tactisch vernieuwend en rijk aan individueel talent. Een van de sterren uit dat team was Nándor Hidegkuti, de revolutionaire ‘valse nummer negen’, naar wie het stadion van Deutsch is vernoemd.

De Magische Magyaren, in eigen land het Gouden Team genoemd, baarden opzien in de voetbalwereld door vierenhalf jaar op rij ongeslagen te blijven. In die reeks van 31 wedstrijden behaalden ze onder meer een gouden medaille op de Spelen van 1952 en een legendarische zege in wat destijds de wedstrijd van de eeuw werd genoemd: de wedstrijd waarin Engeland op Wembley met 6-3 werd afgedroogd. Om te bewijzen dat het geen mazzel was geweest, werd Engeland bij de return het jaar daarop in Boedapest vernederd met 7-1. Die weergaloze zegereeks werd in de WK-finale van 1954 bruut beëindigd door West-Duitsland: ‘het grootste succes in de geschiedenis van het Hongaarse voetbal en de zwartste dag in de geschiedenis van het Hongaarse voetbal’, volgens György Szöllősi, hoofdredacteur van Hongarijes grootste sportkrant. (De legendarische 6-3-zege is in het nationale geheugen nog springlevend: het is de naam van een bar, van een gokwebsite en van een merk spritzer.)

De Hongaarse opstand van 1956 maakte een abrupt einde aan het tijdperk Puskás, omdat het Gouden Team zich toen in het buitenland bevond en veel spelers niet terugkeerden. Langzaam maar zeker zette het verval in. ‘We hebben veel ellende gekend,’ zegt Szöllősi. De bitterste pil was misschien wel het WK van 1986 in Mexico. ‘Ons land stond hoog op de Europese ranglijst,’ weet Szöllősi nog. ‘En onze eerste groepswedstrijd tegen de Sovjet-Unie verloren we met 6-0. Tegen de Sovjet-Unie, in ’86!’ Het was onderwerp van een literaire analyse die een bestseller werd, het essay Gyógyíthatlan (‘Ongeneeslijk’, met een onvertaalbare woordspeling op het getal zes). Er werden honderdduizenden exemplaren van verkocht, die momenteel nog in groten getale in tweedehandsboekwinkels in Boedapest te vinden zijn.

‘Om te begrijpen wat Viktor Orbán met voetbal heeft,’ zegt Szöllősi, ‘moet je beseffen dat voetbal in het interbellum heel belangrijk was.’ Szöllősi, ooit treffend omschreven als ‘Orbáns voetbalmegafoon’, is de voetbalambassadeur van Hongarije – een officiële diplomatieke status die hem door de premier is verleend. ‘Viktor Orbán wil het Hongaarse voetbal weer groot maken,’ zegt Szöllősi.

Symbool van Orbáns hoogmoed

Szöllősi erkent echter dat Orbáns partijgenoten die voetbalgekte wel tolereren, maar ook als een risico zien. ‘Voor de verkiezingen van 2010 zeiden de campagneleiders dat hij niet naar de finale van de Champions League mocht gaan, omdat het in Hongarije niet populair is, het voetbal stimuleren. Iedereen zegt: nee, onmogelijk, niet doen, het Hongaarse voetbal is bagger.’

Orbáns campagne om het Hongaarse voetbal weer groot te maken trekt aandacht, maar wellicht niet het soort aandacht waarop hij had gehoopt. (De meeste clubs trekken nog steeds weinig publiek, de tribunes zijn doorgaans nog niet voor een vijfde gevuld.) De oppositie grijpt de stadions aan als een handig symbool van Orbáns hoogmoed. ‘Als je over de grondwet begint, haken mensen af. Maar laat ze Felcsút zien en ze weten precies wat je bedoelt,’ zegt activist en voormalig oppositielid Gábor Vágó. In mei 2017, toen het voetbalseizoen op zijn eind liep, organiseerde Vágó bij de datsja van Orbán in Felcsút een demonstratie waarbij zo’n driehonderd kiezers nepbankbiljetten met afbeeldingen van Orbán en Mészáros in de lucht gooiden.

Bij die demonstratie zei Ákos Hadházy, een van de leiders van de gematigde oppositiepartij Politiek Kan Anders: ‘2018 is de laatste kans om Orbán te verslaan. De pers staat nu onder druk. De populisten zeggen tegen de Hongaren: “We pakken uw geld af, maar we verdedigen u tegen de terroristische vluchtelingen.” Maar straks staan wij met lege handen terwijl de regering miljarden opstrijkt.’

In februari 2017 behaalden Orbáns tegenstanders een succes met een petitie tegen het streven om de Olympische Zomerspelen van 2024 naar Boedapest te krijgen. Twee jaar eerder had Orbán dat initiatief persoonlijk gesteund. Maar de Nolimpia-campagne betoogde dat er minder behoefte is aan nieuwe sportstadions dan aan oplossingen voor de problemen in de zorg, het onderwijs, de infrastructuur buiten de steden, huisvesting en armoede. Zo werden in Boedapest meer dan 266.000 handtekeningen verzameld voor een referendum over de Olympische kandidatuur. Uit angst voor een vernederende stembusnederlaag trok Fidesz de kandidatuur schielijk in. En passant leidde dit hele proces tot de oprichting van Momentum, een nieuwe politieke partij van jonge centrum-liberalen.

Na een hele reeks rechtszaken tegen ministeries, sportbonden en gemeentebesturen heeft het Hooggerechtshof nu ook bepaald dat de veelal geheimgehouden bijdragen van bedrijven aan het TAO-programma publieke gelden zijn en daarom openbaar gemaakt dienen te worden. De regering probeerde die donaties als ‘belastinggeheim’ te bestempelen, maar het hof bepaalde dat Puskás Akadémia en andere clubs bekend moeten maken van welke bedrijven ze geld krijgen. De overheid gaf die cijfers niet meteen vrij en zou daar volgens critici in ieder geval mee wachten tot na de verkiezingen in het voorjaar.

‘Het is een dilemma voor alle moderne samenlevingen: zowel de orde als de vrijheid bewaren. Op het voetbalveld lukt me dat wel, in de politiek is het moeilijker’

Tijdens de wedstrijd die wij in de Pancho Arena bijwonen, bieden de tribunes een boeiender schouwspel dan het veld. Er zit zo’n vierhonderd man op de tribunes, maar de helft daarvan bevindt zich in de vipsecties en de skyboxen, en er is een perstribune die je eerder verwacht in een stadion van tien keer die omvang. Bij de aftrap verschijnt Orbán op het balkon van zijn skybox, samen met een van zijn ministers, Miklós Seszták, eigenaar van een tweede-divisieclub in het noordoosten van het land. Clubvoorzitter en burgemeester Mészáros zit in zijn eigen skybox verderop.

Na de doelpuntloze eerste helft schieten we de persvoorlichter aan voor een interviewverzoek en geven haar een exemplaar van Davids boek The Ball is Round: A Global History of Football, om ons bij de premier als voetbalkenners bekend te maken. ‘Er is weinig kans op een gesprek met meneer Orbán,’ zegt ze. Na de rust laat Orbán zich niet meer zien en als Puskás Akadémia in de laatste minuten eindelijk op voorsprong komt, kijkt de coach vergeefs naar de skybox in de hoop op een goedkeurende blik. Orbán is nergens te bekennen.

Maar als de spelers het veld af sjokken, komt de persvoorlichter ons met een verbaasd gezicht uitnodigen in Orbáns skybox. Daar staat hij naast Szöllősi met ons boek in de hand over het veld uit te kijken. Op de balie bij een modern keukentje vol blinkend chroom ligt een schaal petitfours en staan drie jonge geüniformeerde serveersters klaar.

‘Ik schep even een luchtje,’ zegt Orbán, bladerend in het boek. Het wordt al snel duidelijk dat we deze ontmoeting te danken hebben aan het motto voorin, van de Uruguayaanse schrijver Eduardo Galeano. ‘Een speelstijl is een manier van zijn waarin zich het unieke profiel van een gemeenschap openbaart, en die haar recht onderstreept om anders te zijn,’ leest Orbán voor. ‘Dat vind ik mooi, dat is heel belangrijk!’ zegt hij. ‘Ik weet niet of wij zoiets hebben als een Hongaarse speelstijl, maar het zou wel moeten!’

‘Voetbal,’ zegt hij verder nog, ‘is een vreemde combinatie van vrijheid en militaire discipline. Je speelt in een team, maar je moet ook creatief zijn. Dat is het dilemma voor alle moderne samenlevingen: zowel de orde als de vrijheid bewaren. Op het voetbalveld lukt me dat wel, in de politiek is het moeilijker.’

Het verband tussen voetbal, politiek en nationale grootheid is voor Orbán evident. ‘Hongaren kijken kritisch naar alle samenlevingen,’ zegt hij, ‘en wij vinden de moderne maatschappij heel gevaarlijk voor jongeren. Sport is een goede remedie tegen de gevaren van de moderne beschaving.’

‘We hebben goede stappen gezet [met de opleving van het Hongaarse voetbal], maar iedereen heeft hier kritiek. Niemand is het met mij eens, iedereen zegt dat het bagger is, maar we worden echt steeds beter, volgens mij gaan we vooruit. Zo is het toch, Gyuri?’

‘Absoluut, meneer de premier,’ zegt Szöllősi.

Orbán zwaait met Davids boek en zegt: ‘Waarom is dit niet in het Hongaars vertaald? Dat moeten we doen, Gyuri, we moeten dit hier uitgeven.’ En vol vuur begint hij zijn voetbaltheorie uiteen te zetten. ‘Deze opleiding, dit stadion en de hele entourage, dat maakt allemaal deel uit van een concept. Mijn concept, want het is mijn idee, mijn concept is dat voetbal niet in het domein van de commercie valt. Voetbal valt in het domein van de kunst. Kijk naar dit stadion, dat is kunst. Niet met je makelaar je volgende contract zitten uitdokteren en dat soort onzin, dat is niet de essentie van voetbal. De essentie is de kunst van het spel, van de bal en het team. Dat is mijn concept, en dat is het concept van deze voetbalacademie. Dat voetbal kunst is.’

‘Mijn opa zei altijd,’ gaat hij verder, ‘dat er in een goeie wedstrijd muziek zit. Als je die muziek niet hoort, is het geen goede wedstrijd. Dus wat voor titel de Duitsers ook winnen, hier in Hongarije zullen wij nooit zeggen dat het goed voetbal is, want wat wij horen is geen muziek, maar een technologische robotdreun.’

Dan trekt hij zijn jas aan en zegt: ‘Kom, we gaan alles eens vanaf het dak bekijken.’ Hij gaat ons voor. ‘Kijk,’ zegt hij, wijzend op het houten waaiergewelf dat het dak schraagt. ‘Dat is kunst.’

We lopen achter Orbán een steile metalen trap op. Bovenaan opent hij een luik dat toegang biedt tot de omloop over het dak van het stadion. Daar kijken we samen met de premier over zijn stadion uit. ‘Dit is mijn grond, die heb ik aan de club gedoneerd,’ zegt hij, met een armzwaai naar de horizon. Officieel is de grond eigenlijk van zijn vrouw. ‘Daar, daar en daar is nog ruimte voor uitbreiding, daar zijn plannen voor,’ zegt Orbán. We markeren het moment met een selfie.

De lucht is inmiddels betrokken. Maar Orbán heeft geen last van de miezerregen of de duizelingwekkende hoogte en gaat ons in zijn lange zwarte jas voor over de omgang. ‘Daar staat mijn huis,’ zegt hij, wijzend naar zijn datsja. ‘Mijn vrouw heeft de pest aan het stadion, ze vindt dat het ons uitzicht vanuit de keuken verpest.’

‘Autocratische kapitalist’

Beneden steken we de binnenplaats bij de ingang over naar een zaal in het academiegebouw die wordt gedomineerd door een tweetal drie meter hoge foto’s van Puskás: op de ene als bleue debutant, op de andere als gelouterde proto-galáctico bij Madrid. Orbán wijst ons op de voetafdrukken van Puskás in de vloer, verlicht en onder glas. We weten niet goed wat we moeten zeggen, en een van ons merkt op dat ze verrassend klein zijn. ‘Ja, kleine voeten zijn een voordeel, die krijg je makkelijker onder de bal,’ zegt Orbán, zelf ook klein van stuk, en hij maakt een trapgebaar.

‘Ooit zullen we een Puskás-instituut oprichten, want we hebben hier al een academie, scholen, het is een klein universum. We hebben nu een club, maar we willen ook graag een museum, een kenniscentrum en een uitgeverij. Voor de mensen.’

Hij haalt herinneringen op aan de tijd dat hij zelf nog voetbalde. ‘De eerste keer dat ik premier was, in ’98, zat ik zelfs in het team van het dorp. We speelden in de vierde divisie en ik speelde elke week mee. Zie je het al voor je, in al die kleine dorpen? Wat er wel niet geroepen werd. Je kunt je niet voorstellen hoe ik werd uitgejouwd – tot ik een goal maakte!’ Zijn gezicht glimt van voldoening en hij begint aan een ander verhaal, over die keer dat de Amerikaanse president hem belde nadat Hongarije in 1999 lid was geworden van de NAVO. ‘Ik was aan het trainen,’ zegt Orbán. ‘En iemand zei: telefoon van Bill Clinton. Ik zei: Hou me niet voor de gek, ik ben aan het trainen, bel over vijf minuten maar terug. Hij belde me vanwege de oorlog in Joegoslavië, hij wilde een paar dingen met me doornemen. En ik daar [op het veld] met die telefoon in mijn handen, als een ongelikte beer.’

Vijftien jaar later noemde Clinton hem in Jon Stewarts Daily Show een ‘autocratische kapitalist’: ‘Zulke types willen meestal eindeloos aan de macht blijven en veel geld binnenharken.’

Aan het eind van onze onverwachte rondleiding vertelt Orbán over zijn plannen om zijn ‘academieconcept’ ook te exporteren naar Servië, Roemenië en Oekraïne, en uiteindelijk naar alle landen die voor 1920 ooit deel uitmaakten van ‘Groot Hongarije’. ‘We doen het voor de kinderen in alle landen waar Hongaren wonen.’

En ondertussen blijft hij ook in eigen land druk bouwen. Voor de vier EK-wedstrijden in 2020 wordt een – natuurlijk naar Puskás vernoemd – nationaal stadion met 68.000 zitplaatsen gebouwd, dat begroot is op meer dan 600 miljoen euro. Qua omvang en ontwerp vergelijkbaar met de Allianz Arena van Bayern München, en ruwweg vier keer zo duur. Maar als je afgaat op de rampzalige WK-kwalificatiecampagne van de Hongaren – waarin ze gelijkspeelden tegen de Faeröer en verloren van Andorra – staat het eigen elftal straks misschien niet eens op het EK.

Als gevolg van zijn symbolische rol tijdens de val van het communisme is Orbán zich van meet af aan zeer bewust geweest van zijn plaats in de geschiedenis en de erfenis die hij nalaat. Maar Hongarije en zijn buurlanden zijn al bezaaid met protserige praalmonumenten uit het verleden, gebouwd door heersers die daarmee eeuwige roem hoopten af te dwingen. In het geboortedorp van de Roemeense dictator Nicolae Ceauşescu staat een stadion met 30.000 zitplaatsen, dat nu de thuisbasis is van een clubje in de vierde divisie.

Zelfs onder Orbáns vertrouwelingen zijn er mensen die vrezen dat de Pancho Arena uiteindelijk te boek zal staan als een dwaze uitspatting. Een vriend van de premier, die hierover alleen wilde spreken als we zijn naam niet zouden noemen, vertelde openlijk over het moment waarop Orbán tijdens een diner zijn plannen voor een stadion in Felcsút aankondigde. ‘Wij hadden zoiets van: hebben ze daar echt zo’n stadion nodig? Het is zijn kinderlijke kant, hij is helemaal gek van voetbal, maar het is te groot. Het lijkt mij niet de beste plek voor zo’n stadion. Ik zie niet in hoe ze dat over tien of twintig jaar nog kunnen uitbaten en onderhouden. Ik vond dat geen goede zet.’

Maar als de machtigste voetbalsupporter van Hongarije in zijn droomstadion afscheid van ons neemt, is er geen spoor van spijt op zijn gezicht te bekennen. ‘Ik wil wel toegeven,’ zegt hij bij ons vertrek met een minzaam lachje, ‘dat het parlementsgebouw mooier is.’

Auteurs: Dan Nolan en David Goldblatt
Vertaler: Frank Lekens

Dan Nolan woont en werkt in Boedapest als journalist en auteur. Hij schrijft over media, politiek en cultuur, ook in combinatie met elkaar.

David Goldblatt schreef twee zeer goed ontvangen boeken over voetbal: The Ball is Round: A Global History of Football en The Game of Our Lives, both published by Penguin.

The Guardian
Verenigd Koninkrijk, dagblad, oplage 332.000

Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.

Dit artikel van David Goldblatt & Daniel Nolan verscheen eerder in The Guardian.
Recent verschenen
TIJDELIJKE AANBIEDING
Drie maanden onbeperkt digitaal toegang tot 360 voor maar € 15
bo pc
Drie maanden onbeperkt digitaal toegang tot 360 voor maar € 15! Ja, ik steun 360