• London Review of Books
  • Cultuur
  • De tegenwoordige tijd

De tegenwoordige tijd

London Review of Books | Londen | Hilary Mantel | 28 januari 2016

De Britse, gelauwerde schrijfster Hilary Mantel stond ooit voor een overvolle klas in Botswana. Ze hield er een jaar later weer mee op. De tegenwoordige tijd was daar letterlijk en figuurlijk ver te zoeken. Tebogo, Susannah en Iqbal, vergeet ze nooit. Of nooit vergat ze ze?

‘Vandaag gaan we iets léúks doen,’ zeg ik.

Negenentwintig gezichten kijken me ongelovig aan. Nou, denk ik, jullie weten niet half hoe leuk dit is, vergeleken met de saaie kost die nog komt. Volgend jaar is het Cambridge-examen en behandelen we tot gekwordens toe The Mill on the Floss.

Ik laat mijn blik door het lokaal rondgaan. ‘Vandaag is de vraag: wat zijn de ingrediënten van een goed verhaal? Iemand een idee?’

Als dit een ander land was geweest, en ik een ander mens, een wat minder onfortuinlijke leerkracht, dan werden er nu dingen geroepen als: ‘Spanning. Personages met wie je meeleeft. Een vlot tempo. Weinig beschrijving. Een vleugje humor. Scherpe dialogen. Een verrassend slot.’ Maar ik ben nu eenmaal hier 
en mezelf, en niemand doet z’n mond open.

‘Juist,’ zeg ik. ‘Zullen we…’

‘… er vijf minuten over nadenken?’ oppert Moses.

Hij kent het klappen van de zweep. Zijn glimlach 
is misschien wat lusteloos, maar dat is de mijne evengoed. Dit is klas 4B. Achttien jaar, gemiddeld. 
Aan open vragen zijn ze niet gewend. Geen wonder dat ze op hun hoede zijn. Vanaf hun eerste schooldag hebben ze dictees gekregen, die ze over moesten schrijven van het bord. Zo hebben ze hun junior-certificaat gehaald, naar ieders tevredenheid. Nooit heeft iemand ze om hun mening gevraagd, permissie gegeven om iets te zeggen, of de moeite genomen om naar ze te luisteren.

‘Schrijf maar gewoon op in je werkschrift,’ zeg ik. ‘Alles wat er in je opkomt.’

Tebogo steekt haar vinger op. ‘Hele zinnen, madam?’

‘Nee hoor, dat is niet nodig.’

Het hele lokaal galmt terwijl 4B zich gereedmaakt om te gaan schrijven. De stoelpoten zijn van metaal, de vloer van gepolijst cement, dus elke beweging veroorzaakt een hemeltergend gesnerp. Elk rollend potlood stuitert en klettert, elk kuchje davert als een kanonsalvo, en daarnaast klinkt er een constant gebrom, een laag geroezemoes. Wat ik voor ‘stilte’ laat doorgaan, is alleen maar een tandje zachter dan dit. Met krassende stoelen en luid gekreun duiken de leerlingen in hun tas om hun gum op te diepen. Ze kunnen niet zonder, want ze weten niet anders dan dat fouten worden bestraft. Hup, daar gaan de donkere koppies omlaag. En hup, daar komen ze weer naar boven, zuchtend en steunend. Madam, ik heb mijn gum niet bij me! Mijn liniaal is gestolen! Ik ben beroofd! Die van 4C zitten de hele tijd in mijn tas! Overal dievengespuis! Madam, zo kan ik toch niet schrijven?

Khabazela High School in eMbo, Zuid-Afrika. – © Rogan Ward / Reuters
Khabazela High School in eMbo, Zuid-Afrika. – © Rogan Ward / Reuters

Susannah heeft haar breispullen tevoorschijn gehaald en begint behendig steken op te zetten. In het begin zei ik daar wat van. Ik vond het oneerbiedig tegenover de literatuur die we behandelden. Maar ze legde rustig uit dat ze die mutsen breide om haar schoolgeld te betalen. ‘Anders moet ik mijn lichaam verkopen.’ Vandaag maakt ze een gestreepte muts. Ze houdt de wol ter goedkeuring voor me omhoog. Joel geeft Iqbal een stomp; ik zie het vanuit mijn ooghoek gebeuren. Van schrik laat Iqbal zijn schrift los. Het valt met een plof op de grond, glijdt drie rijen naar voren en blijft liggen onder de stoel van Tebogo. ‘Tebogo,’ zeg ik, ‘zou jij…’

Ze reageert met een meesmuilend lachje – dat duidelijk nee betekent – en een zacht geknor. Nu grijp ik snel in. Breien wil ik nog wel door de vingers zien, maar we hebben maar één moslimleerling en die is overgevoelig voor varkensgrappen. Toch heeft niemand hem ooit voor een varken uitgemaakt, tot ik op een dag begon over de ergste dingen die je tegen mensen kan zeggen, en de betekenis van het gezegde ‘schelden doet geen zeer’.

Tebogo heeft het schrift buiten haar bereik geschopt, dus kniel ik zelf neer op het roodbruine cement en haal ik het tussen de wirwar van poten en benen vandaan. Voordat ik weer overeind kom, zie ik Tebogo’s scheenbenen. De vlekkerige bruine huid is bezaaid met lichte, ronde littekens zo groot als een sixpence.

‘Hier heb je je schrift, Iqbal. Ga maar weer zitten.’

Met een bozig gezicht pakt hij het schrift aan. ‘Het 
is helemaal vies geworden.’

‘Een beetje maar.’ Ik neem het terug. ‘Ik veeg het wel even schoon.’

‘Madam,’ fluistert hij, ‘dat is zonde van uw jumper.’

‘Geeft niks,’ fluister ik terug. Ik geef hem een schouderklopje. Ik ben erg op hem gesteld. Op de hele klas trouwens. Dat weten ze best. ‘En nu stil zijn,’ zeg ik. ‘Concentreren.’ Ze buigen zich over hun schriften. 
Ik hoor een zacht gekras als Tebogo aan het droge scheenbeen krabt waar ik net bij geknield zat. Eunice snuit haar neus in een velletje wc-papier. Uit de richting van de rectorskamer klinkt gejammer, wat van alles en nog wat kan betekenen.

Er zijn van die zeldzame momenten dat er een weldadige kalmte heerst en je, heel even, de kans krijgt om te luisteren: naar de stad in de verte waar alles z’n gang gaat, naar het al even verre verkeer, naar het gebulder van een vliegtuig dat op de landingsbaan neerploft, naar de trein uit de Kaap die nog een uur rijden van ons verwijderd is. Een moment om te luisteren naar de innerlijke muziek van het lichaam dat zich heimelijk op de lunch verheugt, naar het zachte gezucht van mijn sandalen als ik langs de rijen loop, naar het kloppen van mijn eigen hart. De kinderen ademen hoorbaar, alsof ze iets zwaars torsen. Ze tekenen rondjes in hun schriften.

Onorthodox

Ik wacht rustig af. Ik heb de tijd. De schoolleiding 
is niet al te streng. Ik hoef me niet aan een leerplan te houden, zolang er maar vorderingen worden gemaakt. Ik weet dat de kinderen het makkelijker vinden om dictees te maken, om zinnen over te schrijven van het bord. Maar ik probeer iets meer uit de lessen te halen. Ik wil dat ze meedoen. Dat ze brutaler worden als ze uit hun schulp kruipen, neem ik op de koop toe.

Dat vind ik juist een goed teken. De klaslokalen – en hier zou ik eigenlijk naar de verleden tijd moeten overschakelen, maar heb alsjeblieft nog even geduld – de klaslokalen, zoals ik het nu weer voor me zie, komen allemaal uit op een stoffig binnenplein, dat de Plaats wordt genoemd. Het is een kostschool, met een verzorgingsgebied van honderden kilometers steppen en struiken. De tegenwoordige tijd is hier nog niet doorgedrongen; we gebruiken ouderwetse woorden, en bovendien is het dertig jaar geleden, en zo ging het er toen aan toe. De lokalen waren donker, en dat zijn ze vast nog, met de luiken dicht tegen de hitte. Die hitte is onveranderlijk: zelfs ’s winters wordt de toegang tot het lokaal geblokkeerd door een reep zon die zo massief is als een koperen deur. De achterste banken staan in een zwarte schaduw. In het midden van het lokaal valt licht naar binnen, tussen de jaloezieën door, dat zich in keurig afgemeten strepen over de zwoegende lichamen plooit. De meisjes dragen witte bloesjes. De jongens een grijs overhemd. De stoersten hebben hun kraag van achteren omhoog geslagen, naar de heersende townshipmode. Volgens het hoofd Engels krijg ik nog spijt van mijn onorthodoxe aanpak, als ik een jaar verder ben. Misschien heeft hij gelijk. Hij heeft veel ervaring, en dat kan ik van mezelf niet zeggen. Maar ik vind dat ik het risico gewoon moet nemen. Drie trimesters lang staan voor mij de kinderen voorop. Ik blijf erbij dat ze zelf moeten leren nadenken – tot volgend jaar tenminste, want dan laat ik ze nadenken over The Mill on the Floss.

Sipho maakt een eind aan de rust. Hij gooit zijn armen in de lucht. ‘Aiii, ik heb niks om te schrijven.’
‘Niks om te schrijven, of niks om méé te schrijven?’

‘Ik leen de potlood wel van Moses.’

‘Het potlood…’ begin ik.

Sipho kijkt me schalks aan. Hij neemt me in de maling. Ik lach naar hem. We maken graag grappen over de fouten van de lagere klassen. Ik loop gisteren naar het dorp. Ik was me vanochtend met water. Ik doe alles in de tegenwoordige tijd, tot de juf er wat van zegt.

De vijf minuten zijn om. ‘Tebogo,’ zeg ik, ‘je hebt niet veel opgeschreven.’

‘Nee.’ Ze is een meisje dat het anderen graag naar 
de zin maakt – behalve Iqbal dan. Nu kijkt ze me paniekerig aan. ‘Wat de bedoeling is, madam?’

‘Woordvolgorde,’ zeg ik vermanend.

Tebogo knippert met haar ogen. Ze formuleert haar zin opnieuw. Nu is de paniek geweken. Ze lacht naar me.

‘Geeft niks, hoor,’ zeg ik. ‘Ik wilde gewoon weten wat er spontaan in jullie opkwam.’

‘Niks dus,’ zegt Moses.

Eunice zegt: ‘Het probleem is: we weten pas of een verhaal goed is als we het horen.’

‘Maar ik wil jullie over allerlei soorten verhalen laten nadenken. Goede en slechte, spannende en saaie.’

Verhalen zijn belangrijk

Terwijl ik dat zeg, realiseer me hoe weinig verhalen ze kennen. Er is geen televisie in deze regio. Bioscopen zijn er evenmin, aan deze kant van de grens. Op zondagavond vertonen expats thuis films op strakgespannen beddenlakens. Op school wordt aan het eind van het trimester een gehuurde projector naar de eetzaal gezeuld en krijgen we een film voorgeschoteld. De leerlingen van de Christian Union lopen dan demonstratief weg, want zij hebben bezwaar tegen ‘de Bios’, zoals ze het noemen. De rest blijft stilletjes kijken, en sommigen sukkelen in slaap, nu er eens niet tegen ze geschreeuwd wordt. In het halfdonker flikkert het wit van de ogen op, maar algauw dwalen de blikken weg van de bekraste beelden die over het doek springen. Het is alsof er een bioscoop in hun hoofd zit, een inwendige film die een stuk interessanter is dan de gangsters, de showmeisjes of de cowboys die in een stofwolk naar de horizon rijden. Stof kennen we hier maar al te goed, en de rest zegt toch niemand iets. Als de filmrollen in de verkeerde volgorde worden afgedraaid, of als de Zuid-Afrikaanse filmkeuring het eind eraf heeft geknipt, vindt niemand dat een probleem. Het is al mooi genoeg dat er dingen gebeuren, een plot is verder niet nodig. Het soort verhalen dat mijn leerlingen hun leven lang hebben gehoord, gaan over dieren die elkaar – of soms een kind of een simpele ziel – een streek leveren. Die streken zijn nooit erg slim. En de verhalen zijn ook nooit grappig. De volgorde van de gebeurtenissen lijkt volstrekt willekeurig. Als er al een moraal is, is dat steevast een waarschuwing. Verdoe je tijd niet door tegen dieren te praten. En doe je het toch, dan niet tegen een dier dat iets terugzegt.

Maar nu heb ik ze iets te vertellen, iets waar ik stellig van overtuigd ben. ‘Verhalen zijn belangrijk,’ zeg ik. ‘Je kunt er veel plezier aan beleven, of erdoor aan het denken worden gezet. Sommige verhalen zijn gewoon alleen maar leuk. Amusant. Het ene verhaal is leuker dan het andere. Hoe komt dat? Soms zijn verhalen niet bedoeld om te amuseren, maar om te verleiden. Zoals de verhalen van politici. De kandidaten spelden je allemaal maar wat op de mouw, om te zorgen dat je op ze stemt.’

Het vorige trimester hebben we het over verkiezingen gehad. We hebben het vocabulaire behandeld: stembiljet, peiling. Zodra de leerlingen mogen stemmen, stemmen ze op de regeringspartij. Omdat die de grootste stam vertegenwoordigt. En omdat, zo heeft John Khumalo me uitgelegd, de president daar de leider van is. Het is logisch dat je op die partij stemt, want de president is de belangrijkste man. 
En je stemt niet op de andere kandidaten, want die zijn minder belangrijk, dus daar heb je weinig van 
te verwachten. Nu maakt hij, met bedeesde stem, zijn punt nogmaals duidelijk. ‘Je stemt niet de president omdat hij het mooiste verhaal houdt, madam. 
Je stemt op hem omdat hij het mooiste huis heeft.’

Nu doet ook Moses z’n mond open. ‘Politiek hebben we al gehad,’ zegt hij tegen John Khumalo. ‘We doen nu verhaal. Mag ik iets grappigs vertellen, madam?’

Dit gaat de goede kant op, stel ik tevreden vast. ‘Een verhaal kan heel grappig zijn. Maar dat hoeft niet, natuurlijk.’

‘Moses is ook heel grappig,’ zegt Sipho. ‘Maar hij is geen verhaal.’

Ik begin enthousiast te worden. Bijna zeg ik: ja, precies. Maar ik hou me in en lach naar Moses, omdat 
ik hem niet wil afvallen. ‘Ons leven is een verhaal,’ zeg ik. ‘We moeten ons leven proberen te begrijpen.’

Tebogo steekt haar vinger op. ‘Zal ik “De krokodil en de kraai” vertellen?’

Aha, denk ik, ‘De krokodil en de kraai’. Dat heb ik niet eerder gehoord. Al heb ik wel een idee hoe het zou kunnen gaan.

‘Dat kent madam helemaal niet,’ zegt John Bothole.

Tebogo is van haar stuk gebracht. ‘Hoezo kent ze dat niet? Ze is heus niet dom, hoor.’

Susannah kijkt op van haar breiwerk. ‘Kraai is slim.’

‘Maar krokodil doet bijten.’ John Bothole is niet zo ver als de rest van de klas. Maar als hij zijn best doet, kan hij zijn achterstand op tijd inlopen voor het examen.

‘Schrijf die fabel vanmiddag maar in het studie-uur,’ zeg ik.

‘Je bent een nitwit, Tebogo,’ zegt Joel. ‘Zie je nou wel dat madam het niet kent. Anders hoefden we het niet op te schrijven. Hoe kan ze nou weten of ze het wil horen als ze het niet eens kent?’

‘Pooeeheee,’ zegt Tebogo. Ze blaast haar wangen leeg, diep beledigd. Geërgerd schraapt ze haar stoel over de vloer.

‘Ze is in haar wiek geschoten,’ lacht Sipho.

Soms gebruiken ze de raarste uitdrukkingen. Uit schoolboeken van hun grootouders, als die ze hadden. In haar wiek geschoten. Eerlijk duurt het langst. Met voorbedachten rade.

‘Luister,’ zeg ik. ‘Ik zal zelf een verhaal vertellen, dat is misschien het beste. Een verhaal als voorbeeld. En dan kunnen we er met z’n allen over praten.’ Ik denk even na. ‘Stel, drie vrienden zitten bij elkaar. Het is avond, en ze besluiten om uit te gaan. Naar het café.’

Susannah steekt haar vinger op. ‘Zijn het alle drie mannen?’

‘Ja, het zijn alle drie mannen.’

Susannah leunt gerustgesteld achterover. Als er vrouwen in het café zouden zijn, ging het verhaal over prostitutie.

‘De drie vrienden hebben het heel gezellig,’ zeg ik. 
‘Ze komen geen bekenden tegen. Ze drinken twee biertjes, en dan zegt er een: “Het is al laat.” En dus gaan ze naar huis.’

Ik hou even m’n mond. ‘Dit verhaal is maar saai,’ 
zeg ik ten slotte.

Ze glimlachen geduldig. Alsof ze het spannend genoeg vinden. Tebogo vraagt: ‘Hoe heten die drie vrienden eigenlijk?’

‘Daar heb ik niet over nagedacht. Het doet er eigenlijk niet toe.’

Ze kijken teleurgesteld.

‘Maar we kunnen ze best namen geven hoor,’ zeg ik. ‘Moses. Sipho.’

‘O, zijn ze zwart?’ vraagt Agnes bedeesd. ‘Dat wisten we niet.’

Ik kijk haar vriendelijk aan. Agnes neemt niet vaak het woord. ‘Zie je ze voor je?’ vraag ik. ‘Bijvoorbeeld wat voor kleren ze aanhebben?’

‘Jawel, madam.’ Agnes slaat haar ogen neer.

‘U moet nog een derde naam noemen,’ zegt Joel.

Ik aarzel even. ‘Laten we die dan maar John Khumalo noemen.’ Ik weet dat ze geen van drieën lid zijn van de Christian Union. Je hoeft maar een verkeerde naam te noemen of ze lopen de klas uit als ik ze naar een café laat gaan, zelfs al is het een denkbeeldig café.

‘Nu ga ik het verhaal wat mooier maken,’ zeg ik dan. ‘Door het een beetje te veranderen. Luister. De drie jongens zitten in het café, en op een gegeven moment zegt er een: “Hé, daar loopt een oude vriend van me. Even vragen hoe het met hem is.” En weg is hij. Als hij terugkomt…’

‘Woordvolgorde!’ zegt Tebogo. De klas schiet in de lach. ‘Weg is hij?’

‘Jazeker,’ zeg ik, ‘dat is heel gewoon als we een verhaal vertellen. Dat heet inversie. Dan draai je de woorden om.’

‘Waarom?’

‘Voor het ritme. En de nadruk. De verteller hoeft zich niet aan de regels te houden. Want haar rol is heel bijzonder.’ Weer aarzel ik, nu over mijn woordkeus. Voor je het weet ontstaat er een misverstand. ‘Haar rol. Niet haarrol.’ Ik schrijf de woorden op het bord. ‘Haar taak, bedoel ik. Daarom mag je de dingen omdraaien, en bijvoorbeeld ook de tegenwoordige tijd gebruiken. Want dan is het net alsof we erbij zijn, bij de mensen uit het verhaal.’

‘Wij zijn ook in dat café?’ Susannah klinkt ietwat geschrokken.

‘Als de verteller aan het woord is, ziet ze het verhaal voor zich, alsof het zich hier en nu afspeelt. En het is de bedoeling dat de luisteraar het zich ook voorstelt.’

Moses kijkt ongerust. ‘Wie is de luisteraar?’

‘Jij.’ Ik glimlach. ‘Jij bent de luisteraar.’

‘God is de luisteraar,’ zegt Joel.

Er klinkt instemmend gemompel.

En het getik van Susannahs naalden. ‘Christus is onze Verlosser. God zij geloofd.’

‘Volgens mij is het hekserij,’ zegt Tebogo, met een somber gezicht. Dan gaat de bel

Ik zou het liefst de borstel naar haar hoofd gooien, maar ik beheers me. Als je hier een jaar bent, hou je 
je niet langer in, zo is me verteld.

‘Terug naar het 
verhaal. We maken het nog een beetje mooier. John Khumalo ziet zijn oude vriend. Hij gaat achter hem aan. Hij loopt het café uit. Tien minuten later komt hij terug. Met zijn hoofd verkeerd om.’

‘Aiiii,’ zeggen de luisteraars.

‘Zijn hoofd staat achterstevoren op zijn schouders. Hij kijkt naar zijn vrienden als hij op ze af loopt, maar zijn voeten wijzen naar de deur waardoor hij 
is binnengekomen.’

‘Wat erg!’ Susannah wuift zich koelte toe met haar breiwerk, twee centimeter lila met bruin.

Tebogo gebruikt haar schrift als waaier. ‘Dit gaat te ver.’

‘Maar het verhaal is er wel beter op geworden,’ zeg ik. ‘Wat zullen zijn vrienden zeggen als ze hem zien?’

‘Aiiii,’ oppert John Bothole.

‘Ze schrikken zich een hoedje,’ zegt Tebogo. ‘Ze willen weten wat er gebeurd is.’

‘En wat zegt hij dan, denken jullie?’

Nu mengt ook Elijah zich in het gesprek. Hij is een trotse jongen met een scherp verstand. ‘Kan zoiets echt?’

‘In een verhaal wel, hoor.’

‘Misschien,’ zegt Sipho, ‘speelt het zich af in een ver land, of in een ver geleden.’

‘Dat kan niet,’ werpt Elijah tegen met een bedenkelijke blik, ‘want jij komt erin voor, Sipho. En jij bent tegenwoordige tijd.’

Ik heb geen idee waar ik hem zo ineens vandaan 
heb gehaald, deze stripfiguur met zijn omgedraaide hoofd. Hij is net zo komisch en wonderlijk als een reus uit een kinderboek. Zijn blote voeten zijn even lang als zijn kuiten, met dikke tenen die wriemelen onder het lopen. Hij heeft een grijns van oor tot oor, en een gebit als een rij hoekige grafzerken. Ik moet er zelf vanbinnen om lachen. ‘Is dit grappig?’ vraag ik. ‘Wat vinden jullie?’

Op dit punt van de les wil ik geen lange stilte laten vallen. ‘Wacht, ik kan het nog mooier maken,’ zeg 
ik. ‘Soms laten we een verhaal op een onverwachte manier aflopen. We zetten de lezer expres op het verkeerde been. Die denkt dat het de ene kant op gaat, maar eigenlijk gaat het precies de andere kant op. Zo zorgen we dat het einde verrassend is.’

‘Het is nu toch al verrassend?’ zegt Sipho. ‘Ik vind het verrassend genoeg. Het is gewoon tegennatuurlijk.’

Ik schiet in de lach. ‘Dat is het ook. Maar toch kunnen we er nog een extra wending aan geven. Stel je voor: hij loopt het café uit, blijft tien minuten weg, komt terug, loopt naar zijn vrienden toe, met zijn hoofd achterstevoren, en die roepen allebei: “John! Wat is er met je hoofd gebeurd?” En dan zegt John: “Hoezo? Waarom kijken jullie me zo aan? Zijn jullie soms gek geworden? Er is niks met mijn hoofd gebeurd.”’

Nu vind ik het echt een goed verhaal worden. Ik kijk op mijn horloge. Door de vele vragen – die ik vanzelfsprekend alleen maar aanmoedig – zijn we altijd meer tijd kwijt dan mijn bedoeling is. Daardoor heb ik aan het eind van de les nog maar een paar minuten om tot de kern te komen.

Robinah steekt haar vinger op. Ze is een fors, moederlijk meisje, dat meestal alleen iets zegt als je haar rechtstreeks aanspreekt. Ze heeft ons het hele trimester lang met welwillende afstandelijkheid gevolgd. ‘Madam, deze John, John Khumalo. Heeft hij zelf niet gemerkt dat er iets met hem gebeurd is?’

‘Kennelijk niet.’

‘Heeft hij geen pijn?’

‘Nee,’ zeg ik.

Ik geef verder geen tekst en uitleg. Er trekt een golf van rumoer en consternatie door de klas, maar die negeer ik. Ik wil zien waar dit heen gaat.

‘Dan heeft Sipho gelijk. Dit is tegennatuurlijk.’

‘Volgens mij is het hekserij,’ zegt Tebogo, met een somber gezicht. Dan gaat de bel. De les is voorbij.

Hamlet

Als ik de volgende dag naar de klas kom, staat Shakespeare op het programma. We hebben besproken waarom Desdemona op Othello valt, hoe het allemaal begint. Dit is voor iedereen een heikel thema; over de grens in Zuid-Afrika, zo is me duidelijk gemaakt, zou Othello door zijn gedrag een proces aan z’n broek krijgen. Het hoofd Engels zegt: ‘Kop op, we hebben het allemaal moeten doen. We hebben de lesstof nu eenmaal niet voor het kiezen. Die ouwe Bullock hebben ze hoorndol gemaakt toen hij Hamlet behandelde. Dat trok die beste man niet. Daarom is hij vertrokken en hebben we jou nu.’

Ik leg mijn stapel schriften neer. Susannah graait 
in haar tas en haalt er een stel naakte naalden uit; 
de bruin-met-lila muts is blijkbaar af. ‘Jullie hebben goed je best gedaan,’ zeg ik. Ik kijk om me heen. ‘Weet iemand waar John Khumalo is?’

Niemand geeft antwoord. In het geroezemoes klinkt een zweem van afkeuring door. Susannah haalt een streng bloedrode wol uit haar zak. Ze trekt het eindje los met haar tanden en begint de draad om haar hand te winden. Dan zegt ze: ‘John ligt in het ziekenhuis, madam.’

‘Ach jeetje,’ zeg ik bedaard. Dat gebeurt wel vaker. Soms willen de kinderen er gewoon even tussenuit. Dan ontdek ik hier en daar nog meer lege plekken, 
al is het me niet meteen duidelijk wie er ontbreken.

‘Zijn ouders zijn gekomen.’ Joel klinkt treurig. ‘Om hem op te halen.’

‘Waarom?’ Ik denk: Het zal toch niet vanwege achterstallig schoolgeld zijn? Zo vlak voor het eind van het trimester?

‘Ze kwamen met een vrachtwagen,’ zegt Joel. ‘Hij kan niet lopen.’

‘Niet lopen? Wat is er dan gebeurd?’

Robinah schraapt haar keel. ‘John schreeuwde het uit, zo’n pijn als het heeft gedaan. In tien minuten lukte het ze niet. Maar uiteindelijk is het ze toch gelukt.’ Haar grammatica is bijna vlekkeloos, stel ik vast. Maar dan gaat ze alsnog de fout in. ‘John gilt en smeekt,’ zegt ze. ‘Hij merkt het echt wel hoor, dat ze aan hem draaien.’

Agnes zegt: ‘Tebogo had gelijk. Alleen heksen kunnen zorgen dat hij niet schreeuwt. Maar als we vorig jaar Macbeth lezen, hebben we niet goed genoeg opgelet.’ Ze knikt en zucht. ‘Ons leven is een verhaal,’ zegt ze dan.

Auteur: Hilary Mantel
Vertaler: Cecilia Tabak

Hilary Mantel is een Britse auteur van korte verhalen, memoires, essays en romans. Ze won twee keer de Man Booker Prize gewonnen, in 2009 voor de roman Wolf Hall, in 2012 voor Bring Up the Bodies. Samen met haar man woonde ze vijf jaar in Botswana en vier jaar in Jeddah, Saoedi-Arabië. Na haar terugkeer in Engeland was ze filmcriticus bij The Spectator en recensent voor verschillende media in Groot-Brittannië en de VS. The New Yorker omschrijft haar werk als een mix van dood, berechting, hemel, hel en humor.

London Review of Books
Verenigd Koninkrijk | oplage 45.905
Besteedt aandacht aan literatuur en politiek, in navolging van de prestigieuze New York Review of Books. Bij uitstek geschikt om op de hoogte te blijven van wat actueel is in de Angelsaksische letteren. Meer dan de helft van de oplage wordt in het buitenland verkocht.

Dit artikel van Hilary Mantel verscheen eerder in London Review of Books.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!

En ontvang wekelijks het beste uit de internationale pers in uw mailbox.