• Guernica
  • Cultuur
  • De vijfde smaak

De vijfde smaak

Guernica | New York | Ronald Kelts | 02 december 2015

Umami geeft identiteit en complexiteit aan moedermelk, aan een kom ramen, en aan een auteur die balanceert tussen Japan en Amerika.

‘Wees altijd een beginner’, schreef Rilke. Je begint opnieuw omdat je geen keus hebt. Toen ik zes was, bracht mijn Japanse moeder me naar haar geboorte
plaats, waar ik bij mijn grootouders ging wonen. Daar, in Morioka, een hoofdstad in het noorden, ging ik naar de plaatselijke kleuterschool. Mijn herinneringen aan die tijd zijn onverdeeld positief: cicades vangen in de achtertuin met een speciaal vangnetje (in de zomer is cicades vangen het standaard
vermaak voor Japanse kinderen); 
Ultraman monsters-series, tekenfilms en sumoworstelen kijken op televisie, naast mijn grootvader, samen blootsvoets op de geribbelde tatamimatjes, en elke avond baden in de roestvrijstalen badkuip van mijn grootouders, tussen de met donkerhouten panelen betimmerde muren.

Maar volgens mijn moeder voelde ik me ellendig, vooral op school. Ik huilde zo hard en zo vaak dat het schoolhoofd haar vaak halverwege de dag opbelde om te vragen of ze me alsjeblieft wilde komen ophalen. Ik worstelde met de taal, met de verschillen in culturele achtergronden en attitudes, met mijn vreemde buitenlandse uiterlijk en hun vreemde buitenlandse eten. Ik leerde Japanse liedjes, versjes en spelletjes die ik zelfs nu nog kan opzeggen en spelen, maar ik kon niet leren om Japans te zijn.
In plaats daarvan leerde ik om me in de marge te bewegen. Het is bijvoorbeeld verstandig om je mond te houden als 
je de plaatselijke taal niet kent. 
Tien maanden later keerden we terug naar Amerika, waar mijn ouders tot aan mijn middelbareschooltijd negen keer verhuisden. Ik werd voorgesteld aan steeds weer nieuwe klassen, meestal halverwege het jaar, geëscorteerd door een leraar die zijn hand op mijn schouder hield, en ik leerde om alleen het hoogstnodige te zeggen of 
te antwoorden en verdere vragen bij voorkeur te vermijden. Ik leerde om anderen te observeren als zij het niet zagen, om te zien waar zij naar keken. Om reputaties te peilen voordat ik vriendschappen sloot en in te schatten hoe leraren door de klas werden 
beoordeeld. Was iemand populair of gerespecteerd, werd hij gevreesd of gewantrouwd? Hoe moest ik reageren op de goedkeuring van de een of de afkeuring van een ander?

—————————-
Het begrip umami, de zogenaamde vijfde smaak, na zout, zoet, zuur en bitter, lijkt – althans op papier – nog steeds een soort pseudowetenschappelijk nihonjinron, het naoorlogse academische gedweep met de Japanse uniciteit en de behoefte om on-begrepen te zijn. Er is echter wel een wetenschappelijk aspect aan. Umami wordt 
toegeschreven aan de combinatie van 
glutaminezuur en smaken die van nature in onbewerkt voedsel voorkomen, met name in vlees en vis. De gangbare Europese definitie, ‘een prettige hartige smaak’, is ontoereikend voor het karakter ervan, dat moeilijk te omschrijven is. Umami heeft een lange nasmaak, legt een laagje over de tong en 
het verhemelte, en drukt een stempel op de mond en de zintuigen. Het geeft identiteit, inhoud, body, ruggengraat.
—————————-

McDonald’s hamburgers vallen Japan binnen. Masami Teraoka, 1975. 
© Catharine Clark Gallery, San Francisco
McDonald’s hamburgers vallen Japan binnen. Masami Teraoka, 1975. 
© Catharine Clark Gallery, San Francisco

Ik had niet veel keus, maar ik kon er wel voor kiezen om ondoorgrondelijk te willen zijn in plaats van met veel moeite te verbergen dat ik anders was. Het was belangrijk om niet op te vallen en mezelf toch te onderscheiden. Bijvoorbeeld door niet te zeggen dat ik kon voetballen, en dan toch aanvoerder en beste speler van het team te worden. Of door elke dag tot het donker werd te schaatsen op een vijver in de buurt zodat ik het volgende seizoen een verrassende aanwinst voor het ijshockeyteam zou zijn. Door elke dag na school tot etenstijd te oefenen op mijn drumstel in mijn kamer, zodat ik op het schoolfeest in de band kon spelen.

In Amerika had ik geen idee wat ik 
met mijn Japanse identiteit aan moest. Ik vond die niet nuttig of betekenisvol, en er scheen ook niets aantrekkelijks 
of romantisch aan te zijn. De meeste vrienden en klasgenoten reageerden lauw als ik mijn Japanse tweede naam onthulde of over mijn achtergrond 
vertelde. Maar op een dag kwam mijn moeder, die vrijwel nooit mee naar sportwedstrijden ging, bij een ijshockey
wedstrijd kijken. ‘Holy shit,’ zei een van mijn teamgenoten die een eindje verderop op de bank zat. Hij boog zich naar voren en keek me aan. ‘Is dat je moeder?’ Hij knikte in de richting van mijn ouders op de tribune. ‘Wow, ik wist niet dat je moeder een spleetoog was.’ Dat scheldwoord werd met zoveel botte onbenulligheid en verbazing geuit dat het te veel moeite zou kosten om hem te corrigeren.

Er is 
geen betere balsem voor vervreemding dan hoogte. Als ik in een vliegtuig opsteeg tot 10.000 meter hoogte, voelde ik me superieur aan mijn klas- en teamgenoten

Mijn moeder leverde vlak voordat ze 
in 1967 met mijn vader trouwde haar Japanse paspoort in en werd Amerikaans staatsburger. Het grootste deel van mijn jeugd was ze vastberaden om te spreken en te leven als een Amerikaan, om de taal en de cultuur te leren beheersen, hoe moeilijk dat ook was. We hadden thuis traditionele Japanse poppen, er hingen ingelijste stroken kalligrafie aan de muren en op de 
koffietafel lagen stapels Japanse 
modetijdschriften waar mijn moeder nog steeds op geabonneerd was. Maar behalve dat deed ze hard haar best om te integreren. Thuis spraken we Engels. We aten zo nu en dan Japans, maar dan afgestemd op de destijds vrij Amerikaanse smaak van mijn vader: sukiyaki met zijn rijke runderbouillon, gepaneerde kip, varkensvleeskatsu, en milde rijstgerechten. Mijn grootouders, oom, tante en neven en nichten kwamen ons in Amerika opzoeken, maar de communicatie werd gehinderd door taalbeperkingen aan weerszijden: meestal werd er vooral veel geknikt en overmatig gelachen. Als ’s avonds laat de telefoon ging, was Japan aan de lijn, en veranderde mijn moeder in iemand anders: dan sprak ze Japans in de hoorn en verstijfden haar schouders.

Onzichtbare stipjes

Amerika was isolerend. Maar er is 
geen betere balsem voor vervreemding dan hoogte. In mijn vroege tienerjaren vond ik het heerlijk om Japan te bezoeken. Als ik in een vliegtuig opsteeg tot 10.000 meter hoogte, en het landschap van New England en de staat New York in de diepte zag krimpen tot lapjes groen
 en kronkelig vaagblauw, dan voelde ik me zowel bevrijd van als superieur aan mijn klas- en teamgenoten. Waar waren ze, nu ze werden gereduceerd tot gezichtloze stipjes of nog minder? Ik werd met een raket naar een andere planeet geschoten, waar hun zuurstoftanks het zouden begeven, waar hun kompassen zouden worden gedemagnetiseerd. Mijn rockidool van destijds, Pete Townshend van The Who, zong in ‘Quadrophenia’: ‘I have to work myself to death just to fit in.’ Maar dat gold hier niet. Niet in Japan.
Ik ging in de zomervakanties met mijn moeder mee, en jarenlang heb ik nooit ook maar een van mijn Amerikaanse vrienden over mijn ervaringen verteld. Door de toen kleinere brandstoftanks van de passagiersvliegtuigen en het beperkt toegankelijke Russische luchtruim duurde de reis vanaf de Amerikaanse oostkust naar Japan in die tijd veel langer. Minstens twee dagen, met een overnachting in een Canadees of Amerikaans hotel. In mijn tienerjaren voelde de kans om aan boord van een vliegtuig te stappen en in een hotel te overnachten als een stap in de richting van een mondain leven, een wereld die onbereikbaar was voor mijn leeftijdsgenoten door wie ik zo graag geaccepteerd wilde worden, terwijl ik daar tegelijkertijd juist afkerig van was. 
Als ik naar Japan reisde, vloog ik met 800 kilometer per uur bij ze vandaan naar een plek waar de taal, het eten, 
de manieren, de taxi’s en de treinen totaal verschillend en in veel opzichten superieur waren – terwijl zij in Amerika wiet rookten op het strand, met elkaar neukten na een footballwedstrijd, of hun Pontiac Firebird poetsten.

Ik maakte aantekeningen in ringbandagenda’s. Ik stelde me voor dat de 
miljoenen inwoners van Tokio dansten, dineerden, dronken, bezig waren te moorden of te vrijen. Ik voelde me als een muzikant of een schrijver op tournee, ook al zat mijn moeder in de kamer naast de mijne. Want ondanks al haar gestudeer en al haar verwoede pogingen om haar gedrag te veranderen, paste zij ook nergens, en dat wisten we allebei.

—————————-
Umami werd 107 jaar geleden ontdekt, of onthuld en bekendgemaakt, door de Japanse chemicus Kikunae Ikeda, die zich realiseerde dat de smaak van zijn bord komkommersoep uitsteeg boven het kortstondige en zich afvroeg waarom dat zo was. Hij kwam uit bij de duidelijk aanwezige basis: een bepaalde zeewiersoort genaamd konbu die niet alleen de smaakbeleving verrijkte, maar ook de andere aanverwante smaken op een subtiele manier versterkte zonder dat het overheersend werd.
—————————-

Mijn moeder was op haar achtentwintig
ste naar de Verenigde Staten verhuisd, en tot dat moment had ze een heel ander leven geleid. Als ze in Tokio terugkwam, werd haar tijd in beslag genomen door bezoekjes aan familie
leden, vroegere klasgenoten en vrienden, en naarmate ik ouder werd, gaf ze me meer vrijheid. Tokio was enorm groot, maar wel veilig. Het was erg opwindend om er in mijn eentje op uit te gaan, en ik merkte al snel dat de meeste Japanners absoluut niet beledigd maar juist gecharmeerd waren door mijn pogingen om me te redden met het Japans dat ik op de kleuterschool had geleerd. Als ik een kom ramen kocht bij een stalletje in een steegje in de wijk Shinjuku, voelde ik me almachtig. De soepman stelde me in slow motion vragen op basisniveau, die ik op plechtige 
toon beantwoordde, waarvoor ik werd beloond met goedkeurende knikjes van hem en zijn slurpende loonslaafklanten. Als ik ook slurpte, glimlachten ze.

Tokio zat propvol plekken die ik geweldig vond: muziekinstrumentenwinkels met etalages vol drumstellen en gitaren waar het water me van in de mond liep, platenwinkels met bootlegs uit Europa en Azië waar ik thuis alleen vage geruchten over had gehoord en waarover verkopers in platenwinkels in 
New York en Boston hadden gezegd: ‘Die kun je nergens krijgen’, of ‘Die zijn peperduur’. In Japan kon ik ze zomaar meenemen. En dan de meisjes. 
De eerste keer dat ik merkte dat twee meisjes me aanstaarden, gingen mijn alarmbellen rinkelen. Ik vermoedde hoon, het kryptoniet van jongens, 
totdat een van hen vroeg: ‘Hello, how are you?’ Stijfjes, met een accent en luid; ze hield vol en verlangde een antwoord.

Ik praatte met haar in het Japans, ongetwijfeld net zo stijf en met net zo’n sterk accent. Maar in plaats van een zure blik of opgetrokken wenkbrauwen, knipperde ze met haar oog
leden en lachte diep vanuit haar keel. De meisjes kwamen dichterbij en we voerden zo’n stokkend, wederzijds 
deemoedig stemmend gesprekje in een mengeling van twee talen, dat op een of andere manier betekenisvoller voelt dan een gesprek in je moedertaal. Inspanning en kwetsbaarheid werken als een afrodisiacum. We proberen allebei in een geleende taal te praten, dus het moet wel belangrijk zijn.

Als half-Japanse Amerikaanse tiener die het moest hebben van zijn aantrekke
lijkheid als buitenstaander, drong het opeens tot me door dat Japan mijn ideale publiek van tegenvoeters was. In Tokio was ik per definitie een buitenstaander, een buitenbeentje, een vreemde smaak, maar ik wekte geen ergernis. Ik hoefde niet met veel moeite een strategie te vinden om me te verkopen aan toeschouwers die niet op me zaten te wachten, want ik merkte dat de Japanners niet van hun stuk werden gebracht door mijn onhandigheid, mijn complexiteit, of door mijn positie tussen twee werelden: ze vonden het juist leuk, althans ogenschijnlijk, en dat vond ik meer dan genoeg.

‘Het begon met noedels. Ik raakte geobsedeerd door soba en udon noedels. Tempura en gebakken tofu soba, wanko soba uit Morioka.’ – © Getty Images
‘Het begon met noedels. Ik raakte geobsedeerd door soba en udon noedels. Tempura en gebakken tofu soba, wanko soba uit Morioka.’ – © Getty Images

Dit was ook de periode waarin ik verliefd werd op de Japanse keuken. Tot in mijn vroege adolescentie kreeg ik van familie
leden en Japanse restaurateurs een westers kindermenu in plaats van de gerechten die de anderen geserveerd kregen. Dat waren hamburgers, varkens
vlees katsu, hotdogs, flauwe stukken pizza, brood en aardappelsalade. Het ontbijt bestond uit dikke sneden geroosterd brood met jam, roerei, kleine dikke worstjes of magere Canadese bacon.

Maar mijn succes bij het ramenstalletje was me bijgebleven. Het instantspul dat ik in Amerika als snack na schooltijd kreeg, mocht de naam ramen niet eens meer hebben. De tonkotsubouillon van varkensbotten die je bij kraampjes op straat en aan het loket van kleine zaakjes in achterafsteegjes kreeg was je ware, en ik begon te vermoeden dat ik mezelf flink had benadeeld. Ik had gedacht dat Japans eten vreemd was, alleen bij uitzondering best lekker, maar niet echt de moeite waard. De Japanse versies van de westerse culinaire clichés die ik als enige voorgeschoteld kreeg, waren altijd flauw en onbevredigend. Ze misten een kern.

Het begon met noedels. Ik raakte geobsedeerd door soba en udon noedels. Tempura en gebakken tofu soba, wanko soba uit Morioka, waar mijn grootouders woonden, koude soba en dipsaus, soba en rettich. In Japanse restaurants in Amerika leken de smaken nooit helemaal goed samen te vallen. Het zout was te sterk, het hartige 
miste een bodem, een ziel, en het zoet was mierzoet.

Umami heeft een belangrijke plaats gekregen in de Britse ziekenhuiskeuken en zelfs op het menu van British Airways

Umami is de laatste tijd het mantra geworden voor westerse (zogenaamde) societykoks. De Britse Heston Blumenthal is een enthousiaste pionier. Hij benadert het koken als een scheikundige alchemie. Umami’s ‘aanwezigheid is vaak niet te onderscheiden maar heeft een onmiskenbaar effect’, schrijft hij. Zijn pleidooi vormde de inspiratiebron voor een boek en een serie lezingen over het fenomeen umami, en heeft de smaak een belangrijke plaats gegeven in de Britse ziekenhuiskeuken en zelfs op het menu van British Airways.

Mijn ontgoocheling over het Japan zoals ik dat in Amerika aantrof, 
verergerde de moeite die ik met mijn Amerikaansheid had. Zo genoot ik bijvoorbeeld van het ritueel rond Halloween; het was altijd weer leuk om voor de spiegel te staan, een kostuum uit te kiezen en te bevoelen, door het masker naar je nieuwe ik te gluren, maar dan werd het maar al te snel afgezaagd. Het was vernederend en een anticlimax om mee te moeten lopen in een optocht van ouders en andere verklede kinderen, van wie sommigen een betere versie van mijn eigen kostuum hadden. En ik hield niet van zoetigheid: mijn snoep bleef altijd liggen tot het oud was. Lolly’s, toverballen, Milky Ways, Peanut Butter Cups – het maakte niet uit wat het was. Het bezit van de zaak, was het eind van het vermaak.

Ik genoot er wel van om het te bezitten, met de trots van een dief. Ik vond het leuk om de kleurige snoeppapiertjes met de merklabels te zien als ik me 
’s ochtends aankleedde en als ik thuiskwam uit school. Maar ik had nooit zin om ze open te maken. Voor zover mijn vader het niet had opgepeuzeld, bleef het snoep in een zak of mandje op mijn ladekast liggen totdat het als oneetbaar werd beschouwd, meestal door mijn moeder, die de buit vervolgens in de vuilnisbak gooide.

Een tijdlang at ik zo nu en dan wel ijs. Dat scheen zo te horen, want iedereen was er gek op. Ouders, kinderen, coaches, buschauffeurs: ieders gezicht klaarde op als er een ijssalon in zicht kwam. Ze likten en hapten en zogen er met een dierlijk genot van. Maar ik vond ijs eten een opgave: te koud aan mijn tandvlees, te weeïg. Te weinig krachtig om duurzaam te zijn.

—————————-
Umami wordt tegenwoordig toegeschreven aan het aroma van vleessoorten als rund en lam, en van het Italiaanse pizzabeleg van tomaten en kaas. Het wordt aangeprezen in Amerikaanse restaurants, zelfs gebruikt als naam van een Californische hamburgerketen die inmiddels vestigingen heeft in New York. Er wordt gezegd dat umami overal in zit, maar het wordt vaak verkeerd begrepen door mensen die de mystiek proberen te doorgronden. Het is een smaak die het beste buiten de schijnwerpers kan worden gesavoureerd. Een alternatieve smaak die subtiel bevredigend is. Het wordt wel eens beschreven als de elementaire levenskracht in moedermelk. Kortom: umami is wat niet hoeft te worden omschreven: je herkent het als je het proeft.
—————————-

Geen wonder dat niemand het er in Japan over heeft. Net als de geschenken van het leven – de ziel, liefde, verlangen, dood – is umami dat wat verbindt. Dat is alles.

Toen ik veertien was, kocht de oudere broer van mijn vriendje Dave een fles gin voor ons. Dave en ik namen de fles mee naar onze favoriete spoorbrug. Elk bitter slokje brandde beloftevol, wees naar een plek die voorbij onze pijnlijke, magere kont lag, naar de lucht, voorbij het zware, slaafse schoolbestaan, het geroddel en de persoonlijke mislukkingen. De smaak maakte het nabije draaglijk en wees ook naar wat daarna zou komen. Die avond, terwijl ik naar het moeras en het kerkhof in de diepte keek, drong het tot me door dat ijs mij geen vreugde gaf. Het was een afleidings
manoeuvre, de smaak was vluchtig en oppervlakkig. Alcohol was blijvender, hield in elk geval lang genoeg om op een vlucht te lijken.

Mooie troep

Umami is voor mij de unieke, volledige beleving van de Japanse keuken geworden, een gevoel van identiteit dat nog lang blijft hangen nadat de maaltijd al is afgelopen. Bij een recent teleurstellend bezoek aan een ramenrestaurant in Cambridge, Massachusetts, werd duidelijk wat het probleem was. Noedels, bouillon, plakjes varkensvlees, lente-ui, zeewier en bamboescheuten: alles was er, alles had de kenmerkende smaken, maar niets beklijfde. Er was geen midden, geen intensiteit, geen noemenswaardige identiteit. Het zag er net zo mooi uit en was uiteindelijk net zo weinig smakelijk als de post-Halloween bergen snoep die ik nooit opat. Mooie maar gefragmenteerde troep.

Als volwassene heb ik me twee keer ontmaskerd gevoeld, beroofd van de kracht die ik nu als mijn echte ik beschouw, en beide keren gebeurde dat door een vreemde. Ik zat een keer in de Londense ondergrondse toen er een grijsharige man binnenkwam die stond te zwaaien op zijn benen en zich op een plaats tegenover me liet vallen, scheef opzij zakte en zijn lange benen voor zich uit strekte. Hij zat naar me te kijken terwijl ik las. Zo nu en dan keek ik op van mijn boek en zag ik dat hij zijn blauwe ogen op me gericht hield zonder weg te kijken. ‘Ik weet wel wat jij bent,’ zei hij na een tijdje. ‘Jij bent zo’n Amerikaanse Jap, of niet? Zo’n halve Jap, dat ben jij. Een halve Jap.’

Ik stapte bij de volgende halte uit, 
hoewel ik nog lang niet bij mijn eindbestemming was. Die man was me 
niet achterna gekomen en hij was te dronken om een bedreiging te vormen. Maar ik stond te trillen op mijn benen. Ik moest een eind lopen om dat gevoel kwijt te raken.

Een noedelrestaurant in het Shimokitazawa-district van Tokio. – © Noriko Hayashi / Getty Images
Een noedelrestaurant in het Shimokitazawa-district van Tokio. – © Noriko Hayashi / Getty Images

—————————-
Het onuitgesproken, verborgen karakter van umami is wat ik als het meest Japans ervaar, en wat ik ervaar als het meest Japans in mij. Daarom schrik ik ook een beetje terug voor de manier waarop het door het westen wordt omarmd: alsof je het alleen maar hoeft te ontleden om de kracht ervan te begrijpen. Zodra je dat doet, heeft het natuurlijk geen kracht meer.
—————————-

Enkele jaren later, toen ik in Californië woonde, werd ik overvallen in de videozaak in Piedmont waar ik avonddienst had. Vlak voor sluitingstijd 
renden er twee mannen, een blanke en een zwarte, op de toonbank af en staken me een kreukelige zwarte afvalzak toe. ‘Stop al het geld in de zak,’ zei de blanke. Ik was verbijsterd en ik verstijfde. De blanke knikte naar de andere overvaller. ‘Hij heeft een pistool.’ En dat liet hij 
me voelen: hij duwde de loop als een metalen wijsvinger tegen mijn borst. Ik stopte al het geld in de zak en toen gingen ze weg.

Een paar maanden daarna stond ik in het getuigenbankje. Mijn signalement had geleid tot de arrestatie van de overvallers, die een aantal drugs
gerelateerde misdaden hadden gepleegd, waaronder de moord op een supermarktmedewerker. Ik had het duo, dat door de politie van Oakland ‘peper en zout’ werd genoemd, aangewezen in een line-up en nu zaten ze 
in een oranje overall voor me in de beklaagdenbank. ‘Kijk om u heen,’ werd mij opgedragen. ‘Ziet u de verdachten in deze rechtszaal?’

Hun advocaat ging flink tegen me tekeer en de rechter stond dat toe. 
Wat deed ik eigenlijk in Californië, waarom werkte ik in een videozaak terwijl ik aan de oostkust een universitaire studie had gevolgd? Wat deed ik allemaal buiten het studieprogramma? Had ik de verdachten al eerder ontmoet? Wie waren mijn ouders? Wist mijn Japanse moeder wel dat ik er maar 
een beetje op los leefde: een parttime baantje had, mijn toekomst en haar geld verkwistte? Aziaten vinden een goede opleiding toch zo belangrijk? Wie was ik eigenlijk?

Ik voelde me uitgehold en leeg. Ik had iets fouts gedaan. Ik was op de voorgrond getreden terwijl ik me uit de voeten had moeten maken

Na afloop nam de agent die me de rechtszaal binnen had geleid me mee naar een café en maakte zijn excuses. ‘Daar had ik je op moeten voorbereiden,’ zei hij. ‘Die vent is een klootzak, maar ik had je moeten waarschuwen. Het is ontzettend belangrijk en waardevol d
at je tegen die twee hebt getuigd. Jij bent de enige die daar niet voor is teruggedeinsd. Je hebt iets heel goeds gedaan.’

Daar was ik het niet mee eens. Ik voelde me uitgehold en leeg. Ik had iets fouts gedaan. Ik was op de voorgrond getreden terwijl ik me uit de voeten had moeten maken. Ze hadden het spotlicht aangedaan en daar was ik zomaar in gaan staan. Met één telefoontje konden die twee me de volgende dag al laten vermoorden.

Maar dat konden ze niet doen als ze me niet kenden, als ze me niet konden opsporen. Een paar dagen later vloog ik naar New York, en nadat ik me onopvallend had laten opnemen in de bloedbaan van Manhattan, verhuisde ik naar Japan.

Auteur: Ronald Kelts
Vertaler: Lidwien Biekmann

Ronald Kelts is schrijver van fictie en non-fictie, redacteur van literair tijdschrift A Public Space en docent aan de 
Universiteit van Tokio. In 2007 publiceerde hij Japanamerica: How Japanese 
Pop Culture Has Invaded the U.S.

Guernica
VS | guernicamag.com

Onderzoeksjournalistiek, profilerende interviews en literaire teksten van hoge kwaliteit. Wordt maandelijks in meer dan honderd landen gelezen.

Dit artikel van Ronald Kelts verscheen eerder in Guernica.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

360 heeft 1000 nieuwe leden nodig

Deze maand bieden wij daarom een deel van onze artikelen gratis aan. Zo kunt u vast kennismaken met ons aanbod. Leden blijven toegang houden tot onze maandelijkse digitale editie en het archief.