• Le Monde Magazine
  • Cultuur
  • ‘Deze film móést ik maken’

‘Deze film móést ik maken’

Le Monde Magazine | Parijs | Samuel Blumenfeld | 02 februari 2017

Als jongen wilde hij priester worden. Als volwassene leefde hij net zo wild als zijn hoofdpersonen. Het hele leven van Martin Scorsese is één grote slingerbeweging tussen het sacrale en het profane. Le Monde Magazine zocht de intussen 74-jarige filmlegende op in New York om te praten over zijn drie uur durende religieuze epos Silence.

Als Jezus aan Sebastião Rodrigues verschijnt, een jonge Portugese priester op evangelisatiemissie in Japan, oogt hij als de Christus op het fresco in Sansepolcro, geschilderd door Piero della Francesca. Met één voet op zijn graftombe en een vaandel in zijn rechterhand, kijkt hij met een bemoedigende blik recht voor zich uit. Een streng gezicht dat levenskracht uitstraalt. Zo verschijnt hij aan de hoofdpersoon van het boek Silence, van de Japanse schrijver Shushako Endo.

Maar voor zijn filmbewerking van de roman, die vanaf 9 februari in de bioscoop te zien is, zocht Martin Scorsese naar een ander portret van Christus. ‘Met meer compassie,’ zegt hij. In zijn film ziet pater Rodrigues – gespeeld door Andrew Garfield – in een waterbron het gezicht van de Christus uit het schilderij De heilige Veronica met de zweetdoek van El Greco: roodblond haar, donkere ogen, een hypnotiserende en verwonderde blik. Dit gezicht, zegt de regisseur, kijkt je niet alleen aan. Het wil dat je terugkijkt. De filmer heeft het zijn leven lang steeds weer bekeken en het heeft hem troost en vreugde gegeven. Silence is het verhaal van die lange dialoog.


Meteen nadat de montage van de film klaar was, ging Martin Scorsese terug naar de kerk waar hij als kind kwam. Old St. Patrick’s staat aan Prince Street in Manhattan in wat toen Little Italy heette. De laatste keer dat hij daar in stilte had gebeden, was in augustus 1993, na de dood van zijn vader. De kist was opengebleven voor het bezoek. Het was midden in de zomer en door de ondraaglijke hitte werd het een nogal eigenaardige rouwperiode. Vijf jaar later, toen zijn moeder was overleden, vroeg de cineast aan de priester of er een rouwkapel kon worden ingericht. Dat verzoek werd geweigerd. De plechtigheid werd naar elders verplaatst. ‘Ik kreeg niet het idee dat ze me moesten, dus ik ben er nooit meer geweest. Maar hier een kwart eeuw niet komen, dat is lang. Te lang.’

Scorsese woonde vanaf zijn achtste met zijn ouders in Elizabeth Street, samen met zijn broer en zijn grootouders van vaderskant. Onder hen woonde zijn oom van vaderskant met vrouw en kinderen. De grootouders van moederskant, zijn ooms en tantes – de Cappa-tak van de familie – woonden in Queens. Een paar neven woonden wel in de buurt, tussen Prince Street en Lafayette. In dit ecosysteem, volgens de filmer vergelijkbaar met een levend organisme, was de kerk nog het hart van alles.

De kerk was intussen vervallen, maar gelukkig wel gerestaureerd, zag hij. Alleen de communiebank was nog in oude staat. Het altaar was hersteld, net als de meeste beelden, waarvan hij zich nog heel precies dat van de heilige Rochus herinnerde en dat van moeder Seton, een in 1975 zalig verklaarde Amerikaanse non. En dan was er ook nog een in zijn ogen heel bijzondere piëta.

Scorsese liet de priester foto’s uit die tijd zien die hij zorgvuldig had bewaard. Al in 1993 begon the quarter, zoals hij de buurt graag noemt, te veranderen. Het was nog niet zoals nu – in de panden waar vroeger eenvoudige Italiaanse en joodse gezinnen woonden, zitten nu zakenjongens. En tegelijk is er niets veranderd. Het pand waar de filmmaker woonde, de kerk waarin hij tot ontwikkeling kwam, de school waar ze hem de eerste beginselen van zijn religieuze opvoeding bijbrachten: ze staan er nog, als artefacten uit een voorbije tijd. Het is voor de cineast een hele geruststelling dat dit toevluchtsoord er nog is – en dat midden in New York, waar het zo lastig is om herinneringen bewaren.

Raadselachtige scène

In de kerk kon hij de geur van de sterke ontsmettingsmiddelen nog ruiken waarmee hij als kind met de hele familie de vloeren, muren en ramen boende om cholera en allerlei andere ziektes uit te roeien. Destijds had Elizabeth Street een van de hoogste kindersterftecijfers van het land. Als koorknaapje moest hij ook bij begrafenissen en zaterdagse requiemmissen aanwezig zijn. In deze kerk begroef Martin Scorsese de generatie die vanuit Sicilië naar Ellis Island was vertrokken. En toen moest hij ook zijn vader begraven. Door ver weg te gaan van Elizabeth Street dacht hij zich los te kunnen maken van deze doden. Maar nu komt hij ze in alle rust weer nader. ‘Morgen of overmorgen ben ik zelf aan de beurt. Daar heb ik me bij neergelegd.’

Hij dacht dat zijn dood al nabij was toen hij Raging Bull (1980) had afgerond. Vanwege zijn zware drugsverslaving geloofde Scorsese tijdens het regisseren dat het zijn laatste film zou zijn. Aan het eind van de film kijkt bokser Jake LaMotta, gespeeld door Robert De Niro, naar zichzelf in de spiegel. Het is het slotstuk van een mislukt leven, van hemzelf maar ook van de mensen om hem heen. Dit is lang een raadselachtige scène gebleven. Scorsese had die op zijn gevoel gedraaid. Pas recent drong het tot hem door wat LaMotta in die spiegel zag: zichzelf. En daarmee ook dat je jezelf moet nemen zoals je bent en voort moet gaan in de voetsporen van je voorvaderen.

Op zijn vierenzeventigste, nadat hij andere religies had leren kennen, veel verschillende denkwijzen van alle kanten had bekeken en uitgeprobeerd, begreep hij dat hij naar het christelijk geloof terug moest keren. Daar waar voor hem alles begonnen was. En waar alles zal eindigen. In deze kerk in Prince Street.

Het priesterschap is lang zijn levensdoel geweest. Op zijn vijftiende hoorde film wel bij het leven, maar hij zag er geen toekomst in. Zijn mentor in de jaren vijftig, van zijn elfde tot zijn zeventiende, was pater Principe. ‘Hij was wat ik een straatpriester zou noemen. Hij heeft me geleerd dat er buiten onze straat een andere wereld was, doordat hij ons Graham Greene, James Joyce en James Baldwin liet lezen en ons meenam naar de bioscoop. Hij was een geweldige leermeester in die lastige omgeving van Little Italy.’

In deze wijk was het moeilijk als je niet keihard was. En Martin Scorsese was dat niet

In deze wijk was het moeilijk als je niet keihard was. En Martin Scorsese was dat niet. Hij snapte vooral de kloof niet tussen de sereniteit in de kerk zelf en de chaos die daarbuiten heerste. ‘Hoe kon het leven gewoon doorgaan terwijl de aanwezigheid van God binnen die muren zo sterk voelbaar was? Waarom was de wereld niet geschokt door het lichaam en het bloed van Jezus? Dat soort vragen kwelden me. Ik begreep niet waarom niemand anders die innerlijke geschoktheid voelde.’

In Silence heeft de cineast geprobeerd de eenvoud van het kerkelijk ritueel en die onbedorven spiritualiteit weer te geven. Vooral in de scène waarin Sebastião Rodrigues en Francisco Garrupe (een rol van Adam Driver) voor het eerst voet op Japanse bodem zetten. Ze vinden er een huis in een vissersdorp waar Japanse christenen een toevlucht vinden. Die krijgen crucifixen van de twee jezuïeten. ’s Nachts wordt de mis opgedragen voor een heimelijk opgericht heiligenbeeld. Toen Martin Scorsese deze scène draaide, wist hij dat hij bij de essentie was gekomen. Als hij nu bij een vertoning van Silence aanwezig is, springt zijn hart precies op dat moment open. En het gaat nog sneller kloppen als degene naast hem even geconcentreerd kijkt als hij. De cineast is er heel goed in dat te registreren: als iemand zijn romp recht houdt, liefst in een rechte hoek. ‘Ik kan er echt niet tegen als degene naast me te veel op zijn stoel zit te schuiven, dat is een teken van gebrek aan aandacht. Ik ben in staat om dan op te staan en hem te wurgen.’

Dat mengsel van passiviteit en actie – rustig blijven of meppen – is een gevolg van de astma waaraan Martin Scorsese al vanaf zijn vroegste kindertijd leed. Zelfs zo ernstig dat het bij de ergste aanvallen de vraag was of hij die zou overleven. Maar dan biedt de kerk hem een uitweg. ‘Ik leefde geïsoleerd, afgesneden van de wereld. Ik moest thuisblijven, mocht niet sporten; en ik kon de stad ook niet uit vanwege mijn allergieën. Met jongens van mijn eigen leeftijd spelen lukte ook bijna nooit, dus ging ik mee in de wereld van de volwassenen, raakte gewend aan hun zorgen, aan discussies over wat goed en wat slecht was… Zo werd mijn gevoeligheid gescherpt en doorzag ik anderen steeds beter. Thuis mocht ik mijn mond niet opendoen, ik keek zwijgend toe wat mijn vader deed. Hij en mijn broer konden slecht met elkaar overweg. Mijn vader moest ook voor mijn oom zorgen. En die had altijd problemen met de maffia. Hij had in de gevangenis gezeten en had geregeld schulden, die mijn vader dan betaalde. Ik was de toeschouwer aan wie niemand iets vroeg. Dus ja, priester worden leek me geweldig.’

Maar na een jaar op het seminarie begreep de toekomstige regisseur dat het priesterschap niet voor hem was weggelegd. Hij haalde rampzalig slechte cijfers en de leraren vonden zijn gedrag onvolwassen. Stapje voor stapje moest hij het plan om priester te worden loslaten, een pijnlijk proces dat op zijn twintigste was afgerond. De filmkunst zou een volgend levensdoel worden.

Met Daniel Day-Lewis op de set van The Age of Innocence; met Leonardo DiCaprio op de set van The Aviator; met Cybill Shepherd; op de set van Alice Doesn't Live Here Anymore en met Jack Nicholson op de set van The Departed.
Met Daniel Day-Lewis op de set van The Age of Innocence; met Leonardo DiCaprio op de set van The Aviator; met Cybill Shepherd; op de set van Alice Doesn’t Live Here Anymore en met Jack Nicholson op de set van The Departed.

Toen kwam de eerste verzoeking. ‘Ik begon belangstelling voor meisjes te krijgen. Ik was erg verlegen en introvert. Ik durfde ze niet te benaderen, want het idee om priester te worden spookte nog steeds door mijn hoofd. Dat bleef zo tot 1963, toen ik al over de twintig was en mijn eerste korte film had gemaakt. Anderen in mijn omgeving pakten het anders aan en gingen wel tot actie over, wat veel gezonder was. Maar wat wil je, als je in mijn cultuur een meisje aanraakte, dan was dat om te trouwen.’

Toen hij op zijn drieëntwintigste trouwde – het eerste van vijf huwelijken – was hij van plan om in zijn hele leven maar van één vrouw te houden.

Precies op het moment dat de gekwelde jongen van de jaren vijftig een man van de jaren zestig werd, kreeg hij door hoe het bij hem vanbinnen werkte, met zijn bijzondere gestel. Chemisch gezien functioneert Martin Scorsese volgens het principe van compressie en explosie. Een manier van functioneren die we terugzien bij de personages uit zijn films. Robert De Niro in Taxi Driver (1976), wiens leven in het appartement van een New Yorkse pooier in een bloedbad eindigt. En recenter de door Leonardo DiCaprio gespeelde beursmakelaar in The Wolf on Wall Street (2013), wiens carrière eindigt in een orgie van seks en overdaad. Net als de latere hoofdrolspelers in zijn films leefde de regisseur volgens een afwisselend patroon van ascese of uitspatting, een middenweg was er niet. Maathouden bleef een lastige opgave.

Zijn eerste explosieve periode beleefde hij tijdens het draaien van Taxi Driver, toen hij als dertiger besloot zijn gezin te verlaten, en dezelfde kwellingen ervoer als de doorgedraaide figuur die door Robert De Niro wordt gespeeld. Als jongen zweeg Martin Scorsese, als volwassen man zette hij het op een schreeuwen. En nu zoekt hij de dialoog. ‘Sinds een paar jaar mediteer ik veel.’ Hij probeert zonder woorden tot een gesprek te komen. Het zwijgen van God stelt hem voor een probleem. Niet alleen hem trouwens, maar we hebben het nu even over hem. En Silence probeert nu juist dit probleem te definiëren en een formule te bedenken waardoor dat gesprek eindelijk mogelijk wordt.

Geluksgevoel

Die dialoog is er geweest. Tenminste, dat denkt hij. De eerste keer was in 1983 toen hij in Israël The Last Temptation of Christ zou gaan draaien – wat uiteindelijk vier jaar later in Marokko gebeurde. Hij ging naar de Heilig Grafkerk in Jeruzalem, waar Christus volgens de overlevering na zijn kruisiging begraven is. De regisseur knielde er neer en zei een gebed. Hij was onder de indruk van Jeruzalem, maar voelde op dat moment niets bijzonders. Maar later, op een vlucht van Eilat naar Tel Aviv, gebeurde er wél iets. In kleine vliegtuigen was hij altijd bang en greep hij voortdurend naar de kruisjes die hij van zijn moeder had gekregen. En toen kwam er een groot geluksgevoel over hem, een niet eerder ervaren alomvattende liefde op het moment dat het toestel opsteeg. ‘Het was alsof ik beschermd werd, een tot dan toe ongekende gewaarwording voor me. Ik heb mijn kruisjes losgelaten. Ze hadden geen enkel nut meer.’

Dat onverklaarbare gevoel is nog één keer teruggekomen, in 1999 bij de geboorte van zijn dochter Francesca. ‘Ze is vijf weken te vroeg geboren. Mijn vrouw heeft de ziekte van Parkinson, wat de zaken er niet eenvoudiger op maakte. Tijdens de bevalling gebeurde er iets vreemds. De dokter vroeg me opeens om de kamer uit te gaan. Dertig seconden lang keek ik door een raam naar de bevalling. Er was overal bloed. Toen de baby kwam, leek die dood. Een halve minuut stond de tijd stil. Ik wist niet goed wat er gebeurde. Ik besefte dat mijn vrouw en kind onder mijn ogen konden sterven. Toch voelde ik een enorm vertrouwen, ik hing aan een draad, maar wel een heel stevige draad. Na die dertig seconden kwam een verpleegster in tranen naar me toe en zei: ‘Ze redt het wel.’ Eerst begreep ik dat ik een dochter had, en daarna dat ze zou blijven leven. Toen legden ze haar in mijn armen, ze deed haar ogen open en alles veranderde op slag.’

De voor Scorsese meest troostrijke scène in Silence is die waarin pater Rodrigues, om zijn eigen leven en dat van andere gelovigen te redden, zijn voet op een afbeelding van Christus zet en een afvallige wordt. Een doffe, overweldigende pijn overvalt hem. De regisseur vond de reactie van zijn hoofdrolspeler prachtig, maar ook de woorden van Christus die in de voice-over tegen hem spreekt: ‘Trap maar. Want om door mensen te worden vertrapt ben Ik op deze wereld gekomen. En om het leed van de mensen te delen heb Ik mijn kruis gedragen.’

Op dat moment, zo stelde Scorsese zich voor, had deze sprekende Christus het gezicht van de Christus van El Greco, dat hij zo troostrijk vindt. Hij wist: dit is de film die ik moest maken. En voelde zich ongekend gelukkig. Daarna kan en mag er stilzwijgen zijn, juist omdat er een dialoog is geweest.

Auteur: Samuel Blumenfeld
Vertaler: Tess Visser

Silence van Martin Scorsese, met Andrew Garfield, Liam Neeson, Adam Driver. Vanaf 9 februari in de bioscoop.

Beeld bovenaan: 7 oktober 1973: Martin Scorsese op de hoek van Hester Street en Baxter Street in New York, een van de locaties uit zijn film Mean Streets. – © Getty Images

M
Frankrijk | weekblad | oplage 281.872

Betrekkelijk laat en enigszins aarzelend bekeerde ook de Franse krant Le Monde zich in 2000 tot een wekelijkse bijlage, die enerzijds was bedoeld ter verstrooiing van de lezer, anderzijds om een sliertje mee te pikken uit de ruif van het hogere segment van de advertentiemarkt (en niet noodzakelijkerwijs in deze volgorde). Aanvankelijk droeg de bijlage de naam_ Le Monde 2_ en werd ze vervaardigd in samenwerking met de bladenreus Hachette Filipacchi Médias.

Sinds vijf jaar is de weekbijlage volledig geïntegreerd in de krant en draagt ze de naam M, met als ondertitel Le magazine du Monde (afgekeken van T The New York Times Style Magazine). Uiterlijk en inhoudelijk mag M er zijn: goede typografie, goede fotografie en teksten op niveau. In een van de laatste nummers werd het gekerm en gekreun tijdens de geslachtsdaad zelfs ingelijfd bij ons gemeenschappelijk cultuurgoed.

Dit artikel van Samuel Blumenfeld verscheen eerder in Le Monde Magazine.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!

En ontvang wekelijks het beste uit de internationale pers in uw mailbox.