• The New York Review of Books
  • Reader
  • ‘Een worm kan met recht intelligent worden genoemd’

‘Een worm kan met recht intelligent worden genoemd’

The New York Review of Books | New York | 06 mei 2014

Van regenworm tot octopus, ook de ‘lagere’ diersoorten beschikken over een zenuwstelsel, hebben een leervermogen en zoiets als een wil of een bewustzijn.

Het laatste boek van Charles Darwin, verschenen in 1881, was een studie naar de nietige regenworm. Het hoofdthema – zoals al blijkt uit de titel, The Formation of Vegetable Mould through the Action of Worms – was het formidabele vermogen van wormen om in de loop van miljoenen jaren in grote aantallen de bodem om te ploegen en het aanzien van de aarde te veranderen. Maar de eerste hoofdstukken gaan simpelweg over de ‘gewoonten’ van de diertjes.

Wormen kunnen licht en donker onderscheiden en blijven overdag meestal onder de grond, op veilige afstand van hun vijanden. Ze hebben geen oren en kunnen dus geen luchttrillingen horen, maar zijn des te gevoeliger voor trillingen van de bodem, zoals de voetstappen van naderende dieren. Al die prikkels, zo noteerde Darwin, worden overgebracht naar groepjes zenuwcellen (die hij de ‘hersenganglia’ noemde) in de kop van de worm.

‘Als er plotseling licht op een worm valt’, aldus Darwin, ‘schiet hij als een konijn zijn holletje in.’ Hij schreef dat hij aanvankelijk geneigd was ‘die handeling als een reflex te beschouwen’, maar later merkte dat het geen vast patroon was: als een worm bijvoorbeeld iets aan het doen was, vluchtte hij niet voor het plotselinge licht.

Volgens Darwin duidde dat vermogen om verschillend te reageren op ‘de aanwezigheid van een soort wil’. Ook schreef hij over het ‘geestelijk vermogen’ van wormen die hun holletjes dichtstopten: ‘Als wormen in staat zijn om te beoordelen hoe ze een voorwerp dat ze naar de ingang van hun holletje hebben gesleept het beste naar binnen kunnen trekken, dan moeten ze zich enigszins hebben vergewist van de vorm.’ Om die reden vond hij dat wormen ‘met recht intelligent kunnen worden genoemd, want ze gedragen zich dan bijna net zo als een mens in een vergelijkbare situatie’.

De schoonheid van simpele zeebeestjes

Als kind speelde ik met de regenwormen bij ons in de tuin (en later zou ik ze bij onderzoeksprojecten gebruiken), maar ik hield het meest van de kust, en dan vooral van getijdenpoelen, want we gingen met vakantie bijna altijd naar zee. Mijn jeugdig enthousiasme voor de schoonheid van simpele zeebeestjes kreeg een wetenschappelijker karakter dankzij een leraar biologie, die ons elk jaar meenam naar het Marine Station in Millport, in het zuidwesten van Schotland, waar we ons konden verdiepen in de immense verscheidenheid aan ongewervelde dieren langs de kust van Cumbrae. Die excursies naar Millport vond ik zo fantastisch dat ik van plan was om later zeebioloog te worden.

Darwins werk over regenwormen was een van mijn lievelingsboeken, net als Jelly-Fish, Star-Fish, and Sea-Urchins: Being a Research on Primitive Nervous Systems van George John Romanes uit 1885, dat vol stond met eenvoudige, fascinerende experimenten en schitterende illustraties. Romanes, een jonge leerling en vriend van Darwin, zou zijn leven lang hartstochtelijk geïnteresseerd blijven in de kust en de dieren die daar voorkomen, en hij legde zich vooral toe op het onderzoek naar de gedragsmatige manifestaties van een ‘wil’ bij deze wezens.

Ik genoot van Romanes’ persoonlijke stijl. (Hij schreef dat hij zijn proefnemingen naar de wil en het zenuwstelsel van de ongewervelde dieren met veel plezier uitvoerde in ‘een laboratorium op het strand … een mooi houten werkplaatsje waar de zeewind vrijelijk naar binnen woei’.) Maar het ging Romanes natuurlijk vooral om de zoektocht naar een verband tussen zenuwstelsel en gedrag. ‘Vergelijkende psychologie’ noemde hij zijn werk, naar analogie van de vergelijkende anatomie.

Louis Agassiz had in 1850 al aangetoond dat de kwallensoort Bougainvillea een behoorlijk ontwikkeld zenuwstelsel had, en in 1883 bewees Romanes het bestaan van afzonderlijke zenuwcellen (ongeveer duizend in getal). Aan de hand van eenvoudige experimenten – het doorsnijden van bepaalde zenuwen, het maken van sneetjes in het lichaam of het bestuderen van losse weefselplakjes – stelde hij vast dat kwallen zowel gebruikmaakten van autonome, lokale mechanismen (aangestuurd door ‘zenuwnetten’) als van handelingen die centraal werden gecoördineerd vanuit het cirkelvormige ‘brein’ dat langs de randen van het lichaam liep.

Romanes kon in 1883 zelfs afbeeldingen van losse zenuwcellen en groepjes zenuwcellen, oftewel ganglia, in zijn boek Mental Evolution in Animals opnemen. ‘In het gehele dierenrijk’, schreef Romanes, ‘is bij alle soorten die niet lager in de zoölogische rangorde staan dan de Hydroïdpoliepen onveranderlijk zenuwweefsel aanwezig. De laagste dieren waarbij dat tot dusver is waargenomen, zijn de Medusae, oftewel kwallen, en daarboven is het zoals gezegd onveranderlijk aanwezig. En overal waar het voorkomt, heeft het vrijwel dezelfde structuur, dus of we nu te maken hebben met het zenuwweefsel van een kwal, een oester, een insect, een vogel of een mens, we kunnen het makkelijk herkennen aan de bouwstenen die altijd min of meer hetzelfde zijn.’

Biologen verzamelen zeewezens bij Monterey, Californië.
Biologen verzamelen zeewezens bij Monterey, Californië.

De vrije wil van de kwal

Op het moment dat Romanes levende kwallen en zeesterren te lijf ging in zijn laboratorium aan zee, was de jonge Sigmund Freud, toen al een fervent darwiniaan, aan het werk in het lab van de Weense fysioloog Ernst von Brücke. Hij hield zich vooral bezig met het vergelijken van de zenuwcellen van gewervelde en ongewervelde dieren, met name die van een zeer primitieve gewervelde (Petromyzon, een lamprei) met die van een ongewervelde (een rivierkreeft). In die tijd was het heersende idee dat het zenuwstelsel van ongewervelden uit heel andere zenuwelementen bestond dan dat van gewervelden, maar Freud liet zien – met prachtige, gedetailleerde illustraties als bewijs – dat de zenuwcellen van de rivierkreeft amper verschilden van die van de lamprei – of van de mens.

En hij was de eerste die echt begreep dat de zenuwcel en zijn vertakkingen – dendrieten en axonen – de elementaire bouwstenen en boodschappers van het zenuwstelsel vormden. Eric Kandel schrijft in zijn boek In Search of Memory: The Emergence of a New Science of Mind (2006) dat als Freud geen arts was geworden maar was doorgegaan met elementair onderzoek, hij nu misschien wel bekend zou staan als ‘een van de grondleggers van de zenuwceltheorie in plaats van als de vader van de psychoanalyse’.

Hoewel zenuwcellen in vorm en omvang kunnen verschillen, zijn ze in wezen altijd hetzelfde, van de primitiefste tot de hoogst ontwikkelde levensvormen. Ze verschillen alleen in aantal en wijze van organisatie: wij hebben honderd miljard zenuwcellen, terwijl een kwal er maar duizend heeft. Maar hun functie als cellen die razendsnel achter elkaar signalen kunnen doorgeven is in wezen gelijk.

De cruciale rol van de synapsen – de contactplaatsen tussen zenuwcellen waar de zenuwimpulsen kunnen worden gemoduleerd, waardoor een organisme flexibel wordt en zijn gedrag kan variëren – werd pas aan het eind van de negentiende eeuw helder beschreven door de grote Spaanse anatoom Santiago Ramón y Cajal, die het zenuwstelsel van allerlei gewervelde en ongewervelde dieren had onderzocht, en de Engelsman C.S. Sherrington (die de term ‘synaps’ bedacht en aantoonde dat synapsen een inhiberende of een exciterende functie kunnen hebben).

Maar in de jaren tachtig van de negentiende eeuw bestond, ondanks het werk van Agassiz en Romanes, nog altijd het idee dat kwallen weinig meer waren dan willoos dobberende hoopjes tentakels die gewoon staken en opvraten wat er in hun buurt kwam, als een soort drijvende zonnedauw.

In werkelijkheid zijn kwallen juist verre van willoos. Ze maken ritmische zwembewegingen door hun hele lichaam samen te trekken, en elk van die bewegingen wordt vanuit een centraal regelsysteem in gang gezet. Kwallen kunnen van richting en hoogte veranderen, en veel kwallensoorten kunnen ‘vissen’ door even ondersteboven te gaan liggen en hun tentakels als een net uit te spreiden, en dan terug te keren naar hun normale stand, met behulp van acht zwaartekrachtgevoelige evenwichtsorganen. (Worden die organen verwijderd, dan raakt de kwal gedesoriënteerd en heeft hij zijn positie in het water niet meer onder controle.) Als een kwal door een vis wordt gebeten of op een andere manier wordt bedreigd, gaat hij er snel vandoor door zijn lichaam een paar keer achter elkaar extra krachtig samen te trekken. Dan worden er speciale, extra grote (en daardoor extra snel reagerende) zenuwcellen geactiveerd.

Een buitengewoon interessante – en onder duikers beruchte – soort is de dooskwal (Cubomedusae), een van de primitiefste dieren met volledig ontwikkelde ogen, die weinig verschillen van de onze. De bioloog Tim Flannery schreef vorig jaar in een artikel in The New York Review of Books: ‘Ze maken actief jacht op middelgrote vissen en schaaldieren en halen snelheden tot zeven meter per minuut. Ze zijn de enige kwallensoort met zulke geavanceerde ogen, compleet met netvliezen, hoornvliezen en lenzen. En ze hebben een brein dat in staat is om te leren, te onthouden en complexe handelingen aan te sturen.’

Wij en alle andere hogere dieren zijn bilateraal symmetrisch, hebben een voorkant (een hoofd) met hersenen, en een voorkeur voor een bepaalde bewegingsrichting (naar voren). Het zenuwstelsel van een kwal is radiaal symmetrisch, net als het dier zelf, en al lijkt het misschien minder ontwikkeld dan het brein van een zoogdier, het kan beslist als een brein worden beschouwd, want het stuurt complexe, aangeleerde gedragingen aan en coördineert alle sensorische en motorische mechanismen van het dier. Of we van een ‘wil’ kunnen spreken (zoals Darwin doet bij regenwormen), hangt er maar van af wat je onder een ‘wil’ verstaat.

Gouden kwallen - © Ethan Daniels/Getty Images
Gouden kwallen – © Ethan Daniels/Getty Images

Wat weet een plant?

Onderscheid tussen planten en dieren maken we allemaal. We gaan ervan uit dat planten doorgaans op een vaste plek in de grond staan; ze spreiden hun groene bladeren uit naar de hemel en leven van zonlicht en aarde. We gaan ervan uit dat dieren daarentegen wel van hun plaats komen, om voedsel te zoeken of op jacht te gaan; ze vertonen daarbij allerlei soorten eenvoudig herkenbaar gedrag. Planten en dieren hebben zich in twee richtingen ontwikkeld die sterk van elkaar verschillen (en schimmels zijn weer een andere kant op gegaan), en ze hebben dan ook totaal verschillende verschijningsvormen en leefwijzen.

En toch, beweerde Darwin stellig, hebben ze meer met elkaar gemeen dan je zou denken. Hij schreef een aantal botanische werken, met als hoogtepunt The Power of Movement in Plants (1880), vlak voor zijn boek over regenwormen. Hij was zo onder de indruk van het bewegingsvermogen van vleesetende planten, en vooral van hun vermogen om insecten waar te nemen en te vangen, dat hij niet eens helemaal een grap maakte toen hij de Drosera, oftewel zonnedauw, in een brief aan de botanicus Asa Gray niet alleen een schitterende plant noemde, maar ook ‘een zeer scherpzinnig dier’.

Darwin werd in zijn opvatting gesterkt door de ontdekking dat vleesetende planten net als dieren bij hun bewegingen gebruikmaken van elektrische stroompjes – dat er behalve ‘dierenstroom’ ook ‘plantenstroom’ bestaat. Maar ‘plantenstroom’ beweegt maar heel langzaam, ongeveer een centimeter per seconde, zoals je kunt zien aan de blaadjes van het kruidje-roer-mij-niet (Mimosa pudica), die zich bij aanraking een voor een sluiten. ‘Dierenstroom’, die via zenuwen loopt, gaat ongeveer duizend keer zo snel.

De uitwisseling van signalen tussen cellen verloopt via elektrochemische veranderingen: elektrisch geladen atomen (ionen) stromen de cellen in en uit via speciale, zeer selectieve moleculaire poriën of ‘kanalen’. Deze ionenstromen veroorzaken elektrische stroompjes, impulsen – actiepotentialen – die (direct of indirect) van de ene cel naar de andere worden overgedragen, zowel bij planten als bij dieren.

Bij planten gaat dat vooral via calciumionkanalen, die prima passen bij hun trage leven. Zoals Daniel Chamovitz schrijft in zijn boek What a Plant Knows (2012), zijn planten in staat om wat wij beelden, geluiden en tactiele signalen zouden noemen te registeren. Planten weten wat ze moeten doen en hebben een ‘geheugen’. Maar bij gebrek aan zenuwcellen leren planten niet op dezelfde manier als dieren. In plaats daarvan maken ze gebruik van een heel arsenaal aan chemische stoffen en instrumenten – devices, om Darwins term te gebruiken. De blauwdrukken daarvoor moeten allemaal in het genoom van de plant zijn vastgelegd, en het genoom van planten is inderdaad vaak groter dan dat van de mens.

Met de calciumkanalen waarop planten zijn aangewezen, kunnen cellen niet snel achter elkaar signalen aan elkaar doorgeven. Als bij een plant een actiepotentiaal wordt opgewekt, kan dat niet vlug genoeg worden herhaald om bijvoorbeeld de vaart te creëren waarmee een worm ‘zijn holletje in schiet’. Voor snelheid zijn ionen en ionkanalen nodig die in milliseconden open en dicht kunnen gaan, waardoor er binnen een seconde honderden actiepotentialen kunnen worden gegenereerd. Dat kunstje kon wel worden geklaard met natrium- en kaliumionen, waarmee de ontwikkeling van snel reagerende spiercellen, zenuwcellen en neuromodulatie in de synapsen mogelijk werd. Zo konden organismen ontstaan die in staat waren om te leren, ervaringen te benutten, te oordelen, te handelen en uiteindelijk ook te denken.

Deze nieuwe levensvorm – dierlijk leven – dat zo’n 600 miljoen jaar geleden zijn intrede deed, kende enorme voordelen, waardoor populaties in rap tempo konden transformeren. Tijdens de zogeheten Cambrische explosie (die met merkwaardige precisie is gedateerd op 542 miljoen jaar geleden) verschenen er minstens twaalf nieuwe dierstammen, met sterk uiteenlopende bouwplannen, in nog geen miljoen jaar tijd – geologisch gezien een oogwenk. De ooit zo stille zeeën veranderden in het Cambrium in een jungle vol jagers en prooien, die zich voortaan vrijelijk konden verplaatsen. En hoewel sommige dieren (zoals sponzen) hun zenuwcellen kwijtraakten en terugvielen tot een vegetatief bestaan, kregen andere, vooral roofdieren, steeds hoger ontwikkelde organen, geheugens en verstandelijke vermogens.

Zee-egels en een zeester in de zee bij Alaska - © Joel Sartore/National Geographic
Zee-egels en een zeester in de zee bij Alaska – © Joel Sartore/National Geographic

Een hypergevoelige Amoeba

Het is een fascinerend idee dat Darwin, Romanes en andere biologen uit die tijd zochten naar een ‘wil’, naar ‘geestelijke processen’, ‘intelligentie’ en zelfs ‘bewustzijn’ bij primitieve dieren als kwallen en zelfs protozoa. Luttele decennia later zou de wetenschap worden gedomineerd door het radicaal behaviorisme, en zou het bestaan van alles wat niet objectief aantoonbaar was eenvoudig worden ontkend. Dat gold zeker voor innerlijke processen tussen prikkel en reactie, die als irrelevant werden beschouwd, of op zijn minst werden geacht buiten het bereik van wetenschappelijk onderzoek te liggen.

Die beperking maakte het onderzoek naar prikkel en reactie – met of zonder ‘conditionering’ – een stuk eenvoudiger, en Pavlovs beroemde experimenten met honden betekenden een formele erkenning – als ‘sensitisering’ en ‘habituatie’ – van wat Darwin bij zijn wormen had waargenomen.

Zoals Konrad Lorenz schreef in The Foundations of Ethology: ‘Een regenworm [die] net bijna is verschalkt door een merel … reageert daar wijselijk op door de drempel voor soortgelijke prikkels drastisch te verlagen, want de vogel zal waarschijnlijk nog niet meteen gevlogen zijn.’ Dat verlagen van de drempel, oftewel sensitisering, is een primitieve vorm van leren, zij het een niet-associatieve vorm met een kortstondig effect. Omgekeerd doet zich een afzwakking voor van de reactie, oftewel habituatie, bij een prikkel die herhaaldelijk zonder gevolgen blijft – en dus veilig kan worden genegeerd.

Slechts een paar jaar na Darwins dood werd aangetoond dat zelfs eencellige organismen als protozoa een scala aan aangeleerde reacties konden vertonen. Zo bewees Herbert Spencer Jennings dat het eencellige trompetdiertje (Stentor) op minstens vijf manieren op aanraking kan reageren en pas een ander heenkomen zoekt als die allemaal niet afdoende blijken. Wordt het daar dan ook weer aangeraakt, dan slaat het diertje de tussenstappen over en verkast het meteen naar een ander plekje. Het is gesensitiseerd geraakt voor onaangename prikkels, of, eenvoudiger gezegd, het ‘herinnert’ zich de nare ervaring en heeft daarvan geleerd (al onthoudt het dat maar een paar minuten). Wordt het trompetdiertje daarentegen een paar keer heel zachtjes aangeraakt, dan reageert het daar algauw niet meer op – er is habituatie opgetreden.

Jennings beschreef zijn onderzoek naar sensitisering en habituatie bij organismen als Paramecium en Stentor in zijn boek Behavior of the Lower Organisms uit 1906. Hoewel hij zich bij de beschrijving van het gedrag van de protozoa zorgvuldig van subjectief, mentalistisch taalgebruik onthield, wijdde hij aan het eind van het boek een hoogst opmerkelijk hoofdstuk aan het verband tussen waarneembaar gedrag en ‘wil’.

Hij meende dat wij mensen de protozoa geen wil of aanverwante eigenschappen toekennen omdat ze zo klein zijn: ‘De schrijver is er na langdurige bestudering van het gedrag van dit organisme ten diepste van overtuigd geraakt dat als de Amoeba een groot dier was geweest dat de mens in zijn dagelijks leven zou opvallen, dat gedrag zonder aarzeling zou worden toegeschreven aan toestanden van genot of pijn, van honger, begeerte en dergelijke, op precies dezelfde gronden als we die zaken toekennen aan de hond.’

Jennings beeld van een hypergevoelige Amoeba ter grootte van een hond vormt een haast karikaturaal contrast met het idee van Descartes dat honden zo weinig gevoel hebben dat ze probleemloos voor vivisectie kunnen worden gebruikt, en dat hun gejammer slechts een ‘reflexmatige’ reactie is van quasimechanische aard.

Sensitisering en habituatie zijn van levensbelang voor het voortbestaan van alle organismen. Deze primitieve vormen van leren hebben bij protozoa en planten maar even effect, hooguit een paar minuten. Voor een langduriger effect is een zenuwstelsel nodig.

In de hoogtijdagen van het behaviorisme was er nauwelijks aandacht voor de cellulaire basis van gedrag – de precieze rol van zenuwcellen en hun synapsen. Onderzoek bij zoogdieren, bijvoorbeeld naar het hippocampale of geheugensysteem van de rat, stuitte op bijna onoverkomelijke technische problemen, vanwege de geringe omvang en extreme dichtheid van zenuwcellen (en als de elektrische activiteit in een cel al kon worden geregistreerd, dan was ook nog eens een hele toer om de cel al die tijd dat zo’n experiment duurde levend en volledig functionerend te houden).

Vanwege dit soort problemen richtte Ramón y Cajal – de eerste en grootste microanatoom van het zenuwstelsel – zich begin vorige eeuw bij zijn anatomisch onderzoek op de meest eenvoudige stelsels: die van jonge of nog ongeboren dieren en van ongewervelden (zoals insecten, schaaldieren en inktvissen). En om vergelijkbare redenen zocht Eric Kandel in de jaren zestig voor zijn onderzoek naar de cellulaire basis van leerprocessen en geheugen een dier met een eenvoudig en makkelijk toegankelijk zenuwstelsel. Hij koos de zeehaas of Aplysia, een reusachtige naaktslak met ongeveer twintigduizend zenuwcellen, verdeeld over een tiental ganglia met elk rond de tweeduizend zenuwcellen. Die zenuwcellen zijn ook nog eens heel groot – sommige zijn zelfs met het blote oog zichtbaar – en met elkaar verbonden in vaste anatomische circuits.

Van het idee dat de zeehaas een te lage levensvorm zou zijn om als studieobject voor geheugenonderzoek te dienen, zoals sommige collega’s meenden, trok Kandel zich niets aan – net zomin als Darwin zich van zulke overwegingen iets aantrok toen hij over het ‘geestelijk vermogen’ van de regenworm schreef. ‘Ik begon te denken als een bioloog’, schrijft Kandel over zijn keuze voor de zeehaas. ‘Ik begreep dat alle dieren een vorm van geestelijk leven hebben die in overeenstemming is met de bouw van hun zenuwstelsel.’

Zoals Darwin had gekeken naar de vluchtreflex van de regenworm en hoe die onder verschillende omstandigheden afzwakte of heftiger werd, zo keek Kandel naar een beschermingsreflex bij de zeehaas – het intrekken van zijn uitwendige kieuwen – en de modulatie van die reactie. Door bestudering (en soms stimulering) van de zenuwcellen en synapsen in het abdominale ganglion van waaruit deze reacties worden geregeld, wist hij aan te tonen dat bij leren en kortstondig onthouden – zoals gebeurt bij habituatie en sensitisering – zich functionele veranderingen in de synapsen voordoen, maar dat bij de vorming van langdurigere herinneringen, die enkele maanden kunnen aanhouden, structurele veranderingen in de synapsen optreden. (In geen van beide gevallen was sprake van een verandering in de circuits zelf.)

Toen zich in de jaren zeventig nieuwe technologieën en inzichten aandienden, konden Kandel en zijn collega’s dit elektrofysiologische onderzoek naar leerprocessen en het geheugen aanvullen met chemisch onderzoek. ‘We wilden de moleculaire biologie van een mentaal proces doorgronden, achterhalen welke moleculen precies verantwoordelijk zijn voor het kortetermijngeheugen.’ Dat werden vooral onderzoeken naar de ionkanalen en neurotransmitters die betrokken zijn bij synaptische functies – indrukwekkend werk waarvoor Kandel de Nobelprijs kreeg.

Terwijl de zeehaas maar twintigduizend zenuwcellen bezit, verspreid over ganglia in zijn hele lichaam, kan een insect er wel een miljoen hebben, geconcentreerd in één brein, dat ondanks zijn geringe omvang in staat is tot buitengewone cognitieve prestaties. Zo zijn bijen meesters in het herkennen van verschillende kleuren, geuren en geometrische vormen die ze in het laboratorium krijgen voorgeschoteld, ook als die systematisch worden veranderd. En natuurlijk doen ze dat net zo knap in het wild of bij ons in de tuin, waar ze niet alleen de geuren, kleuren en patronen van bloemen herkennen, maar ook hun locatie kunnen onthouden en aan elkaar doorgeven.

Het is zelfs aangetoond dat papierwespen, heel sociale beestjes, elkaars gezicht kunnen herkennen. Voordien was alleen van zoogdieren bekend dat ze in staat waren tot gezichtsherkenning. Het is fascinerend dat ook insecten die specifieke cognitieve vaardigheid kunnen bezitten.

We beschouwen insecten vaak als automaatjes, als robotjes waarbij alles is ingebouwd en voorgeprogrammeerd. Maar het wordt steeds duidelijker dat insecten dingen kunnen leren, onthouden, denken en communiceren, op de prachtigste en meest onvermoede manieren. Dat vermogen is ongetwijfeld voor een groot deel ingebouwd, maar daarnaast lijken ook individuele ervaringen een rol te spelen.

Hoe het ook zij bij insecten, bij de genieën onder de ongewervelden, de inktvisachtigen – te weten de octopus, de zeekat en de pijlinktvis – is het weer een heel ander verhaal. Zij hebben om te beginnen een veel groter zenuwstelsel: een octopus kan wel een half miljard zenuwcellen hebben, verspreid over zijn brein en zijn ‘armen’ (ter vergelijking: een muis heeft er maar 75 tot 100 miljoen). Het octopusbrein zit heel bijzonder in elkaar, met tientallen kwabben die verschillende functies vervullen, en leerprocessen en geheugensystemen die vergelijkbaar zijn met die van zoogdieren.

Inktvissen laten zich niet alleen heel makkelijk trainen in het onderscheiden van vormen en voorwerpen, maar kunnen ook leren door te observeren, een vermogen waar verder alleen zoogdieren en sommige vogels over beschikken. Ze hebben razend knappe camouflagetechnieken, en kunnen complexe emoties en bedoelingen uitdrukken door de kleur, de tekening en de textuur van hun huid te veranderen.

Darwin heeft in The Voyage of the Beagle beschreven hoe een octopus in een getijdenpoel op hem leek te reageren: het dier was afwisselend waakzaam, nieuwsgierig en zelfs speels. Octopussen laten zich tot op zekere hoogte domesticeren, en hun baasjes voelen vaak een geestelijke en emotionele band met ze. Of er sprake is van bewustzijn is geen uitgemaakte zaak. Maar wie vindt dat een hond duidelijk een eigen bewustzijn heeft, kan dat ook de octopus niet ontzeggen.

De natuur hanteert op zijn minst twee heel verschillende manieren om een brein te vormen – sterker nog, er bestaan bijna evenveel manieren als er stammen zijn in het dierenrijk. En in al die breinen zetelt, in mindere of meerdere mate, een wil – hoe diep de biologische kloof tussen de stammen onderling, en tussen hen en ons, ook mag zijn.

Auteur: Oliver Sacks
Vertaler: Cecilia Tabak

The New York Review of Books
Verenigde Staten, maandblad, oplage 119.000
Het lijfblad van de New Yorkse intelligentsia bestaat sinds 1963 en dankt zijn reputatie aan doorwrochte en lange bijdragen van hoge kwaliteit van diverse grote schrijvers, journalisten en historici als J.M. Coetzee, Orhan Pamuk, en eerder Tony Judt, Hannah Arendt en Saul Bellow.

Dit artikel van verscheen eerder in The New York Review of Books.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

360 is jarig en trakteert!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief en krijg 3 maanden gratis toegang tot 360 online.