• 360 Magazine
  • Reader
  • 'Elke stad heeft een zelfhelend vermogen'

'Elke stad heeft een zelfhelend vermogen'

360 Magazine | Amsterdam | 27 mei 2020

Na de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog werd de tot puin gebombardeerde stad Warschau overgenomen door bomen en planten. Deze nieuwe orde van ‘mensen, katten en grassen’ die zich weer ‘in de spleten van de stad nestelen’ geeft ‘hoop, gedreven door de oerkracht van het leven, hoop op vernieuwing en troost’ schrijft de Poolse schrijver, dichter en botanicus Urszula Zajączkowska. Aan de hand van een plantkundige en fotografen die de naoorlogse puinhopen vastlegden, reconstrueert ze uit de brokstukken het begin van een nieuwe relatie tussen mens en natuur.

Kun je de stad beschouwen als een lichaamsdeel van de natuur? Als een complex eco-systeem? Als een domein van gemêleerde krachten en wisselwerkingen, waarin onophoudelijk nieuwe lacunes en nissen van het vrije leven verdwijnen en weer tevoorschijn komen? Kun je de stad beschouwen als een levend organisme dat zich van verwondingen, vernielingen en oorlogen moet herstellen? Ja, zo kun je ook de stad beschouwen.

De lucht – gevuld met atomen – is in steden voort-durend in beweging. Gedreven door in de ruimte glijdende menselijke lichamen wervelen de atomen intens. Het licht verspreidt zich en valt in het glas uiteen. Het is nog steeds hetzelfde licht dat acht minuten eerder uit de kern van de Zon is ontsnapt. In steden, in deze wirwar, gaat het leven door en zet de energie zich om, wordt ze door de hete lucht naar beneden getrokken of condenseert ze in de plassen. Dit proces voltrekt zich echter in een iets andere vorm dan in het bos of aan de rivier, maar niettemin met volle kracht.

Insecten, ratten, onkruid en viooltjes in potten, van ademlucht doortrokken atmosfeer, vol lawaai en sterk verzadigd van menselijke aanwezigheid. In steden worden ook vrij uitzonderlijke temperatuurverschillen gemeten, veroorzaakt door oververhitte Plattenbau en abnormale want kunstmatig aangelegd om zo onzichtbaar mogelijk te zijn – waterafvoer. Vanuit de natuur bezien is dit alles nieuw, toch hoort het bij het beeld van het leven met een eigen polsslag, zichzelf genererend en expressief, met uiteenlopende transformaties.

En dan gebeurt het ineens dat dit systeem ontploft, in duizend stukken uiteenspat, van binnenuit en vanuit de verre hemel explodeert. Oorlog. Mensenoorlog. Opengescheurd worden de stadsweefsels, verkruimeld tot elementaire deeltjes, tot stof en losse bakstenen, zodat na de oorlog niets lijkt op hoe het vroeger is geweest. Zo kreeg het versplinterde Warschau, bedekt met kruimels van die materie, een nieuw bestaan in de geschiedenis van haar ecosysteem. Alle onderlinge verhoudingen tussen de levende organismen worden door de dood of door een verlaten en verdwaald mengsel van slib en puin onderbroken.

Een nieuwe orde

Toen de verwoesting voorbij was, begon de stad – in haar verbrijzelde, warrige vorm, maar nog steeds door levende organismen bevolkt – zich langzaam te herstellen, haar wegen opnieuw bij elkaar te voegen, zichzelf terug te vinden, frisse paden af te bakenen. Mensen, katten en grassen begonnen zich weer in de spleten van de stad te nestelen, zorgvuldig het gebied opvullend, een nieuwe orde scheppend.

Deze kortstondigheid van het beeld van het naoorlogse Warschau, haar gebroken veelvlakken met licht- en schaduweffecten, bleken niet alleen voor documentalisten of fotografen, maar ook voor plantkundigen van een uitzonderlijke waarde te zijn. Ze wisten die stad als een nieuw wezen te beschouwen, vol met bijzondere verschijnselen, aparte ruimtelijke vormen waar in onvruchtbare spleten langzaam het leven binnenstroomde, precies zoals bij het opnieuw betrekken van een plaats van een brand of een berg rotsen en losgerukte aarde van een puinhelling na een lawine.

Botanicus professor Roman Kobendza publiceerde in 1949 in het tijdschrift van de Wetenschappelijke Vereniging van Warschau zijn artikel Ruderale plantenrijk in de puinhopen van de Poolse steden. Om dit werk te doen ontstaan, moest deze botanicus veel bestuderen, overal naartoe en alles bekijken; later heeft hij vast en zeker niet alles opgeschreven.

Daar lees ik over de planten van Warschau die gespot werden vlak nadat de oorlog was afgelopen, dat wil zeggen precies aan het begin van hetgeen wat begon te herleven, wat hier wilde blijven leven, en wat tenslotte nooit ophield dit te willen, zoals zichtbaar werd aan de hand van (alsof er niets gebeurd was) het uitkiemende Warschause onkruid. Terwijl de hoog-leraar die flora ontdekte en de planten die uit scheuren in de verbrijzelde stad groeiden markeerde, trokken andere stadschroniqueurs langs vrijwel dezelfde plekken met hun camera’s om deze al even haastig op beeld vast te leggen. Ze gingen alle hoeken en gaten van versplinterde gebouwen in en beklommen de puinhopen. Verrassend genoeg vertelt hun weergave van de stad – ook al afwijkend in vorm: fotografie versus botanische verzamelingen – een vergelijkbaar verhaal van vernietiging, lijden en moeizaam herstel van de ruimte en van hetgeen wat daar heeft overleefd: mensen, dieren en planten.

Urszula Zajączkowska: ‘Planten voelen op dezelfde manier als dieren, maar ze hebben geen ogen en oren.’ © Justyna Cieślikowska
Urszula Zajączkowska: ‘Planten voelen op dezelfde manier als dieren, maar ze hebben geen ogen en oren.’ © Justyna Cieślikowska

Ik werp een blik op een foto van Maria Chrząszczowa [foto 1] en ben meteen door verbijstering overmeesterd. Hebben de vruchten van deze nog levende boom het overleefd? Is dat een appelboom? Nee, dit is geen appelboom. En het zijn geen vruchten. Het is een met kogels doorboord pakhuis, de zwarte gaten in de muur vormen een angstaanjagend gezicht.

De boom is zo afgeslacht dat ik de soort niet meer kan herkennen, en deze ruïne, alleen maar omdat er een bijschrift is geplaatst, toont een fragment van de Nowy Świat-straat.

Op een andere fotoafdruk omarmen de boomtakken overblijfselen van de Heilige Aleksanderkerk op het Driekruisenplein. Met de witte wolkenkussens op de achtergrond. Zoals die van vandaag. Van onderaf, vanaf de grond, reiken levenloze, dikke boomstronken. Kobendza stelt: ‘De boomvegetatie van de stad is voor een deel volledig verdelgd en is voor een deel diep verminkt geraakt.’

Het is een wetenschappelijke tekst, maar geschreven in een mengtaal die in sommige fragmenten volledig aan de academische zakelijke rauwheid ontsnapt. Vandaag de dag zou geen academicus immers over de verdelging van bomen schrijven. Hij zou er onmiddellijk op worden gewezen dat zo’n woord vervangen moet worden, door een andere meer uitgebalanceerde en technische term, bijvoorbeeld door ‘sanitaire kap’ of gewoon ‘selectie’.

Foto 1: Uitzicht op de Nowy Świat-straat, 1946 – © Maria Chrząszczowa / Dorota Jarecka / Fundacja Archeologia Fotografii
Foto 1: Uitzicht op de Nowy Świat-straat, 1946 – © Maria Chrząszczowa / Dorota Jarecka / Fundacja Archeologia Fotografii

Uit de stoep groeit een esdoorn; vroeger strooide hij schaduw over de voorbijgangers. Misschien werden er ook advertenties op hem geplakt? Nu buigt hij zich ferm richting de straat, het kader diagonaal door het midden snijdend en getekend door zijn bladerloze, winterse silhouet in het zwart, net als de mensen. Een verstilde lijsterbes staat er ook verlaten bij, net als een naast hem geparkeerd autowrak en een garage zonder ramen. Aan de oppervlakte is alles opengereten. Ook de boomschors en zijn takken. De uiteinden van de scheuten werden afgerukt door de drukgolf van de explosie en de stofwolken.

Kans op overleving bij planten wordt groter dankzij hun onzichtbare, ondergrondse organen. Ik kijk dus naar deze zwart-witte bomen en vindt een kruimel van troost: hun wortels zitten immers nog in de grond. ‘Het vermogen van het plantenrijk om zich aan de omstandigheden in het puin aan te passen komt bij bomen het meest duidelijk tot uitdrukking.

In de gebroken stad bestudeerde Kobendza de wortels en dat gaf hem hoop op vernieuwing en troost

Bij het ruimen van het puin in de wijk Ujazdów in Warschau, waar op de stadsruïnes veel bomen zijn gaan groeiden en waarvan sommigen zelfs zes meter hoog werden, kon men hun wortelstelsels goed inspecteren. De arbeiders die hebben gewerkt aan het verwijderen van het puin, wezen erop hoe bijzonder deze wortelstelsels waren: uitzonderlijk lang. De wortels schoten in de meest smalle gaten, waardoor ze telkens een zeer bijzondere vorm aannamen. Ze waren uitzonderlijk gebogen, aan één stuk door afgevlakt, omdat ze elke barst in de muur gebruikten, die immers niet altijd horizontaal liep.’

Warschause fotografen legden echter geen wortels vast. Niet in de wortels zoekt men naar vormen om deze periode en de manier waarop mensen en planten wisten te overleven uit te drukken. Onder de grond speurt men om andere redenen. In de openlucht, in de zon, bedekt met licht- en schaduweffecten was dit alles schrijnend genoeg. Het was niet leefbaar voor een grashalm of een scheut.

Het licht dat door de kapot geknaagde muren schemert en het afbrokkelende beton bij de Kozia-straat bevlekt, lijkt in deze werkelijkheid zinloos. Zinloos lijkt de vrolijke helderheid van lichtstralen, waarmee de dood in een nog sterker contrast staat. Onder de grond, in de duisternis, is er waarschijnlijk weinig veranderd. Kobendza heeft het onderzocht. In de wanhopig gebroken stad bestudeerde hij de wortels en dat gaf hem hoop, gedreven door de oerkracht van het leven, hoop op vernieuwing en troost.

Heerschappij van de natuur

Een stapel bakstenen die zich het getto nog kunnen herinneren, een stortplaats van in stukken gereten huizen van de wijk Muranów [foto 2], is overgoten met de zonnestralen; elk detail wordt door de zon opgewarmd. De vorm van deze berg stenen herinnert aan de vergane aanwezigheid van mensen: hoekige bouwmassa, mensenwerk, een gestalte waarop nu gewoonweg gewone planten fotosynthetiseren: die ene die alles kan weerstaan: de wegenwachter, en die ene die overal bij kan komen: de Canadese fijnstraal.

Beide soorten zijn bescheiden, niet veeleisend, en ze groeien ongeremd. En dus verschenen ze daar in 1945 zonder toeval. Door hun kleinzadigheid, verspreidings- en uithoudingsvermogen, konden alleen deze soorten hier uit het niets hun weg vinden en overleven. En ze konden op zichzelf groeien en niet als een uit te roeien onkruid dat tussen fraaie bloembedden binnendringt, maar als de wegenwachter en de Canadese fijnstraal; allebei veerkrachtige, levenslustige pioniersplanten. Zo zijn ze een stille herinnering geworden aan de alomtegenwoordige heerschappij van de natuur, aan de krachten van de ecosystemen die het milieu vormgeven, die voort-durend naar een optimale staat van evenwichtigheid streven.

Foto 2: Puin in het getto van Warschau, 1946 – © Maria Chrząszczowa / Dorota Jarecka / Fundacja Archeologia Fotografii
Foto 2: Puin in het getto van Warschau, 1946 – © Maria Chrząszczowa / Dorota Jarecka / Fundacja Archeologia Fotografii

De synantropische planten, dat wil zeggen: planten die in de nabijheid van de mens groeien, zijn pioniers, een soort verkenners die het nieuws verspreiden dat de plek die ze met hun aanwezigheid markeren door de mensen vernietigd is. Het kost tijd, het behoeft de afwezigheid van handen en voeten om trottoirs, wegen, vuilnis- en puinhopen in iets anders te laten veranderen. En het maakt niet uit of het om een stoep in de Jerusalemlaan gaat [Aleje Jerozolimskie is een van de hoofdstraten van Warschau] of om een in het voormalige getto.

De volgende foto van Zofia Chomętowska is opgevuld door de witheid van de wolken en de witheid van de stoeptegels [foto 3]. In de kieren hiervan groeien bijvoet, guldenroede, asterfijnstraal en vele anderen moeilijk herkenbare soorten, die een donkere vlek vormen op een heuveltje aan de rechterkant van de foto. Ik weet dat daar al minstens een jaar geen mensen meer hadden gelopen. Ik verwacht ook dat het er vrij stil was.

Dat is het zwijgen na de geschiedenis die hier zich afspeelde, en deze stille, eentonige overwoekering door vegetatie in overeenstemming met de ondubbelzinnigheid van de natuur lijkt nog ander bewijs te vormen voor hoe vaak de mens tegen de eigen wereldorde handelt. Hadden we maar tenminste een deel van dit getto met rust gelaten, dan zou daar nu een bos groeien.

Verwoesting, dood en pijn

‘Eerste puinhopen uit 1939 in Warschau zijn al met mos bedekt. Ceratodon purpureus Brid., Bryum argenteum L., en hier en daar ook Hypnum Schreberi Wild., wat het beste bewijs is van een traag bodembedekkingsproces. Armoede van de ruderale habitat verbetert stapsgewijs, humus stapelt zich op, dan breekt het af en wordt het puin verweerd in steeds diepere lagen […] Het ruderale plantenrijk, bestaande uit eenjarige soorten, maakt plaats voor een meer bestendige, meerjarige vegetatie.’

De architectuur drukt altijd een idee uit of een gebrek daaraan. Een verwoeste stad is een derivaat van een vergaan idee. Ik ben voortdurend verbaasd over het menselijke vermogen om telkens nieuwe namen en nieuwe mentale constructies te bedenken, die ondanks hun vernieuwende, prachtige veronderstellingen en bedoelingen altijd op dezelfde manier aflopen: in verwoesting, dood en puin. De foto’s van chroniqueurs tonen met grote stelligheid de schaal van de verwoesting van Warschau en ook enkele bosjes grijze planten, loodgrijze plukjes onkruid, zwarte velden van ruigten. Ook zij bewijzen dat het leven doorgaat omdat ze hier kunnen groeien. Alles is ingestort en uiteengevallen. Zij zijn de enigen die zich hier kunnen redden, omdat ze van natuur niet te veel verwachten, ze doden niet om te leven.

Het proces van de terugkeer van de stad naar een systeem dat bijna uitsluitend door mensenwetten en voor mensen wordt ingericht, vastgelegd op de foto’s uit die tijd, ontroert. Het ophouden van de schijn van normaliteit, zo snel mogelijk, in de kleine details van de alledaagsheid, zoals in de vorm van een klein kraampje met snijbloemen tegen de achtergrond van het in de verte uitgestrekte ruderale landschap. Het lijkt een zinloos gebaar, alsof het door niets meer dan wanhoop omringd is. Of wellicht is dit integendeel het meest onmisbare gebaar, dat ons eraan herinnert dat planten immers bewonderd kunnen worden, en geschonken kunnen worden, uit het hart geschonken kunnen worden, en dus dat ook mensen niet harteloos zijn.

Foto 3:  Zofia Chomętowska, De wijk Muranów, in het getto van Warschau, 1945–1970 © Chomętowscy / Fundacja Archeologia Fotografii
Foto 3: Zofia Chomętowska, De wijk Muranów, in het getto van Warschau, 1945–1970 © Chomętowscy / Fundacja Archeologia Fotografii

Achteraf gezien ziet men ook op deze foto’s hoe een nieuwe werkelijkheid na de oorlog ontstaat om het begin te vormen van een volgende, velen jaren durende catastrofe. Mokotów Veld, vlakbij de Polnastraat en de Technische Universiteit van Warschau, had een representatieve wijk moeten worden, vernoemd naar de maarschalk Józef Piłsudski, met het prachtige gebouw van de Nationale Bibliotheek precies op de plek waarop op de foto de koeien aan het grazen zijn. Verminkte mensen gaan binnenkort de verwoeste stad met een nieuw idee vullen dat alles zal veranderen en verstoren. Met uitzondering van planten, die, hoewel ze met ons de gemeenschappelijke ruimte delen, alleen aan hun wetten en hun eigen tijdsverloop onderworpen zijn.

En ze zijn er trouw aan, ongeacht het land, geogra-fische coördinaten of de geschiedenis die om hen heen woedt. Zo lijkt ook de mens en de menselijke geschiedenis onveranderlijk te zijn. Het is onmogelijk om niet op te merken dat de foto’s van de ruïnes van welke stad dan ook eigenlijk op elkaar lijken en uit dezelfde emoties voortkomen. Bergen bakstenen, puin, een stortvloed van licht en jonge bladeren. 

Dit essay verscheen oorspronkelijk onder de titel ‘Gruzowiska i młode liście’ [Puin en jonge bladeren] in: Patyki i badyle, Urszula Zajączkowska, uitgegeven door Marginesy, 2019.

Dit artikel werd samengesteld door Urszula Zajączkowska.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

360 heeft 1000 nieuwe leden nodig

Deze maand bieden wij daarom een deel van onze artikelen gratis aan. Zo kunt u vast kennismaken met ons aanbod. Leden blijven toegang houden tot onze maandelijkse digitale editie en het archief.