• De Balie
  • Reader
  • Europeaan deelt onbewust dezelfde waarden

Europeaan deelt onbewust dezelfde waarden

De Balie | Amsterdam | Susan Neiman | 15 september 2020

Europeanen vinden het zo vanzelfsprekend dat ze het zelf niet meer zien, maar er is wel degelijk sprake van een Europese demos: gedeelde en verbindende waarden, stelt de van oorsprong Amerikaanse Susan Neiman. Maar er ontbreekt ook iets: historisch besef.

Over de betekenis van het begrip ‘demos’ bestaan vele opvattingen, maar wat we eigenlijk willen weten is: bestaat er zoiets als een waarde die de Europeanen delen en die hen bindt? Mijn antwoord is: ja, wel degelijk, maar er ontbreekt ook een belangrijk element. Mijn perspectief is dat van een relatieve buitenstaander. Ik woon als volwassene al veel langer in Europa dan erbuiten, maar ik ben pas drie jaar geleden Duitse geworden, en daarmee Europees burger.

De eerste 27 jaar van mijn leven woonde ik in de Verenigde Staten. Ik heb me vaak krachtig verzet tegen Amerikaans beleid, maar de verkiezing van Donald Trump tot president maakte dat ik van nationaliteit wilde veranderen. Dat neemt niet weg dat mijn socialewaardenpatroon is gevormd in de Verenigde Staten, dus ook na tientallen jaren in Europa zijn veel van mijn fundamentele aannames over het functioneren van sociale systemen niet-Europees. Daardoor kan ik goed zien wat fundamentele, typisch Europese concepten zijn. En dan valt me op dat, net als de spreekwoordelijke vis die niet beseft wat water is, de Europeanen leven binnen referentiekaders die ze zo vanzelfsprekend vinden dat ze zijn vergeten hoe bijzonder ze zijn.

Een van die kaders is niet eens het belangrijkste, maar vormt wel de basis voor vele andere: de Europeanen delen al eeuwenlang een relatief klein grondgebied met vele culturen. En ja, ik weet dat ‘delen’ vaak nogal een eufemisme was. De naties of volkeren die elkaar bloedig bestreden over kwesties als territorium, taal, religie of tradities waren zich er scherp van bewust dat hun strijd juist ging over verschillende referentiekaders. Dus het idee dat een cultureel referentiekader niet door God gegeven is, of een natuurverschijnsel, is voor Europeanen heel gewoon.

Voor Amerikanen is dit moeilijk te bevatten. Ze begrijpen natuurlijk wel dat er praktische of concrete verschillen zijn tussen verschillende landen, net zoals er bijvoorbeeld praktische verschillen zijn tussen Maine en Mississippi. Maar het idee dat inwoners van het ene land dingen fundamenteel anders aanpakken dan inwoners van het andere, puur omdat ze heel verschillende, diepgewortelde culturele referentiekaders hebben, vinden veel Amerikanen bijna onbegrijpelijk.

Vakantiedagen

Voor een deel heeft dit een prozaïsche reden: in de VS bestaat geen wettelijk recht op doorbetaalde vakantiedagen – dit is een luxe, een gunst van de werkgever, en het is zelden meer dan twee weken per jaar. Dus kunnen relatief weinig Amerikanen met vakantie in het buitenland en dan meestal zo kort dat ze hooguit merken dat in een andere cultuur het eten anders is. Daarom gaan zelfs goed opgeleide Amerikanen ervan uit dat hún sociale en culturele referentiekader de algemene norm is; dat het er in andere landen heel anders aan toegaat, zien ze louter als een belangwekkende, exotische afwijking van die norm. 

Europeanen leven daarentegen veel te dicht op elkaar om te kunnen vergeten dat sociale referentiekaders niet vastliggen, en juist daardoor staan ze, in elk geval potentieel, open voor andere culturen. Ze spreken meer talen of hebben vrienden of kennissen in andere landen met wie ze het kunnen hebben over hun onderlinge verschillen. Europeanen weten niet beter dan dat ze één gebied delen met allerlei verschillende culturen. Daardoor beseffen ze niet dat dit een heel verrijkend concept is, dat ten grondslag ligt aan het besef dat dingen kunnen veranderen, dat de wereld niet zo’n vaststaand gegeven is als Amerikanen geneigd zijn te denken. 

Nog zo’n diepgewortelde waarde die Europeanen met elkaar delen: als je ziek bent, zou je niet gedwongen moeten worden – noch door de wet, noch door economische noodzaak – om te werken. Natuurlijk verschillen Europese landen in de manier waarop deze waarde wordt geconcretiseerd, maar Europeanen beschouwen het als een fundamenteel recht om tijdens ziekte niet te hoeven werken.

In de Verenigde Staten krijgt het ontbreken van arbeidsrechten pas aandacht sinds de coronacrisis. Zo’n 40 procent van de Amerikaanse werknemers – de groep die over het algemeen het minst verdient – hebben geen recht op ziek zijn. Ongeveer 60 procent van de werknemers heeft wel een vorm van ziekteverlof, dat wil zeggen een vast aantal dagen per jaar dat ze bij ziekte worden doorbetaald, maar voor de meesten zijn dat maar vijf dagen.

Essentiële beroepen

Door de pandemie wordt duidelijk dat de ‘essentiële beroepen’ – de mensen die de supermarkten bevoorraden, pakjes bezorgen, vuilnis ophalen doorgaans behoren tot die 40 procent zonder recht op ziekteverlof. Toen de levering van vlees in gevaar kwam door een golf van coronabesmettingen in de vleesverpakkingssector, verklaarde president Donald Trump vlees tot essentiële levensbehoefte. Hij bepaalde bij decreet dat werknemers die uit angst voor besmetting niet naar hun werk gingen, geen werkloosheidsuitkering zouden krijgen.

Erger nog: onder politieke druk van de Republikeinen in de Senaat is er een wet aangenomen die bedrijven beschermt tegen aansprakelijkstelling door werknemers die op de werkvloer besmet zijn geraakt met het virus. Dat betekent dat een werknemer die noodgedwongen moet werken zonder beschermende kleding en onder gevaarlijke omstandigheden en besmet wordt, de werkgever niet eens kan aanklagen. Samengevat: het kapitaal is helemaal beschermd, de werknemers helemaal niet.

In de Verenigde Staten is een aantal grondrechten vastgelegd in de Bill of Rights uit 1789. (De belangrijkste latere amendementen behelsden dat deze grondrechten ook gingen gelden voor Afro-Amerikanen en vrouwen.) De rechten die in 1789 als fundamenteel werden beschouwd, waren burgerrechten zoals vrijheid van meningsuiting, van beweging, van religie en politieke organisatie alsmede het – even bizarre als onzalige – recht om een onbeperkt aantal wapens te bezitten. Geen letter over wat in de negentiende eeuw sociale (grond)rechten zouden gaan heten.

Opendag bij scheepsmodelbouwclub Heemskerk, Nederland, A happy day in Europe, 2014. – © Lars van den Brink
Opendag bij scheepsmodelbouwclub Heemskerk, Nederland, A happy day in Europe, 2014. – © Lars van den Brink

Europeanen menen echter dat grondrechten weinig voorstellen als je je er door je levensomstandigheden niet op kunt beroepen. Wat heb je aan een vrije geest als je lichaam uitgemergeld is door honger, dakloosheid of ziekte? Dus omarmen veel Europese landen het principe dat een rechtvaardige samenleving haar burgers moet beschermen tegen de uitwassen van de ongebreidelde macht van het kapitaal – een opvatting die in de Verenigde Staten pas werd geformuleerd door de twintigste-eeuwse rechtsfilosoof John Rawls (1921-2002).

Weinigen die dit principe vanzelfsprekend vinden, zullen Rawls ooit gelezen hebben; het is vooral een kwestie van sociaal fatsoen. Maar daarom is elke Europese christendemocratische partij in elk geval in de praktijk veel linkser dan de Amerikaanse politicus Bernie Sanders. Wat hij wil verbeteren aan de Amerikaanse sociale wetgeving – in de eerste plaats het recht op gezondheidszorg en wat oppervlakkige verbeteringen van het arbeidsrecht – blijft ver achter bij wat een Europeaan aanvaardbaar zou vinden. 

Toch noemt Sanders zichzelf een socialist. Het klopt niet, maar hij kent wel de geschiedenis. Ik waardeer dat Sanders ons eraan herinnert dat het woord ‘sociaal’ in termen als ‘sociale rechten’ of ‘sociale markteconomie’ en soortgelijke begrippen zijn oorsprong vindt in het socialisme. Na de dood van president Roosevelt in 1945 is in de Verenigde Staten veel van het gedachtegoed van diens New Deal in diskrediet geraakt; dat ging zo ver dat zelfs de beperkte hervormingen van de gezondheidszorg die president Obama wilde doorvoeren, werden verketterd als socialistisch of communistisch.

Vanzelfsprekend

In Europa hebben, hoewel Oost en West zich na de oorlog heel verschillend hebben ontwikkeld, sociale rechten toch min of meer de status van onontkoombaarheid gekregen, zelfs voor degenen die niet meer (willen) weten dat die rechten een socialistische oorsprong hebben.

Als Europeanen worden opgeroepen om de Europese Unie meer te waarderen, wordt doorgaans aangevoerd dat de EU heeft gezorgd dat er geen oorlog meer is – als je de Balkanoorlog buiten beschouwing laat – in gebieden waar eeuwenlang bloedige conflicten heersten. Degenen die om meer waardering voor de EU vragen, wijzen er terecht op dat Europeanen ook vrede als iets vanzelfsprekends zijn gaan beschouwen.

Ik kan hier niet genoeg benadrukken dat ook de sociale rechten een Europese verworvenheid zijn. Europeanen beseffen niet hoe waardevol hun sociale rechten zijn, omdat ze die ook zijn gaan beschouwen als een natuurlijke vanzelfsprekendheid. Ze zijn zich er alleen scherper van bewust op momenten dat ze er zich (terecht) over beklagen dat die rechten in verschillende Europese landen niet even sterk ontwikkeld zijn; er zijn verschillen tussen noord en zuid, oost en west. Maar er is ook nog een andere reden, waarop ik hier kort wil ingaan. 

Weisenblasen om Grüner See, Oostenrijk, serie ‘A happy day in Europe,’ 2014. – © Lars van den Brink
Weisenblasen om Grüner See, Oostenrijk, serie ‘A happy day in Europe,’ 2014. – © Lars van den Brink

Sociale rechten zijn het product van de socialistische bewegingen die ze hebben afgedwongen, maar sinds 1989 is socialisme een vies woord – en niet alleen in Amerika. De grootste kloof tussen de Europeanen is wellicht het collectieve, grote gat in hun historisch besef. Voor veel Oost Europeanen lijkt socialisme te veel op communisme, wat op zijn beurt wordt gelijkgesteld aan stalinisme. In hun haast om de Oost-Europese landen die net lid van de EU waren geworden te gerieven, ondertekenden de andere Europese landen in 2009 de Verklaring van Vilnius.

Een van de resoluties van deze verklaring roept 23 augustus uit tot herdenkingsdag voor de slachtoffers van het totalitarisme – zowel van het communisme als van het fascisme. Daarmee werd een gelijkschakeling die de meeste historici als onjuist beschouwen in een verdragstekst vastgelegd en werd een complex vraagstuk, dat het verdiende om uitgebreid en diepgaand overdacht en besproken te worden, met een simpele goedkeuringsverklaring beklonken.

Uitgewist

Over dit thema werd wél diepgaand gediscussieerd tijdens de Historikerstreit die van 1986 tot 1988 onder Duitse intellectuelen woedde, maar vreemd genoeg werd de conclusie daarvan na 1989 volkomen vergeten. Die conclusie luidde – bij consensus – dat het zowel moreel als politiek onjuist was om communisme en fascisme aan elkaar gelijk te stellen. Weliswaar ontzegden beide systemen hun burgers de klassieke rechten op vrijheid van meningsuiting, reizen en soms godsdienst. Maar het ene systeem pleegde genocide, het andere niet.

De eminente Duitse historicus Hans-Ulrich Wehler, die zelf aan de polemiek had deelgenomen, betoogde in zijn samenvatting van het debat omstandig dat zelfs een van Stalins ergste wandaden, de bloedige vervolging van de koelakken, niet als genocide kon worden bestempeld: wat hun was overkomen was verschrikkelijk, maar de koelakken hádden een keuze. De joden hadden die niet.

Na de instorting van de Sovjet-Unie, waar de meeste van Stalins wandaden hadden plaatsgevonden, werden die nuances en argumenten snel vergeten en door de Verklaring van Vilnius en andere documenten werd het onderscheid eenvoudig uitgewist. Deugdelijk historisch besef is een van de slachtoffers van de gelijkschakeling van communisme en fascisme. De geschiedenis van het nazisme is gereduceerd tot een geschiedenis van het antisemitisme; het anticommunisme, minstens zo’n belangrijke pijler van de nazi-ideologie, wordt zelden als zodanig erkend en gememoreerd. 

Door te vergeten welke enorme verliezen het Rode Leger tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft geleden, kon West-Europa het beeld creëren dat de oorlog werd gewonnen op de stranden van Normandië – en konden de Oost-Europese landen onder het tapijt vegen hoeveel Litouwers, Oekraïners, Hongaren en anderen hadden deelgenomen aan de misdaden van de nazi’s. Deze verdringing van de geschiedenis is het gevolg van twee impulsen. De ene is de bizarre en historisch gezien nieuwe concurrentie om slachtofferschap, een zeer gecompliceerd psychologisch proces.

Europeanen moeten koesteren wat ze hebben opgebouwd

Tot lang na de Tweede Wereldoorlog zagen de West-Duitsers zichzelf als de grootste slachtoffers van de oorlog, niet als daders. Dat is in zekere zin normaal. We zien onze vaders, moeders, onze natie het liefst als helden. Als ze geen helden kunnen zijn, is de op een na beste optie ze als slachtoffer te zien.

Psychologisch is het erg moeilijk om toe te geven dat je zowel slachtoffer als dader van een misdaad bent. In Duitsland was dit een langdurig en moeizaam proces, waarbij afstand werd genomen van de misdadige aspecten van het verleden, maar een herwaardering plaatsvond van iconen – zoals Goethe – van de Duitse cultuur, die enige tijd als besmet gold omdat die was uitgemond in de nazi-ideologie.

Dit is een proces dat elk land moet doormaken en dat zal bijdragen aan een gedeelde Europese geschiedschrijving. Misschien nog belangrijker bij de verdringing van de geschiedenis is het verlangen zichzelf vrij te pleiten van schuld. Als communisme en fascisme worden beschouwd als twee gelijke kwaden, dan worden de strijders vóór het fascisme ook strijders tegen het kwaad (omdat ze tegen het communisme streden).

Dat verlangen zien we goed bij de voormalige Duitse president Joachim Gauck – een van de initiatiefnemers van de Verklaring van Vilnius –, die zich verontwaardigd toonde over het feit dat zijn vader, een hoge nazi-officier, jarenlang in een Sovjet-gevangenis heeft moeten doorbrengen. Maar de wetenschap bij Oost-Europese landen dat ze zelf deels hebben geheuld met de nazi’s maakt dat die landen er belang bij hebben om de ernstige wandaden van de Sovjets als nog erger af te schilderen dan ze waren.

Waardering

Ik doe niet aan voorspellingen; ik weet niet of er ooit een oprecht, openhartig verwerkingsproces zal plaatsvinden zoals de Duitse Vergangenheitsbewältigung, dat kan leiden tot een collectief Europees historisch besef. Ik wil de Europeanen wel op het hart drukken dat ze moeten koesteren wat ze hebben opgebouwd, zoals hun sociale rechten, al zijn die niet in alle Europese landen even sterk ontwikkeld.

We moeten beseffen dat het huidige Europa is gebouwd op idealen die verder gingen dan elkaar niet langer naar het leven staan. Er is nóg een waardenstelsel waar we eerst waardering voor moeten hebben, willen we ervoor kunnen strijden. Dat zal misschien niet leiden tot een gedeelde demos, maar het kan mogelijk wel uitmonden in waardering voor de waarden die de inwoners van Europa met elkaar delen.

Auteur: Susan Neiman

Susan Neiman (1955) is een Amerikaans-Duitse filosoof en essayist. Ze studeerde filosofie aan Harvard en de Freie Universität in Berlijn en was hoogleraar filosofie aan de universiteiten van Yale en Tel Aviv. Neiman is vooral bekend om haar zoektocht naar de wortels van ‘het kwaad’. Haar beroemdste boek is Het kwaad in het moderne denken. Dit jaar verscheen Wat we van de Duitsers kunnen leren, over hoe landen in het reine komen met hun beladen verleden.

Neiman schreef deze keynote tekst in opdracht van De Balie.

Dit artikel van Susan Neiman verscheen eerder in De Balie.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!

En ontvang wekelijks het beste uit de internationale pers in uw mailbox.