• Hollands Diep
  • Reader
  • Examens in empathie

Examens in empathie

Hollands Diep | Amsterdam | 08 juni 2015

‘I am human; nothing is alien to me.’

Het motto van Leslie Jamisons bundel Examens in empathie is tevens de rode draad die deze volstrekt unieke verzameling verbindt. In diepgravende en confronterende essays stelt Jamison fundamentele vragen aan de orde over ons begrip van de ander. Hoe is het mogelijk ons in te leven in andermans leed? Door zich te verdiepen in het complexe verschijnsel pijn – echte en verbeelde, van haarzelf en van anderen – legt Jamison een persoonlijke en culturele noodzaak om te voelen bloot.

Ik werk als medisch acteur. Dat betekent dat ik ziektes veins.
Ik word per uur betaald. Medicijnenstudenten proberen erachter te komen wat me mankeert. Ik ben een zogenaamde standaardpatiënt. Dat betekent dat ik me gedraag volgens de normen die voor mijn aandoening zijn vastgesteld. In het standaardjargon heet ik kortweg een sp. Ik beheers de symptomen van pre-eclampsie, astma en een blindedarmontsteking perfect. Ik speel een moeder met een baby die blauwe lippen heeft.

Medisch acteren werkt als volgt: we krijgen een script en een papieren ziekenhuishemd. We krijgen dertien dollar vijftig per uur. De scripts zijn tien tot twaalf pagina’s lang. Daarin wordt geschetst wat er mis is met ons, niet alleen waar we pijn hebben, maar ook hoe je die pijn tot uitdrukking brengt. Er staat in hoeveel we moeten prijsgeven en wanneer. We worden geacht de antwoorden volgens een bepaald protocol te onthullen. De scripts duiken diep in ons fictieve leven: hoe oud onze kinderen zijn, welke ziektes onze ouders hebben, hoe de vastgoedbedrijven en grafisch ontwerpbureaus van onze echtgenoten heten, hoeveel we het afgelopen jaar zijn afgevallen, hoeveel alcohol we wekelijks drinken.

Mijn specialiteit is Stephanie Phillips, een vrouw van drieëntwintig die lijdt aan een zogenaamde conversiestoornis. Ze rouwt om de dood van haar broer en haar verdriet manifesteert zich in toevallen. Ik had nog nooit van deze stoornis gehoord. Ik wist niet dat je van verdriet stuiptrekkingen kon krijgen. Het is de bedoeling dat zij dat evenmin weet. Het is niet de bedoeling dat ze denkt dat de toevallen iets met haar verlies te maken hebben.

Rouw
Rouw

stephanie phillips
Psychiatrie
sp-trainingsmateriaal
samenvatting: Je bent een drieëntwintigjarige patiënte die lijdt aan toevallen zonder herkenbare neurologische oorzaak. Zelf heb je geen herinnering aan je toevallen, maar anderen hebben je verteld dat je daarbij schuim om de mond krijgt en obsceniteiten schreeuwt. Je voelt een toeval doorgaans aankomen. De toevallen zijn twee jaar geleden begonnen, kort nadat je oudere broer in de rivier is verdronken, iets voorbij de Bennington Avenue Bridge. Hij was na het indrinken voorafgaand aan een footballwedstrijd met zijn dronken hoofd gaan zwemmen. Jullie werkten allebei bij dezelfde midgetgolfbaan. Dezer dagen werk je helemaal niet. Dezer dagen doe je al met al niet veel. Je bent bang dat je in het openbaar een toeval krijgt. Geen arts heeft je tot nu toe kunnen helpen.
Je broer heette Will.

medicatiehistorie: Je gebruikt op dit moment geen medicijnen. Je hebt nooit antidepressiva geslikt. Je hebt nooit gemeend die nodig te hebben. medisch verleden: Je hebt nooit ernstige problemen met je gezondheid gehad. Het ergste wat je is overkomen, is een gebroken arm. Will was erbij toen dat gebeurde. Hij heeft een ambulance gebeld en ervoor gezorgd dat je rustig bleef tot die kwam.

Gebroken arm Susan Smith
Gebroken arm Susan Smith

De gesimuleerde examens worden gehouden in drie speciaal daarvoor gebouwde, geschakelde kamers. Elke kamer is voorzien van een behandeltafel en een meekijkcamera. We toetsen tweede‑ en derdejaarsstudenten medicijnen en rouleren per vakgebied: kindergeneeskunde, chirurgie, psychiatrie.

Op een examendag voert elke student een consult met drie of vier acteurs die verschillende gevallen uitbeelden. De student zal bijvoorbeeld een vrouw met buikpijn met een pijnniveau van tien op een schaal van tien moeten palperen, vervolgens plaatsnemen tegenover een jonge advocaat met wanen en hem vertellen dat wanneer hij het in zijn dunne darm voelt wemelen van de kronkelende wormen, dat gevoel waarschijnlijk ergens anders vandaan komt. Daarna betreedt die medisch student misschien mijn kamer om me met een uitgestreken gezicht te vertellen dat ik op het punt sta vroegtijdige weeën te krijgen en te bevallen van het kussen dat vastgesjord zit op mijn buik. Of hij zal ernstig knikken als ik bezorgd over mijn zieke plastic baby zeg: ‘Hij is alleen zo stil.’

Zodra het consult van een kwartier om is, verlaat de medisch student de kamer en vul ik een evaluatielijst in over zijn of haar optreden. Het eerste deel is een controlelijst: Welke cruciale informatie wist hij/zij boven tafel te krijgen? Welke cruciale informatie liet hij/zij onbesproken? Het tweede deel bestrijkt betrokkenheid. Punt 31 wordt algemeen beschouwd als de belangrijkste categorie: ‘Verwoorde empathie voor mijn situatie/probleem’. We worden gewezen op het belang van dat eerste woord: verwoorde.

Baby’tje Doug met de longontsteking, gewikkeld in een goedkoop katoenen dekentje, gaat als een estafettestokje van hand tot hand

Met alleen een sympathieke houding of een zorgzame toon zijn ze er nog niet. De studenten dienen de juiste woorden te uiten om een positieve beoordeling voor medeleven te krijgen.

De sp’s hebben een eigen ruimte voor voorbereiding en ontspanning. We vormen groepjes: oude mannen in verkreukelde blauwe kamerjassen, kunststudenten in laarzen die te hip zijn voor onze papieren ziekenhuishemden, plaatselijke tieners in ziekenhuisponcho’s en sportbroeken. We helpen elkaar kussens ombinden. We reiken babypoppen aan. Baby’tje Doug met de longontsteking, gewikkeld in een goedkoop katoenen dekentje, gaat als een estafettestokje van hand tot hand. Binnen onze gelederen wemelt het van de buurttheateracteurs en bachelorstudenten met als hoofdvak acteren die op zoek zijn naar een podium, middelbare scholieren die een centje willen bijverdienen voor drank, gepensioneerden met veel vrije tijd. Ik ben schrijver, wat betekent: ik probeer niet op zwart zaad te zitten.

We spelen een demografische menagerie: jonge sporters met kruisbandblessures en zakenlui met een cocaïneverslaving. Soa-oma heeft onlangs haar echtgenoot bedrogen, met wie ze veertig jaar getrouwd is, en prompt gonorroe opgelopen. Ze verschuilt zich achter een masker van schaamte en het is de taak van haar medicijnenstudent om dat weg te trekken.

Als hij de juiste vragen stelt, zal ze halverwege het consult in gesimuleerde tranen uitbarsten.

Buddy Black-out wordt opgemaakt: een jaap in zijn kin, een blauw oog en bloeduitstortingen die in groene oogschaduw over zijn kaaklijn zijn uitgesmeerd. Hij heeft een aanrijding gehad waarvan hij zich niets kan herinneren. Voor zijn consult besprenkelt de acteur zijn lichaam met alcohol alsof het eau de cologne is. Volgens het script moet hij zich ‘per ongeluk’ details over zijn alcoholisme laten ontvallen, hints van een geheim dat hij angstvallig probeert te bewaren.

Onze scripts staan bol van de bloemrijke bijzonderheden: zwangere Lila’s echtgenoot is kapitein op een jacht dat ver weg in de wateren van Kroatië vaart. De gitaarspelende oom van Appendicitis-Angela is overleden toen zijn tourneebus in een tornado terechtkwam.

Veel van onze nabije en verre familieleden hebben een gewelddadige Midwesterse dood gevonden: ze zijn verpletterd bij een ongeluk met een tractor of een graanlift, op weg naar huis na het boodschappen doen aangereden door een dronken automobilist, geveld tijdens extreem weer of door een ongeluk met een vuurwapen tijdens het indrinken voorafgaand aan een Big Ten-wedstrijd – of, zoals mijn broer Will, door een minder luidruchtige nasleep van losbandigheid.

Platteland  Carl Wycoff
Platteland Carl Wycoff

Tussen de consulten door krijgen we water, fruit, mueslirepen en een eindeloze voorraad pepermuntjes. Het is niet de bedoeling dat we de studenten vermoeien met een slechte adem en knorrende maag, de bijwerkingen van ons eigenlijke lichaam.

Sommige studenten zijn zenuwachtig tijdens het consult. Het is als een ongemakkelijk afspraakje, behalve dat in de helft van de gevallen de ander een platina trouwring om heeft. Ik wil hun vertellen dat ik niet alleen maar een ongetrouwde vrouw ben die voor een zakcentje toevallen veinst.

‘Ik doe dingen!’ wil ik tegen hen zeggen. ‘Op een dag zal ik dit waarschijnlijk gebruiken in een boek!’ We babbelen even over het agrarische stadje op het platteland van Iowa waar ik zogenaamd vandaan kom. We begrijpen allebei dat de ander de details verzint en houden ons aan de afspraak om op elkaars verzinsels te reageren alsof we daarmee oprecht iets van onszelf prijsgeven. We houden de fictie tussen ons in als een springtouw.

Een keer vergeet een student dat we doen alsof en begint gedetailleerde vragen te stellen over de stad waar ik zogenaamd vandaan kom, maar waar hij toevallig echt vandaan blijkt te komen. Zijn vragen vallen buiten de kaders van mijn script, buiten mijn vermogen tot antwoorden, want eerlijk gezegd weet ik niet zoveel over de persoon die ik hier pretendeer te zijn of over de plaats waar ik zogenaamd vandaan kom.

Hij is onze afspraak vergeten. Ik bluf harder, grondiger. ‘Dat park in Muscatine!’ zeg ik, en ik sla als een oude man op mijn knieën. ‘Daar ging ik als kind altijd sleeën.’

Sleeën in het park. Randen Pederson
Sleeën in het park. Randen Pederson

Andere studenten komen meteen ter zake. Ze ratelen de punten op de klinische vragenlijst voor depressie af als een boodschappenbriefje: slaapstoornissen, veranderingen in de eetlust, verminderde concentratie. Sommigen zijn geïrriteerd als ik me aan mijn script houd en weiger oogcontact te maken.

Ik moet ineengedoken en apathisch blijven zitten. Die geïrriteerde studenten vatten mijn afgewende blik op als een uitdaging. Ze proberen alsmaar mijn blik te vangen. Door me zover te krijgen dat we oogcontact hebben, willen ze de overhand krijgen en me dwingen te erkennen dat ze blijk geven van de vereiste zorgzaamheid.

Ik raak gewend aan opmerkingen die agressief aanvoelen doordat ze steeds worden herhaald: ‘dat moet heel zwaar voor u zijn’ (dat uw baby stervende is), ‘dat moet heel zwaar voor u zijn’ (dat u bang bent dat u midden in de supermarkt een toeval zal krijgen), ‘dat moet heel zwaar voor u zijn’ (dat u in uw baarmoeder het bacteriële bewijs meedraagt dat u uw man hebt bedrogen). Waarom zeggen ze niet: ‘Ik kan het me gewoon niet voorstellen.’

Andere studenten lijken te begrijpen dat empathie altijd hachelijk tussen gunst en inbreuk balanceert. Ze drukken nog geen stethoscoop op mijn huid zonder eerst te vragen of ik dat goedvind. Ze hebben toestemming nodig. Ze willen niets zomaar veronderstellen. Hun gehakkel doet onbedoeld recht aan mijn privésfeer. ‘Mag ik… Zou ik misschien… Vindt u het erg als ik, eh, even naar uw hart luister?’ Nee, zeg ik. Dat vind ik niet erg. Het is mijn taak om het niet erg te vinden.

Hun terughoudendheid is zelf al een soort medeleven. Terughoudendheid betekent dat ze vragen stellen en vragen stellen betekent dat ze antwoorden krijgen en antwoorden betekent dat ze punten krijgen op de evaluatielijst: een punt als ze erachter komen dat mijn moeder antidepressiva slikt, een punt als ze me zover krijgen toe te geven dat ik de afgelopen twee jaar mezelf heb gesneden, een punt als ze erachter komen dat mijn vader toen ik twee was is omgekomen in een graanlift – als ze erachter komen dat een wortelstelsel van verlies zich radiaal en rizomatisch uitstrekt onder het volledige oppervlak van mijn leven.

Graanliften Jeff Wallace.
Graanliften Jeff Wallace.

Op die manier wordt empathie niet alleen gemeten aan de hand van punt 31 op de evaluatielijst (‘verwoorde empathie voor mijn situatie/probleem’), maar aan de hand van elk punt dat peilt hoe grondig men zich in mijn ervaring inleeft. Empathie is niet alleen eraan denken om ‘dat moet heel zwaar voor u zijn’ te zeggen. Het gaat erom manieren te verzinnen die problemen aan het licht brengen zodat ze überhaupt zichtbaar worden.

Empathie is niet alleen luisteren, maar ook de vragen stellen die antwoorden uitlokken waarnaar geluisterd moet worden. Empathie vereist zowel onderzoek als verbeelding. Empathie vereist dat je weet dat je niets weet.

Empathie betekent erkennen dat er een horizon van context is die zich oneindig ver buiten je blikveld uitstrekt: de gonorroe van een oudere vrouw is verbonden met haar schuldgevoel is verbonden met haar huwelijk is verbonden met haar kinderen is verbonden met de tijd dat ze zelf kind was. Dit alles is weer verbonden met haar door het huisvrouwenbestaan onbevredigde moeder en het onverbroken huwelijk van haar ouders. Misschien kan alles worden herleid tot haar eerste ongesteldheid, die haar zowel met schaamte als met opwinding vervulde.

Empathie betekent beseffen dat geen enkel trauma duidelijk afgebakend is. Trauma loopt uit. Als bloed uit wonden en dwars door grenzen heen. Verdriet wordt een stuiptrekking. Als reactie daarop vergt empathie een ander soort poreusheid. Mijn Stephanie-script is twaalf kantjes lang. Ik denk vooral aan wat er niet in staat.

‘Empathie’ komt van het Griekse empatheia – em (in) en pathos (gevoel) – een penetratie, een soort reis. Het woord suggereert dat je de pijn van een ander betreedt zoals je een ander land zou betreden, via de immigratiedienst en douane, grensoverschrijding door middel van vragen: Wat groeit er waar jij bent? Welke wetten gelden er? Welke dieren grazen er?

Ik heb over de toevallen van Stephanie Phillips nagedacht; in termen van bezit en privésfeer; ze zet haar verdriet om zodat het niet direct benoemd wordt en zorgt er daarmee voor dat het van haar blijft. Haar weigering om oogcontact te maken, haar onwilligheid om haar gevoelsleven toe te lichten, de manier waarop ze bewusteloos raakt op de momenten dat ze haar verdriet uit en zich daar dus achteraf niets van herinnert, het kunnen allemaal manieren zijn om haar verlies beschermd en intact te houden, onaangetast door de sympathie van derden.

‘Wat roept u tijdens zo’n toeval?’ vraagt een van de studenten.
‘Dat weet ik niet,’ zeg ik, en ik wil eraan toevoegen: ‘Maar ik meen het woord voor woord.’

Ik weet dat het tegen de regels zou zijn om dat te zeggen. Ik speel een jonge vrouw die haar verdriet zo diep heeft weggestopt dat ze het zelf niet eens kan zien. Ik mag het niet zo snel prijsgeven.

(….)

De eerste keer dat ik Appendicitis-Angela speel, moet ik ‘precies de juiste hoeveelheid pijn’ laten zien

Psychiatrie
sp-trainingsmateriaal (vervolg)
openingszin: ‘Ik heb last van toevallen en niemand weet hoe dat komt.’
fysiek voorkomen en toon: Je draagt een spijkerbroek en een sweater, bij voorkeur met vlekken of verkreukeld.

Je bent niet iemand die veel werk van haar uiterlijk maakt. Tijdens het consult zou je op een gegeven moment kunnen laten vallen dat je niet langer de moeite neemt leuk gekleed te gaan, aangezien je vrijwel nooit het huis verlaat.

Het is essentieel dat je tijdens het consult elk oogcontact mijdt en op vlakke, emotieloze toon praat.

Een van de moeilijkste aspecten van Stephanie Phillips spelen is haar gemoedstoestand te pakken te krijgen – la belle indifférence, het gedrag waarbij de patiënt onverschillig lijkt te staan tegenover zijn of haar fysieke symptomen. Het is een vaker voorkomend verschijnsel bij conversiestoornissen, een façade van onverschilligheid waarachter fysieke symptomen schuilgaan die mogelijk angsten verlichten en als bijkomend voordeel sympathie en aandacht van anderen kunnen opleveren.

La belle indifférence, het uitbesteden van emoties aan een lichamelijke uitdrukking, is een manier om empathie op te wekken zonder erom te vragen. In dat opzicht vormen consulten met Stephanie een soort grensgeval van empathie: de arts moet een verdriet opdiepen dat de patiënt nog niet heeft benoemd, hij of zij moet zich een pijn voorstellen die Stephanie zelf niet volledig kan beleven.

Bij andere gevallen is het de bedoeling dat we onze pijn zichtbaarder dragen, als een verschrikkelijk, ziedend gewaad.

De eerste keer dat ik Appendicitis-Angela speel, moet ik ‘precies de juiste hoeveelheid pijn’ laten zien. Ik lig in foetushouding te kermen en doe het kennelijk goed. De artsen reageren zoals het hoort. ‘Wat akelig voor u dat u zo’n ondraaglijke buikpijn hebt,’ zegt een van hen. ‘U voelt zich vast heel naar.’

Een deel van mij heeft altijd gehunkerd naar een pijn die zo zichtbaar is – zo onweerlegbaar en fysiek onontkoombaar – dat iedereen hem wel moet opmerken. Maar mijn verdriet om de abortus kwam nooit in de vorm van een stuiptrekking. Er was nooit een vertoning. Geen schuim om mijn mond. Ik was bijna opgelucht toen ik drie dagen na de ingreep pijn begon te krijgen. ’s Nachts waren de krampen het hevigst. Maar ik wist tenminste wat ik voelde. Ik hoefde niet te verzinnen hoe ik het moest uitleggen. Zoals Stephanie, die niet over haar verdriet sprak omdat haar toevallen dat al tot uitdrukking brachten – zijdelings, in een eigen taal, maar toch – en het substantie en een choreografie verleenden.

Verdriet Sylvia Sala
Verdriet Sylvia Sala

stephanie phillips
Psychiatrie
sp-trainingsmateriaal (vervolg)
dynamiek van het consult: Je geeft pas persoonlijke details prijs als ernaar wordt gevraagd. Je zou jezelf niet gelukkig noemen. Je zou jezelf niet ongelukkig noemen.

Soms voel je ’s avonds verdriet om het gemis van je broer. Dat vertel je niet. Je vertelt niet dat je een schildpad hebt die je misschien zal overleven en groene sneakers van je werk bij de midgetgolfbaan.

Je vertelt niet dat je vaak terugdenkt aan het stapelen van putters. Je vertelt desgevraagd wel dat je nog een broer hebt, maar niet dat je daarmee niet Will bedoelt, want dat spreekt voor zich; al komt die waarheid soms nog hard bij je aan. Je weet niet zeker of die dingen ertoe doen. Het zijn maar feiten. Het zijn feiten zoals het feit van opgedroogd speeksel op je wangen als je wakker wordt op de bank en je niet kunnen herinneren dat je ‘Fuck you’ tegen je moeder hebt geschreeuwd. ‘Fuck you’ is ook wat je arm zegt als die zo hard omhoogschiet dat hij zowat breekt. ‘Fuck you fuck you fuck you’ tot je kaak verkrampt en er niets meer komt.

Je leeft in een wereld achter de woorden die je in deze schone witte kamer uit: ‘Het gaat wel, het gaat best wel, ik ben geloof ik verdrietig.’ Je bent blind in deze andere wereld. Het is er donker. Je beweegt je erdoorheen via je toevallen, terwijl je om je heen slaat en rondtast en probeert te voelen waar de muren van gemaakt zijn.

Je lichaam was niets bijzonders tot het in opstand kwam. Misschien dacht je dat je dikke bovenbenen had en anders dacht je dat niet, nog niet. Misschien had je hartsvriendinnen die je tijdens logeerpartijtjes geheimen toefluisterden. Misschien had je veel vriendjes en anders wachtte je misschien nog op je eerste vriendje. Misschien was je als kind gek op eenhoorns en anders gaf je misschien de voorkeur aan gewone paarden. Ik stel me je in elke denkbare richting voor en dan wis ik mijn sporen en stel me je weer helemaal opnieuw voor. Soms kan ik niet uitstaan hoeveel ik niet van je weet.

Groene sneakers. Steven Guzzardi
Groene sneakers. Steven Guzzardi

stephanie phillips
Psychiatrie
sp-trainingsmateriaal (vervolg)
dynamiek van het consult: Je geeft pas persoonlijke details prijs als ernaar wordt gevraagd. Je zou jezelf niet gelukkig noemen. Je zou jezelf niet ongelukkig noemen.

Soms voel je ’s avonds verdriet om het gemis van je broer. Dat vertel je niet. Je vertelt niet dat je een schildpad hebt die je misschien zal overleven en groene sneakers van je werk bij de midgetgolfbaan.

Je vertelt niet dat je vaak terugdenkt aan het stapelen van putters. Je vertelt desgevraagd wel dat je nog een broer hebt, maar niet dat je daarmee niet Will bedoelt, want dat spreekt voor zich; al komt die waarheid soms nog hard bij je aan. Je weet niet zeker of die dingen ertoe doen. Het zijn maar feiten. Het zijn feiten zoals het feit van opgedroogd speeksel op je wangen als je wakker wordt op de bank en je niet kunnen herinneren dat je ‘Fuck you’ tegen je moeder hebt geschreeuwd. ‘Fuck you’ is ook wat je arm zegt als die zo hard omhoogschiet dat hij zowat breekt. ‘Fuck you fuck you fuck you’ tot je kaak verkrampt en er niets meer komt.

Je leeft in een wereld achter de woorden die je in deze schone witte kamer uit: ‘Het gaat wel, het gaat best wel, ik ben geloof ik verdrietig.’ Je bent blind in deze andere wereld. Het is er donker. Je beweegt je erdoorheen via je toevallen, terwijl je om je heen slaat en rondtast en probeert te voelen waar de muren van gemaakt zijn.

Je lichaam was niets bijzonders tot het in opstand kwam. Misschien dacht je dat je dikke bovenbenen had en anders dacht je dat niet, nog niet. Misschien had je hartsvriendinnen die je tijdens logeerpartijtjes geheimen toefluisterden. Misschien had je veel vriendjes en anders wachtte je misschien nog op je eerste vriendje. Misschien was je als kind gek op eenhoorns en anders gaf je misschien de voorkeur aan gewone paarden. Ik stel me je in elke denkbare richting voor en dan wis ik mijn sporen en stel me je weer helemaal opnieuw voor. Soms kan ik niet uitstaan hoeveel ik niet van je weet.

Om de medicijnenstudenten te helpen empathischer op ons te reageren, moeten wij ons in hen inleven. Ik probeer me voor te stellen waardoor ze tekortschieten in hun opdracht, welke nervositeit of aversie of botheid daaraan ten grondslag ligt, en probeer te bedenken hoe ik hun zwakke plekken kan aanspreken zonder ze te versterken: de student die zo formeel deed dat hij mijn hand schudde alsof we net een goede deal hadden gesloten, de opgewekte studente die zo graag beste maatjes wilde zijn dat ze haar handen niet waste.

Op een dag laten we een taart bezorgen voor de verjaardag van onze begeleider; droge witte cakelagen met aardbeienjam ertussen. We zitten aan onze vergadertafel met plastic vorkjes haar taart te eten terwijl zij niets eet. Ze legt uit op welke manier we de studenten moeten vertellen hoe ze meer empathie kunnen tonen. We moeten het patroon van ‘Toen jij… voelde ik…’ gebruiken. ‘Toen jij vergat je handen te wassen, voelde ik me bezorgd om mijn lichaam.’ ‘Toen jij zei dat elf niet op de pijnschaal zat, voelde ik me niet serieus genomen.’ Ook voor de positieve punten: ‘Toen jij me vragen stelde over Will, voelde ik dat je echt meeleefde met mijn verlies.’

Een onderzoek uit 1983 getiteld ‘The Structure of Empathy’ heeft een correlatie ontdekt tussen empathie en vier persoonlijkheidsclusters: gevoeligheid, non-conformisme, emotioneel evenwicht en sociaal zelfvertrouwen. Het woord ‘structuur’ spreekt me aan. Het impliceert dat empathie iets is wat we opbouwen, zoals een huis of een kantoor, met een architectuur en ontwerp, steigers en elektriciteit. Het Chinese karakter voor ‘luisteren’ is zo opgebouwd, het is een structuur van vele delen: de karakters voor oren en ogen, de horizontale streep die onverdeelde aandacht aangeeft, de gebogen lijn en traanvormige druppels van het hart.

Moed  Vandan Desai
Moed Vandan Desai

Hoog scoren op het cluster ‘gevoeligheid’ in het onderzoek voelt intuïtief. Het betekent je herkennen in uitspraken als ‘Ik heb me wel eens aan dichtpogingen gewaagd’ en ‘Ik heb wel eens zulke verdrietige dingen gezien dat ik er bijna van moest huilen’ en niet in uitspraken als ‘Het kan me werkelijk niets schelen of mensen me aardig vinden of niet’.

Dat laatste lijkt te suggereren dat empathie in wezen een soort ruilhandel zou kunnen zijn, een bod op iemands sympathie: ‘Ik leef mee met jouw pijn’ als een andere manier om te zeggen ‘Ik leef mee als jij me aardig vindt’. We leven mee zodat men meeleeft met ons.

We leven mee omdat we poreus zijn. De gevoelens van anderen zijn van belang, zijn letterlijk gewichtig: ze leggen gewicht in de schaal, hebben een zwaartekrachtwerking.

Het is het laatste cluster, dat van het sociaal zelfvertrouwen, dat ik niet echt begrijp. Ik heb empathie altijd beschouwd als het voorrecht van de onzichtbaren, de toeschouwers die verlegen zijn juist omdát ze zoveel aanvoelen; omdat het overweldigend is om ook maar iets te zeggen als je gevoelig bent voor elke afzonderlijke flard van nuance in de kamer.

‘De relatie tussen sociaal zelfvertrouwen en empathie is het lastigst te begrijpen,’ geeft het onderzoek ook toe. Maar de verklaring die het biedt, snijdt hout: sociaal zelfvertrouwen is een voorwaarde, maar geen garantie. Het kan ‘een persoon de moed geven om de interpersoonlijke wereld te betreden en empathische vaardigheden toe te passen’. Het gaat erom dat we ons zouden moeten inleven vanuit moed. Daardoor besef ik hoe vaak mijn empathie voortkomt uit angst. Ik ben bang dat de problemen van anderen mij zullen overkomen of ik ben bang dat anderen niet langer van me zullen houden als ik hun problemen niet aanneem als de mijne.

Jean Decety, een psycholoog aan de universiteit van Chicago, meet aan de hand van fMRI-scans wat er gebeurt als iemands hersenen op de pijn van een ander reageren. Hij laat proefpersonen beelden zien van pijnlijke situaties (een hand tussen een schaar, een voet onder een deur) en vergelijkt deze scans met die van hersenen op het moment dat een lichaam concrete pijn ervaart. Decety heeft ontdekt dat bij iemand die zich de pijn van anderen voorstelt dezelfde drie hersengebieden (prefrontale cortex, achterste insula, achterste cingulate cortex) worden geactiveerd als bij iemand die zelf pijn beleeft. Die overeenstemming sterkt me. Maar ik vraag me ook af waar het goed voor is.

Toen ik gedurende de maanden dat mijn broer last had van aangezichtsverlamming elke ochtend na het wakker worden mijn gezicht controleerde op een verzakte wang, een hangend oog, een scheve glimlach, bood ik daar niemand steun mee. Mijn gevoelens waren niet zozeer op mijn broer gericht als wel op een versie van mijzelf, een zelf dat niet bestond, maar theoretisch zijn ongeluk deelde.

Empathie is inspanning, het saaiere zusje van impulsiviteit

Ik vraag me af of mijn empathie altijd, in alle gevallen, zo is geweest: niet meer dan een vlaag van hypothetisch zelfbeklag dat ik op een ander projecteerde. Was het uiteindelijk gewoon solipsisme? Adam Smith schrijft in zijn Theory of Moral Sentiments: ‘Als we een arm omhoog zien gaan om een klap te geven op het been of de arm van een ander, krimpen we automatisch ineen en trekken we ons eigen been of onze eigen arm in.’

We geven om onszelf. Natuurlijk doen we dat. Misschien levert dat ook iets goeds op. Als ik mijn broers pijn met alle macht probeer na te voelen, voel ik misschien enigszins aan wat hij wil of nodig heeft omdat ik dan denk: ik zou dit willen, of: ik zou dat nodig hebben. Maar het lijkt ook een fragiel voorwendsel om zijn tegenslag om te zetten in een gelegenheid voor mezelf om toe te geven aan mijn eigen grootste angsten.

Ik vraag me af welke delen van mijn hersenen oplichten wanneer de studenten me vragen: ‘Hoe voelt u zich daaronder?’ Of welke delen van mijn hersenen gaan gloeien wanneer ik zeg: ‘De pijn in mijn buik is een tien.’ Mijn aandoening is niet echt. Dat weet ik. Dat weten zij. Ik doorloop alleen maar het voorgeschreven proces. Zij doorlopen alleen maar het voorgeschreven proces. Maar het voorgeschreven proces doorlopen kan de routine ontstijgen. Je speelt niet alleen gevoelens, er komen ook gevoelens uit voort.

Empathie is niet alleen maar iets wat ons overkomt – een meteorenzwerm die door de synapsen in je hersenen wordt afgevuurd. Empathie is ook een keus: om aandacht te geven, om medeleven te voelen. Empathie is inspanning, het saaiere zusje van impulsiviteit. Soms geven we om elkaar omdat we weten dat dat zo hoort of omdat de situatie erom vraagt, maar dat maakt onze sympathie niet hol. Het feit dat we kiezen betekent alleen maar dat we ons verbonden hebben aan een reeks gedragingen die groter is dan de som van onze individuele neigingen: ik zal naar zijn verdriet luisteren, ook al heb ik zelf ook veel verdriet. ‘Het voorgeschreven proces doorlopen’ wil niet zeggen dat je iets afdoet aan de inzet, maar juist dat je erkent welke moeite het kost om je doel te bereiken: je verplaatsen in de gemoedstoestand of gevoelstoestand van een ander.

Deze erkenning dat er sprake is van inspanning schuurt met de opvatting dat empathie altijd ongevraagd zou moeten optreden, dat ‘oprecht’ hetzelfde betekent als ‘spontaan’, dat opzettelijkheid de vijand is van liefde. Maar ik geloof in opzet en ik geloof in ergens moeite voor doen. Ik geloof in midden in de nacht opstaan en je koffer pakken en je slechtste ik achterlaten ten gunste van je betere ik.

Leslie Jamison, Examens in empathie, Hollands Diep (mei 2015)
Vertaling: Maaike Bijnsdorp

Leslie Jamison is een Amerikaanse romanschrijfster en essayiste. ‘Exams in Empathy’ is haar tweede boek. Jamisons eerste boek, de roman ‘The Gin Closet’, verscheen in 2010 en werd positief ontvangen door de critici.

Dit artikel van verscheen eerder in Hollands Diep.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!

En ontvang wekelijks het beste uit de internationale pers in uw mailbox.