• 360 Magazine
  • Cultuur
  • Gerecenseerd

Gerecenseerd

360 Magazine | Amsterdam | 15 mei 2018

360 kiest een aantal door de buitenlandse pers beschreven concerten, voorstellingen, boeken, films en exposities die naar Nederland of België komen.


Een liefdesverklaring aan de Swinging Sixties

DOCUMENTAIRE | 85 minuten goeie ouwe lol

De jeugd vindt zichzelf wijs zoals een dronkenlap denkt dat ie nuchter is, schreef auteur en componist Anthony Burgess over de swingingsixtiesgeneratie in Londen. Al was wijsheid misschien niet zozeer wat ze ambieerden. ‘Toen de oorlog eenmaal voorbij was werden we naar Maleisië en Korea gestuurd om mensen te doden,’ zegt acteur Michael Caine tegen The Independent. ‘De jaren vijftig werden gedomineerd door smog en rantsoenen. En toen kwamen de sixties, en besloten we dat we plezier wilden maken.’

Lol, daar verlangden ze naar, en drugs, en het omverwerpen van het gezag, of van wat op school werd aangeduid als hun ‘betters’, vertelt Caine.

De acteur, bekend van o.a. Alfie en The Italian Job en inmiddels 85, maakte een documentaire over de jaren van zijn jeugd: My Generation. Grote namen als Paul McCartney, Joan Collins, Marianne Faithfull en Twiggy werden urenlang geïnterviewd om hun herinneringen met de kijker te delen. Het beeld bestaat uitsluitend uit opnamen van toen: alleen Caine is in zijn huidige verschijning te zien. Anders zou de aandacht maar worden afgeleid van de sfeer van toen, licht Caine toe. Vanwege al die oude koppen, vult Peter Bradshaw van The Guardian aan. Hij vindt het een teleurstellende beslissing dat de acteurs niet echt in de documentaire voorkomen, en betreurt eveneens een gebrek aan aandacht voor films (de focus ligt op popsterren), tv en Cliff Richard.

Daarnaast vindt hij niet dat Caine en zijn kringen representatief waren voor de tijd: ‘Voor de meeste mensen buiten maar ook binnen Londen sleepten de jaren zestig zich net zo goed voort als de jaren vijftig en veertig.’ Een interview met Caine in The Spectator kopt inderdaad: ‘Iedereen die ik kende werd rijk’.

Volgens Bradshaw is de grootste waarde van de documentaire dat we eraan worden herinnerd hoe afkeurend veel mensen van de oudere generatie waren over de hoogvliegers van de jarenzestigrevolutie

RadioTimes benoemt de ironie dat deze wildebrassen het een halve eeuw later over ‘die goede ouwe tijd’ hebben, zoals hun ouders het over de jaren voor de oorlog hadden. Maar volgens The Independent laat My Generation goed zien waarin deze tijd baandoorbrekend was: de opkomst van de arbeidersklasse, die in de woorden van McCartney ‘zo gek nog niet bleek en bovendien best talentvol’, en een gebrek aan seksisme: ‘Mary Quant, Twiggy, Jean Shrimpton waren net zo belangrijk voor deze tijd als Caine of [fotograaf David] Bailey.’

Volgens Bradshaw is de grootste waarde van de documentaire dat we eraan worden herinnerd hoe ‘afkeurend veel mensen van de oudere generatie waren over de hoogvliegers van de jarenzestigrevolutie. (…) Ze hadden niet door hoe absurd ze klonken. Het was de eeuwenoude jaloezie en ergernis van de ouden tegenover de jongen. Tegenwoordig verbloemen we dat beter in onze schimpende verwijzingen naar “de millennials”. Maar vervang die term door “de jeugd” en die lollige commentatoren van nu lijken ineens verdacht veel op die van de opgeblazen types die vonden dat Mick Jagger zijn haar moest knippen en in het leger dienen.’

Een recensent van de Engelse Metro, die zelf dichter bij de millennialgeneratie staat, zegt niets nieuws van My Generation te hebben geleerd. Maar ‘door de beelden en soundtrack krijgen de swingende sixties wel degelijk een relevantie voor deze tijd’. Variety noemt de documentaire een liefdesverklaring en belooft de kijker ‘85 minuten goeie ouwe lol’.

Vanaf 31 mei in de bioscopen.

© Concertgebouw
© Concertgebouw

MUZIEK | Wie durft, wint

De dirigent die Bach naar Japan bracht

Het plan van de Japanse dirigent Maasaki Suzuki om een Bach Collegium Japan in Kobe en Tokio op te zetten, een orkest en koor gespecialiseerd in het uitvoeren van barokmuziek op authentieke instrumenten, werd aanvankelijk met scepsis bekeken. Inderdaad liep Suzuki toen hij in 1990 aan de realisatie begon tegen aanzienlijke problemen aan, vertelt hij Erica Jeal van The Guardian: hij moest de muziekstijl in Japan introduceren, muzikanten vinden die de oorspronkelijke instrumenten bespeelden (aanvankelijk kwamen die vaak uit Europa), en dan was er nog het probleem dat Japanse koorlieden de bijbelse referenties uit de teksten van Bach niet altijd even goed konden plaatsen, zodat Suzuki, die tot de 3 procent christenen van Japan behoort, ze voor hen vertaalde: ‘Een heel karwei! Soms overdrijf ik mijn uitleg een beetje om een concept over te brengen.’ Net als Bach, die hij ‘een natuurlijk verlengde van mijn leven’ noemt, behoort hij tot de Lutherse Kerk.

Maar de scepsis betrof vooral de ideologische kant van het plan. Na een optreden in Tel Aviv, vertelt Suzuki aan Jeal, schreef een Israëlische recensent dat hij een verband tussen Japan en Bach sowieso afkeurde. Een auteur van The Guardian sloot een positieve recensie af met de geruststellend bedoelde woorden ‘Dit is geen Bach in Komono’.

Suzuki, die als zoon van twee muzikale ouders opgroeide in Tokio en later studeerde aan het Conservatorium in Amsterdam, kan er wel om lachen. Inmiddels is zijn Collegium ook in Europa en de Verenigde Staten bekend en won hij onder andere een Gramophone Award, de meest prestigieuze prijs binnen de klassieke muziek. ‘Zijn timing is onberispelijk en de energie op een mooie manier meedogenloos’, schrijft Presto Classical. The New York Times is in het bijzonder onder de indruk van de drie trompettisten, ‘gezien de moeilijkheid om een barokke versie van het instrument te bespelen’. ‘Wie durft, wint’, concludeert The Guardian over Suzuki’s omstreden project.

De dirigent breidde zijn repertoire inmiddels uit tot onder meer de missen van Mozart, en hij wil ook vroeger werk gaan uitvoeren, zoals van Schütz and Monteverdi. Maar, schrijft The Spectator in een artikel met de curieuze kop ‘Denkt Maasaki Suzuki dat zijn publiek zal branden in de hel?’, ‘Hij praat nog steeds over de Hohe Messe alsof hij deze gister ontdekt heeft. (…) ‘Hij zingt de woorden “in remissionem peccatorum” aan me voor om me aan hun pracht te herinneren. Geen wonder dat in Suzuki’s vertolking van Bachs cantata’s de inspiratie in elke toon doorklinkt.’

Het antwoord op de vraag uit de kop luidt trouwens ontkennend. Wel gelooft Suzuki dat ‘de Heer de harten via muziek kan beroeren’ – zoals ook Bach dat volgens de recensent geloofde. Een Europese dirigent was deze vraag waarschijnlijk niet gesteld.

Op 29 mei speelt het Bach Collegium Japan Mozarts Mis in c in het Concertgebouw, Amsterdam.


LITERATUUR | Geen literatuur, maar hekserij

De Braziliaanse Kafka, of Beckett, of Joyce

Twee jaar geleden verscheen een biografie over het leven van de Braziliaanse auteur Clarence Lispector (1920-1977) van Benjamin Moser. Voordat hij eraan begon was hij door een vriend gewaarschuwd dat haar werk ‘geen literatuur, maar hekserij’ was. ‘Sinds haar dood is haar betovering alleen maar toegenomen’, schrijft Moser in The New Yorker. ‘Destijds zou het overdreven zijn geweest om haar de belangrijkste moderne auteur van haar land te noemen. Nu gaat het zelfs niet langer om het artistieke aspect. Het gaat om de overweldigende aantrekkingskracht waarmee ze degenen die er ontvankelijk voor zijn inspireert. Het lezen van haar boeken is voor velen een van de emotioneelste gebeurtenissen van hun leven.’

Lispector werd onder barre omstandigheden geboren in Oekraïne en woonde tot haar drieëntwintigste in Brazilië, waarna ze een diplomaat trouwde en vijftien jaar in het buitenland verbleef. Ze was exceptioneel mooi, intelligent en mysterieus en debuteerde op jonge leeftijd met Dicht bij het wilde hart. Dat het haar in eigen land aanvankelijk moeite kostte gepubliceerd te worden, kwam volgens vrienden niet alleen door haar ingewikkelde proza, maar ook door haar karakter. ‘Een van haar lezeressen smeekte haar om een ontmoeting omdat ze hoopte op een diepgaande band. Toen de fan arriveerde, zat Lispector daar maar naar haar te staren, zonder een woord te zeggen, net zolang tot de vrouw uiteindelijk het appartement uit vluchtte.’

De titel van haar eerste roman is ontleend aan James Joyce, waarvan Lispector destijds niks gelezen had. (Volgens haar Amerikaanse vertaler Elizabeth Bishop was ze de ‘meest niet-literaire auteur die ze ooit ontmoette’; ze zou nooit een boek inkijken.) Meteen werd ze met de Ierse meester vergeleken. En vervolgens ook met Beckett, omdat ze net als hij het onnoembare wilde benoemen, schrijf Irish Times, met Woolf (een vergelijking die ze niet prettig vond omdat Woolf een einde maakte aan haar leven, terwijl ze zelf ondanks dat het haar zwaar viel vastbesloten was door te zetten), met Spinoza, in de manier waarop ze het individu wil ‘deheroïseren’, met Nietzsche, vanwege haar existentiële blik. Biograaf Moser noemt de vertaling van haar werk in het Amerikaans het belangrijkste vertaalproject uit Zuid-Amerika sinds het verzamelde werk van Borges. Bishop schreef in een brief aan dichter Robert Lowell dat ze Lispector zelfs béter vindt dan Borges.

‘Boeken als dit wijzen erop dat een onderdrukkende omgeving niet de werkelijkheid is en het nooit zal zijn’

Bij het boek De passie volgens GH ligt een vergelijking met Kafka voor de hand. Hierin besluit een vrouw de kamer van haar vertrokken dienstmeid op te ruimen, en plet ze per ongeluk een kakkerlak tussen de deur. Vervolgens komt ze tot diepgaande inzichten over haar eigen leven. In LitHub schrijft journalist Scott Esposito: ‘Wie anders dan Lispector zou het aandurven het sap uit een stervende kakkerlak als aanzet te gebruiken voor een existentiële crisis die het hoofdpersonage doet inzien dat haar materiële leven een leugen is?’

Volgens Electric Literature is het boek zoals haar meeste werk sterk autobiografisch. ‘Ik ben niets’, zou ze haar psychiater eens hebben geschreven. ‘Ik voel me net zo’n insect dat zich ontdoet van zijn huid. Die huid heet Clarence Lispector.’

Esposito van LitHub beschrijft hoe De passie volgens GH ‘zijn leven redde’ toen hij zich na jaren reizen probeerde neer te leggen bij een saaie kantoorbaan. ‘Het boek herinnerde me aan de zelf waaraan ik trouw wilde zijn. En gaf me de moed dat te doen. Boeken als dit (…) wijzen erop dat een onderdrukkende omgeving niet de werkelijkheid is en het nooit zal zijn.’

Er zijn er ook die de Lispector-devotie te ver gaat. Uitgever Alfred Knopf constateerde na het lezen van een van haar boeken dat hij er geen woord van begrepen had, schrijft Nicholas Shakespeare van The Telegraph. Zelf denkt hij dat Lispector inderdaad het soort boeken schreef waar mensen in een bepaalde fase van hun leven troost in vinden, die ze inspireert om zelf te schrijven, maar vindt hij bij nadere bestudering dat ze ‘een hoop gebazel’ bevatten. ‘Als Clarice Lispector inderdaad op de plank naast Kafka, Woolf en Joyce thuishoort (…) dan is dat om te benadrukken wat zij niet zijn.’

De passie volgens GH verschijnt half mei bij De Arbeiderspers, in een vertaling van Harrie Lemmens.

Auteur: Laura Weeda

Openingsbeeld: © Literary Hub

Dit artikel werd samengesteld door Laura Weeda.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!

En ontvang wekelijks het beste uit de internationale pers in uw mailbox.