• Granta
  • Cultuur
  • Groen van regen, donker van hartstocht

Groen van regen, donker van hartstocht

Granta | Londen | 13 juni 2016

Volgens de Ierse auteur Kevin Barry is de stad Cork, waar hij zijn eerste schreden zette op het schrijverspad, een hooghartig en twistziek heerschap met een hang naar melancholie.

1.

Als steden mannelijk of vrouwelijk zijn, zoals Jan Morris denkt, dan is Cork een man. En als ik hem verder zou personifiëren, zou ik hem klein van stuk, twistziek en stevig gebouwd noemen, iemand die niet over zich heen laat lopen. Hij heeft een hooghartige houding die misschien niet geheel terecht is, maar in een vriendelijker licht kan hij een koninklijke indruk maken. Hij is beslist melancholiek. Hij is geneigd tot surrealistische opwellingen en groteske grollen en is gezegend met een aangename muzikale intonatie. Hij geeft niet makkelijk geld uit. Neigt naar liberalisme. Hij is redelijk cool, meestal heel relaxed, en smoorverliefd op zichzelf.

Dat laatste is in elk geval waar: de stad Cork is stapelgek op zichzelf en heeft het bijna nergens anders over. En terecht: het is een fantastische stad, het is er ontzettend leuk en er heerst een opera-achtige sfeer. Met opera-achtig bedoel ik een aangeboren neiging tot melodrama: emoties worden hartstochtelijk gevoeld en hartstochtelijk geuit: de handgebaren zijn haast Italiaans. Ik heb er vanaf mijn begin twintigste tot begin dertigste gewoond en de stad is in veel opzichten verantwoordelijk voor het schepsel dat ik geworden ben, iets wat ik de stad niet nadraag. Als ik er nu nog weleens naartoe ga, voelt het zelfs een beetje alsof ik thuiskom.

2.

Ik heb op misschien wel tien verschillende adressen in Cork gewoond. Ik kan in gedachten van het ene adres naar het andere lopen: van de zolderkamer naar het rijtjeshuis naar de veredelde zit-slaapkamer, en dan wandel ik grofweg in een cirkel rond het centrum. Cork is een compacte maar enigszins verwarrende stad: het lijkt alsof je er steeds met een boog terugkomt bij de rivier de Lee. Het grootste deel van de stad ligt binnen een bocht van de rivier. Je steekt voortdurend bruggen over, die alleen maar leiden naar volgende bruggen over dezelfde rivier. Je ziet de Lee zich maar zelden ergens naartoe haasten.

Brug over de Lee, waar in James Joyces debuut 'A Portrait of the Artist as a Young Man' (1916) ook wordt verwezen.  – Alain Le Garsmeur / Getty
Brug over de Lee, waar in James Joyces debuut ‘A Portrait of the Artist as a Young Man’ (1916) ook wordt verwezen. – Alain Le Garsmeur / Getty

3.

Cork is gebouwd op moerasgronden en er heerst een vochtigheid die je botten binnendringt. Daar wordt een mens tegelijk tuberculeus en poëtisch van. In de Ballyhooly Road trok ik altijd twee truien aan als ik naar bed ging. Ik woonde op een achterkamer van wat ooit een boerderij is geweest, voordat deze buurt net ten zuiden van Mayfield door de buitenwijken werd opgeslokt. Aan het plafond van de keuken hingen enorme haken om de hammen buiten het bereik van dieren te houden. Achter het beschot zat een rat, die noemden we Frank, naar het Ierse woord voor rat: ‘an Francach’ dat letterlijk ‘Fransman’ betekent. Frank werd laat op de avond altijd erg luidruchtig, tot we hem vergiftigden.

Ik was hartstochtelijk eenzaam, zo eenzaam als je alleen maar kunt zijn als je een jaar of vijfentwintig bent

’s Zomers was het een prima huis, maar ’s winters was het een nachtmerrie. We zaten daar met vijf of zes mensen – het was dan ook enorm. Mijn slaapkamer keek uit op de Glen, een overgebleven uitgestrekt stuk platteland aan de noordkant van de stad. Dat was een metropool van vooral schriele konijnen, waar ’s nachts op werd gejaagd door kerels met speciaal uitgeruste auto’s (meestal oude Kevers) met felle koplampen en een extra zitting op de motorkap voor de schutter. Op winteravonden lag ik in bed te luisteren naar de geweerschoten en keek ik naar de ijspegels die zich aan de binnenkant van mijn kozijn vormden. Er was geen centrale verwarming. Ik lag onder dertig centimeter dikke laag slaapzakken, dekens en jassen. Ik was vastbesloten om voor Cork te zijn wat Saul Bellow voor Chicago was geweest, maar dat werd geen succes. Niet in de laatste plaats door de hoeveelheid hasj die ik rookte.

4.

Op een zomeravond na middernacht hoorde ik vanuit diezelfde kamer ergens in een tuin een vrouw zingen. Ik herkende – en herinner me – het lied niet, maar haar stem zoals die in het donker klonk was buitengewoon prachtig en veroorzaakte een gevoelvolle stilte in het gezelschap waarin de vrouw zich bevond. Ik was hartstochtelijk eenzaam, zo eenzaam als je alleen maar kunt zijn als je een jaar of vijfentwintig bent, en ik lag in bed met de ramen open te luisteren naar het lied waar ik zó ontroerd door raakte dat ik probeerde om op telepatische wijze berichten te verzenden naar een meisje dat op dat moment aan de andere kant van de stad lag te slapen. Ook dat werd geen succes.

5.

Cork is zo zuinig met geld omdat er ooit maar zo weinig van was, en dat was dan ook nog in het bezit van slechts weinigen. De handelsbaronnen die de stad altijd hebben bestierd, zijn er nog steeds hoog boven verheven. Er is een bepaald Corks gezicht – welvarend, roze, gezet en mannelijk – dat al eeuwenlang glimlachend toeziet op de handel in en rond de South Mall. Zij kopen en verkopen de stad. Ze kijken minachtend neer op Dublin – er werd idealiter handel gedreven met het vasteland, en Cork was de noordelijkste stad van het Middellandse Zeegebied. Die baronnen voeren nog steeds de heerschappij, al gaan ze tegenwoordig rond hun tweeënvijftigste met pensioen. Ze dalen ’s ochtends vanuit hun schitterende victoriaanse huizen de heuvel af en drinken koffie met elkaar in het Imperial Hotel aan de South Mall. Daar logeer ik zelf ook vaak en ik leg graag rond een uur of elf ’s ochtends mijn oor te luister in de hotelbar. Ze prijzen de scones – betere krijg je toch nergens? Hun zinnen eindigen met een zangerige hoge intonatie; alle gegoede burgers van Cork hebben een aangeboren aanstellerigheid. Ze hebben het over hun dochter in New York of hun boot in Kinsale. Hun stem is fluweelzacht en hun ogen zijn vochtig van weemoed. Ze hebben het over de glorietijd van de Mall. Ze praten erover alsof het een aparte wereld is.

Cork is in veel opzichten altijd een soort stadstaat geweest, gerelateerd aan maar niet verbonden met de rest van Ierland. Aan het begin van de twintigste eeuw was Cork voor Ierse begrippen uitzonderlijk industrieel – het leek meer op een Noord-Engelse dan op een Ierse stad. En er heeft altijd een ondernemersklimaat geheerst. Kwam Henry Ford hier immers niet vandaan?

De haven van Cork. – © Alain Le Garsmeur / Getty
De haven van Cork. – © Alain Le Garsmeur / Getty

6.

Nadat de Ford-fabriek in de jaren tachtig werd gesloten, ging het met Cork al snel bergafwaarts. Toen ik er in 1992 kwam wonen, zat de stad duidelijk op zwart zaad. Dat was helemaal zo slecht nog niet: het werd een ideale plek voor creatievelingen. De pubs zaten overdag bijna vol en er werd heel goedkoop bier geschonken. De Liberty in North Main Street (moge hij rusten in vrede) verkocht flessen Linden Village-cider. De Pot Black-pool/biljartzaal in Washington Street was een opleidingsinstituut voor veelbelovende cannabisverkopers. De klassenmaatschappij bleef gehandhaafd, behalve in de nachtclub Sir Henry’s in South Main Street, waar alle lagen van de bevolking zich met elkaar vermengden in een roes van ecstasy en housemuziek; de grap onder de kakkineuze studentachtige types over Henry’s was dat je pas wist met wie je stond te zoenen als om twintig over twee na het laatste nummer de lichten aangingen. Een historische, rond 1993 afgeluisterde dialoog op de heren-wc van Sir Henry’s tussen twee jonge Corkonians die hun ecstasy-inname bespraken:

Corkonian 1: Hoeveel heb jij er gehad?
Corkonian 2: Zes. En ik heb er nog eentje thuis voor straks.

In die periode was ik de nachtclubcorrespondent voor de Razz, een uitgaanskrant van de stad. Dat was een uiterst inspannende aangelegenheid die ik nog net kon volhouden. ’s Winters liepen we de hele nacht de feesten af, waarna we de volgende middag om halfzes opstonden en boterhammen met uitgebakken spek aten. Dan zagen we maandenlang geen daglicht, hooguit een halfuurtje zompige grijze schemering op een zaterdag in januari. Het was een magische plek. Onze kamers werden verlicht door turfbriketten en de gloed van onze sigaretten. Je kon er heel snel je ambities uit het oog verliezen. Tegelijkertijd heerste er een gezonde doe-het-zelfmentaliteit: er werden clubavonden, schnabbels, piratenzenders, theatervoorstellingen, exposities en cabaretvoorstellingen georganiseerd. Als niemand geld heeft, is iedereen even welgesteld. Meestal verdienden we geen van allen iets. Als de stadsgrenzen op ons af leken te komen, leidde de gebruikelijke nooduitgang altijd naar Londen, nooit naar Dublin – Dublin werd door ons genegeerd.

7.

Cork gedenkt altijd zijn verloren persoonlijkheden en heeft een sfeer waarin zinnen tevoorschijn worden getoverd. De tijd staat in deze straten nooit helemaal vast. Er waren avonden in de Half Moon Street waarop de vaste klanten het Opera House uit strompelden en naar de Alaska Bar togen, onder het zingen van liedjes die toen populair waren: ‘Miss Me When the Twilight’s Blue’ of ‘By the Light of the Silvery Moon’. John Whelan – die zich later omdoopte tot de schrijver Seán Ó Faoláin – luisterde daar als kind naar op de zolderkamer van zijn huis, een pension voor rondreizende derderangs acteurs, vierderangs tenoren en goochelaars, en dat in een nieuwe eeuw, de twintigste, toen de geur van paardenmest en hooi nog in de straten hing, evenals de stank van kippen en kolenkachels, en je dag en nacht het gekletter hoorde van de kuiperswerkplaats verderop in de straat. Cork was een stad van wijnvaten en kasseien, van legendarische figuren, waar nog steeds werd gesproken over de bendeoorlogen tussen de Molly Malones en de All-For-Irelands. Een stad van benauwde, van ongedierte vergeven achterbuurten, van romantiek in de schemering langs de rivier, waar de meisjes met hun lange, zwarte shawls hun vrijers dicht tegen zich aan hielden – op de Coal Quay droegen de meisjes paarse kousen en hoedjes met gouden kwasten: de felle kleuren waren een protest tegen de twee natuurlijke tinten van de stad die Ó Faoláin zo treffend omschreef als: ‘het groen van de regengod, donker als hartstocht, en de fletse, onmetelijke lucht’. Het was een donkere, vochtige vallei, vol moerasdamp, maar dan met staal in het hart, soms genoeg om te glanzen.

‘De stad smeekte om te worden gefictionaliseerd.’ – © Hollande Hoogte
‘De stad smeekte om te worden gefictionaliseerd.’ – © Hollande Hoogte

8.

Op een dag kreeg ik een baantje bij de plaatselijke krant, The Examiner, en bij het zusterblad, The Evening Echo. Elke ochtend liep ik om half zeven ’s ochtends van de North Mall langs de rivier en stak ik Half Moon Street over naar het krantengebouw in Academy Street. Vaak was ik dan nog in plaats van al op. Het eerste wat ik deed was elk politiebureau in de stad en de county Cork opbellen om te vragen of er nieuws was over de afgelopen nacht. ‘Nog iets bijzonders gebeurd, jongens?’ Zelfs als er bij rellen in Midleton veertien mensen waren omgekomen, kreeg je zoiets pas te horen als je opbelde om ernaar te informeren. Het was erg nuttig om zulke informatie over een kleine stad van de ingewijden te horen. Als het gaat om fictie, is de beste research de research die je doet terwijl je je daar op het moment zelf niet van bewust bent.

De krant zat in een echt ouderwets krantengebouw, met de drukkerij achterin, een mooi knipselarchief, en de hele ochtend het kenmerkende geluid van rokershoestjes. Vanuit de bibliotheek keek je uit op Patrick Street, de hoofdstraat, en ik weet nog dat ik vol ontzag naar iets keek wat in feite de voorbode van de Keltische Tijger was. Het was de aanloop naar Kerstmis 1999, en de economie van zowel de stad als het hele land was zich na een lange recessie aan het herstellen. Er was iets gaande, het winkelen in Patrick Street had iets koortsachtigs, bijna iets akeligs. Het leek wel alsof de mensen bereid waren elkaar de ogen uit te krabben om maar in de winkels te komen. Het had iets monsterlijks. Ik geloof niet dat dat wijsheid achteraf is, maar dat het zelfs toen al duidelijk was dat de stad te maken zou krijgen met de grootste bedreiging van zijn onafhankelijke karakter en ethos: de animalistische golf van het consumentisme van de eenentwintigste eeuw. Binnen tien jaar verkocht The Examiner het fraaie krantengebouw met de oude art-decogevel aan een projectontwikkelaar en verhuisde naar het havengebied. Nu zit er een H&M.

9.

De Well Inn in de North Mall was een pub waar mensen naartoe gingen als ze een geheime scharrel hadden. Het was net ver genoeg van de spiedende ogen in het centrum om je daar discreet op te houden. Je kwam er via een overdekte stoep die onmiskenbaar naar de middeleeuwen rook, maar dat geheel terzijde. De Well zat vol verborgen hoekjes en nissen, en bovendien kon je er nog tot heel laat drinken – ik heb er meen ik een keer om half zes ’s ochtends nog een pint gekregen. Toen ik een eindje verderop in de straat woonde, op nummer 23, ging ik er vaak stilletjes zitten drinken terwijl ik naar de fluisterende stelletjes keek en aantekeningen maakte voor korte verhalen. In die tijd schreef ik meestal rond een uur of vier ’s nachts, een tijdstip waarop mijn ambitieuze zinnen een geniale glans hadden: het was levendig, betoverend en helder proza. Totdat het nuchtere ochtendlicht vanuit de haven aan kwam kruipen.

De stad smeekte om te worden gefictionaliseerd. Ik vond dat er veel te weinig over was geschreven. De heerlijke taal van de arbeidersbuurten had nog geen plaatsje verworven in de Ierse literatuur (die me inmiddels de keel uit hing). Links en rechts doken voortdurend figuren op die ideaal leken om te worden beschreven. De gezichten in Cork hebben een hoge dramatische kwaliteit die zich moeilijk laat omschrijven – ze lijken haast overdreven, zoals mensen in films van David Lynch, of de stenen gargouilles uit de middeleeuwen. Ook hun manier van doen neigt soms naar het overdrevene. Op een avond zag ik in The Well een man van middelbare leeftijd, duur gekleed en met een gezicht als een langzaam geroosterde artisjok, die door de zaak liep, halverwege bleef staan, zich op één knie liet zakken, ongeveer twintig seconden luidkeels huilde, zijn sigaret uitdrukte op zijn voorhoofd, opstond en vervolgens de deur uit liep alsof er niets was gebeurd, met een plek op zijn voorhoofd alsof het Aswoensdag was. Daar kun je geen verhaal over schrijven: ik kan het weten, want ik heb het jarenlang geprobeerd. Zoiets verzin je gewoon niet.

Een winkel uit de oude tijd in Cork. – © Alain Le Garsmeur / Getty Images
Een winkel uit de oude tijd in Cork. – © Alain Le Garsmeur / Getty Images

10.

In mijn tijd kon je in McCurtain Street geen Italiaanse banken kopen. Je kon wel om halftwee ’s nachts staan ouwehoeren voor de Uptown Grill. Maar de laatste tien jaar heeft de gentrification toegeslagen in deze noordelijke doorgaande weg. Het effect is overduidelijk: de vroegere achenebbisje buurt is opgeleukt, de cafés en winkels zijn hipper, zelfs de mensen zien er schoner en opgedofter uit en hebben betere schoenen. Er ontbreekt iets, en er is iets nieuws voor in de plaats gekomen.

Cork is een uiterst leefbare stad en dat lijkt niet langer een geheim te zijn. Het is er multicultureler dan vroeger door een proces dat halverwege de jaren negentig is begonnen en dat de stad minder mono-etnisch heeft gemaakt. Toch lijkt Cork een buitenbeentje in vergelijking met de rest van het eiland. Ik denk dat de stad zich op een cruciaal punt in de geschiedenis bevindt, waarop moet worden besloten hoe de toekomst eruit zal zien. Ik hoop dat Cork een creatieve toekomst tegemoetgaat en zijn ware rol als kunstenaarsstad zal gaan vervullen. Alles lijkt daarvoor geschikt. De huren zijn niet heel hoog, de koffie is goed, het bier is uitstekend. Het weer kent heftige stemmingswisselingen, maar dat kan op mensen met een creatief temperament een gunstig effect hebben. Als Cork zich volledig aan deze prettige toekomst wijdt, zal de stad in economisch opzicht floreren. Alles is er klaar voor: het moet alleen nog de kans gegeven worden.

11.

Nooit zag ik Cork zo goed als die keer toen ik een zware kater had. Kerstvakantie 1998. Ik was heel laat uit geweest, maar vroeg wakker geworden, uitgedroogd, met hoofdpijn en een tollend hoofd. De enige remedie die ik kon bedenken was een eind gaan lopen. De regengod hield zich voor de verandering gedeisd; het was een heldere ochtend met een blauwe lucht, en het was heel koud. Ik liep over de North Gate Bridge door de North Mall en omhoog over de Sunday’s Well Road. Op het punt waar die afboog naar de Western Road stond ik hoog boven de stad en de vallei. Alles schitterde. Ik stak via de Shakey Bridge de rivier over naar Fitzgerald’s Park. Een vriend van me vertelde me een keer over het emotionele hoogtepunt van zijn leven: dat was toen hij op de Shakey Bridge werd afgetrokken. Het park schitterde ook: de rijp was nog niet gesmolten. Ik liep over het universiteitsterrein naar Barrack Street – de plek waar ik een van de meest intense hallucinaties van mijn leven heb beleefd (ik dacht dat ik een stoplicht was) en liep via South Main Street, Washington Street en North Main Street naar huis. Ik was nog steeds zo ziek als een hond, maar hartstikke blij. De stad had er nog nooit zo mooi uitgezien en zo gelukkig geleken.

Auteur: Kevin Barry
Vertaling: Lidwien Biekmann

Kevin Barry schreef twee korteverhalenbundels en de roman City of Bohane (2013), waarmee hij de International IMPAC Dublin Literary Award won, en_ Beatlebone_ (2015), geprezen met de Goldsmiths Prize.

Granta
Verenigd-Koninkrijk | kwartaalblad | oplage 48.000

Granta verzoekt auteurs en journalisten te publiceren over een specifiek, steeds wisselend thema dat gerelateerd is aan ‘het leven nu’. In 1889 werd het blad opgericht door studenten van de Cambridge University, toen nog als The Granta, naar de rivier die door de universiteitsstad stroomt. De inhoud was aanvankelijk gericht op politieke en literaire gebeurtenissen op de campus, en grote namen als A.A. Milne, Michael Frayn, Stevie Smith, Ted Hughes en Sylvia Plath kwamen erin aan het woord. Bijna honderd jaar later werd het blad omgevormd tot wat het tegenwoordig is. Ook werd Granta Books opgericht, dat al snel uitgroeide tot een van de meest onafhankelijke en prestigieuze literaire uitgeverijen van Groot-Brittannië.

Dit artikel van verscheen eerder in Granta.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!

En ontvang wekelijks het beste uit de internationale pers in uw mailbox.