• 360 Magazine
  • Cultuur
  • ‘Het Pools is een taal met eeuwige honger’
">

‘Het Pools is een taal met eeuwige honger’

Een muurschildering van Luca Zamoc | Foto: Pawel Czerwinski / Unsplash
360 Magazine | Amsterdam | 27 november 2020

Nobelprijswinnaar Olga Tokarczuk over wat haar moedertaal, het Pools, voor haar betekent. Of is het vadertaal? ‘Met het masculiene karakter van het Pools heb ik als pisarka (de vrouwelijke versie van het woord pisarz, schrijver) veel problemen gehad.’

De bewustwording van de eigen taal, met haar voordelen en gunsten maar ook haar beperkingen en rariteiten, lijkt op een langdurig psychoanalytisch proces. Dat is de bagage die door ons, schrijvers, wordt gedragen. Ze is niet afhankelijk van onze schuld of verdienste, maar ze spruit voort uit dezelfde bron die ons ooit tot een bepaalde plek, tijd of levensvorm heeft gebracht.

Zo beschouwd, is de taal een literair fatum. Binnen in de taal kunnen wij slechts tot op bepaalde hoogte onszelf zijn (en ‘onszelf zijn’ schijnt een belangrijk beginsel van onze cultuur te vormen). Grotendeels zijn wij afhankelijk van iets machtigers waarop wij geen invloed kunnen uitoefenen.

Het is dus niet verwonderlijk dat filosofen uiteindelijk God, het bestaan, ‘waarom iets in plaats van niets’ achter zich hebben gelaten en zich met de taal gingen bezighouden.

Vaak maken schrijvers de fout om de taal als een eigen territorium te beschouwen; een oeroceaan waaruit onze individuele gedachten komen zoals de eerste aminozuren. Maar het blijkt dat de meridiaan van de taal al buiten onze invloed was vastgesteld.
In de taal is men gegooid.

Zo ben ik in het Pools gegooid. Ik ben geboren en opgegroeid in het westen van Polen, in een mengeling van culturen en dialecten; in gebieden die pas na de Tweede Wereldoorlog bij de rest van het land zijn gaan behoren. Maar volgens linguïsten spreken wij daar in Laag-Silezië, in die smeltkroes van culturen, een voorbeeldig Pools.

Ik spreek geen dialect en ik heb geen accent. Ik beheers geen enkele vreemde taal goed genoeg om haar voor mijn literatuur te gebruiken. Ik ben eentalig. In een andere taal schrijven, zou ik niet kunnen. Ik kan in twee buitenlandse talen communiceren, maar deze
communicatie is vereenvoudigd en verloopt moeizaam.

Patchworktaal

In het Bureau International des Poids et des Mesures in Sèvres, bij Parijs, met zijn verzameling sjablonen en proto-types, zou ik kunnen fungeren als het voorbeeld van een perfect Poolssprekende. Zoals een vlieg in amber gevat zit, zit ik in het Pools. Een objectief standpunt is dat niet.

Het Pools behoort tot de grote groep van Slavische talen en vanzelfsprekend ook tot de Indo-Europese talen. Geschreven Pools begon zich relatief laat te vormen, vanaf de twaalfde eeuw. Daarbij speelde de rooms-katholieke kerstening van Polen een belangrijke rol. Het Pools heeft het Latijnse alfabet aangenomen (in tegenstelling tot sommige andere Slavische talen zoals het Russisch of het Bulgaars, die op het Griekse alfabet zijn gebaseerd).

Zoals een vlieg in amber gevat zit, zit ik in het Pools

Pas in 1270, in de Księga Henrykowska, een register van kerkelijke bezittingen, nota bene opgemaakt in Laag-Silezië, werd de eerste zin in het Pools geschreven. De context is bijzonder interessant. De Latijnse tekst verhaalt over een man, een zeker Boguchwała, die – wat voor zijn tijdgenoten zeer vreemd moet zijn geweest – zijn vrouw hielp om graan te malen. Aan deze man wordt die beroemde eerste Poolse zin toegeschreven: Day ut ia pobrusa, a ti poziwai. Vertaald naar hedendaags Pools betekent dat: ‘Laat mij maar doen, en jij rust.’

De geografische ligging van Polen, tussen sterke buren, in het hart van Europa, in de nabijheid van verschillende culturen: dat alles beïnvloedde het lexicon sterk. Het is buitengewoon, maar zeventig procent van de Poolse woorden hebben vreemde wortels.

Het Pools is dus een samengestelde taal, een patchworktaal, melting pot en mélange. Alles wat wij met onze buren deelden – de gevoerde oorlogen, reizen, trends en fascinaties – leidde tot verdere expansie van deze vreemde talen in het Pools. Aan de Duitsers danken wij een rijke technische woordenschat. Alle nieuwigheden kwamen van deze buren uit het westen.

Maar met hen hadden wij ook veel problemen. Duitse pioniers in Polen behoorden altijd tot een sterke, welvarende en goed georganiseerde gemeenschap. In de zestiende eeuw was tachtig procent van de burgerij in Kraków van Duitse afkomst. Om de deloyale samenzweerders te ontmaskeren, bedacht de Poolse koning een taaltest. Elke inwoner van Kraków moest zonder problemen moeilijke Poolse woordjes uitspreken zoals: soczewica, koło, miele młyn (‘linzen’, ‘wiel’, ‘de molen maalt’). Wie daarin niet slaagde, werd gestraft.

Een muurschildering van Luca Zamoc in de Poolse stad Swidnica, ter ere van het Punkt Zero Festival. Het kunstwerk is gebaseerd op een oude Poolse legende waarin een griffioen de inwoners van een dorpje belaagt. Zijn ogen zijn zo giftig dat één blik genoeg is om iemand te doden. De koning stuurt een gevangene bewapend met een spiegel op de griffioen af, om het beest te doden met zijn eigen reflectie.
– © Pawel Czerwinski / Unsplash

Leentjebuur

Met de komst van de Italiaanse koningin Bona, de vrouw van de zestiende-eeuwse Poolse koning Zygmunt III de Oude, belandden in het Pools plots veel Italiaanse woorden, vooral uit vakgebieden zoals de architectuur, muziek, het militaire apparaat en, bovenal, uit het culinaire domein. In de zeventiende eeuw was er dan weer een invasie van het Frans. De invloed van het Russisch en de andere oosterse talen was ook niet te onderschatten. Turks en Hongaars: ook bij die talen speelden wij leentjebuur. Uit het Latijn sijpelden abstracte en religieuze woorden door.

In de vijftiende en zestiende eeuw was het Tsjechisch een heel populaire taal in Polen. Tsjechisch spreken was een keurmerk voor een hoge sociale positie. In de negentiende eeuw verdween Polen, verdeeld als het was tussen Rusland, Pruisen en Oostenrijk-Hongarije, volledig van de kaart van Europa. Er was toen sprake van intensieve en actieve germanisering en russificatie van de Poolse bevolking. En tegenwoordig kennen wij in Polen – zoals overal – een Engels offensief.

Ik hou van die openheid van het Pools voor vreemde woorden. De puurheid van het Pools is zeker niet in gevaar – in onze bizarre mengeling worden zelfs de vreemdste woorden vermalen door de Poolse grammatica; ze krijgen eigenaardige uitgangen en worden in het keurslijf van de Poolse verbuigingen geperst. Het Pools zuigt woorden aan uit de hele wereld; het Pools is een taal met een eeuwige honger.

In de lange jaren van leven en lijden onder drie agressors vervulde deze patchworktaal een bijzondere en paradoxale rol: zij was een erfstuk van onze nationale identiteit. De enige schatkist van de Poolse cultuur was toen de literatuur. Men streed voor het Pools, men stierf voor het Pools.

Vertalers

Vertalers zijn voor schrijvers zoals psychoanalytici: ze stellen de meest verbazingwekkende vragen. Het zou goed zijn om die vragen te noteren, te bewaren en uit te geven. Zo zouden lezers de zware taak van schrijver en vertaler beter leren te appreciëren en het fenomeen van de taal meer bewonderen. Dankzij vertalers ben ik zaken die voor mij vroeger vanzelfsprekend waren, totaal anders gaan bekijken. Vertalers hebben mij attent gemaakt op enkele eigenschappen van het Pools die ik hier probeer te beschrijven. Dezelfde vragen merk ik bij buitenlanders die opeens besluiten Pools te leren. Deze moedige mensen beklagen zich er vaak over dat de Poolse grammatica bijna volledig op uitzonderingen is gebouwd: elke regel staat met een groot aantal uitzonderingen machteloos in de strijd. Dat klopt.

Pools is traditioneel op het vlak van geslacht – de taal is masculien

Het Pools leer je beter door intuïtie, of je leert de taal gewoon uit het hoofd. Onze taal vindt het belangrijk om zo dicht mogelijk tegen tradities en historiciteit aan te schurken. Het is een taalmuseum vol fossielen dat niet gehoorzaamt aan de eenvoudige eisen van pragmatiek. De ingewikkelde vervoegen en verbuigingen werken niet alleen in op de uitgangen, maar veranderen vaak ook de stam van een woord. Ook de buitenlander die het Pools prima beheerst, wordt ontmaskerd zodra hij de verschillende varianten van de verleden tijd moet hanteren.

De Poolse spelling kent verschillende schrijfwijzen voor een en dezelfde klank. Dat is een erfenis uit het verleden waarin ook de uitspraak van die klanken anders was. In de geschreven taal zijn die mutaties dus bewaard.
Een angstvisioen voor elke scholier.

Het Pools is logisch noch pragmatisch. De grammatica is veeleisend, soms gek, de schrijfwijze moeilijk. Om niet logisch verklaarbare (waarschijnlijk sentimentele) redenen houdt het Pools vast aan aloude grammaticale vormen.

Pools is ook traditioneel op het vlak van geslacht – de taal is masculien. Het Pools is drie geslachten rijk, maar het mannelijke is het meest bevoorrecht. Mannelijke substantieven hebben andere verbuigingen dan vrouwelijke en onzijdige woorden. Wanneer het over mannen gaat, zeggen wij poszli, ‘zij gingen weg’. Over vrouwen zeggen wij poszły. Maar wanneer de groep gemengd is, hanteren wij per definitie de mannelijke versie poszli. Die regel is ook van toepassing als de groep bestaat uit, zeg maar, zestig vrouwen en één man. Zijn aanwezigheid is dus beslissend voor de hele groep.

Wanneer wij praten of schrijven over ‘de mens’ in het algemeen, dan sluiten wij vrouwen (en kinderen) grammaticaal uit. Die patriarchale attitude wordt ook weerspiegeld in de naamgeving van beroepen. Vrouwelijke beroepsnamen klinken in het Pools dikwijls kleinerend, geven een minder professionele indruk en drukken onderwaardering uit. Kijk naar de vrouwelijke professor: profesorka. Dat klinkt als een mannelijke miniprofessor: profesorek.

Geen ontsnappen aan

Met dat masculiene karakter van het Pools heb ik als pisarka (de vrouwelijke versie van het woord pisarz, schrijver) veel problemen gehad. Men kan immers het geslacht van de schrijvende niet verbergen als men in de tekst de eerste persoon wil gebruiken. Voorts is het geslacht onmiddellijk zichtbaar in werkwoorden in de verleden tijd, net zoals het steeds in de vorm van adjectieven wordt ontmaskerd. Daar is geen ontsnappen aan.

De vertaalster van de Britse schrijfster Jeanette Winterson had echt een probleem – in de originele tekst was het geslacht van de verteller volledig verborgen, door een consequent gebruik van de eerste persoon tegenwoordige tijd. En dat was nu net de essentie van de roman. In de Poolse vertaling was een dergelijke maskering van het geslacht onmogelijk. Na een arbitraire beslissing kreeg de verteller in de Poolse vertaling het vrouwelijke geslacht. Terloops wil ik eraan toevoegen dat er in het Pools geen ‘moedertaal’ bestaat maar wel een język ojczysty – een ‘vadertaal’.

Het grote grammaticale potentieel van het Pools (en ook van de andere Slavische talen) maakt het mogelijk om verschillende vormen van verkleinwoorden te gebruiken. Ideaal voor taalspelletjes. Voor mij zijn verkleinwoorden een bron van warmte in de woordenschat, een categorie die in taalkundige handboeken afwezig blijft. Dankzij de kunde om alles te verkleinen, werd de wereld gezelliger en veiliger. Geen enkele Pool is verbaasd over de liedjestekst over een soldaat die naar een ‘oorlogje’ gaat met zijn ‘sabeltje’ op zijn lief ‘paardje’. Er zijn talrijke manieren om namen te verkleinen – en alle voornamen, substantieven en adjectieven zijn daartoe geschikt.

Veeltalig land

Tot de Tweede Wereldoorlog was Polen een multicultureel en veeltalig land. Het meest creatieve Pools was te vinden op de ontmoetingsplaats tussen de verschillende talen, esthetische belevingsvormen en mentaliteiten. Het mag geen toeval heten dat de grootmeesters van de Poolse taal vaak uit de rafelige randen van het taalgebied kwamen: het fascinerende en originele proza van Bruno Schulz, dat ontstond op de grens van drie culturen: de Poolse, Joodse en Oekraïense; de beeldende en rijke poëzie van Czesław Miłosz van de regio rond het toen Poolse maar nu Litouwse Vilnius, en de absoluut sprookjesachtige en helaas onvertaalbare taal van de Joods-Poolse dichters Bolesław Leśmian en Julian Tuwim.

Het Pools… Elastisch, beeldend, ambigu, traditioneel en grammaticaal onvoorspelbaar. Meer in dienst van de intuïtie dan van de logos, meer geschikt voor poëzie dan voor wetenschappelijke dissertaties. Ik heb de indruk dat deze taal zich niet zo goed voelt in het intellectuele discours noch in het realistische lineaire verhaal. Ze prefereert open vormen met meerduidige betekenissen. Ze is gevoelig voor het absurde en groteske en verzandt gemakkelijk in pathetiek. Het is niet verwonderlijk dat Polen prat gaat op een beroemde en bejubelde poëzie. In het Pools kan de taalgebruiker zich veel veroorloven. Deze taalimpressionist, getalenteerd in sfeerbeschrijving, emotie, associatie en beelden, geeft van de wereld veeleer een schets dan een descriptie.

Naar het schijnt, beweerde Flaubert dat een fiasco dreigt voor een taal die zich onledig houdt met de schepping van beelden en sferen: op dat moment verliest de taal zichzelf en verglijdt ze in anachronisme. Ik ben het daar niet mee eens. De schepping van een alternatieve wereld is net het machtigste kenmerk van de taal. Als een illusionist tovert ze onvoorstelbare dingen uit de hoge hoed. Het Pools is voor mij een archaïsche taal en is een equivalent van de onverdeelde wereld van de tijd toen de hele realiteit coherent en zintuiglijk leek, toen alles meer op de intuïtie gebaseerd was en het ‘wat’ belangrijker was dan het ‘hoe’. De taal is voor mij, zoals in die Oosterse metafoor, de vinger die naar de maan wijst.

Ik vraag mij af in welke mate mijn gevoeligheid, perceptie en denken door deze moeilijke en weinig precieze maar zeer beeldende taal vorm zijn gegeven. In mijn werk zijn elementen als aanvoelen, sfeer, verborgen onrust onder de alledaagse werkelijkheid belangrijke bouwstenen. Zou ik ze ooit kunnen beschrijven in een vreemde taal? Misschien moet ik dankbaar zijn voor mijn literaire fatum.

Paradoxaal genoeg behoort het Pools tot de zogenaamde groep van de kleine talen, hoewel er zo’n vijftig miljoen mensen zijn, als je de Poolse diaspora meetelt, die Pools spreken. Pools is een lokale en marginale taal, die bovendien heel moeilijk is en daarom veel mensen afschrikt. Het voordeel van ‘kleine’ talen is – zeker als je de grote kent – de mogelijkheid van escapisme uit de communicatie naar een eigen ondoordringbaar asiel. Zo heb ik me indertijd op de grote luchthavens ter wereld dikwijls in het Pools verborgen, er zeker van zijnde dat er niemand was die ons, Poolssprekenden, kon begrijpen.

Vandaag ligt dat anders. De Poolse exodus van de jongste jaren verspreidt het Pools overal in de wereld. Maar ik denk niet dat veel buitenlanders het Pools zullen oppikken. Veeleer zullen wij, Polen, flink Engels studeren en ons via die weg laten horen in de wereld van vreemde talen. De schattige verkleinwoorden blijven intussen als evenzovele grenspalen de contouren van Polen bepalen, met een Pools ‘koffietje’ met ‘melkje’ in een ‘restaurantje’. Of zelfs bij een vrolijk ‘ticketcontroletje’.

Dit essay is gepubliceerd in Overeind in Babel. Talen in Europa, onder redactie van Luc Devoldere. In dit boek schrijven zestien auteurs uit Europa over hun eigen taal en alle andere talen in hun leven. Met bijdragen van Ahmet Altan, Zoran Ancevski, Bernardo Atxaga, Abdelkader Benali, Paul Binding, Adriaan van Dis, Peer Hultberg, Leena Krohn, Caroline Lamarche, Claudio Magris, Antonio Munoz Molina, Ines Pedrosa, Kornelijus Platelis, Albertina Soepboer, Olga Tokarczuk en Marint Walser.

Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

360 heeft 1000 nieuwe leden nodig

Deze maand bieden wij daarom een deel van onze artikelen gratis aan. Zo kunt u vast kennismaken met ons aanbod. Leden blijven toegang houden tot onze maandelijkse digitale editie en het archief.