• Bloomberg
  • Cultuur
  • Hoe een van ’s werelds mooiste modernekunstcollecties de Iraanse revolutie overleefde

Hoe een van ’s werelds mooiste modernekunstcollecties de Iraanse revolutie overleefde

Na de islamitische revolutie in Iran moest het Museum voor Hedendaagse Kunst in Teheran al zijn Picasso’s, Renoirs en Rothko’s van de muren halen. Het verhaal over hoe het de werken sindsdien verging leest als een thriller, met hoofdrollen voor een dappere bewaker, een Witte Huismedewerker en filmbons David Geffen.

Rond het binnenste van het Museum voor Hedendaagse Kunst in Teheran loopt spiraalsgewijs een looppad omlaag, als een ondergrondse versie van het Guggenheim Museum van Frank Lloyd Wright in New York. Van daaruit waaiert een reeks tentoonstellingsruimtes uit, die stuk voor stuk de verbijsterende geheimen prijsgeven van een van de mooiste, zij het vergeten, collecties twintigste-eeuwse kunst ter wereld. Bij een tentoonstelling dit najaar waren abstract expressionistische schilderijen te zien van Kandinsky, Motherwell, Pollock, Rothko en Stella, om maar een paar namen uit de kluis van het museum te noemen. De tuin biedt een permanente expositie met beeldhouwwerken van Ernst, Giacometti, Magritte en Moore. De hal wikkelt zich als een kurkentrekker rond een reusachtige mobile van Calder – de rode vormen glinsteren speels in de ruimte, onder de strenge blik van de ayatollahs Khomeini en Khamenei vanaf hun portretten erboven.

Op een frisse dag eind oktober is het museum een oase van rust in het centrum van Teheran, een metropool met zestien miljoen inwoners die bijna stikt in het verkeer, de smog en de ongebreidelde bouwactiviteit. De zalen zijn uitgestorven, afgezien van een tiental studenten fotografie die voor een entreeprijs van anderhalve euro Jackson Pollocks meesterwerk Mural on Indian Red Ground (1950) helemaal voor zichzelf hebben. Het bloedrode doek van bijna drie bij tweeënhalve meter vol witte, grijze en zwarte verfspatten is een van de grootste schilderijen die Pollock in deze druppeltechniek maakte, en wordt door velen gezien als een van zijn beste. Veilinghuis Christie’s taxeerde het vijf jaar geleden op 250 miljoen dollar [ruim 190 miljoen euro]. Onder aan het looppad komen de studenten aan bij een tweetal reusachtige Rothko’s. De docent wijst hen op een uitspraak van de schilder die in de buurt van het schilderij staat afgedrukt: ‘Een schilderij gaat niet over een ervaring. Het ís een ervaring.’

Het overleven van de collectie is ook het verhaal van een heel gewone man, die geen flauw benul had van kunst voordat hij in 1977 bij het museum kwam werken

Terwijl Iran na de jarenlange sancties in snel tempo het contact met de wereld hernieuwt, ligt in de schaduw van zijn geschiedenis een kroonjuweel te wachten. Het Museum voor Hedendaagse Kunst van Teheran, dat nog werd gesticht door keizerin Farah Pahlavi, de vrouw van sjah Mohammad Reza Pahlavi, herbergde vóór de revolutie van 1979 de grootste verzameling moderne westerse meesterwerken buiten Europa en Noord-Amerika – en verdween toen van de kaart. Nu komt het weer tevoorschijn. Als vervolg op zijn grote tentoonstelling over het abstract expressionisme opende het museum op 20 november een expositie met een mix van Iraanse en westerse kunst. In oktober tekende het een principeakkoord met de Duitse regering om zestig kunstwerken – dertig westerse en dertig Iraanse – vanuit Teheran naar Berlijn te sturen voor een drie maanden durende expositie die komend najaar in Berlijn moet plaatsvinden. Het wordt voor het museum de eerste expositie in het buitenland. Als de politieke en juridische omstandigheden het toelaten komt er in 2017 misschien een nog grotere tentoonstelling bij het Hirshhorn Museum van het Smithsonian Institution in Washington, zegt Melissa Chiu, directeur van het Hirshhorn. ‘Dit is een van de grote ongeziene collecties naoorlogse Europese en Amerikaanse kunst in 
de wereld,’ zegt zij. ‘We hebben deze werken in geen veertig jaar gezien.’

Jackson Pollock, Mural on Indian Red Ground (1950), in Teheran.
Jackson Pollock, Mural on Indian Red Ground (1950), in Teheran.

Na zijn machtsgreep ging ayatollah Ruhallah Khomeini tekeer tegen wat hij ‘Westoxificatie’ noemde, het idee dat de westerse morele en seksuele losbandigheid islamitische landen hadden besmet met een ziekte die alleen genezen kon worden door de strenge hand van islamitische geestelijken. Hij verbood westerse films, muziek en veel boeken, dwong vrouwen om een hoofddoek te gaan dragen en sprak de Iraanse elite bestraffend toe vanwege hun ‘verliefdheid op buitenlanders’. ‘Met een Europese hoed op je hoofd,’ schreef hij, ‘zou je door de straten paraderen en genieten van de naakte meisjes, vol trots op deze “prestatie” en zonder enige acht te slaan op het feit dat het historische erfgoed van het land werd geplunderd.’ Terwijl revolutionairen massaal demonstreerden nadat de sjah en zijn vrouw in januari 1979 waren gevlucht, bracht het museum zijn 1500 westerse kunstwerken in veiligheid in een kluis in de kelder.

Toen een maand later een militie verscheen, liet museumdirecteur Mehdi Kowsar hun commandant een inventarislijst tekenen, waarop de prijzen stonden die de keizerin voor de werken had betaald. Tien dagen later vluchtte Kowsar, voormalig hoogleraar Kunst aan de Universiteit van Teheran, met zijn gezin naar Italië. Hij is nooit teruggekeerd. Om lastige vragen op het vliegveld te ontwijken had hij de lijst thuisgelaten. Die heeft hij sindsdien niet meer gezien. ‘Het was een zeer gevaarlijke situatie,’ vertelt Kowsar, die nu 79 is en in Rome woont als gepensioneerd hoogleraar Architectuur. ‘Ik hoopte dat niemand iets zou stelen als ze iets officieels ondertekenden.’

De collectie bleef opmerkelijk intact, afgezien van een Andy Warhol-portret van keizerin Farah, dat jaren geleden door een fanatieke gelovige in een van haar voormalige paleizen aan stukken is gesneden, en een naakt van Willem de Kooning. Dat laatste werd in 1994 op het asfalt van het vliegveld in Wenen verkocht aan de Amerikaanse muziek- en filmtycoon David Geffen, als onderdeel van een driehoeksruil tegen enkele zestiende-eeuwse Perzische miniaturen die in bezit waren van een Witte Huismedewerker in de regering-Clinton. Daarover later meer.

Iraanse paradox

Het overleven van de collectie is typerend voor de bredere Iraanse paradox – de strijd van een van de oudste en meest verfijnde beschavingen ter wereld tegen de historische verkramping van fundamentalisme en xenofobie. Maar het is ook het verhaal van een heel gewone man, die geen flauw benul had van kunst voordat hij in 1977 bij het museum kwam werken, en die het beschermen van de westerse kunstschatten tot zijn levenswerk heeft gemaakt.

Als je het slakkenhuis in het museum naar beneden volgt, voorbij het fluwelen koord glipt, rechtsaf gaat bij de bedrijfsstofzuiger en langs de in piepschuim verpakte schilderijlijsten naar de muur loopt, kom 
je bij twee deuren. De stalen deur rechts heeft een deurbel en een blauw bordje waarop staat ‘museumdienst’. Die gaat naar de kluis. Op de deur links staat ‘fotografie’ en die leidt naar een slecht verlichte ruimte met betonnen muren en een versleten divan, die doet denken aan het hokje van de conciërge in de kelder van een New Yorks appartementengebouw.

Aan een bureau in de hoek zit Firouz Shabazi Moghadan, onder een hoog raam dat nog net boven straatniveau uitkomt. Hij kwam twee weken voor 
de opening bij het museum in dienst, eerst als chauffeur en later, na de revolutie, dertig jaar lang als beheerder van de kluis. Zijn officiële titel: bewaarder.

Op zijn drieënzestigste is hij nog steeds lang en slank, met donkere ogen die hij dichtknijpt als hij lacht. Twee jaar geleden kwam Shabazi, die toen 
al met pensioen was, terug bij het museum om te helpen het omvangrijke bezit aan Iraanse kunst en fotografie te catalogiseren, net als de westerse collectie, die hij uit zijn hoofd kent.
Nadat hij door het museum was weggekaapt bij het bedrijf dat er de linoleumvloeren aanlegde, was een van zijn eerste klussen in 1977 geweest om ongeopende kratten met kunstwerken op te sporen die over heel Teheran verspreid waren. De eerste directeur van het museum, Kamran Diba, een neef van 
de keizerin, die architectuur had gestudeerd aan de Amerikaanse Howard University en het museum had ontworpen, kocht in die tijd veel Amerikaanse kunst.

Tegelijkertijd had de keizerin, die kunstgeschiedenis had gestudeerd in Parijs en een voorkeur had voor Europese kunst, haar eigen kopers ingehuurd. Zij mochten met niemand praten over wat ze deden, vertelt Donna Stein, die in 1975 naar Teheran verhuisde en twee jaar lang kunst inkocht voor de keizerin. Stein werkt nu bij het Wende Museum in Los Angeles. ‘Het was heerlijk, maar ook wel eng,’ zegt 
ze. Tijdens de oliecrisis van 1973 daalden in de hele wereld de kunstprijzen, en Iran werd erg rijk dankzij de verkoop van olie. In 1976 vloog David Nash, het hoofd van de afdeling impressionisme en moderne schilderkunst bij Sotheby’s in New York, naar Teheran met een doos dia’s van schilderijen die door 
verzamelaar Norton Simon uit Los Angeles te koop werden aangeboden, ‘voor krankzinnig hoge prijzen’, aldus Nash. Hij moest een week wachten tot hij eindelijk de beloofde ontmoeting had met de kamerheer van de keizerin, en die las hem vervolgens de hele ontmoeting lang de les over een auteursrechtenconflict dat Iran in die tijd met Sotheby’s had. Hij liet de dia’s achter en ging naar huis, in de veronderstelling dat de reis een ‘totale mislukking’ was geweest.

Stilleven met Japanse houtsnede door 
Paul Gauguin, 1889. In 1976 aangekocht 
door het musem.
Stilleven met Japanse houtsnede door 
Paul Gauguin, 1889. In 1976 aangekocht 
door het musem.

Een paar dagen later vroeg het kabinet van de kamerheer advies aan Nash. Waar moest het op bieden bij de komende veiling van Sotheby’s, waar de nalatenschap van Holocaustoverlever Josef Rosensaft verkocht zou worden? Nash noemde een paar werken, Iran kocht de hele partij. Daarmee haalde het land ook Stilleven met Japanse houtsnede uit 1889 van Paul Gauguin binnen, voor een miljoen euro, een recordbedrag in die tijd voor deze kunstenaar. Volgens Nash is het schilderij nu zo’n 34 miljoen euro waard. De huidige directeur van het museum, Majid Mollanoroozi, zegt dat Japanse verzamelaars een ‘blanco cheque’ hebben geboden voor het schilderij.

Shabazi nam de revolutionairen twee aan twee mee de kluis in, om ze te laten zien dat daar niets onoirbaars gebeurde. Ze waren geschokt door de kinderlijke plaatjes die ze er aantroffen

Shabazi nam het beheer over de kluis op zich nadat Kowsar en de andere kunstprofessionals waren gevlucht. Hij had alleen middelbare school gehad, maar ging boeken over kunst lezen om verscheidene westerse schilderijen waarvan de papieren verloren waren gegaan, te kunnen identificeren. Hij begon steeds meer van de werken te houden. Nadat de mannen van de gewapende militie het gebouw een aantal dagen bezet hadden gehouden, stelde het regime een commissie van twintig man aan om het museum te leiden. Zij hadden geen idee wat daar aanwezig was. Shabazi nam de revolutionairen twee aan twee mee de kluis in, om ze te laten zien dat daar niets onoirbaars gebeurde. Ze waren geschokt door de kinderlijke plaatjes die ze er aantroffen.

‘Ze zeiden: “Wat is dit? Dat kan ik zelfs nog beter”, vertelt Shabazi. ‘Ik zei dan dat het een Picasso was, en dan zeiden ze: ‘Een Picasso, nou en?’ Terwijl in de straten van Teheran chaos heerste, sloot Shabazi zich het grootste deel van de twee volgende jaren op in de kluis, met de sleutels en de kunstwerken. ‘Ik wilde niet dat er iets mee gebeurde,’ zegt hij.

De grootste zalen van het museum werden in gebruik genomen als expositiehal voor revolutionaire propaganda, waar de lof gezongen werd van het martelaarschap en het Iraanse verzet tijdens de achtjarige oorlog met Irak in de jaren tachtig. Af en toe verscheen er iemand bij de kluis met een officieel uitziende brief, om een kunstwerk te lenen voor een cultureel centrum of voor een van de weelderige paleizen van de sjah, die nu openbare attracties waren geworden. Shabazi weigerde de kluisdeuren open te doen, omdat hij vreesde dat de geleende werken nooit meer teruggebracht zouden worden. ‘God mag weten waar ik de moed vandaan haalde – terwijl ik normaal gesproken zo’n angsthaas ben,’ zegt hij met tranen in zijn ogen. ‘Voor deze kluis, voor dit museum ben ik een leeuw.’

Mick Jagger door Andy Warhol in het Museum voor Moderne Kunst, Teheran. De werken worden in de kluis bewaard. – © Reuters
Mick Jagger door Andy Warhol in het Museum voor Moderne Kunst, Teheran. De werken worden in de kluis bewaard. – © Reuters

Pas in 1999, tien jaar na de dood van Khomeini en twintig jaar na de vlucht van de sjah organiseerde het museum zijn eerste westerse expositie sinds de revolutie – een pop-arttentoonstelling met werken van Hockney, Lichtenstein, Rauschenberg en Warhol. Er is een wat ongemakkelijke ontspanning ingetreden, die weerspiegelt hoe nu eens de reformisten en dan weer de voorstanders van de harde lijn de overhand hebben in de Iraanse politiek. Sinds 2013 hebben technocraten bij de ministeries van Economie en van Cultuur, aangesteld door president Hassan Rouhani, de beperkingen van de revolutie iets versoepeld, tegen de conservatieven van de veiligheidsdienst en het juridisch apparaat in, die gecontroleerd worden door de Hoogste Leider, ayatollah Ali Khamenei.

Voor het museum betekent dit dat de directeuren, die onder het ministerie van Cultuur en Islamitische opvoeding vallen, elk jaar een paar weken lang 
wat westerse werken ophangen. Daarbij zorgen ze meestal wel dat ze de conservatieven binnen de overheid niet tegen de haren in strijken met pikante beelden, en ze ook niet al te zeer pijnigen met de gedachte dat het belangrijkste bezit van het museum die wereldcollectie met naoorlogse werken van Amerikanen is, van wie velen homoseksueel of joods 
zijn. Over de rol van keizerin Farah, die nu 77 is en 
in Washington en Parijs woont, wordt helemaal nooit gesproken.

In de kluis bevindt zich een schat aan kunstwerken die de Iraniërs nooit te zien zullen krijgen, zolang het huidige regime het voor het zeggen heeft. 
Daarbij horen naakten van Pablo Picasso en Edvard Munch, een groot doek van André Derain,_ L’Age d’or,_ met elf ontklede vrouwen die zich vermaken in de natuur, en Gabrielle avec la chemise ouverte van Pierre-Auguste Renoir, een betoverend portret van een jonge vrouw met haar blouse tot haar navel open geknoopt, zodat haar blote borsten te zien zijn.

Two Figures Lying on a Bed with Attendants door Francis Bacon, 1968, Teheran. ‘Het is niet obsceen. 
Het zouden broers kunnen zijn.’ – © Reuters
Two Figures Lying on a Bed with Attendants door Francis Bacon, 1968, Teheran. ‘Het is niet obsceen. 
Het zouden broers kunnen zijn.’ – © Reuters

In 2005 vertoonde een stoutmoedige museumdirecteur, Alireza Sami Azar, het drieluik uit 1968 van Francis Bacon, Two Figures Lying on a Bed with Attendants. De twee figuren op het bed zijn, zoals een suppoost van het museum al snel ontdekte, naakte mannen, die allebei op hun rechterzij liggen. De suppoost waarschuwde het ministerie van Cultuur en Islamitische opvoeding, dat bevel gaf om het schilderij te verwijderen. Sami Azar eiste het bevel op schrift en won daarmee tijd, zodat de Britse ambassadeur en andere hoogwaardigheidsbekleders die avond bij de opening van de tentoonstelling het schilderij van Bacon nog konden bekijken.

‘Ik zei: “Kijk, het zijn mannelijke figuren, geen vrouwen, en ze zijn half abstract. Het is niet obsceen. 
Het zouden broers kunnen zijn”,’ grinnikt Sami Azar, die nu bij een galerie in Teheran lezingen geeft over kunst. ‘Zij zeiden: “Kom op, we weten dat het homoseksuelen zijn, ze slapen in één bed. Dit gaat ons een schandaal opleveren, net nu de conservatieven aan de macht komen en op zoek zijn naar stokken om ons te slaan.”’

Het geschreven bevel kwam pas bij het museum aan toen de gasten al gearriveerd waren. Zij hadden dus bij binnenkomst het hele drieluik zien hangen, en toen ze weer weggingen zagen ze alleen nog een spijker op de plek waar het paneel met de slapende mannen had gehangen.

‘Kunst kan een brug slaan tussen Iran en het Westen, maar er zijn wel uitzonderingen,’ verklaart Hossein Sheikholeslam, die als radicaal student in 1979 tot de bezetters van de Amerikaanse ambassade behoorde en daarna verschillende vooraanstaande posities bij de revolutionaire overheid bekleedde. ‘Naaktheid en homoseksualiteit zijn niet aanvaardbaar in de Iraanse cultuur,’ zegt hij.

De kluis

Van buiten de dubbele grijze deuren van de kluis kun je de bel binnen niet horen rinkelen, maar de klap waarmee de grendel wordt teruggeschoven geeft aan dat er iemand aankomt. Binnen is weer een bel en nog een stalen deur, dit keer een van 15 centimeter dik met een zwart combinatieslot boven de deurknop. Knarsend gaat de deur open en er verschijnt een lange betonnen ruimte met tegen de muren aan beide kanten 32 schuifrekken van vloer tot plafond – metaalgaas gevat in stalen frames. Er zijn maar twee schilderijen zichtbaar: rechts op blokken een streng portret van ayatollah Khomeini en aan de verste muur het vier 
vierkante meter grote meesterwerk van Picasso uit 1927, Le peintre et son modèle, dat door kunsthistoricus Jeremy Melius van Tufts University ‘een van de grootste prestaties uit zijn carrière’ is genoemd.

Beginnend naast de Picasso trekken Shabazi en zijn door hemzelf uitgekozen opvolger de piepende schuifrekken over hun rail naar het midden van de ruimte, de oudste schilderijen eerst. Het lijkt wel een posterwinkel, met aan elk stalen hekwerk een tiental schilderijen. De collectie begint bij het eind van de negentiende eeuw met werken van Monet, Gauguin, Pisarro, Toulouse-Lautrec, Van Gogh en Rodin. Bij de kunst uit het midden van de twintigste eeuw hangen alleen al aan één rek tien Picasso’s (van het dertigtal dat het museum in bezit heeft), twee Marc Chagalls, een George Braque en een Diego Rivera. Het grootste deel van de collectie, van na de Tweede Wereldoorlog, bevindt zich in het deel van de kluis vlak achter de luchtsluis. Er zijn een stuk of tien werken bij van Jasper Johns en van Robert Rauschenberg en minstens vijftien van Warhol, onder meer een Mick Jagger, een Marilyn Monroe en een serie van tien Mao’s. Het meest waardevol is zijn acrylschilderij uit 1963 van een man die van een gebouw springt, Suicide (Purple Jumping Man). En dan is er nog een van Warhols zeldzame _Death and Disaster-_schilderijen die in 2013 liefst 105 miljoen dollar (80 miljoen euro) opbrachten.

Werk van impressionist Camille Pissarro tijdens een Moderne Kunst-tentoonstelling in 2005. – © Morteza Nikoubazl / Reuters
Werk van impressionist Camille Pissarro tijdens een Moderne Kunst-tentoonstelling in 2005. – © Morteza Nikoubazl / Reuters

Shabazi’s favoriete werken: de Rothko’s, zegt hij, terwijl hij de zware kluisdeur zorgvuldig achter zich dicht trekt. ‘Ik heb heel wat problemen gehad in mijn leven, en van die schilderijen word ik altijd weer rustig.’

Geregeld melden zich bij het museum kopers voor de schilderijen, onlangs nog een stichting uit Monaco die het drieluik van Bacon wilde kopen voor 103 miljoen euro. Maar niets is te koop, zelfs niet de werken die ontoonbaar worden geacht, vertelt directeur Mollanoroozi. ‘Stel dat we ze verkopen, wat zouden we dan daarvoor in de plaats moeten kopen dat evenveel waard is?’ vraagt hij. Hij hoopt dat de opbrengsten van de tentoonstellingen in het buitenland genoeg geld opleveren voor de eerste acquisities van het museum in veertig jaar, en voor noodzakelijke verbeteringen in het museum, zoals nieuwe verlichting en vloerbedekking en het waterdicht maken van de kluis als bescherming tegen overstromingen.

Zo’n twaalf jaar geleden wilde Sami Azar veilinghuis Christie’s inschakelen om de naakten te taxeren, in de hoop met de verkoop daarvan nieuwe aanvullingen voor de collectie te kunnen financieren. De toenmalige president Mohammad Khatami stond achter het idee, maar zei dat het parlement er het laatste woord over moest krijgen. Sami Azar besloot om het risico niet te nemen. De kunst verkopen is makkelijk, zei hij. Het geld terugkrijgen van de regering om nieuwe kunst te kopen zou wel eens lastig kunnen zijn.

De Kooning

In vier decennia heeft het museum maar één westers werk van de hand gedaan, de De Kooning die in 1994 werd geruild tegen de overblijfselen van een beroemd vierhonderd jaar oud boek met miniaturen, de Shahnama van Shah Tahmasp. De Shahnama, of het Boek der Koningen, was in bezit bij de Amerikaanse familie Houghton, erfgenamen van het fortuin van de glasgigant Corning Glass Works, die het vóór de revolutie al voor 28 miljoen dollar aan Iran hadden 
aangeboden, vertelt Mehdi Hojjat, voormalig onderminister van Cultuur die de ruil organiseerde. De sjah weigerde, maar in 1991 werden de onderhandelingen heropend door Arthur Houghton III, een Amerikaanse diplomaat die op dat moment in het Witte Huis werkte voor de war on drugs. Houghton schakelde daarvoor een Londense kunsthandelaar in en hield de afspraken geheim voor zijn superieuren. Ook tegenover de Iraniërs verborg hij zijn identiteit, omdat hij bang was dat die zich zouden laten afschrikken als ze wisten waar hij werkte. ‘Ik mocht niet bekend worden,’ zegt hij nu.

Er werd drie jaar over de deal onderhandeld. Aanvankelijk vroegen de bemiddelaars vijf schilderijen voor de Shahnama, waaronder de waardevolle Pollock, een Miró, een Picasso en Renoirs onthullende Gabrielle avec la chemise ouverte. Hojjat legde de kwestie voor aan de Hoge Revolutionaire Raad voor Cultuur, waarbij hij foto’s van de diverse werken liet zien. Uiteindelijk wilden de Iraniërs alleen de De Kooning opgeven, waarop een groteske, misvormde vrouwenfiguur zonder kleren stond afgebeeld.

Shabazi weet nog goed hoe hij het schilderij bij het ochtendgloren in Teheran in het vliegtuig laadde. Hojjat, die bang was dat de Amerikaanse regering zou proberen het werk in beslag te nemen als compensatie voor andere goederen waarover strijd was, had geregeld dat het snel vanaf de landingsbaan in Wenen naar een kunsthandelaar in Zwitserland zou worden overgebracht. Tegelijkertijd werd de Shahnama in Hojjats vliegtuig geladen en naar Teheran gevlogen. De De Kooning werd aan Geffen in Californië verkocht voor een geschatte 20 miljoen dollar. De familie Houghton kreeg zo’n 11,5 miljoen dollar van de opbrengsten van de Shahnama, de rest ging grotendeels naar tussenpersonen. Geffen verkocht de De Kooning in 2006 voor 137,5 miljoen dollar door aan hedgefondsmagnaat Steven Cohen.

Hojjat herinnert zich nog goed het verrassendste commentaar dat hij hoorde tijdens de lange besprekingen over wat Iran wel of niet tegen de Shahnama zou ruilen. Een van de religieuze gezagsdragers in 
de hoge revolutionaire raad was heel stellig over Gabrielle avec la chemise ouverte, een portret van de vrouw die als kindermeisje voor de familie Renoir werkte. ‘Dit schilderij van Renoir is heel bijzonder,’ zei de man. ‘Geef dat niet weg.’

Auteurs: Peter Waldman en Golnar Motevalli
Vertaler: Annemie de Vries

Peter Waldman is professor architectuur aan Princeton.

Golnar Motevalli Golnar Motevalli is vaste verslagggever van Bloomberg.

Bloomberg
VS | bloomberg.com

Opgericht door Michael Bloomberg, burgemeester van New York. Richt zich op de zakelijke en financiële markt.

Dit artikel van Peter Waldman en Golnar Motevalli verscheen eerder in Bloomberg.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!

En ontvang wekelijks het beste uit de internationale pers in uw mailbox.