• New Scientist
  • Reader
  • Hoe luie dieren fit blijven

Hoe luie dieren fit blijven

New Scientist | Londen | Richard Lovett | 01 juni 2017

Uw kat ligt de hele dag te slapen op de bank, en toch loopt hij Usain Bolt er makkelijk uit. Hoe slagen dieren erin in conditie te blijven zonder noemenswaardige training?

De meer dan 40.000 hardlopers die onlangs aan de start van de Londense marathon 
verschenen, zullen zich stiekem afgevraagd hebben waar ze aan waren begonnen. Al heb je je nog zo goed aan je trainingsschema gehouden, 42 kilometer rennen doet pijn.

Nee, dan de brandgans. Diens voorbereiding op zijn drieduizend kilometer lange trek zou voor ons net zoiets zijn als lui op de bank vis en patat eten.

Maandenlange noeste trainingsarbeid, om dan vlak vóór de grote dag een stapje terug te doen? Daar doet de brandgans niet aan. Volgens milieufysioloog Lewis Halsey van de Universiteit van Southampton ‘zitten ze gewoon op het water non-stop te eten’.

Pas sinds kort onderzoeken wetenschappers hoe dit kan. Niemand had zich nog de vraag gesteld of bij dieren conditie en trainingsactiviteit even sterk 
met elkaar samenhangen als bij de mens. Maar nu hebben die ogenschijnlijk luie dieren, die toch soms een enorm uithoudingsvermogen aan de dag leggen, dan eindelijk de interesse van een handjevol wetenschappers gewekt.

Vaak wordt aangenomen dat wilde dieren, doordat 
ze tijdens het zoeken naar voedsel en het ontsnappen aan roofdieren zo veel bewegen, topfit zijn. Halsey schreef onlangs een stuk in het Journal of Animal Ecology met de provocerende titel ‘Do animals exercise to keep fit?’. Hij liet zien dat het antwoord vaak nee luidt.

Omgevingsfactoren

Kijk maar naar onze goede oude huiskat. De meeste katten liggen het grootste gedeelte van de dag te 
luieren en doen nauwelijks iets. Maar zelfs de luiste kat loopt Usain Bolt er over korte afstanden gemakkelijk uit. Al dat geslaap lijkt hun natuurlijke beweeglijkheid nauwelijks te hinderen als er 
plotseling een hond in de tuin opduikt. En zwarte 
en bruine beren komen uit een maandenlange 
winterslaap tevoorschijn met intacte spiermassa – 
al hebben ze nauwelijks bewogen.

De brandgans doet daar zelfs een schepje bovenop. Ondanks hun zittende leventje houden ze niet alleen hun conditie op peil, hun hart wordt zelfs sterker, 
ze krijgen grotere vliegspieren en bouwen op de een of andere manier voldoende conditie op om in twee dagen duizenden kilometers te migreren.

Maar als deze fysieke hoogstandjes niet aan training te danken zijn, waaraan dan wel? Om dat te verklaren, moet het begrip fysieke conditie ruimer worden opgevat. ‘Fit zijn’ wil biologisch gezien zeggen dat het lichaam veranderingen heeft ondergaan waardoor het sterker en efficiënter is geworden. Bij mensen worden zulke veranderingen door training in gang gezet. Bij dieren als beren en trekvogels daarentegen lijkt een wisseling van seizoen het lichaam voor te bereiden op een komende uitdaging. Voor beren 
kunnen een dalende temperatuur of voedselschaarste dus signalen zijn. Maar wat het signaal ook is, het stimuleert de aanmaak van stofjes in het bloed die de spieren beschermen. In experimenten waarin spieren van ratten in het bloed van beren in winterslaap 
werden gelegd, nam het verlies van spierweefsel met veertig procent minder af dan bij spieren die in bloed van beren lagen die niet in winterslaap waren.

Halsey gaat ervan uit dat ook brandganzen reageren op veranderingen in omgevingsfactoren als temperatuur, waardoor hun lichaam ‘weet’ dat ze fysiek 
op de proef gesteld zullen worden en ze dus aan moeten komen.

De brandgans, die ook in ons land steeds talrijker wordt. – © Foto Wikimedia
De brandgans, die ook in ons land steeds talrijker wordt. – © Foto Wikimedia

Bij andere vogelsoorten is het signaal de seizoensafhankelijke hoeveelheid daglicht. Fysiologisch 
ecoloog Chris Guglielmo van de Universiteit van Western Ontario in Canada merkte dat wanneer de geelstuitzanger, een trekvogel, aan een ander aantal uren daglicht werd blootgesteld, honderden genen in zijn spieren een veranderende activiteit lieten zien. ‘Kleine zangvogels hoef je niet speciaal te trainen om ze zes tot tien uur te laten vliegen,’ vertelt hij. ‘Stel je ze een tijdlang bloot aan de juiste daglichtcyclus en haal je ze daarna uit hun kooi, dan vliegen ze in een windtunnel zo tien uur achter elkaar.’

Anders dan trekvogels krijgen mensen in april helaas geen biologische prikkels om fit te worden, hoe graag een marathonloper dat misschien ook zou willen. Ook hebben we geen spierbeschermende stofjes in ons bloed, dat ervoor zorgt dat we als we op de bank liggen onze zwaarbevochten spierkracht niet verliezen. Invloeden uit ons evolutionaire verleden hebben ervoor gezorgd dat wij alleen door training in goede conditie komen.

Het leven van onze voorouders was onvoorspelbaar. Ze moesten veel en soms ook hard lopen om aan voedsel te komen en zich uit gevaarlijke situaties te redden. Tegelijk moesten ze hun spiermassa minimaal houden omdat er zelden voedsel in overvloed was. Zo bezien is uit vorm raken zelf ook weer een adaptatie. Het onderhouden van spieren kost immers een hoop energie. Elke kilo spierweefsel vraagt 
dagelijks zo’n tien tot vijftien kilocalorieën van ons rustmetabolisme. Misschien lijkt dat niet veel, maar bedenk dat veertig procent van het lichaamsgewicht van een doorsneepersoon uit spieren bestaat. ‘Een gemiddeld mens besteedt zo’n twintig procent van zijn basale energiebudget aan het op peil houden 
van spiermassa,’ vertelt evolutionair bioloog Daniel Lieberman van de Harvard-universiteit, die tevens marathonloper is.

Voor de mens is in vorm blijven een evolutionaire luxe. Maar voor 
een rat kan het net het verschil maken tussen het er levend vanaf brengen en als kattenvoer eindigen

Onze fysiologie is dus zo geëvolueerd dat ons gewicht en onze conditie variëren als functie van het beschikbare voedsel. Hierin zijn we volgens Lieberman anders dan de meeste andere dieren. De meeste dieren zijn alleen tot korte momenten van intense activiteit in staat, dat geldt zowel voor de cheeta die achter een prooi aan zit als voor de gazelle die aan hem ontsnapt. Katten zijn weliswaar snel, maar 
hoeven maar zelden ver te lopen. Misschien kan een huiskat haar kattenconditie prima op peil te houden door een paar keer een rondje om het huis te stuiven. Mensen daarentegen hoefden niet vaak hard te 
rennen, maar moesten wel langere afstanden 
afleggen, aldus Lieberman.

Hij denkt dat natuurlijke selectie ons lang geleden 
op de Afrikaanse savanne tot ‘perfect aangepaste duursporters’ heeft gemaakt, die prooidieren er met gemak uitrenden en lange afstanden aflegden als 
het nodig was. Maar schijnbaar moeten we er wel op trainen. Doen we dat niet, dan verslappen we.

Ook dieren die grote afstanden aflegden, hoefden qua snelheid niet uit te blinken. Een brandgans die de Atlantische Oceaan overstak, hoefde geen wereldrecord te vestigen, zolang hij de overkant maar 
haalde. En, vertelt sportfysioloog Ross Tucker van de Universiteit van de Vrijstaat in het Zuid-Afrikaanse Bloemfontein, de mens is het enige dier dat zich 
zorgen maakt over zijn piekactiviteit. Behalve 
renpaarden en hazewindhonden, allebei gefokt om wedstrijden te rennen, gaan dieren geen directe competitie met elkaar aan. ‘Ik weet niet of dieren allemaal dezelfde prestaties leveren… En we weten niet of zij hun prestaties door training kunnen 
verbeteren,’ zegt hij.

Wat kan een menselijke sportfanaat leren van de luie, fitte dieren in de vrije natuur? Je zou misschien hopen dat wetenschappers nog eens een marathonlooppil maken die ons lichaam doet transformeren als dat van een brandgans. Maar nog afgezien van 
de gezondheids- en ethische aspecten van dergelijke doping, zal dat niet snel gebeuren. Tot het zover is, moeten we onze motivatie misschien zoeken bij een bescheidener diertje.

Dopamine

Iedereen die wel eens een hamster heeft gehad, 
weet dat knaagdieren erg van rennen houden. Uit experimenten met hun hersenchemie blijkt dat zij 
er plezier aan beleven, vertelt evolutionair bioloog Vincent Careau van de Universiteit van Ottawa in Canada. ‘Hun dopaminesysteem maakt dat muizen dat fijn vinden,’ vertelt hij. ‘Ze krijgen er eenzelfde kick van als hardlopers.’

Een Nederlands experiment uit 2014 liet zien dat niet alleen tamme knaagdieren zo reageren. Zet je een loopmolentje buiten, dan bleken zelfs wilde 
muizen erop te gaan rennen, zodra ze doorkregen hoe het ding werkte.

Deze zomer wil Careau dit experiment voortzetten, door opnieuw loopmolentjes in de vrije natuur te plaatsen. Hij wil zo veel mogelijk muizen van een merkteken voorzien en bijhouden welke afstand elk van hen op het molentje aflegt, zodat hij kan nagaan of het rennen hun overleven bevordert. Het zou heel goed kunnen van wel, omdat muizen immers voortdurend aan roofdieren moeten ontsnappen: haviken, vossen, slangen, wezels. Wie weet doen zij wel, net als wij, te weinig aan hun conditie om hard genoeg weg te kunnen lopen, en doen ze er goed aan om in hun vrije tijd nog wat bij te trainen. Voor de mens is in vorm blijven een evolutionaire luxe. Maar voor 
een rat kan het net het verschil maken tussen het er levend vanaf brengen en als kattenvoer eindigen. 
Wil je dus als marathonloper graag je prestaties 
verbeteren, vergeet dan die ganzen, katten en beren. Doe als een muis, en ga op zoek naar die heerlijke dopaminekick.

Auteur: Richard Lovett
Vertaler: Valentijn van Dijck

New Scientist
Verenigd Koninkrijk | weekblad | oplage 82.000

Een van de beste en meest toegankelijke wetenschapstijdschriften ter wereld. Stimulerend, met veel aandacht voor het milieu en industriële vernieuwing. Onderdeel van Reed Elsevier.

Dit artikel van Richard Lovett verscheen eerder in New Scientist.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

360 is jarig en trakteert!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief en krijg 3 maanden gratis toegang tot 360 online.