• De Bezige Bij
  • Longreads
  • ‘Ik heb ze er uiteindelijk toch onder gekregen. De fuckers.’ Philip Roth, de biografie

‘Ik heb ze er uiteindelijk toch onder gekregen. De fuckers.’ Philip Roth, de biografie

© Beowulf Sheehan / ANP
De Bezige Bij | Amsterdam | Blake Bailey | 16 april 2021

Op 22 april verschijnt de Nederlandse vertaling van de biografie van Philip Roth door Blake Bailey. Met dank aan De Bezige Bij publiceren wij alvast de proloog. Over Portnoy’s Complaint, waar Roth naar eigen zeggen best zonder had gekund, de Nobelprijs, die hij uiteindelijk nooit kreeg en Roth als brave jongen.

Op 23 oktober 2005 werd in Newark Philip Roth Day gevierd. Twee bussen vol fans deden de Philip Roth Tour en reden langs betekenisvolle plekken – Washington Park, de openbare bibliotheek, Weequahic High School – waar de inzittenden om beurten relevante passages uit zijn werk voorlazen. De rit eindigde bij Summit Avenue 81, het huis van zijn vroegste jeugd, waar iedereen uitstapte en Roth luid werd toegejuicht toen hij zelf in een limousine arriveerde.

‘Kom hier en geef me een kus!’ zei Roberta Harrington, de huidige eigenares van het huis, en Roth liet haar de rest van de dag niet meer van zijn zijde wijken. Na enkele woorden van burgemeester Sharpe James, voor wie Roth grote bewondering had (‘typische burgemeester van een grote stad, met alle bluf en sluwheid die daarbij horen’), trok Roth de zwarte doek weg om de plaquette te onthullen die op het huis was aangebracht: ‘In dit huis speelden zich de eerste levensjaren af van Philip Roth, een van de grootste Amerikaanse schrijvers van de twintigste en eenentwintigste eeuw.’ Daarop stak het gezelschap de straat over naar de kruising met Keer Avenue, waar een groen straatbord op de hoek aangaf dat dit kruispunt voortaan Philip Roth Plaza heette. 

Vervolgens was er een receptie in het bibliotheekfiliaal uit Roths kindertijd, aan Osborne Terrace, waar de burgemeester plaatsnam achter het spreekgestoelte: ‘Jullie jochies van Weequahic denken dat wij van de South Side niet kunnen lezen,’ zei hij tegen Roth, doelend op de overwegend zwarte school waarop hijzelf had gezeten in de tijd dat Roth naar Weequahic High ging. En hij las (‘heel mooi’) iets voor uit The Counterlife

‘Als je uit New Jersey komt,’ had Nathan gezegd, ‘en je schrijft dertig boeken en je wint de Nobelprijs, en je eindigt je leven als een man van vijfennegentig met witte haren, dan is het hoogst onwaarschijnlijk maar niet onmogelijk dat ze na je dood besluiten een parkeerplaats langs de Jersey Turnpike naar je te vernoemen. En dan wordt er inderdaad misschien nog lang na je overlijden aan je gedacht, maar vooral door kleine kinderen achter in een auto als die zich naar voren buigen om tegen hun ouders te zeggen: “Stop eens, alsjeblieft, stop eens bij Zuckerman – ik moet plassen.” Op meer onsterfelijkheid moet je als romanschrijver uit New Jersey realistisch gezien echt niet hopen.’ 

Tot slot nam Roth zelf het woord: ‘Vandaag is Newark mijn Stockholm en die plaquette mijn prijs. Ik zou niet blijer kunnen zijn met eender welk eerbewijs me waar ook ter wereld ten deel zou kunnen vallen. Meer valt er niet te zeggen.’ Een paar dagen eerder had zijn vriend Harold Pinter de Nobelprijs gewonnen. 

De grote Israëlische filosoof Gershom Scholem ging zelfs zover om te opperen dat Portnoy’s Complaint de opmaat zou vormen naar een tweede Holocaust

‘Roth is een schrijver wiens kracht en vaardigheid veel groter zijn dan zijn toch al niet geringe reputatie,’ had de vooraanstaande Britse criticus Frank Kermode acht jaar eerder geschreven na lezing van American Pastoral, de roman over de verloedering van Newark en het grotere verlies van Amerika’s onschuld in de jaren zestig die Roth de Pulitzer Prize had opgeleverd. Misschien dacht Kermode aan een oudere roman, die zich ook in Newark afspeelt en waarop Roths reputatie nog steeds voor een groot deel berust: Portnoy’s Complaint, zijn bestseller uit 1969 over een joodse tiener met een moedercomplex en een voorliefde voor blonde sjikses, die zich aftrekt in een stuk lever (‘Ik heb het avondeten van mijn eigen familie genaaid’). Veel van Roths latere werk was mede een reactie op de verlammende roem van dat boek – op de wijdverbreide gedachte dat dit geen fictie was maar bekentenisliteratuur, en de in sommige delen van het joodse establishment vigerende opvatting dat Roth een antisemitische propagandist was van het kaliber Goebbels en Streicher. De grote Israëlische filosoof Gershom Scholem ging zelfs zover om te opperen dat Portnoy’s Complaint de opmaat zou vormen naar een tweede Holocaust. 

Gezien de magistrale omvang van zijn uiteindelijke oeuvre – eenendertig titels – begon Roth op den duur oprecht te wensen dat hij Portnoy nooit gepubliceerd had. ‘Ik had ook zonder dat boek best een serieuze carrière kunnen hebben, en dan was ik ontkomen aan die stortvloed aan krenkende bagger’ – al die verwijten van joodse zelfhaat, vrouwenhaat en algehele frivoliteit. ‘Ik had een boek geschreven over seks en aftrekken en zo, dus nu was ik een potsenmaker of een pornoschrijver. Maar ik heb ze er uiteindelijk toch onder gekregen. De fuckers.’ 

***

Roth was een van de laatsten van een generatie hemelbestormende romanschrijvers, onder wie zulke vrienden en deels ook rivalen als John Updike, Don DeLillo en William Styron (zijn buurman in Litchfield County, Connecticut), en het is aannemelijk dat zijn werk de meeste kans maakt om de tand des tijds te doorstaan. In 2006 legde The New York Times Book Review aan zo’n tweehonderd ‘schrijvers, recensenten, redacteuren en andere literatuurkenners’ de vraag voor wat zij ‘het beste Amerikaanse fictieboek van de afgelopen vijfentwintig jaar’ vonden. Zes van de tweeëntwintig boeken op de uiteindelijke ranglijst waren van Roth: The Counterlife, Operation Shylock, Sabbath’s Theater, American Pastoral, The Human Stain en The Plot Against America. ‘Als we ze naar de beste fictieschrijver van de afgelopen vijfentwintig jaar hadden gevraagd,’ schreef A.O. Scott in het begeleidende essay, ‘had Roth gewonnen.’ 

Maar Roths schrijversloopbaan omspande natuurlijk een veel langere periode dan die vijfentwintig jaar, want die was al in 1959 begonnen met Goodbye, Columbus, waarmee hij op zijn zesentwintigste de National Book Award won. Zijn derde roman, Portnoy’s Complaint, prijkte op de in 1998 door de Modern Library uitgebrachte lijst van de honderd beste Engelstalige romans van de twintigste eeuw, en zowel American Pastoral als Portnoy haalde in 2005 ook de door het weekblad Time samengestelde ranglijst van de honderd beste Amerikaanse romans. In de vijfenvijftig jaar van zijn schrijversloopbaan heeft Roth in zijn ontwikkeling een verbluffende veelzijdigheid aan de dag gelegd: na de rake satire van zijn vroege verhalen in Goodbye, Columbus schreef hij eerst twee sombere realistische romans (Letting Go en When She Was Good) die vooral sterk onder de invloed stonden van respectievelijk Henry James en Flaubert – curieuze leerjaren als je dat werk vergelijkt met de bizarre kluchtigheid van de Portnoy-periode die erop volgde (met Our Gang en The Great American Novel), het kafkaëske surrealisme van The Breast, de virtuoze komedie van de Zuckerman-reeks (The Ghost Writer, Zuckerman Unbound, The Anatomy Lesson, The Prague Orgy), het onnavolgbare metafictionele spel van The Counterlife en Operation Shylock, en de uiteindelijke synthese van al zijn kwaliteiten in de meesterlijke en in essentie tragische Amerikaanse trilogie American Pastoral, I Married a Communist en The Human Stain. En in de laatste tien jaar van zijn schrijverschap bleef hij romans afleveren – bijna elk jaar nog één – met indringende bespiegelingen over sterfelijkheid en noodlot. Al met al biedt zijn oeuvre ‘het meest ware beeld van het leven in onze tijd’, zoals de dichter Mark Strand het in 2001 verwoordde bij de uitreiking aan Roth van de Gold Medal van de American Academy of Arts and Letters. 

Roth betreurde de misvatting dat hij in de kern een autobiografische schrijver was

Roth betreurde de misvatting dat hij in de kern een autobiografische schrijver was, al schiep hij daarover zelf ook graag verwarring door zijn romans vol te stoppen met allerhande fictieve alter ego’s die sterk op hem leken, tot het terugkerende personage ‘Philip Roth’ aan toe. Sommige romans waren allicht iets autobiografischer dan andere, maar Roth zelf was een veel te ongrijpbare figuur om hem op één enkel personage vast te pinnen, en er is betrekkelijk weinig bekend over het werkelijke leven waarop heel dat enorme oeuvre dan zou zijn gebaseerd. Tot op zekere hoogte zat die verwarring hem erg dwars. ‘Ik ben evenmin “Alexander Portnoy” als ik de “Philip Roth” ben van het boek van Claire [Bloom],’ somberde hij na de publicatie van Leaving a Doll’s House, de smadelijke memoires van de actrice van wie hij was gescheiden. Als hij dat Portnoy-imago niet had gehad, zou zijn ex het volgens Roth ‘nooit gewaagd hebben om op de proppen te komen’ met een portret van hem dat zo’n schril contrast vormt met het beeld van de ‘gedisciplineerde, stabiele en verantwoordelijke’ persoon dat hij altijd van zichzelf had. 

Interview met de auteur

In ons aankomende meinummer, dat 29 april verschijnt, publiceren wij een interview met Blake Bailey, de befaamde biograaf, waarin hij onder andere ingaat op de vraag hoe autobiografisch Roths werk eigenlijk was.

Dat is beslist ook de manier waarop Roth geportretteerd is in de postume sleutelroman van Janet Hobhouse, The Furies, waarin een van de personages een op Roth geënte beroemde schrijver is. Midden jaren zeventig had hij een affaire met Hobhouse – ze woonden toen in hetzelfde gebouw, niet ver van het Metropolitan Museum – en zij heeft misschien wel het meest afgewogen portret geschetst van deze man die, hoe beroemd hij ook was, de publiciteit vooral schuwde. De verteller in haar roman beschrijft ook de conventionelere kanten van de charme van deze Jack/Roth (‘niet alleen zijn snelheid van denken, maar die speelsheid, die bereidheid om te springen en duiken en met een soepele polsbeweging het spel op gang te houden’), maar ze valt toch vooral voor zijn ‘monnikenleven’, de mate waarin ‘zijn hele bestaan draait om de twee pagina’s die hij van zichzelf elke dag moet schrijven’: ‘Ik zat hunkerend te denken aan dat gereguleerde, bijna ascetische leven dat zich twee verdiepingen lager afspeelde: het ernstige geblader in literaire tijdschriften als de schemering viel, het geritsel van buitenlandse correspondentie in een jamesiaanse gewijde stilte.’ 

Roth beschouwde zichzelf juist als het tegendeel van antisemitisch en misogyn, en hij had sowieso weinig op met dat soort hokjesdenken. Over het zogenaamde ‘monnikenleven’ van hem schreef hij bijvoorbeeld aan een vriend: ‘Mijn reputatie als “kluizenaar” was altijd al belachelijk.’ Het kwam er vooral op neer dat hij liever ‘zalig’ aan het werk was in een landelijke omgeving dan dat hij ‘over [zich]zelf zat te kletsen met mensen in New York of in praatprogramma’s op tv’. Maar hij was vaak zeer betrokken bij de buitenwereld: in de jaren zeventig reisde hij herhaaldelijk naar Praag en sloot daar vriendschap met dissidente schrijvers als Milan Kundera en Ludvík Vaculík, wier boeken hij in het Westen onder de aandacht bracht in de jarenlang door hem geredigeerde Penguin-reeks Writers from the Other Europe. Toen hij een relatie had met Bloom, verdeelde hij zijn tijd tussen Londen, New York en zijn buitenhuis in Connecticut, en was hij daarnaast af en toe wekenlang in Israël om stof op te doen voor zijn romans The Counterlife en Operation Shylock. En in de jaren daarna reisde hij waar hij maar heen wilde om informatie te vergaren over onderwerpen die varieerden van het maken van handschoenen tot taxidermie en grafdelven; voor zijn boek Patrimony ging hij zelfs op een voorleestournee om dat ook eens te ervaren. Maar het grootste deel van zijn schrijversloopbaan zag er wel zo uit als Hobhouse het beschreef: overdag noest aan de arbeid achter zijn bureau, ’s avonds in gezelschap van een vrouw – liefst ook verdiept in een boek, als het aan Roth lag. ‘Wat had ik anders moeten doen om niet voor kluizenaar te worden uitgemaakt?’ schreef hij. ‘Elke avond uit eten in Elaine’s?’ 

Roth wist er wel een kleurrijk liefdesleven op na te houden, waarover hij vaak sprak ‘met een soort beminnelijke dromerigheid’, zoals Samuel Johnson volgens zijn biograaf Boswell mijmerde over zijn lievelingskat Hodge. Maar hij bleef toch ook altijd de geliefde zoon van Herman en Bess – een ‘innemende, analytische, brave jongen die iedereen zo charmant naar zijn hand wist te zetten’, zoals zijn alter ego Zuckerman hem afkeurend beschrijft in The Facts – een man zo rechtschapen dat hij tweemaal een rampzalig huwelijk aanging met vrouwen die volstrekt niet bij hem pasten, niet in de laatste plaats omdat zij het zo graag wilden. (En dat terwijl hij een hele reeks partners afwees die veel beter bij hem zouden hebben gepast.) Ondertussen bleef hij zich ook steeds afzetten tegen zijn eigen braafheid, precies zoals omschreven in de klinische definitie van ‘Portnoy’s klacht’: ‘een aandoening waarin intens beleefde ethische en altruïstische impulsen voortdurend strijden met extreme seksuele, vaak perverse verlangens’. Nogmaals, Portnoy is nog de minst autobiografische figuur in die galerij, die onder meer ook Zuckerman, Kepesh en Tarnopol omvat, maar al die personages zijn wel behept met een vergelijkbare gespletenheid. De grootste drijfveer van Roth zelf was echter altijd het dienen van zijn eigen genie – in weerwil van alle vurige verlokkingen des vlezes die hem ook niet vreemd waren. ‘Philip zei een keer iets over Willy, de man van Colette,’ zei zijn vriendin Judith Thurman. ‘Hij had het over het fin de siècle, die hele wereld die bol stond van de erotiek, en hij zei: “Dat was wel zo mooi! Ze liepen de godganse dag rond in een roes.” En hij bedoelde een seksuele roes. Stel je voor dat je heel muzikaal bent en op straat de taxi hoort rijden in C-klein en de bus in G-groot, en je hóórt dat allemaal – en vertaal dat dan naar een antenne voor erotiek.’ 

***

Een jaar na de voltooiing van zijn Amerikaanse trilogie ontving Roth, net als Willa Cather, William Faulkner en Saul Bellow voor hem, de hoogste onderscheiding van de Amerikaanse Academy of Arts and Letters, de gouden medaille voor fictie. Het jaar daarop, in 2002, ontving hij tijdens de uitreiking van de National Book Awards de Medal for Distinguished Contribution to American Letters, en hij gebruikte die gelegenheid om ‘een hardnekkig misverstandje’ recht te zetten: ‘Ik heb mijzelf nooit, nog niet één zin lang, als een Amerikaans-joodse of een joods-Amerikaanse schrijver beschouwd,’ zei hij in een goed voorbereide toespraak, ‘net zomin als ik denk dat Theodore Dreiser of Ernest Hemingway of John Cheever zichzelf beschouwden als Amerikaans-christelijke of christelijk-Amerikaanse schrijvers.’ Susan Rogers, zijn voornaamste vriendin in die tijd, herinnerde zich dat Roth wel twee of drie maanden aan die toespraak had zitten schaven en hem ‘minstens zes keer’ aan haar had voorgelezen. Na zijn Amerikaanse trilogie – door sommigen zijn ‘brief aan Stockholm’ genoemd – groeide de consensus dat Roth als romanschrijver op eenzame hoogte stond. Maar dat liet Stockholm onberoerd. ‘Het kind in mij is er dolblij mee,’ had Bellow over literaire prijzen in het algemeen en de Nobelprijs in het bijzonder gezegd, ‘de volwassene in mij blijft sceptisch.’

Roth maakte die leus tot de zijne, maar kon toch ook niet de gedachte verdringen aan het opvallendste verschil tussen zijn schrijverschap en dat van Bellow – zeker niet nadat Bellows weduwe hem de hoge hoed cadeau had gedaan die haar man in Stockholm had gedragen, en die een vaste plaats kreeg op een luidspreker van de stereo-installatie in Roths apparte ment. (Toen hem werd gevraagd of de hoed hem paste, zei hij: ‘Nee, Sauls hoed past mij niet. Hij is een veel betere schrijver.’) Aan het einde van zijn leven wandelde Roth af en toe (uiterst langzaam) van zijn appartement in de Upper West Side naar het Museum of Natural History en terug, en rustte dan op bijna alle bankjes onderweg even uit – ook het bankje bij de roze gedenksteen waarop het museum alle Amerikaanse winnaars van de Nobelprijs laat graveren. ‘Wat is die eigenlijk foeilelijk, hè?’ merkte een vriendin een keer op. ‘Ja,’ zei Roth, ‘en hij wordt met de dag lelijker.’ ‘Waarom hebben ze die steen hier eigenlijk gezet?’ Roth lachte: ‘Om mij te pesten.’

Philip Roth. De biografie, door Blake Bailey, verschijnt op 22 april bij De Bezige Bij in een vertaling van Lidwien Biekmann en Frank Lekens.

Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

360 is jarig en trakteert!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief en krijg 3 maanden gratis toegang tot 360 online.