• Frankfurter Allgemeine Zeitung
  • Reader
  • Iraanse wetenschap wil de wereld in

Iraanse wetenschap wil de wereld in

Iran heeft een ambitieuze jonge elite die hongert naar welvaart en vooruitgang. Wetenschap en techniek zijn voor hen het tegengif tegen de isolatie van het land.

Kon je het raam maar open gooien. De lucht is benauwd in de Iraanse hoofdstad, de straten zitten verstopt met oude rammelkasten. Hier en daar een hybride Lexus of een SUV van Duitse makelij die verbazend schadevrij door de drukte heen slalommen en toch de indruk wekken van een onbeholpen protest van de seculiere vooruitgang tegen de muffe lucht in het land van de religieuze deugdpolitie.

In dit ronkende tumult, dat overdag veertien miljoen mensen omvat en ’s avonds, wanneer de forenzen weg zijn, inkrimpt tot acht miljoen, is alles voortdurend in beweging. Olie en gas, dat hoor en ruik je op elk straathoek, vormen de brandstof voor deze moloch. Zonder de fossiele energie was het organisme Iran allang uitgedroogd, daarin onderscheidt het zich niet van de buurlanden in het Midden-Oosten. 68 soorten mineralen en waardevolle metalen, koper, zink, ijzer, maar vooral de grootste gasreserves van de wereld en de op drie na grootste oliereserves, de grootste markt voor voertuigen in Voor-Azië, maar geopolitiek gezien toch ook een doodzieke patiënt.

In isolement verliest het tegengif algauw zijn werking. Wat nodig is, is echt vers bloed

Iran was en is een land in isolement. Het conflict over atoomenergie en de jarenlange sancties tegen het land in de regeringsperiode van de Iraanse populist Mahmoud Ahmadinedjad hebben, tot het nucleaire verdrag met de ‘5+1 staten’ van twee jaar geleden, een politieke puinhoop achtergelaten die tot enige tijd geleden in elk geval op het gebied van de wetenschappen misschien alleen vergelijkbaar is met wat overtuigde pessimisten voorspellen voor de aartsvijand, de Verenigde Staten: isolationisme tot aan internationale marginalisering toe.

Maar uitgerekend Iran, deze streng geïsoleerde chronische patiënt met zijn autoritair-religieuze bovenbouw, lijkt na de eerste aarzelende opening nu een supermagneet te worden voor een westers wetenschappelijk establishment. Er wordt wederzijds contact gezocht en afgetast. Zoals de Robert Bosch-Stiftung, die we bij hun aftastpogingen aan enkele van de grootste universiteiten van Teheran vergezelden. De Iraanse ‘onderzoekskracht’ waarvan de secretaris van de stichting, Joachim Rogall, vooral onder de indruk was, was tot dusver hoofdzakelijk opgevallen door de zeer getalenteerde studenten en ambitieuze doctorandi die hun heil vonden in Noord-Amerika.

Maar ook Europa is al jaren een bestemming: alleen al de Max-Planck-Gesellschaft biedt momenteel werk aan ongeveer tweehonderd overwegend jonge Iraniërs. Het academisch milieu wordt in het algemeen gekenmerkt door de vele jongeren en vrouwen. Al onder het regime van Ahmadinedjad verdubbelde het aantal studenten binnen zeven jaar tot bijna vierenhalf miljoen, het aandeel van de vrouwen is net iets minder dan de helft. De explosieve groei van de wetenschap aan honderden openbare, private en religieuze universiteiten is het resultaat van de drang tot zelfbehoud in een rijk, maar politiek geïsoleerd land. Deze heeft een ambitieuze jonge elite voortgebracht die onmogelijk in haar geheel naar het buitenland kon emigreren – een elite die hongert naar welvaart en vooruitgang. Wetenschap en techniek zijn voor hen het tegengif tegen de isolatie en de opening is de kans op vers bloed voor het zieke organisme.

‘Het venster gaat open’: met ongeveer deze woorden begroette Mahdi Jahangiri, een van de leidende figuren in de Iraanse Kamer van Koophandel en daar verantwoordelijk voor de hightechstrategie, de delegatie van de stichting. De Iraanse Kamer van Koophandel is het scharnier- en middelpunt geworden van een culturele en academische beweging die de weg naar buiten zoekt. De voortrekker daarvan is geen man, maar een vrouw: Ferial Mostofi. Een bekwame, doortastende zakenvrouw, een netwerkster die het wetenschappelijke potentieel wil benutten voor een economische ‘upgrade’ van het land: ‘Wij hebben het potentieel van een grote handelsnatie,’ zegt ze, en in de ‘strijd van de kennisgemeenschappen’ om de knapste koppen ziet ze haar land een vooraanstaande positie innemen. Als ze spreekt, klinkt dat oppervlakkig naar zelfpromotie, en ze springt even makkelijk om met statistieken en slogans over ‘investment service centers’, technologietransfers en ‘science & technology-parken’ als iedere westerse wetenschapsmanager. Maar ze weet ook: in isolement verliest het tegengif algauw zijn werking. Wat nodig is, is echt vers bloed: ‘Wij hebben buitenlandse investeringen en samenwerkingsverbanden nodig.’

De Robert Bosch Stiftung is echter niet naar Teheran gereisd om geld te brengen. ‘Wij dragen de naam van de firma Bosch, maar als onafhankelijke stichting kunnen we hooguit wegbereiders zijn, die dingen mogelijk maken,’ maakte Rogall duidelijk, nadat de ene jonge Iraanse ondernemer na de andere na afloop van zijn korte toespraak in de Kamer van Koophandel geïnformeerd had naar mogelijke directe investeringen uit Stuttgart. In drie jaar tijd is het aantal start-ups en spin-offs dat uit de kennispool van de Iraanse academies is voortgekomen gestegen van enkele tientallen tot meer dan drieduizend, en het aantal ‘science & technology-parken’ gegroeid tot bijna veertig. Overdracht van technologie geldt als de koninklijke weg naar welvaart, de universiteiten pronken met ondernemersstrategieën, maar men is vooral bang dat de technologische vooruitgang in het isolement op enig moment zal stagneren.

Een robot op de 11e international Robo-Cup-competitie in Teheran, Iran. – © Fatemeh Bahrami / HH
Een robot op de 11e international Robo-Cup-competitie in Teheran, Iran. – © Fatemeh Bahrami / HH

Het wetenschapspark van de Universiteit van Teheran bijvoorbeeld, met meer dan 55.000 studenten de grootste van het land, beslaat al meer dan een half miljoen vierkante meter ten noorden van de hoofdstad. Maar voor Mahmoud Nili Ahmadabadi, de eerste democratisch gekozen president van een Iraanse universiteit, is het eigenlijke doel niet de vergroting van het universiteitsterrein, maar een uitbreiding naar het buitenland: ‘Samenwerkingsverbanden met het buitenland bestaan tot dusver helaas alleen op papier.’ Dat geldt niet alleen voor projecten, maar ook voor de uitwisseling van academici: van de buitenlandse studenten aan de Teheran Universiteit komen de meesten uit de buurlanden, uit Afghanistan en Pakistan bijvoorbeeld. Slechts enkelen uit Europa of Noord-Amerika. Volgens de voorzitter van het ingenieurscollege, Nasser Soltain, kan men aan zijn universiteit de gevolgen zien van het jarenlange isolationisme: ‘Wij moeten eerst weer gewend raken aan echte samenwerking,’ zegt hij, en hij rekent daarbij op Europa. De studenten zouden in contacten met Amerikaanse of Canadese professoren tot dusver veel sneller antwoorden en toezeggingen gekregen hebben. ‘Maar onze eerste keus was eigenlijk Europa.’

De reden is eenvoudig: de meeste hoogbegaafde studenten en doctorandi die voor hun afstudeerprojecten naar Noord-Amerika zijn gegaan, zijn daar ook gebleven. De kans dat de begaafde jongeren weer terugkeren naar het land en meewerken aan de opbouw van Iran als wetenschapsnatie is duidelijk hoger na leerjaren in Europa.

Ambitie

Thomas Andersson, een Zweedse wetenschapper die onlangs een rapport heeft geschreven voor de Conferentie over Wereldhandel en Ontwikkeling van de Verenigde Naties, en die de weg naar Iran geëffend heeft voor de Bosch-Stiftung, is er zeker van: ‘Dit is de ideale tijd voor samenwerkingsverbanden met Europa.’ Het gaat beter, dat is duidelijk, maar zo ideaal is het toch ook weer niet, als je luistert naar jonge wetenschappers als de elektro-ingenieur Mahdi Pourfath, die vertelt over de moeilijkheid om middelen te verwerven voor Iraanse projecten: ‘Zolang we geen publicaties in Nature of Science kunnen overleggen, zijn wij oninteressant voor Europese geldschieters. En hier bijt de slang zich in de staart, want zonder die gelden kunnen we ook geen onderzoek afleveren dat voor zulke tijdschriften interessant is.’

Bij elke ontmoeting bespeur je de ambitie om daar absoluut iets aan te veranderen. Het is voor de Iraanse elites niet meer voldoende nummer 1 in het Midden-Oosten te zijn wat betreft citaties in wetenschappelijke publicaties. Ze presenteren voortdurend internationale rankings die allemaal de academische opkomst aantonen – een bewijs van het eigen potentieel, maar ook van de worteling in het internationale wetenschapsbedrijf. Dat blijkt het duidelijkst bij het bezoek aan de Sharif-universiteit. Een universiteit die Andersson karakteriseert als de ‘talentsmederij van Voor-Azië’. Nummer 38 op de internationale ranglijst van citaties, een plaatsje onder de zon. Daar staan ze niet voor niets. Elk jaar zijn er meer dan honderd jonge geslaagden van de middelbare school die een zeer selectieve test doen om toegelaten te worden tot de Sharif-universiteit. 97 procent valt uiteindelijk af, een derde van de besten zijn jonge vrouwen, ook al ligt het zwaartepunt op het terrein van de technische disciplines – ingenieurstechniek, wiskunde, tot en met nanotechnologie (of juist daarom). Bijna alle leidinggevende professoren hebben aan een Amerikaanse of Europese elite-universiteit gewerkt. Velen brachten enige tijd door in Max Planck-instituten, bijna allemaal hebben ze nog contacten. Dat komt de citatieranking ten goede, en daarmee ook het aanzien, dat stijgt.

Maar het is de president van de universiteit, Mahmoud Fotouhi, nog lang niet genoeg: ‘Wij willen studenten opleiden die bij ons carrière kunnen maken,’ zegt hij. De massieve toename van Iraanse doctoraal- en Ph.D.-diploma’s van minder dan 20.000 tot meer dan 73.000 in nog geen tien jaar is grotendeels terug te voeren op het stimuleren van elitevorming, zoals die aan de Sharif-universiteit al in de restrictieve periode van het Ahmadinedjad-regime werd bespoedigd.

‘Wij lossen onze economische problemen nu op met kennis’

Toch zijn de leidende figuren in de wetenschap niet langer tevreden met academische successen alleen. Ze willen hogerop. Daarbij worden ze ook aangedreven door een geïmporteerde promotiedwang die niet alleen de geleerde zou kunnen vleien, maar ook de machtige conservatieven in het land – vaak genoeg de spelbrekers op het gebied van cultuur. Graag wordt het bericht geciteerd van het McKinsey Global Institute van juni vorig jaar, waarin sprake is van de ‘eenmiljarddollar-kans’ voor Iran. Bedoeld worden de groeiprognoses van het land tot het jaar 2035 – bij een jaarlijkse economische groei van zes procent.

Westerse bezoekers zijn minder verrast door dat getal dan door de conclusies die de Iraniërs eruit trekken. Die komen neer op een paradigmawisseling in de wetenschapspolitiek, als we de president van Sharif Fotouhi mogen geloven. Industriepartnerschappen tegen de klippen op. Met industriegelden, graag ook met zulke buitenlandse investeerders en intussen ook met Iraans durfkapitaal moet de weg worden vrijgemaakt voor het hightechland Iran. Men is van vijftig industrieprojecten aan de universiteit in 2010 in vijf jaar opgeklommen tot meer dan driehonderd. Aan de Sharif-universiteit heeft men daarvoor niet alleen een bijzondere plaats ingeruimd voor de klassieke technologieoverdracht, met alle marketing- en consultancybombarie die erbij hoort, ook een groep studenten, in meerderheid vrouwelijk, heeft zich blijkbaar een hoog aanzien verworven. Hun ‘Sharif-versneller’ moet partnerschappen en samenwerkingsverbanden bespoedigen, maar vooral goede ideeën stimuleren.

Nanotechnici

Elke start-up krijgt 20.000 dollar startkapitaal. Hoewel ze pas in 2014 begonnen zijn, hebben een paar van deze kleine ondernemingen het op de Iraanse markt gemaakt. Maar ze zijn niet allemaal zo succesvol als de afgestudeerden die de computeringenieur Hamid Rabiee presenteert: 500 publicaties en 20 technologiepatenten in vijf jaar, en daarbij 45 start-ups uit de ‘incubator’ met big data en cloudexperts, een eigen sociaal netwerk, een gezondheidscloud en spin-offbedrijven, waarvan de een of de ander jaarlijks tot 75 miljoen dollar omzet moet maken.

Die bekwaamheid in zaken brengt ook de Raad van Wachters in het geweer. Toen de Iraanse regering een paar jaar geleden het ‘nanocouncil’ oprichtte, een nationaal stimuleringsprogramma, dat onlangs gevolgd werd door een programma voor hersenonderzoek ter waarde van 10 miljoen dollar en al snel uitgebreid kon worden met een biotechprogramma, telde men in het land 10 nano-onderzoekers met acht publicaties per jaar. Nu, tien jaar later, heeft Iran naar men zegt 20.000 nanotechnici, verdient het geld met 400 nanobedrijven, exporteert het naar zeventig landen en is het in de internationale ranking van het nano-onderzoek gestegen naar de zesde plaats.

In het ministerie van Wetenschap heet het daarom officieel: ‘Wij lossen onze economische problemen nu op met kennis.’ Zulke signalen komen aan. Helga Novotny, medeoprichtster en voormalige presidente van de Europese Onderzoeksraad, een van de vurigste pleitbezorgers van een vrije uitwisseling van wetenschappelijk onderzoek, die met de delegatie van de Bosch Stiftung is meegereisd naar Iran, ziet daarin ondanks al het Amerikaanse isolationisme en ondanks de Brexit een teken voor de toekomst: ‘De tijd is rijp om de internationale samenwerkingsverbanden opnieuw vorm te geven.’ Een opening zonder mitsen en maren? Een commentaar daarop van de religieuze hardliners in het centrum van Teheran was niet te krijgen.

Auteur: Joachim Müller-Jung
Vertaler: Piet Meeuse

Frankfurter Allgemeine Zeitung
Duitsland | dagblad | oplage 382.000

Een van de belangrijkste kranten van Duitsland. Hoewel politiek onafhankelijk, wordt de FAZ over het algemeen een gematigd conservatief profiel toegedicht.

Dit artikel van Joachim Müller-Jung verscheen eerder in Frankfurter Allgemeine Zeitung.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

360 is jarig en trakteert!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief en krijg 3 maanden gratis toegang tot 360 online.