• Aeon
  • Cultuur
  • Ken uw spullen

Ken uw spullen

Aeon | Londen | Glenn Adamson | 18 februari 2019

We leven in een permanente staat 
van besturing op afstand. Van de meeste producten die we kopen, is de afkomst onbekend en misschien zelfs wel onbemind. Maar als niemand nog begrijpt wat er precies gebeurt, wie kunnen we er dan verantwoordelijk voor houden? Historicus en curator Glenn Adamson pleit voor meer materiële intelligentie.

Zit je lekker? Zo ja, wat weet je dan over de stoel waar je zitvlak op rust? Weet je waarvan hij is gemaakt en hoe de productie eraan toeging? Waar hij is gemaakt en door wie? En om nog wat dieper te gaan: hoe de in de stoel verwerkte materialen aan de planeet zijn onttrokken? De meeste mensen zullen moeite hebben die eenvoudige vragen te beantwoorden. Het voorwerp waaraan jij je lichaam toevertrouwt, is in veel opzichten een raadsel voor je.

Je bent waarschijnlijk omringd door allerlei voorwerpen waar je praktisch niks van weet – inclusief het apparaat waarop je wellicht deze tekst leest. De meesten van ons weten heel weinig van onze directe fysieke omgeving. Dat ligt niet aan ons: eeuwen van voortschrijdende technologische verfijning en wereldhandel hebben ons op steeds grotere afstand geplaatst van de productie van voorwerpen, en zelfs van het besef van hoe ze worden gemaakt. Maar dat langzaam oprukkende gebrek aan kennis over onze materiële omgeving brengt wel een ernstig probleem met zich mee.

Tot zo’n honderd jaar geleden wisten de meeste mensen nog heel veel over hun directe fysieke omgeving. Dat is gestaag minder geworden, nu goederen met steeds grotere snelheden over steeds grotere afstanden worden vervoerd. Productieprocessen zijn zo complex geworden dat ook de mensen die dingen maken voor hun beroep – de ingenieurs, fabrieksarbeiders en scheikundigen onder ons – steeds specialistischer worden. En verdieping van kennis betekent meestal ook vernauwing van de blik. Dat belemmert het zicht op de totale productieketen en de herkomst van alle materialen en onderdelen, gereedschap en verpakkingsmateriaal. In de hele keten is er niemand meer, van de mensen aan de lopende band tot aan de directeur, die het hele plaatje overziet. Dat is deels een probleem van schaal: hoe weidser de blik, hoe moeilijker om wat dichtbij is nog scherp in beeld te krijgen.

Algoritmen

We leven in feite in een permanente staat van besturing op afstand. Tal van alledaagse procedures zijn, zoals Carl Miller stelt in zijn boek The Death of the Gods (2018), overgenomen door algoritmen. Die algoritmen worden op hun beurt weer aangedreven door andere algoritmen, in een eindeloze keten van doorgeschakelde berekening. Die geautomatiseerde besluitvorming is uitermate efficiënt, maar draagt ook bij aan een verantwoordingscrisis. Als niemand nog begrijpt wat er precies gebeurt, wie kunnen we er dan verantwoordelijk voor houden? Dat gebrek aan transparantie veroorzaakt een hele reeks ethische dilemma’s, met name ons onvermogen om stappen te ondernemen tegen de klimaatverandering – een onvermogen dat deels te wijten is aan onze psychologische afstand van de processen van grondstofwinning, productie en afvalverwerking. Om dezelfde reden voelen bedrijven zich nauwelijks verantwoordelijk voor werknemers die geoutsourcet zijn.

Afstand en schaalvergroting leiden bij consumenten tot hetzelfde probleem: als je de mensen niet kent die de spullen in jouw leven maken (en je zelfs geen voorstelling kunt maken van het leven dat zij leiden), is het ook moeilijk om je solidair met hen te voelen. Die afstand tussen makers en gebruikers creëert barsten in de sociale samenhang, barsten waarin het onkruid van afkeer en wantrouwen welig tiert. Zoals ieder gereedschap is technologie van zichzelf niet kwaadaardig. Maar hoe meer we vertrouwen op technologie als bindende kracht in onze samenleving, hoe meer die samenleving lijkt te verbrokkelen.

Wat kunnen we daaraan doen? Ik heb een bescheiden voorstel: laten we onze materiële intelligentie cultiveren. Laten we proberen ons weer te bekwamen in de finesses van onze fysieke omgeving, net zoals iedereen die de taal beheerst deze zin kan lezen en iedereen die goed is met cijfers een begroting kan opstellen. Als we dat houvast hervinden en weer oog en aandacht krijgen voor de voorwerpen die ons omringen, herwinnen we misschien een besef van onze plaats in de wereld en kunnen we meer verantwoordelijkheid nemen voor ons handelen.

Beroepen die materiaalkennis vereisen hebben minder status

Je hoeft zelf niet met je handen te werken om over materiële intelligentie te beschikken, maar het helpt wel. Kennis van één specifiek vak of ambacht kweekt vaak ook algemeen inzicht in andere vakken. En als je niet bijzonder handig bent (zoals ik), kun je altijd eens te rade gaan bij iemand die dat wel is. Een ambachtsman van nabij aan het werk zien, is een geweldige ervaring: je krijgt onmiddellijk waardering voor de intieme choreografie van concrete vaardigheden. Het wakkert ook je nieuwsgierigheid aan naar onze hele materiële omgeving: je gaat je ineens afvragen hoe potloden of pollepels eigenlijk worden gemaakt en door wie. Die gezonde interesse in onze stoffelijke omgeving kan vervolgens weer bewondering wekken voor het menselijk vernuft: dat in de simpelste gebruiksvoorwerpen nog zo veel knowhow verborgen zit.

Materiële intelligentie heeft iets ongrijpbaars, mede doordat we van onze omgeving vervreemd zijn. Het is ook moeilijk te meten. Als mensen dat aspect van hun knowhow moeten omschrijven, valt vaak het woord ‘onbewuste kennis’, dat wat je niet in je hoofd maar ‘in de vingers’ hebt. Vakmanschap is nooit volledig in woorden te vatten. In dat opzicht verschilt het sterk van andere, meer erkende vormen van intelligentie. Wie ooit een IQ-test heeft gedaan, weet dat zo’n test vooral vragen met taalgerichte rekenopgaven bevat, zoals: ‘Marie is 16 jaar. Ze is vier keer zo oud als haar broer. Hoe oud is Marie als ze tweemaal zo oud is als haar broer?’ (Inderdaad: 24.) Met zijn bestseller Emotionele intelligentie gaf Daniel Goleman in 1995 grote bekendheid aan het gelijknamige begrip, ontleend aan het werk van de psychologen John Mayer en Peter Salovey. Emotionele intelligentie (EQ) werd de lieveling van de studies bedrijfskunde en sociologie, die methoden ontwikkelden om het te meten. Onderzoekers deden bemoedigende ontdekkingen. Bij het oplossen van een breed scala aan puzzels in teamverband bleek bijvoorbeeld dat het gemiddelde EQ van een team zijn succes beter voorspelde dan het gemiddelde team-IQ of de hoogste IQ-scores van afzonderlijke teamleden. Zulke experimenten leken aan te tonen dat we er allemaal baat bij hebben als we een beetje met elkaar kunnen opschieten.

Bewijs van materiële intelligentie

De maatschappelijke structuur weerspiegelt onze groeiende vervreemding van de materiële wereld ook. Beroepen die materiaalkennis vereisen – boer, automonteur, bouwvakker, kapper – hebben minder status dan beroepen in immateriële sectoren als recht, verzekeringen of financiën. Waarom? Niet alleen omdat de voor de eerste beroepen benodigde knowhow niet objectief te meten is: het is misschien moeilijk om die op papier te zetten of in cijfers te vangen, maar bewijs van materiële intelligentie is altijd duidelijk zichtbaar. Met de moeilijkheidsgraad van het werk heeft het ook niet te maken. Als een beurshandelaar en een kleermaker een dagje van baan zouden ruilen, zouden ze er allebei weinig van bakken; en waar de MBA-opleiding van de eerste doorgaans twee jaar duurt, moet de tweede traditioneel zeven jaar in de leer, voordat hij zich maatkleermaker mag noemen. Het hogere aanzien van kantoorwerk berust ook niet op een eerlijke berekening van het profijt voor de maatschappij. Als dat zo was, zouden veel topmensen van grote bedrijven geld uitdelen in plaats van binnenharken.

Dat het leeuwendeel van de mensen die met hun handen werken onderaan staat op de maatschappelijke ladder van beroepen, vloeit simpelweg voort uit machtsverhoudingen. Het is de uitkomst van een dieper liggend historisch proces van klassenstrijd, waarin ook vooroordelen over geslacht en etnische afkomst een rol spelen. Om precies dezelfde reden genieten de architectuur en de schilderkunst, historisch het domein van welgestelde blanke mannen, als ‘kunsten’ een veel hogere culturele status dan creatieve bezigheden die door praktisch iedereen werden beoefend, maar die als vormen van ‘kunstnijverheid’ veel lager op de ladder staan. Het meten van intelligentie maakt zelf deel uit van dat verhaal: de kwantitatieve en verondersteld objectieve meting van intelligentie was een idee-fixe van de eugenetica.

De overwaardering van technische en taalkundige vaardigheden en de onderwaardering van handvaardigheid – het feit dat we het woord ‘slim’ sneller gebruiken voor telefoons en andere apparatuur dan voor onze medemens – is niet natuurlijk of fair. Het is een erfenis van oud onrecht.

Gereedschap. We zijn omringd door allerlei voorwerpen waar we praktisch niks van weten; 2. Espressomachine, waar is die precies van gemaakt? – © Kristian Ryan Alimon / Unsplash_
Gereedschap. We zijn omringd door allerlei voorwerpen waar we praktisch niks van weten; 2. Espressomachine, waar is die precies van gemaakt? – © Kristian Ryan Alimon / Unsplash_

Om dit recht te zetten, moeten we niet alleen het belang van materiële intelligentie onderkennen, maar deze vorm van kennis ook als een groter geheel zien. Beroepen die fysieke vaardigheid vereisen, zijn vaak heel gespecialiseerd, en dat beneemt het zicht op hun onderlinge overeenkomsten. Zo wordt ambacht vaak tegenover industrie gezet. Tot op zekere hoogte is dat een zinnige tegenstelling. Ambachtelijke productie wordt vaak gezien als remedie voor de maatschappelijke malheur die opkwam met de eerste industriële revolutie: het slopende en afstompende werk in de Britse industriesteden kweekte nostalgie naar de dorpse werkplaats van weleer. Maar het is ook een misvatting om industrie en ambacht louter als tegenpolen te zien. Iedere vorm van productie vereist op enig moment kennis van materialen, werktuigen en processen, ongeacht de schaal waarop er wordt gewerkt. Massaproductie was de nekslag voor tal van traditionele ambachten, maar werd mogelijk gemaakt door machines die zelf ook weer ongemeen knappe staaltjes vakmanschap waren.

Ook in de wetenschap speelt materiaalkennis een grote rol. Het is makkelijk genoeg om ambachtslui karikaturaal te kenschetsen als intuïtief en laboranten als analytisch. In werkelijkheid beschikken ambachtslui over enorm veel technische kennis en benadrukken experimentele onderzoekers vaak dat je ‘een goede hand’ moet hebben. Of neem geneeskunde. De zorg voor een mensenlichaam vereist meer dan kennis van anatomie en stofwisseling. Je moet het letterlijk in de vingers hebben. Even aan de patiënt voelen helpt artsen en verpleegkundigen om snel de juiste diagnose te stellen. En wat specialisten betreft, toon mij een chirurg zonder materiële intelligentie en ik zeg: nee dank je, ik laat me wel ergens anders opereren.

Materiële intelligentie overstijgt ook de traditionele kloof tussen productie en consumptie. Makers en gebruikers kunnen allebei evenzeer genieten van de warmte en de nerf van hout, de koele hardheid van metaal of de plooibaarheid van rubber. Zoals een goed vakman zich in de wensen van de gebruiker verplaatst en op diens reacties anticipeert, kan een aandachtige gebruiker zich met enige fantasie ook een voorstelling maken van hoe iets is geproduceerd. Idealiter is het voorwerp een brug tussen deze verschillende perspectieven. Zo is materiële intelligentie dus iets van alle lagen van de bevolking, het is kennis in de diepte én in de breedte. Onze neiging om alles in afzonderlijke hokjes te stoppen – industrie tegenover ambacht, kunst tegenover wetenschap, productie tegenover consumptie – is een slechte en onnatuurlijke gewoonte die verdoezelt wat de hele mensheid verenigt.

Even terug naar de stoel waarop je zit. Een uitstekend startpunt voor nadere verkenning van de materiële wereld. Hoe kun je meer over die stoel te weten komen? Dan denk je natuurlijk eerst aan internet: gewoon googelen. Je kunt allerhande info in een oogwenk op je scherm toveren (de verjaardagen van film- en popsterren, genuanceerde debatten over oude militaire campagnes, hele afleveringen van Scooby-Doo). Maar het blijkt nog een hele toer om zelfs maar de meest elementaire informatie over een willekeurig fysiek voorwerp op internet te vinden. Die leemte valt deels te verklaren uit de behoefte van fabrikanten om hun productieproces geheim te houden. Maar anders dan je geneigd bent te denken, heeft het ook te maken met de conceptuele diepgang van concrete voorwerpen.

Het werk One and Three Chairs (1965) van de Amerikaanse kunstenaar Joseph Kosuth is een goed uitgangspunt om hier eens over na te denken. Het lijkt op het eerste gezicht heel simpel: gewoon een stoel, geflankeerd door een foto van diezelfde stoel en aan de andere kant een woordenboekdefinitie van het woord ‘stoel’. Kosuth verbeeldt daarmee de stelling die hij in zijn essay Art After Philosophy (1969) uiteenzette, namelijk dat het talige denken zichzelf had uitgeput. Volgens Kosuth was beeldende kunst voortaan het beste medium voor theoretisch denken. Kunst oversteeg de taal en kon het ‘onzegbare’ overbrengen. De hele twintigste eeuw getuigde, zo schreef Kosuth, van een beweging naar ‘het einde van de filosofie en het begin van de kunst’.

Het gedachte-experiment One and Three Chairs (1965) van de Amerikaanse kunstenaar Joseph Kosuth. Gewoon een stoel, geflankeerd door een foto van diezelfde stoel en aan de andere kant een woordenboekdefinitie van het woord stoel. Joseph Kosuth. – © Aeon
Het gedachte-experiment One and Three Chairs (1965) van de Amerikaanse kunstenaar Joseph Kosuth. Gewoon een stoel, geflankeerd door een foto van diezelfde stoel en aan de andere kant een woordenboekdefinitie van het woord stoel. Joseph Kosuth. – © Aeon

Filosofen waren het daar natuurlijk niet mee eens, maar toch is One and Three Chairs_ een zinvol gedachte-experiment. Ten eerste kan het, zoals de titel duidelijk maakt, zowel gaan om drie zienswijzen voor één ding als om drie totaal verschillende dingen die slechts met elkaar verbonden zijn door de complexe wisselwerking van taal en uitbeelding. Kosuths drie uitdrukkingen van ‘stoelheid’ corresponderen met een klassieke driedeling in de semiotiek: eerst heb je de referent (de stoel zelf), dan een willekeurig teken (het woord ‘stoel’) en tot slot een iconisch teken (de foto, een mechanische reproductie van de stoel). Verder kan het gelijkmatig verdeelde drieluik natuurlijk ook worden opgesplitst in andere samenstellingen: twee platte dingen en één driedimensionaal voorwerp; twee specifieke zaken (die specifieke stoel en een foto ervan) en één categorische (een algemene definitie van stoelen).

Je kunt ook speculeren over de latente culturele betekenis van de foto, die de kale, uitgestreken compositie heeft van een mugshot. En zelfs de woordenboekdefinitie heeft zo zijn subtiliteiten, met bijvoorbeeld de antropomorfe ‘poten’, ‘rug’ en ‘armen’ die een stoel heeft. En hoe veelomvattend is de definitie? Is een rotsblok een stoel zodra je erop zit? Zo niet, waarom niet? Wie stelt zo’n definitie eigenlijk op? Zijn het concrete gevallen die zich ophopen om uiteindelijk samen de betekenis van een woord te vormen, zoals arriverende gasten samen een feest vormen? Of gaat het concept aan de concrete gevallen vooraf, is het een voorschrift dat die gevallen betekenis geeft?

One and Three Chairs is het bekendste werk van Kosuth, die een grote naam was in de conceptuele kunst. Het werk heeft dus veel discussie uitgelokt en dat was precies de bedoeling van de kunstenaar. Hij wilde ons aan het denken zetten over het verband tussen taal en voorstelling.

Wel trekt de fysieke stoel in dit werk de meeste aandacht: die staat centraal op de voorgrond. Je zult jezelf er misschien zelfs op betrappen
dat je de middelste stoel in gedachten ‘de echte’ noemt. Maar als je goed oplet, vraag je jezelf alleen maar af wat dat eigenlijk betekent.

Ga maar na: welke van de drie stoelen van Kosuth zou de meeste geheugenruimte in beslag nemen op een computer? De stoel uit het woordenboek beslaat hooguit 1 kilobyte aan data. De foto met een hoge resolutie misschien 10 megabyte. Maar de stoel zelf is in zekere zin oneindig. Hoe moet je die in digitale data vangen? De meest minutieuze scan zal enkel de eigenschappen van het oppervlak in kaart brengen, en ook dat alleen met slechts een bepaalde graad 
van natuurgetrouwheid. En al zou je alle atomen 
van de stoel op een of andere wijze in data kunnen vertalen, heb je daarmee dan alles te pakken wat er echt toe doet? Hoe je lichaam zich nu voelt, terwijl je zit, bijvoorbeeld? De subtiele boodschap over stijl en identiteit die een stoel overbrengt aan de mensen 
die hem zien? De meest verfijnde methoden om de fysieke wereld in informatie te vertalen zijn niet opgewassen tegen dit ene, onopmerkelijke alledaagse voorwerp.

Het is een geruststellende gedachte dat de eenvoudigste voorwerpen de opmars van technologie in ons leven weerstaan

Het is een geruststellende gedachte dat de eenvoudigste voorwerpen de opmars van de technologie in ons leven weerstaan, als stenen in een snelstromende rivier. Die ankerende kwaliteit is ook wat materiële intelligentie zo bijzonder maakt. Zelfs een eenvoudige stoel kun je alleen door ondervinding werkelijk doorgronden. Met googelen alleen kom je er niet. Materiële intelligentie is niet alleen een kwestie van informatie verzamelen. Het kan bijvoorbeeld best verhelderend zijn om de hele productieketen van een voorwerp te ontrafelen, maar dat brengt je nog niet in contact met dat ding zelf. Stoffelijke voorwerpen vragen een esthetische respons, en ook een kinesthetische.

Ik heb een lievelingsmok. Niks bijzonders, gewoon zo’n joekel zoals je die in elke hamburgertent in Amerika krijgt voorgezet, met de vorm van een kernreactor en een lekker stevig oor. Het is een model dat na de Tweede Wereldoorlog populair is geworden en werd gemaakt door Victor Company, in een fabriek in de staat New York waar voordien vooral keramische isolatoren voor telegraaf- en elektriciteitsdraden werden gemaakt. Ze gebruikten hetzelfde dikke aardewerk en dezelfde slibgiettechniek voor die mok, en een klassieker was geboren. Een leuk weetje, maar het zegt weinig over de reden waarom ik zo graag uit deze mok drink. Als ik ’s ochtends die beker aan mijn lippen zet, voel ik de warmte die in de klei is getrokken, de aangename gladheid van het glazuur, de glooiende ronding van de rand waarover de koffie mijn mond in rolt. De mok wekt associaties met ander aardewerk dat ik heb gekend en bewonderd, in musea en in mijn keukenkastje, soms gemaakt door vrienden, soms in fabrieken ver weg. Elke keer als ik de mok gebruik, weet ik mezelf weer deel van een breed web van menselijke verbanden.

Het genot dat de mok me schenkt, typeert een essentieel aspect van materiële intelligentie en de belofte die ervan uitgaat. Net als sommige andere onderwerpen – het weer, sport en eten bijvoorbeeld – is interesse in voorwerpen iets wat alle demografische scheidslijnen overstijgt.

Voorwerpen kunnen zelfs buiten de taal om functioneren: ze behoeven geen vertaling. Daarom waren voorwerpen in het verleden ook vaak voorboden van culturele uitwisseling, zoals toen Europa in de zeventiende eeuw door Chinees porselein werd overspoeld. Porseleinen potten versierd met blauwe draken lokten toen allerlei reacties uit, van bewondering en nieuwsgierigheid tot afgunst – en de drang om die geïmporteerde goederen met eigen grondstoffen na te maken. Uiteindelijk werden overal ter wereld, van Turkije tot Nederland en Philadelphia, goedkope imitaties van blauw-wit Chinees porselein geproduceerd. Was die na-aperij een voorbeeld van economische concurrentiedrang en van flagrant exotisme? Natuurlijk. Maar in wezen was het ook een proces waarin culturen met elkaar in contact traden en dingen van elkaar leerden.

Makers zouden kinderen een gezonde interesse in vakmanschap en ondernemingslust moeten bijbrengen

Die mogelijkheid tot stimulering van wederzijds respect bestaat nog steeds. Stel je voor wat er zou gebeuren als 
we kinderen op de lagere school een basisvocabulaire van materialen bijbrachten, zodat ze daarvan de eigenschappen en gebruiksmogelijkheden zouden kennen. En als een beroeps-opleiding evenveel status zou krijgen als een universitaire. Dan zouden we misschien allemaal meer oog krijgen voor onze materiële omgeving. Het bevorderen van materiaalkennis kan de wereld beter maken. Niet door het stimuleren van de productie van luxegoederen. ‘Beter’ slaat hier niet op marktwaarde. Het slaat niet op zeldzame materialen of exorbitant duur ambachtswerk. Het slaat gewoon op een voorwerp waarmee je innig tevreden bent, zoals ik met mijn alledaagse mok van 7 dollar. Toen ik die eenmaal had gevonden, hoefde ik geen koffiekopjes meer te kopen. Ik was voldaan.

Diezelfde voldoening, dat bevredigende gevoel, is iets wat ik bij al mijn aankopen nastreef: de gordijnen in mijn huis, de leren tas waarin ik mijn laptop vervoer, de spijkerbroek die ik draag terwijl ik dit intik, en ja, de bureaustoel waarop ik nu zit. Geen van die dingen had ik zelf kunnen maken. Maar van al die dingen heb ik toevallig wel de makers ontmoet. De gordijnstof is van een wever in Brooklyn, Scott Bodenner, de tas is van Ian Stevens, een leerbewerker in het Engelse Cambridge, de spijkerbroek is van Raleigh Denim in North Carolina en de stoel van wijlen Art Carpenter (zo heette hij echt). Stuk voor stuk mensen die ik wel een lagereschoolklas zou toevertrouwen om over hun vak te vertellen. Ze zouden de kinderen een gezonde interesse in vakmanschap en ondernemingslust bijbrengen, en ook nog wat nuttige normen en waarden zoals het belang van creativiteit, zorgvuldigheid en toewijding.

Geen van bovenstaande voorwerpen was bijzonder duur, maar ik heb wel het gevoel dat ik er als een ‘connaisseur’ over kan praten (dus als iemand met kennis van zaken, zoals het Franse woord van oorsprong betekent). Als museumconservator heb ik werk dat me met vaklui in contact brengt en me zo aan de schoonheid en vitaliteit van voorwerpen herinnert. Maar het gevoel dat ik probeer te beschrijven, ligt binnen ieders bereik. En het is iets instinctiefs – al staan we tegenwoordig niet meer zo in contact met onze instincten. Het hoeft niet moeilijk zijn om dat contact te hervatten. Het hoeft niet méér te behelzen dan tijdens een strandwandeling, in solitaire rust of in het gezelschap van dierbaren een mooie kiezelsteen oprapen en meenemen als aandenken aan een mooie dag. Ieder steentje volstaat. Het vereist alleen jouw aandacht om dat steentje voor jou bijzonder te maken.

Het klinkt misschien utopisch, maar als alle mensen de voorwerpen in hun leven zo konden benaderen, zou het positieve gevolg onmetelijk zijn. Het slechte nieuws is dat de atomisering van onze maatschappij steeds verder voortschrijdt. Het goede nieuws is dat we, al lijkt het misschien niet zo, toch allemaal in hetzelfde schuitje zitten, samen met elkaar, en met voorwerpen die houvast kunnen bieden in een wereld die ons steeds meer in verwarring brengt. Dag in, dag uit zien we een stroom van negativiteit langskomen. Een stroom die vaak niet te overbruggen lijkt. Maar voorwerpen kunnen onze stapstenen zijn. Zie ze voor wat ze zijn, en misschien komen we zo aan de overkant.

Auteur: Glenn Adamson

Aeon
Verenigd Koninkrijk | website | aeon.co/magazine

Deze site, met als motto ‘lees dieper’, werd opgericht in september 2012 en publiceert dagelijks een essay, waarbij de relativering van het snelle dagelijks leven vooropstaat.

Dit artikel van Glenn Adamson verscheen eerder in Aeon.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

360 is jarig en trakteert!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief en krijg 3 maanden gratis toegang tot 360 online.