• The Atlantic
  • Reader
  • Kerkhof van woorden

Kerkhof van woorden

The Atlantic | Boston | Graeme Wood | 01 september 2020

Waarom je gelijk halen bij medestanders als gelijk hebben voldoende zou moeten zijn? Volgens Graeme Wood is een ingezonden brief alleen betekenisvol wanneer de ondertekenaars hun naam op het spel zetten, een zeker risico nemen.

Vorige maand werd me gevraagd een open brief te ondertekenen, ‘A Letter on Justice and Open Debate’, inmiddels gepubliceerd in Harper’s en ondertekend door 153 journalisten en academici, onder wie medewerkers van The Atlantic. Het stuk was een waarschuwing tegen ‘ideologische conformiteit’ en ‘illiberalisme’ bij liberale instellingen, en signaleerde een tendens om in het geval van tegengestelde meningen niet in debat te gaan, maar te proberen je tegenstander uit het zadel te wippen, of sterker nog, diegenen uit het zadel te wippen die alleen al het bestaan van je tegenstander erkennen.

We hebben allemaal grenzen; bij sommige onderwerpen vinden we het beneden onze waardigheid om erover in debat te gaan. De ondertekenaars van de open brief betoogden dat je die categorie, van onderwerpen waarover niet valt te discussiëren, zo klein mogelijk moet houden, en er zeker niet nog een taboe aan moet toevoegen wanneer je je een mening vormt.

Misschien komt het doordat ik veel tijd doorbreng met luisteren naar mensen met krankzinnige opvattingen, maar ik ben de mening toegedaan dat je alleen een gezond intellectueel bestaan kunt leiden wanneer je jezelf voortdurend blootstelt aan vreemde of stuitende opvattingen. Toch onderteken ik nooit petities of open brieven. Ik heb verschillende keren laten weten dat als ik iets te melden heb, ik verdomme zelf wel een brief schrijf. Open brieven zijn verschrikkelijk en je zou er nooit eentje moeten schrijven dan wel ondertekenen.

Hieronder volgen de redenen waarom het fenomeen ingezonden brief zou moeten verdwijnen.

Het Black Lives Matter Plaza in de buurt van het Witte Huis in Washington, D.C. © Manuel Balce Ceneta / AP Photo
Het Black Lives Matter Plaza in de buurt van het Witte Huis in Washington, D.C. © Manuel Balce Ceneta / AP Photo

Ze zijn slecht geschreven. Open brieven mikken meestal op inclusiviteit, zodat zo veel mogelijk mensen ze willen ondertekenen. De stem van de individuele schrijver mag er niet te veel in doorklinken, en de makkelijkste manier om die sporen uit te wissen is om je te bedienen van een vlakke, anonieme stijl, vrij van idiosyncrasieën en scherpzinnigheid. (Wie op zoek is naar idiosyncrasieën en scherpzinnigheden moet de artikelen lezen die mijn Atlantic- collega’s onder hun eigen naam schrijven.)

Deze aanpak doodt de taal, en het resultaat, in het geval van de Harper’s- brief, is dan ook een kerkhof van woorden, zonder ook maar een pakkende zin of kreet die het waard is geciteerd te worden. Vooral humor is uit den boze. Martin Amis heeft de brief ondertekend, maar ik heb genoeg van Martin Amis gelezen om te weten dat hij die brief nooit zou hebben geschreven als hij zou hebben geloofd dat hij zich op een soort Literaire Dag des Oordeels aan de hemelpoort zou moeten verantwoorden voor de stijl.

Discutabel

Ze zijn discutabel. Wat te denken van een brief die is ondertekend door Martin Amis maar die onmogelijk kan zijn geschreven door Martin Amis. Een mogelijke interpretatie is: Amis moet wel heel erg in de inhoud geloven als hij bereid is zijn kotsneigingen te onderdrukken bij het lezen van een cliché als ‘schering en inslag’ of ‘we betalen hier allemaal de prijs voor’.

Een andere, minder vriendelijke interpretatie is dat de ondertekenaars – of in ieder geval de ondertekenaars die in politieke zin als respectabel worden beschouwd – onmogelijk alles kunnen geloven wat erin staat. Dus moeten ze op slinkse wijze zijn overgehaald om hun naam eronder te zetten. Ze zijn door anderen gemanipuleerd, met snode bedoelingen. Volgens Emily VanDerWerff bevat het stuk ‘veel bedekte toespelingen op antitransopvattingen’, haatdragende boodschappen die veel van de ondertekenaars zullen zijn ontgaan (met uitzondering van onder meer J.K. Rowling, die zich onlangs de woede van transactivisten op de hals heeft gehaald, en Jesse Singal, die een coverstory over transonderwerpen heeft geschreven voor dit blad).

Anderen zien een boodschap in de aanwezigheid van Bari Weiss, die in haar beginjaren aan Columbia campagne heeft gevoerd tegen docenten als Joseph Massad, die Israëlische joden heeft vergeleken met nazi’s. Deze liberale kopstukken zouden de open brief vast nooit hebben ondertekend als ze zouden hebben geweten dat een nepliberaal als Weiss een van de ondertekenaars was? De suggestie dat tientallen liberalen zouden zijn ‘bespeeld’ door een handjevol illiberale bedriegers komt mij absurd voor. Ze hebben allemaal dezelfde brief gelezen en getekend. Toch zagen de ondertekenaars zich gedwongen tijd te besteden aan het verdedigen van de brief in het licht van de zonden van enkele andere ondertekenaars, en het speculeren over de goedgelovigheid van anderen – tijd die anders besteed had kunnen worden aan het uitdragen van de inhoud.

Ze zijn overbodig. In 1931, toen Albert Einsteins relativiteitstheorie bekendheid kreeg, verscheen er een pamflet met als titel ‘Honderd auteurs tegen Einstein’. Einstein reageerde met de opmerking: ‘Hoezo honderd? Als ze gelijk zouden hebben, zou één volstaan.’ Een van de grootste genoegens van schrijven voor een publiek is het genoegen gelijk te hebben, en je lezers even te zien tegenstribbelen voordat ze dat inzien. Hoe kleiner de minderheid waarvan de schrijver deel uitmaakt, hoe groter het genoegen wanneer het publiek zich geleidelijk gewonnen geeft en zich achter haar schaart.

Veel schrijvers op de lijst van Harper’s hebben dit genoegen mogen smaken. Maar hoe langer de lijst met ondertekenaars, hoe kleiner dat genoegen – en op zeker moment moet een schrijver zich afvragen waarom ze nog de moeite zou nemen om haar naam tussen die van tientallen anderen te zetten, terwijl ze ook het veel intensere genoegen zou kunnen smaken om in haar eentje haar gelijk te halen. Gelijk hebben zou voldoende moeten zijn.

‘Wat je zou moeten willen is dat je vijanden voortdurend je verdedigingswal bestoken, je zwakke plekken blootleggen en je eraan helpen herinneren dat je die moet verstevigen’, schrijft Graeme Wood. – © Philippe Huguen / AFP / Getty
‘Wat je zou moeten willen is dat je vijanden voortdurend je verdedigingswal bestoken, je zwakke plekken blootleggen en je eraan helpen herinneren dat je die moet verstevigen’, schrijft Graeme Wood. – © Philippe Huguen / AFP / Getty

Het komt laf over – zelfs als het dat niet is. Een van de redenen om het eenzame gelijk op te geven is dat je samen sterker staat. Als je een naam bent te midden van vele anderen, en onder die anderen bevinden zich mensen als Salman Rushdie, Katha Pollitt en Margaret Atwood, dan zit je eigenlijk vanzelf al goed, toch?

Een open brief is vooral betekenisvol wanneer de ondertekenaars een zeker risico nemen door te tekenen. Slechts weinig ondertekenaars van de Harper’s-brief zetten echt iets op het spel, en degenen voor wie dat wel gold waren zich dat niet bewust en krabbelden grappig genoeg terug zodra ze begrepen welk risico ze hadden genomen. De open brieven en petities die goeddeels genegeerd worden zijn de brieven die nauwelijks iets van de ondertekenaars verlangen – geen tijd, geen moeite, geen risico op reputatieschade of gevaar voor eigen leven. Daarom veroorzaakte de brief die circuleerde bij wijze van reactie op de Harper’s-brief ook weinig commotie.

De ondertekenaars van die brief zetten geen van allen ook maar iets op het spel, het kwam hun alleen op felicitaties te staan van andere linkse ondertekenaars. Ik neem aan dat de ondertekenaars de gebruikelijke stortvloed van digitale bagger over zich heen hebben gekregen van willekeurige, van haat vervulde losers, maar geldt dat niet voor iedereen? (Ik krijg geregeld mail van lezers waarin een rol is weggelegd voor orale seks of de dood. Ik vind het prima. Als zij meer moeite moeten doen om mijn e-mailadres op te zoeken en een bericht te schrijven dan ik moeite moet doen om hun mail te lezen en op het prullenbakicoontje te klikken, trek ik aan het langste eind.) Ik zou het vreselijk vinden om de kracht van een goed argument te ondermijnen door het met honderdvijftig man tegelijk te maken. Ja, samen sta je sterk, maar dat zou het mij niet waard zijn.

Ze zijn besmettelijk. Zodra je één open brief hebt getekend, staan er anderen op de stoep. Een van de redenen dat ik deze jeremiade tegen de open brief schrijf, is dat ik me wil verweren, als een zwaar bewapende advocaat uit St. Louis op de veranda van mijn metaforische huis, dat ik al die mensen met een petitie of een open brief onder de arm wil waarschuwen niet mijn erf te betreden. Een mens kan zich niet achter elke goede zaak scharen. Ik kan er honderden noemen waarvan ik hoop dat er ergens iemand is die zich er met hart en ziel op zal storten. Maar mijn eigen obsessies zijn talrijk en ik kan anderen het beste wensen zonder me bij hen te voegen. Als je eenmaal één open brief hebt getekend, zal je weigering om de volgende te tekenen worden opgevat als een vorm van tegenstand.

Waanidee

Tot slot kan ik ook een goede reden bedenken om wél een open brief te ondertekenen – anderen laten voelen dat ze niet alleen staan. De Harper’s-schrijvers stellen dat er stilletjes een gif onze liberale instellingen binnensijpelt, een gif dat zich ongemerkt verspreidt, als een koolmonoxidelek bij tijdschriften, kranten en universiteiten. Dat gif is de overtuiging dat het een overwinning is wanneer je je vijanden de mond hebt weten te snoeren. Ik associeer dit waanidee met rechts en ik vind het verontrustend om het ook bij links de kop te zien opsteken.

Wat je zou moeten willen is dat je vijanden voortdurend je verdedigingswal bestoken, je zwakke plekken blootleggen en je eraan helpen herinneren dat je die moet verstevigen. Het traditionele liberalisme ziet hier de waarde van in en daar wordt een stevig debat dan ook aangemoedigd, omdat iedereen daarbij is gebaat. Dat is ook veel leuker. Op alle grote universiteiten en bij tijdschriften (met uitzondering van The Atlantic, waar ongekende harmonie heerst) worden mensen aangenomen die elkaars bloed wel kunnen drinken en die elkaar voortdurend confronteren met die haat.

Veel van deze instellingen neigen al zo lang naar links dat de achterliggende redenen van dit systeem uit beeld zijn verdwenen. De Harper’s- brief maakt in ieder geval de mensen die zich dit model nog kunnen herinneren, en de mensen die bereid zijn ervoor te vechten, duidelijk dat ze bondgenoten hebben. Eén manier om dat duidelijk te maken is je naam onder een open brief zetten. Een betere manier is om zelf een brief te schrijven. Die lees je hier.

Auteur: Graeme Wood

The Atlantic
Verenigde Staten | maandblad | oplage 430.000

Halverwege de negentiende eeuw opgericht door schrijvers Harriet Beecher Stowe en Ralph Waldo Emerson. Nog altijd wordt het blad gemaakt door grote schrijvers. Naast uitmuntende journalistiek ook ruimte voor poëzie en beeld.

Dit artikel van Graeme Wood verscheen eerder in The Atlantic.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

360 is jarig en trakteert!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief en krijg 3 maanden gratis toegang tot 360 online.