• The Guardian
  • Selectie van de week
  • ‘Kweeknuggets zijn een grote stap voorwaarts voor dier en milieu’

‘Kweeknuggets zijn een grote stap voorwaarts voor dier en milieu’

© Camera Press Ltd
The Guardian | Londen | Gabriel N Rosenberg, Jan Dutkiewicz | 08 oktober 2021

Cellulaire landbouw, oftewel kweekvlees, lijkt het medicijn voor alle kwalen van de bio-industrie, zoals dierenleed en milieuschade, zonder dat de consument zijn dagelijkse stukje vlees ervoor hoeft op te geven. Het is daarom tijd dat de overheid flink gaat investeren, betogen deze wetenschappers in The Guardian.

Amerikanen gaan dit jaar een slordige twee miljard kipnuggets eten. Deze frituursnack is een manier om geld te slaan uit wat je overhoudt na het wegsnijden van de borst, poten en vleugels van de pakweg negen miljard bio-industriekippen die in de VS elk jaar worden geslacht. Zoals bij zoveel alledaagse artikelen is ook de productie van kipnuggets in handen van een klein groepje gigantische bedrijven die verantwoordelijk zijn voor een waslijst aan maatschappelijke en ecologische misstanden. En zoals zoveel van de consumptiegoederen die uit dit systeem voortkomen, zijn de nuggets van bedenkelijke kwaliteit, goedkoop, verleidelijk en gemakkelijk weg te kauwen.

Nuggets bevatten niet eens veel vlees, maar bestaan voor het grootste deel uit vet en allerlei restmateriaal – zoals huid, bot en zenuw- en bindweefsel – dat met allerlei toevoegingen eetbaar wordt gemaakt. De politieke economen Raj Patel en Jason Moore noemen het een gehomogeniseerde hapklare manifestatie van de wijze waarop het kapitalisme zo veel mogelijk waarde aan menselijk en niet-menselijk leven en arbeid onttrekt.

Cellulaire landbouw

Maar als kipnuggets symbool staan voor het moderne kapitalisme, dan zijn ze ook rijp voor vernieuwing. Een van de veelbelovendste nieuwe kandidaten om de kipnugget te vervangen is misschien wel een radicaal ander soort vlees: eetbaar weefsel uit de reageerbuis, opgekweekt uit stamcellen in de zogenaamde cellulaire landbouw. Het verkooppraatje voor deze nieuwe technologie volgt het klassieke stramien van Silicon Valley: hiermee kun je een verouderde technologie (in dit geval dieren) overbodig maken en geld verdienen door goed te doen.

In de intensieve veehouderij, waar de nuggets en ook bijna al het andere door Amerikanen consumeerde vlees worden geproduceerd, blijven de prijzen kunstmatig laag als gevolg van de enorme schaalvoordelen van massaproductie en het afwentelen van de kosten daarvan op mens, dier en milieu. Het leidt tot ontbossing, de uitstoot van honderden miljoenen broeikasgassen per jaar, afschuwelijke arbeidsomstandigheden in slachthuizen en weerzinwekkende staaltjes van dierenmishandeling op veehouderijen, terwijl de sector zich bovendien bezondigt aan prijsafspraken, lobbyt voor minder regelgeving op het gebied van arbeid en milieu en zich sterk maakt voor ongrondwettelijke wetgeving die klokkenluiders moet ontmoedigen.

Het probleem is dat mensen dol zijn op vlees, dat de mondiale productie en consumptie daarvan nog steeds gestaag toenemen en dat een collectieve bekering tot het vegetarisme niet in het verschiet lijkt te liggen. Dat maakt de intensieve veehouderij zo’n lastig probleem: onmiskenbaar schadelijk, maar politiek en maatschappelijk ook zo diep in ons bestaan verankerd dat je als hervormer niet goed weet waar je moet beginnen. En dan lijkt de cellulaire landbouw een uitweg te bieden: een sociaal-technische ‘hack’ die veel van de in het huidige systeem aangerichte schade kan voorkomen zonder dat de consument er zijn lapje vlees voor hoeft op te geven.

Het in Australië gevestigde Vow wil buiten de gebaande paden treden met kweekvlees van zebra’s, jaks en kangoeroes

Die cellulaire landbouw was altijd al voer voor gedachte-experimenten van filosofen en sciencefictionschrijvers, maar begint nu in rap tempo werkelijkheid te worden. In december 2020 hield het in San Francisco gevestigde bedrijf Eat Just in de Singaporese club 1880 het eerste commercieel verkrijgbare kweekvlees ten doop. De gekozen vorm, een kipnugget, was deels symboliek, deels noodzaak: de technologie is nog niet zover dat je er een kipfilet, kippenvlerk of kippenpoot mee kunt maken. Maar in principe kun je straks wel het hele dierenrijk repliceren. Het allereerste prototype van cellulaire landbouw dat aan de wereld werd gepresenteerd, was de hamburger die wetenschappers van de Universiteit Maastricht in 2013 maakten. Het bedrijf dat uit hun project is voortgekomen, Mosa Meat, is nu hard op weg om runderkweekvlees op de markt te brengen. De Israëlische start-up Aleph Farms maakt met 3D-printtechnologie een lendenbiefstuk. Het Singaporese Shiok Meats kweekt garnalen zonder garnalen. Finless Foods uit Berkeley is bezig aan de met uitsterven bedreigde blauwvintonijn. En het in Australië gevestigde Vow wil buiten de gebaande paden treden met kweekvlees van zebra’s, jaks en kangoeroes.

Lees ook:

Deze ontwikkeling wordt vooral gedragen door een snelgroeiend aantal start-ups in de grote technologische hubs van de wereld. Die worden gesteund door een wereldwijd netwerk van extreem vermogende beleggers en durfkapitalisten die de afgelopen tien jaar al meer dan zeven miljard dollar in alternatieve eiwitten hebben gestoken, waaronder zo’n 900 miljoen dollar in kweekvlees. Richard Branson, Bill Gates en een hele reeks andere miljardairs hebben zich met hun geld en enthousiasme achter deze technologie geschaard. De Maastrichtse hamburger was mede gefinancierd door Sergey Brin, een van de oprichters van Google. Maar ook grote bedrijven laten zich niet onbetuigd: de farmagigant Merck investeert in Mosa Meats en vleesgigant Tyson Foods financiert het Californische Upside Foods.

Dat particulier kapitaal overuren draait om met synthetische biologie een omwenteling teweeg te brengen in de traditionele landbouw, is voor zowel voorstanders als critici waarschijnlijk reden genoeg om hun mening hierover al klaar te hebben. Techno-optimisten zien een toekomst voor zich van alom verkrijgbaar ‘schoon vlees’ dat ecologisch en ethisch net zo superieur is aan gewoon vlees als zonne-energie aan steenkool. Tegenstanders zien een toekomst van door het bedrijfsleven gedomineerd laboratoriumvlees dat naadloos past in het manke kapitalistische voedselsysteem dat we hebben.

Mogelijkheden en gevaren

In beide zienswijzen zit een kern van waarheid, maar ze gaan er allebei ten onrechte van uit dat de uitkomst al vaststaat. Er was niets onvermijdelijks aan de krachten die het voedselsysteem de afgelopen eeuw in de richting hebben gedreven van steeds verdergaande mechanisering, de uitbuiting van arbeiders en de verwoesting van het milieu: dat was een gevolg van collectieve en individuele politieke keuzes. Wij hoeven dus ook niet de gevangene te worden van monopolisten die een grauwe klodder reageerbuisvlees op ons bord kwakken. Wat wij nodig hebben, is een analyse van de kansen die de cellulaire landbouw biedt: wat deze nieuwe levensmiddelentechnologie, met het juiste beleid en de juiste investeringen, mogelijk kan maken voor consumenten, werknemers, dieren en het milieu.

Om te begrijpen wat de mogelijkheden en de gevaren van de cellulaire landbouw zijn, hebben we inzicht nodig in het systeem dat hierdoor zou veranderen. Ons huidige landbouwbeleid en de huidige praktijken in de veehouderij richten grote schade aan, en het zal een enorme collectieve inspanning vergen om daar iets aan te doen. Maar de geschiedenis wijst uit dat zulke systemen wel degelijk radicaal kunnen veranderen, zelfs binnen één generatie.

Voor consumenten kenmerkt het huidige systeem zich vooral door enorme overvloed en lage prijzen. Amerikanen geven nog geen 10 procent van hun besteedbaar inkomen uit aan voedsel, minder dan bijna overal ter wereld, en ze eten maar liefst 122 kilo vlees per jaar, waarvan 55 kilo kip. (Ter vergelijking: in het Verenigd Koninkrijk ligt dat op circa 80 kilo per persoon, waarvan 32 kilo kip. Lager, maar nog steeds ecologisch onhoudbaar.) [In Nederland at men in 2018 gemiddeld 77 kilo vlees per jaar] Die lage prijs eist een hoge tol. Miljarden genetisch identieke kippen slijten een miserabel leven in enorme megastallen die volledig zijn ingericht op maximale efficiëntie en minimale kosten. Drie grote vleesverwerkende bedrijven, Tyson, Perdue en Koch, hebben het grootste deel van de Amerikaanse markt voor kippenvlees in handen. De sector functioneert praktisch als een monopsonie, een kopersmonopolie waarin het aantal afnemers zo gering is dat zij de prijzen en productievoorwaarden dicteren; soms is er sprake van een zodanige verticale integratie dat de industrie bijna de hele waardeketen bepaalt.

Er is sprake van arbeiders die aan de slachtlijn een luier moesten dragen omdat ze geen toiletpauze kregen

Dit geeft de industrie een enorme economische macht over boeren, arbeiders en consumenten. Boeren die een contract aangaan met de grote vleesverwerkers, moeten zo hard met elkaar concurreren dat ze blij mogen zijn als ze geen verlies lijden. In de abattoirs verrichten de arbeiders loodzwaar maar laagbetaald en gevaarlijk werk aan razendsnelle slachtlijnen, waar ze honderdveertig kippen per minuut moeten slachten. In een Oxfam-rapport uit 2015 is sprake van arbeiders die aan de slachtlijn een luier moesten dragen omdat ze geen toiletpauze kregen en arbeiders die invalide zijn geworden van de eindeloos herhaalde bewegingen. Verder hebben de kipgiganten Tyson en Pilgrim’s Pride onlangs voor honderden miljoenen aan schikkingen getroffen in rechtszaken over prijsafspraken die tegen hen waren aangespannen door supermarkten, restaurants en individuele consumenten. De concerns zijn zo groot en zo rijk dat ze ook veel politiek gewicht in de schaal leggen. Een sterk staaltje daarvan deed zich voor in april 2020, toen Donald Trump op aandringen van de sector een oude defensiewet aangreep om af te dwingen dat de slachthuizen tijdens de pandemie open bleven, ook al kregen duizenden arbeiders corona.

Ondertussen heeft het op elkaar proppen van dieren in megastallen en het kappen van bos om land vrij te maken voor de verbouw van voedergewassen de kans op uitbraken van zoönotische ziekten zoals varkensgriep, vogelgriep of covid-19 alleen maar vergroot. En het systeem eist nog meer dodelijke slachtoffers door ziekten die niet eens besmettelijk zijn: de veranderingen in ons eetpatroon hebben in de afgelopen zestig jaar sterk bijgedragen aan de buitengewone groei van het aantal Amerikanen met obesitas, diabetes en hartkwalen.

Het hele stelsel is primair gericht op het gewin van grondbezitters en grote boerenbedrijven, op kosten van de belastingbetaler

Er zijn twee factoren die tot deze onverkwikkelijke situatie hebben geleid. De eerste is het door winstbejag ingegeven streven naar steeds grotere efficiëntie in de landbouw dat al minstens twee eeuwen aan de gang is. De tweede is de wildgroei aan stimuleringsprogramma’s voor de landbouw die met name in de VS hebben geleid tot een schier onuitputtelijke voorraad aan landbouwsubsidies, gekoppeld aan een groot gebrek aan regelgeving op het gebied van arbeidsomstandigheden en milieu. Het hele stelsel is primair gericht op het gewin van grondbezitters en grote boerenbedrijven, op kosten van de belastingbetaler.

Dat is nergens zo duidelijk zichtbaar als in de vleessector. Het slachten van dieren werd eind negentiende eeuw al geïndustrialiseerd door de slachthuizen in Chicago, waar veertigduizend zwarte arbeiders en immigranten voor doorgaans lage lonen elk jaar miljoenen runderen en varkens slachtten. Vleesverwerking op zo’n grote schaal vereiste een gestandaardiseerde input (voor het graan en de dieren die daarmee werden gevoerd) ter stroomlijning van het industriële proces. Dat werd gestimuleerd door de Amerikaanse overheid, die in het begin van de twintigste eeuw met behulp van onderzoeksprogramma’s, belastingvoordelen en de promotie van nieuwe technologie op de uitbreiding van de intensieve landbouw aanstuurde – om zo, in de woorden van de historica Deborah Fitzgerald, van elke boerderij een fabriek te maken.

Verkipping

Dat resulteerde in de opkomst van de bio-industrie na de Tweede Wereldoorlog. Kip had tot die tijd nooit een belangrijke rol gespeeld in het Amerikaanse eetpatroon, maar kippen bleken bijzonder geschikt voor industrialisatie, omdat ze zich snel voortplanten en je door slim te fokken hun grootte en eierproductie makkelijk kunt beïnvloeden. Met een reclamebombardement wisten de vleesbedrijven een nieuwe markt voor kippenvlees te creëren, en al snel werd het model van de fabrieksboerderij ook overgenomen in de varkenshouderij en leidde het tot de ontwikkeling van steeds grotere rundveehouderijen. Dr. Ellen Silbergeld, een deskundige op het gebied van gezondheid en milieu, noemt dit de ‘verkipping’ van de landbouw.

Er is geen gebrek aan intelligente progressieve kritiek op dit systeem, alleen behelzen de voorgestelde alternatieven meestal het opknippen van de grote voedselconcerns en de inkrimping of diversificatie van Amerikaanse boerenbedrijven. Maar beter mededingingsbeleid alleen is niet genoeg om iets te doen tegen de schade die de intensieve veehouderij aanricht op het vlak van dierenwelzijn, arbeidsomstandigheden en milieu. Als je de grote concerns opknipt, leidt dat misschien alleen maar tot meer, zij het dan iets kleinere en minder productieve fabrieksboerderijen.

Biologische groente en scharrelvlees vers van de boerderij is niet wat iedereen wil, laat staan dat iedereen het kan betalen

En wat betreft de kleine boerderijen die nu al op meer holistische wijze landbouw bedrijven: de gedachte is wel dat die duurzamer zijn, meer werkgelegenheid in stand houden en lokale winkels voorzien van diervriendelijk rundvlees en sappige biologische tomaten van oude rassen. Maar een heel landbouwsysteem van kleine boeren opzetten dat economisch rendabel is en het grootste deel van de bevolking van voedsel voorziet, kan nog weleens een hele opgave worden. Biologische groente en scharrelvlees vers van de boerderij is niet wat iedereen wil, laat staan dat iedereen het kan betalen of überhaupt kan krijgen. Wat mensen wel kunnen krijgen, zijn nuggets. En voorstanders van kleinschalige landbouw kunnen vaak niet goed uitleggen hoe je hun ideeën ook in de praktijk kunt brengen op grotere schaal en voor een prijs die laag genoeg is om de economische status quo te doorbreken, binnen een tijdsbestek waarin dat nog een uitweg biedt uit onze ecologische crisis.

Intussen zijn de mensen met verstand van de milieueffecten van ons voedselsysteem het er in grote lijnen over eens dat we veel minder vlees moeten eten. Sommigen zien de oplossing in een overstap naar een vegetarisch of veganistisch dieet. En ook in voorstellen die vlees niet in de ban doen, zoals het modeldieet van de EAT-Lancet-commissie, wordt wel aangedrongen op drastische vermindering van de vleesconsumptie, zeker op het noordelijk halfrond, en op afschaffing van de bio-industrie als voornaamste productiemethode. Maar het lijkt erop dat alleen een direct wettelijk verbod op bio-industrievlees tot de benodigde vermindering zou kunnen leiden, en dat is politiek geen haalbare kaart.

Kiploze nuggets

En daar komt de cellulaire landbouw om de hoek kijken. Misschien ligt de oplossing voor de verkipping van ons voedselsysteem niet in scharrelkip, maar in de massaproductie van kiploze nuggets.

Winston Churchill verkondigde al in 1931 dat de mens dankzij de technologie ooit zou kunnen ‘ontkomen aan de absurde noodzaak dat je een hele kip moet kweken om een vlerk of borst te kunnen eten, door deze delen uiteindelijk afzonderlijk te kweken in een daarvoor geschikt medium’. Tot in de jaren negentig kon je die woorden nog aanhalen als een voorbeeld van de futiliteit van de futurologie. Maar door snelle ontwikkelingen in de biotechnologie en de medische wetenschap begint cellulaire landbouw nu werkelijkheid te worden. In de jaren zestig werd de stamcel in kaart gebracht, de bouwsteen van de meeste organismen. In de jaren zeventig werd het mogelijk om spierweefsel in de reageerbuis te kweken, en in 2005 verscheen het eerste gerenommeerde wetenschappelijke artikel over de reageerbuisproductie van vlees.

Voor zo’n geavanceerde biotechniek is cellulaire landbouw eigenlijk een vrij simpel proces. Het begint met stamcellen, die meestal met een biopsie uit een levend dier worden gehaald. Die cellen gaan in een bioreactor, een aseptisch stalen vat met instelbare temperatuur en luchtdruk, samen met een voedzaam groeimedium, in wezen een soepje van suikers en eiwitten. In die omstandigheden beginnen de cellen zich te vermenigvuldigen en weefsel te vormen. Uit de bioreactor komt een eetbare maar nog weinig appetijtelijke substantie, ‘natte massa’, die vervolgens verder bewerkt moet worden om er nuggets en gehakt en dergelijke van te maken. Het nabootsen van complexere stukken vlees, een filet mignon bijvoorbeeld, vergt nog meer techniek: dan moeten ook spier- en vetcellen worden gekweekt op kleine ‘steigertjes’ van ander materiaal, zoals collageen. Het is een soort bouwkunde, maar dan op microscopisch niveau.

Met kweekvlees verklein je de kans op ziektes die overspringen van mens op dier

De potentiële voordelen van deze technologie zijn legio. Uit de meeste analyses van deze procedés blijkt dat ze tot veel minder land- en waterverbruik en minder CO2-uitstoot leiden dan de productie van rundvlees en zuivelproducten. Als de bedrijven dan ook nog gebruikmaken van schone energie (een hele opgave, maar niet onmogelijk) kan dit procedé milieuvriendelijker worden dan de productie van varkens- en kippenvlees. Zo maak je een eind aan het martelen en doden van miljarden dieren per jaar en verklein je de kans op ziektes die overspringen van mens op dier. Reageerbuisvis kan zelfs nog grotere ecologische voordelen opleveren, als je daarmee de druk op bedreigde ecosystemen verlicht en de grootschalige vervuiling terugdringt die de visserij nu veroorzaakt.

Als er geen slachthuizen meer nodig zijn, komt daarmee ook een eind aan hun inherent slechte arbeidsomstandigheden. De productie van kweekvlees vraagt vooral hoogtechnologische arbeid: onderhoud, controle en afstelling van de bioreactoren, zonder de kwetsbare aseptische omgeving te verstoren die de celgroei vereist. Heel anders dan het razende tempo waarin dieren moeten worden geslacht in abattoirs, met in de VS als bijkomend resultaat ook gemiddeld twee afgehakte handen, vingers, voeten of ledematen per week. Fabrieken voor kweekvlees zouden veel beter betaald werk opleveren dan slachthuizen en ook een veel veiligere en gezondere werkomgeving bieden (zij het waarschijnlijk niet aan dezelfde arbeidskrachten).

Tegelijkertijd wordt er hard gewerkt aan de ontwikkeling van plantaardige alternatieven voor dierlijke producten. Aangezien die gemaakt kunnen worden met bestaande technologie en gewassen die al op grote schaal worden verbouwd, kunnen de productiemethoden daarvan snel en tegen lage kosten worden opgeschaald. Daarom zullen deze producten op korte termijn waarschijnlijk eerder de strijd aangaan met de conventionele veehouderij. De mondiale markt voor vleesvervangers en zuivel zal de komende vijf jaar naar verwachting groeien tot meer dan 75 miljard dollar, inclusief vegetarische nepkipnuggets van een hele trits bedrijven zoals Beyond, de makers van de Beyond Burger. Maar uiteindelijk bieden die toch niet meer dan knappe imitaties en moeten ze maar hopen dat de consument daar uiteindelijk de voorkeur aan geeft boven vlees.

Met cellulaire landbouw produceer je echt vlees en kun je proberen de vleesindustrie, goed voor een mondiale omzet van 1 biljoen dollar, op haar eigen terrein te verslaan. Je haalt dan ‘de ethische angel uit de discussie’ over vlees (in de woorden van het Good Food Institute, een internationale organisatie die het gebruik van alternatieve eiwitten propageert) en kunt louter op basis van marktmechanismen proberen het consumentengedrag te beïnvloeden. Dat vergroot de kans dat kweekvlees de traditionele veehouderij werkelijk op zijn kop kan zetten. Wat nu nog luchtfietserij lijkt, kan dan echte kilometers gaan maken.

Velen zouden liever zien dat iedereen gewoon veganist of vegetariër werd

Deze visie op cellulaire landbouw lijkt als twee druppels water op het soort grootspraak dat Silicon Valley maar al te graag uitvent. Voor een groeiend aantal critici riekt de hele onderneming naar ‘solutionisme’, het blinde geloof in technologie als panacee voor alle netelige maatschappelijke en politieke problemen. Sommige kritische deskundigen zien in cellulaire landbouw gewoon de zoveelste oefening in ‘ecomodern techno-optimisme’. Volgens hen blijft men blind voor het feit dat ‘daadwerkelijke modernisering concrete en soms heel heftige gevolgen heeft gehad voor de mensen en samenlevingen die gemoderniseerd werden’, in de woorden van Erik Jönsson, geograaf aan de universiteit van Uppsala. Velen zouden liever zien dat iedereen gewoon veganist of vegetariër werd.

De zorg is reëel dat voedselconcerns en Silicon Valley zulke nieuwe technologieën kunnen gebruiken om hun greep op de voedselvoorziening te verstevigen en hun kwalijke agrikapitalisme met een schijn van milieubewustheid ‘groen te wassen’. De huidige kweektechnieken voor vlees en de daarvoor gebruikte stamcellijnen zijn waardevol intellectueel eigendom, afgeschermd door een hele batterij advocaten en geheimhoudingsclausules. Critici vrezen dat deze nieuwe sector precies hetzelfde gebrek aan transparantie en controleerbaarheid zal vertonen als de industrie die ervoor plaats moet maken. Zij zien in de cellulaire landbouw de slechtste kanten van het huidige voedselsysteem ten top gedreven: de massaproductie van nuggets met een bedenkelijke voedingswaarde die worden verkocht in uniforme fastfoodzaken.

Een daling van de vraag naar veevoer zou meer ruimte scheppen voor een progressiever voedselbeleid

Er zijn drie dingen die je hiertegen in kunt brengen. Ten eerste dat de potentiële voordelen van cellulaire landbouw ruimschoots opwegen tegen al deze nadelen. Stel dat met behulp van deze technologie de productie en consumptie van conventioneel vlees drastisch kan worden verminderd: ook al gebeurt dat dan met behulp van het grote geld en het neoliberale agrikapitalisme, dan is dat ethisch en ecologisch nog steeds te verkiezen boven de huidige stand van zaken. Gevestigde vleesbedrijven als Tyson en Cargill zijn per slot van rekening ook geen filantropische ondernemingen die de wereld voeden uit de goedheid van hun hart. Anders gezegd: wie wil suggereren dat een wereld van kweekvlees en van bio-industrie ook maar in de verte met elkaar vergelijkbaar zijn, heeft zijn perspectief op het voedselsysteem verloren.

Ten tweede kan de cellulaire landbouw, als die op grote schaal wordt ingevoerd, bijdragen aan de hervorming van het landgebruik: een daling van de vraag naar veevoer zou meer ruimte scheppen voor een progressiever voedselbeleid. Als een door de overheid gefinancierde bank zelfs maar een klein deel zou opkopen van de 320 miljoen hectare die in de VS momenteel wordt gebruikt voor de productie van veevoer, zou die vervolgens miljoenen hectares tegen gunstige voorwaarden kunnen doorverkopen voor spannende nieuwe doelen: het opzetten van ecologische en regeneratieve boerderijen, met het oog op gezondere plattelandsgemeenschappen en beter landschapsbeheer; financiële steun voor boerderijen die worden beheerd door een collectief van buurtbewoners of arbeiders; landuitgifte aan mensen uit bevolkingsgroepen die in het verleden structureel werden onteigend of uitgesloten van landbezit; de teruggave van land aan inheemse naties; initiatieven voor de bescherming en verwildering van natuurgebieden. Veel van deze ideeën worden ook omarmd door critici van de nieuwe technologie, die vaak suggereren dat kweekvlees onverenigbaar is met het holistische ecologische ideaal van klein, langzaam en lokaal. Maar al deze ideeën kunnen met commercieel levensvatbare cellulaire landbouw juist makkelijker worden verwezenlijkt.

Tot slot is het niet inherent aan de technologie van cellulaire landbouw dat die gepaard gaat met durfkapitalisme en een militante opstelling over intellectueel eigendom. Als je wil dat de cellulaire landbouw zijn hooggestemde potentieel waarmaakt, moet je niet alleen somberen over de kwaadaardige invloed van het kapitaal, maar zoeken naar praktische manieren om aan dat kapitalisme paal en perk te stellen. Wat hier nodig is, is de politieke wil en visie om deze technologie uit de greep van het bedrijfsleven te bevrijden en in te zetten voor het radicale doel om het leven van mens en dier overal ter wereld beter te maken.

Schaalvergroting

Maar wil de cellulaire landbouw het in de toekomst ook echt beter doen dan het systeem dat het moet vervangen, dan hebben de critici wel gelijk als ze zeggen dat deze nieuwe technologie moet groeien op een manier die de werkelijke kosten van de productie niet afwentelt op arbeiders, consumenten en milieu. Of de productie wel op veilige en betaalbare wijze kan worden opgeschaald, is momenteel nog zeer de vraag, en aan sommige praktijken in de cellulaire landbouw moet beslist een einde komen. Veel bedrijven, waaronder Eat Just met zijn in Singapore gelanceerde nuggets, leunen nog op een techniek waarbij voor het groeimedium van de stamcellen gebruik wordt gemaakt van foetaal kalfsserum, tijdens de slacht gewonnen uit ongeboren kalveren.

Maar schaalvergroting is misschien evenzeer een maatschappelijke en politieke als een zuiver technische aangelegenheid. Er vindt aan de universiteiten wel onderzoek naar cellulaire landbouw plaats met publiek geld en steun van ngo’s zoals GFI en New Harvest, maar het onderzoek naar en de ontwikkeling van nieuwe technieken worden toch merendeels met particulier geld betaald. Er is veel kapitaal nodig voor onderzoek en ontwikkeling en het vinden van commerciële toepassingen. Maar het feit dat de particuliere sector potentie ziet in een technologie die overheden grotendeels genegeerd hebben, is een politiek probleem. Er is behoefte aan publieke instellingen die de cellulaire landbouw zowel stimuleren als in toom houden door middel van overheidsinvesteringen, regelgeving en vergunningen. Bedrijven die zwemmen in durfkapitaal zullen heus wel manieren vinden om de productie van kweekvlees flink op te schalen en goedkoper te maken. Maar het is bijna onvermijdelijk dat ze dat vooral zullen doen om waarde te creëren voor hun investeerders, niet voor het maatschappelijk welzijn.

Het opschalen en betaalbaar maken van de productie van kweekvlees stuit nu nog op flinke problemen. Volgens een onafhankelijke analyse uitgevoerd voor Open Philanthropy wordt de ‘natte massa’ pas rendabel als de kostprijs 25 dollar per kilo bedraagt. Momenteel kost de productie van dat ruwe product nog 37 dollar per kilo. En dat resulteert in een paradox: het kweekvlees dat men nu kan maken, zou vooral geschikt zijn als vervanging van het meest gestandaardiseerde, breed verkrijgbare, in de fabriek geproduceerde vlees dat er bestaat: de kipnugget. Maar de nuggets van Eat Just kostten 17 dollar per portie: met zo’n prijs kan het op de consumentenmarkt nooit wat worden, en dan was die prijs uit marketingoverwegingen wellicht nog sterk verlaagd. Kipnuggets kosten veel en veel minder dan 25 dollar per kilo – dat is eerder de prijs die je zou betalen voor scharrelrundvlees.

Investeringen van de overheid in cellulaire landbouw zouden heel goed kunnen passen in de Green New Deal

De beste oplossing voor deze problemen zou weleens dezelfde strategie kunnen zijn die de Amerikaanse overheid een eeuw geleden hanteerde om de landbouw te industrialiseren: flink investeren in onderzoek en ontwikkeling via openbare universiteiten, nationale laboratoria en royale subsidies. Met al het enthousiasme voor de Green New Deal en de klimaatambities van Bidens regering is er nu ongewoon veel ruimte voor overheidsinvesteringen in duurzame technologie. Substantiële en structurele investeringen van de overheid in cellulaire landbouw zouden heel goed kunnen passen in het beleidspakket dat hier uiteindelijk uit rolt. En in algemenere zin zouden regeringen er goed aan doen om te luisteren naar economen zoals Mariana Mazzucato, die redeneren dat gerichte publieke investeringen in innovatie van cruciaal belang zijn voor het algemeen welzijn. We zien nu al initiatieven voor dit soort proactieve investeringen en regelgeving in staten als Singapore en Israël.

Dit kan voor het bedrijfsleven de drempel verlagen om er ook in te stappen en kan bijdragen aan de ontwikkeling van regelgeving, zoals een moratorium op het gebruik van kalfsserum en de invoering van sectorbrede veiligheidsnormen. Met regelgeving moet je ook afdwingen dat de kweekvleesindustrie onder vakbondstoezicht komt te staan en dat bij de werving van personeel waar mogelijk voorrang wordt gegeven aan afgevloeide maar gekwalificeerde werknemers uit de conventionele vleesindustrie. Het intellectueel eigendom van de technologie kan in publieke handen blijven.

De kritiek op cellulaire landbouw is veelal dystopisch: een toekomstvisioen van voedselgiganten die een weerloze bevolking nepvlees door de strot duwen en aan niemand verantwoording hoeven af te leggen. Ironisch genoeg is dat een accurate beschrijving van het voedselsysteem dat we nu hebben. Een wereld waarin de nugget uit de bio-industrie wordt vervangen door een nugget uit de bioreactor zou een grote stap voorwaarts zijn voor dier en milieu. En gepaard aan een vooruitstrevend industrie- en landbouwbeleid kan het ook een grote stap voorwaarts zijn op het gebied van arbeid, publieke investeringen, landgebruik en duurzame landbouw. Nee, dit is geen magische remedie tegen alles wat er mis is met onze voedselproductie; zo’n panacee bestaat niet. Maar het is een begin. Kipnuggets staan misschien voor alles wat er mis is met ons huidige voedselsysteem, maar kweeknuggets zouden best eens kunnen bijdragen aan een duurzamere toekomst.

Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

360 is jarig en trakteert!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief en krijg 3 maanden gratis toegang tot 360 online.