• Nautilus
  • Reader
  • Langs het mierenpad

Langs het mierenpad

Nautilus | New York | Justin Nobel | 13 juli 2017

De meesten van ons zoeken in de zomer een andere, liefst knalblauwe horizon. Justin Nobel niet, hij volgde de reis van de Solenopsis invicta, 
de onoverwinnelijke vuurmier die begon in de Amerikaanse stad Mobile, Alabama waar het ‘duivelse insect’ als eerste aan land kwam en sindsdien alle mogelijke moordaanslagen overleeft.

Op 5 oktober 1967 stegen vijf bommenwerpers uit de Eerste Wereldoorlog op van een vliegveld in Florida, om in het zuiden van Amerika hun lading af te werpen. Die ochtend stond in de Sarasota Herald-Tribune dat drie B-17’s en twee PV-2’s, met een dodelijke lading van tienduizend pond, een missie zouden uitvoeren, ‘met als doelwit Sarasota en het oosten van Manatee’.

Hoewel de bommenwerpers wel degelijk ten strijde trokken, zouden ze geen explosieven afwerpen. Hun vijand was een roodbruin insect van enkele millimeters lang, bekend onder de wetenschappelijke naam Solenopsis invicta, letterlijk vertaald ‘onoverwinnelijke mier’ – in de volksmond ook wel de rode vuurmier of de ‘duivelse mier’ genoemd. De bommenwerpers zouden de dieren besproeien met mirex, een gif dat gewoonlijk met griesmeel wordt vermengd.

Eind jaren zestig was de vuurmier al meer dan dertig jaar lang een bekende in het zuiden van Amerika. Er gingen verhalen over verwoeste oogsten, dode dieren en de venijnige beet van de mier. Het was niet helemaal duidelijk hoeveel schade de mieren precies hadden aangericht, maar het was voldoende voor het USDA (het Amerikaanse ministerie van landbouw) om deze plaag de oorlog te verklaren. Tijdens een elf jaar durende campagne werd meer dan 143 miljoen pond mirex afgeworpen boven een gebied van 200 duizend vierkante kilometer, van Texas tot Florida. De kosten bedroegen een kleine 200 miljoen. Het resultaat? De mieren verspreiden zich over een twee keer zo groot terrein. De mirex, die later kankerverwekkend zou blijken te zijn, bleef nog tientallen jaren in het milieu en belandde in vogeleieren, de melk van zoogdieren en in menselijk weefsel. De meest vooraanstaande mierenonderzoeker ter wereld, E.O. Wilson, noemde het mirex-programma het ‘Vietnam van de entomologie’.

Onder de mieren

Als je vandaag de dag een lijn trekt van Virginia Beach via Nashville naar Abilene in het westen van Texas, tref je overal onder die lijn vuurmieren aan, net als in het zuiden van Californië. Volgens entomologen van Texas A&M University bedragen de kosten van de mieren voor de economie, het milieu en de kwaliteit van leven in de Verenigde Staten in totaal zo’n zes miljard dollar per jaar. Alleen al in Texas verwoesten ze jaarlijks voor zo’n 1,2 miljard dollar: 
47 miljoen schade aan golflinks; 64 miljoen aan begraafplaatsen (de mieren zijn dol op de open en enigszins overwoekerde plekken rondom grafstenen); en maar liefst 255 miljoen dollar schade aan de veestapel. Ze veroorzaken ook nog andere problemen. In Virginia Beach werd de 30-jarige ex-marinier Bradley Johnson gestoken door vuurmieren terwijl hij buiten aan het werk was – hij stierf als gevolg van een anafylactische shock.

Het is minstens één keer voorgekomen dat de mieren een lagere school in Tennessee zijn binnengedrongen om zich tegoed te doen aan het snoep in de kluisjes van de kinderen.

In het Greystone Retirement Community in Huntsville, Alabama, trof een medewerker de 79-jarige Lucille Devers aan, bedolven onder de mieren, die in haar mond, neus, oren en haren krioelden. De mieren dringen geregeld een bejaardentehuis binnen, aangetrokken door de kruimels in de bedden van de bewoners. Wetenschappers gaan ervan uit dat de mieren hun terrein zullen blijven uitbreiden. Door klimaatverandering en kruising met mierensoorten die beter zijn bestand tegen kou, zijn ze in staat steeds verder op te rukken naar 
het noorden.

Ik, daarentegen, ben naar het zuiden verhuisd. Vorig jaar augustus hebben mijn vriendin Karen en ik onze spullen ingepakt en zijn we met onze twee katten, een terriër en een mollige, bruine Chihuahua, Jazzy-B genaamd, in een busje gestapt en van New York naar New Orleans gereden. Een paar weken later vierden we ons nieuwe huis met een borrel in City Park. Toen we ons picknicklaken weer oprolden, stonden plots onze benen 
in brand. We trokken snel onze broek uit en in 
het licht van een straatlantaarn zagen we dat onze benen helemaal onder de mieren zaten. Ik was meer dan tweehonderd keer gestoken, en het werden allemaal rode kringen zo groot al een onderzetter, en ook zwollen mijn oren en mijn keel op. Een handvol antihistaminica later ging het wel weer, even afgezien van de paar honderd bulten die jeukten als een gek. Gelukkig was ik niet anafylactisch, wat wel geldt voor een half tot één procent van alle Amerikanen. Voor mensen die heel erg allergisch zijn, kunnen dergelijke beten leiden tot spasmen van de bronchi of van de kransslagaderen, waardoor er geen zuurstof meer in de luchtweg komt en binnen enkele minuten de dood intreedt. Toen Jazzy-B een paar weken laten op een mierenhoop stapte en begon te janken, waarna hij de rest van de dag zijn poot likte, verklaarde ik de vuurmier de oorlog. Maar eerst moest ik meer over mijn vijand aan de weet zien te komen.

© Nirvair Singh / Getty Images
© Nirvair Singh / Getty Images

De Solenopsis invicta is afkomstig uit het reusachtige draslandgebied in het zuiden van Brazilië en Paraguay, dat bekendstaat als de Pantanal. Ergens begin jaren dertig van de vorige eeuw gingen de mieren als verstekeling mee in zakken koffie, in kluiten aarde of in holle boomstronken die onder in een vrachtschip werden geladen. Waarschijnlijk ging het om een handjevol koninginnen, elk ongeveer ter grootte van een duimnagel. Ze aten alles wat ze maar in het ruim konden vinden: kakkerlakken, kevers, zoete lading, en toen de spoeling dunner werd ook zichzelf, door hun eigen vleugelspieren en vetreserves te verteren. Het schip zal langs Rio de Janeiro zijn gevaren, langs de monding van de Amazone, langs de weelderige toppen van de Antillen, terwijl de koninginnen in hun buik de eerste lading eitjes meedroegen. In Mobile, Alabama, meerde het schip af en werden de zakken of de aarde of de boomstammen uitgeladen, en daarmee gingen ook de koninginnen van boord. Onder de kranen in de haven, met daarboven de rondcirkelende meeuwen, vestigden de mieren hun eerste kolonie, misschien wel op een stukje pas gemaaid gras: een hoopje aarde met daarin allemaal kamers en tunnels die wel tot 4 meter diep konden gaan. Ze vonden het prettig om mierenhopen te maken op plekken waar de natuur was verstoord, zoals aan de rand van de weg, naast een gebouw, een weiland, een tuin, of in de buurt van een drukke haven. Ze aten vrijwel alles – zaden, nectar, wormen, snuitkevers, vlinders, en zelfs pasgeboren zeeschildpadden, slangen en alligators. Ze stortten zich op de jongen zodra die uit het ei kwamen.

Een kolonie bestaat uit koninginnen, werksters, en mieren voor de voortplanting, ook wel gevleugelden genoemd. De koninginnen leggen eitjes die larven worden – kleine, witte, rijstvormige korrels die uitgroeien tot volwassen mieren. De gevleugelden worden geboren aan het einde van de winter of aan het begin van de herfst, en ze besteden hun tijd aan voedsel naar binnen werken en zich klaarmaken voor hun paringsvlucht. De werksters beginnen hun leven als verzorgsters, die voor de nakomelingen en de koningin zorgen en hen van eten voorzien. Wat later nemen ze het onderhoud van het nest en de hygiëne voor hun rekening. In hun gouden jaren zijn de werksters opgeklommen tot foerageurs – het gevaarlijkste werk binnen de kolonie, aangezien ze dan de strijd moeten aanbinden met roofdieren, en met de elementen. Als ze het leven uit zich voelen wegglijden, dragen de mieren zichzelf ten grave, en gaan in het mierenmassagraf liggen dat de afvalberg wordt genoemd.

Om de kennelijk onstuitbare mars van de mieren door het zuiden in kaart te brengen, besloot ik hun pad te volgen vanaf de plek waar ze voor het eerst hun aanspraak op Noord-Amerikaanse bodem hadden doen gelden. Vlak voor mijn vertrek doemde er, als een omineus teken van een of andere myrmecologische god, een mierenhoop op in onze achtertuin. 
Ik begon evengoed onverschrokken aan mijn odyssee.

Een andere truc is om mieren van de ene naar de andere hoop te scheppen – volgens Richard zullen de mieren de koninginnen van de andere kolonie doden

Mobile, de twaalfde havenstad van Amerika, waar het afgelopen jaar 26 miljoen ton vracht is verscheept, verwelkomde me met de aanblik van reusachtige containerkranen die deden denken aan letters in een reusachtig, industrieel alfabet, de stank van diesel, een zilte lucht en – het kon haast niet missen – mierenhopen.

Vlak bij de haven zag ik er eentje waar wat wilgentakken uit staken. Er was geen enkele beweging te bespeuren, maar toen ik 
er een trap tegen gaf, uit rancune vanwege al die jeukende bulten, kwamen ze naar buiten zwermen. Het zouden heel goed de achter-achter-achter-achter-achter-achter-achter-achter-achter-achter-achter-kleinkinderen kunnen zijn geweest (koninginnen leven een jaar of zeven) van de groep die hier in de jaren dertig van de vorige eeuw naartoe was gekomen, met de boot vanuit Zuid-Amerika.

Niet ver van de haven was een buurt met kromme eiken en nette bungalows met keurig onderhouden tuinen. Ik bleef staan bij Charleston Street 550, het huis waar E.O. Wilson zijn jeugd had doorgebracht – en ik bedacht dat de beroemdste mierenkundige ter wereld was opgegroeid in het epicentrum van de bekendste miereninvasie van de wereld. In de weelderige, verlaten tuin van de buren had de jonge Wilson kevers, vlinders, spinnen en allerlei soorten mieren bestudeerd, waaronder de Solenopsis invicta, waarvan hij in mei 1942, op zijn twaalfde, de eerste mierenhoop ontdekte. ‘De soort die ik ontdekte, staat me nog heel levendig voor de geest,’ schreef Wilson in Naturalist, een boek over zijn gelukkige insectenjeugd. Nu lijkt de buurt te zijn ontdaan van vuurmieren – dankzij de onvermoeibare, creatieve en nietsontziende inspanningen van de menselijke bewoners.

Lonnie Rayford, een 72-jarige boer, met naast zich 
op tafel een geweer en een dode eekhoorn, vertelt 
me dat hij vaak is gestoken. Naar zijn, niet echt wetenschappelijk onderbouwde mening, was griesmeel vroeger voldoende om met het ongedierte af te 
rekenen. ‘Graaf een gat en strooi er griesmeel in, dat nemen ze mee naar beneden en voeren het aan hun koningin,’ zei hij. ‘Dat griesmeel wordt hun dood.’ Een man verderop in de straat, die onkruid aan het wieden was, vertelde me dat hij gif gebruikte.

Vanuit Mobile ging ik naar het noordwesten, naar Montgomery, waar ik langs het Alabama State Capitol reed, met de romig witte koepel die wel iets wegheeft van een reusachtige bruidstaart. Ik ging naar Dixie Hardware om me door vakmensen te laten voorlichten over mierenbestrijding. John, een medewerker met een baard, verwees me naar stelling negen, een walhalla voor wie iets wil uitroeien.

‘Je hebt kakkerlakkengif, mierengif, Ant Max – dat is een soort val,’ zei hij, terwijl hij me een rechthoekig, rood-geel doosje liet zien dat eruitzag alsof er snoepjes in zaten voor in de bioscoop, ware het niet dat er op de zijkant een tekening stond van een gemene vuurmier. Het meest verkocht was een grote oranje zak met als opschrift ‘Spectracide Fire Ant Killer Mound Destroyer.’ (‘Spectracide vuurmierenhoop-vernietiger’.)

Johns collega Richard vertelde me nog van alles over de fijne kneepjes van de massa-insectenverdelgers. Het probleem met gif is dat de mieren meestal gewoon naar de tuin van de buren gaan. Dat betekent dat het probleem op buurtniveau moet worden aangepakt. Met andere woorden: in je eentje sta je machteloos tegenover een mierenplaag. Een andere truc is om mieren van de ene naar de andere hoop te scheppen – volgens Richard zullen de mieren de koninginnen van de andere kolonie doden. En dan is er nog benzine, duidelijk de favoriete verdelgingsmethode in Alabama. ‘Neem een bezemsteel, steek die in mierenhoop en giet er benzine in, dan zal alles daarbinnen echt verbranden,’ zei Richard opgetogen.


Vuurmieren verdelgen lijkt wel een beetje op maïsbrood bakken; in het zuiden heeft iedereen zijn eigen recept. Inmiddels waren mijn bulten allang weer weggetrokken en ik kreeg bijna medelijden met die arme beestjes. Al helemaal toen ik doorkreeg dat we hun onverbiddelijke opmars goeddeels aan onszelf te wijten hebben.

Van nature verspreiden mieren zich helemaal niet zo snel. In de jaren dertig en veertig legden de mierenpopulatie zo’n 6 tot 8 kilometer per jaar af vanuit Mobile, een afstand die vooral werd afgelegd op paringsvluchten. Op warme dagen na een natte lente of zomer, verlaten de gevleugelden 
de mierenhoop, omgeven door een troep lijfwachten. Ze vliegen uit om te paren, in grote wolken tijdens 
de zogeheten bruidsvluchten. Mannetjes injecteren de vrouwtjes met een voorraad sperma waar ze hun leven mee toe kunnen, en laten vervolgens het leven. Koninginnen die net gepaard hebben dalen neer, verliezen hun vleugels en beginnen een nieuwe kolonie, waarbij ze op hun hoede moeten zijn voor roofdieren als de libelle, die maar al te graag zo’n met sperma gevuld buikje oppeuzelt. Een koningin vliegt gewoonlijk een paar kilometer tijdens een paringsvlucht, en als de wind gunstig is, kunnen daar nog een paar kilometer bij komen. Maar dat is het dan wel.

Mieren kunnen ook besluiten te verhuizen als ze ergens last van hebben. In dergelijke gevallen verhuist de hele kolonie, op instigatie van de werksters, maar meestal gaat het dan slechts om een paar meter. Een flink aantal vuurmierenkolonies in het Zuiden – die bekendstaan als polygene kolonies, wat wil zeggen dat ze meer dan één koningin hebben – kunnen zich zelfs verplaatsen zonder paringsvluchten, door knopvorming zoals bij gist. Een koningin en een paar werksters beginnen domweg elders een nieuwe kolonie. Maar ook hier geldt dat ze nooit ver weg gaan. Veruit de beste manier om vuurmieren te verplaatsen, bieden wij. Mensen.

In 1949 waren de vuurmieren voornamelijk gesitueerd in een gebied van zo’n 75 kilometer rondom Mobile, en op een paar plekken in het midden van Alabama en Mississippi. Maar toen de Amerikanen in de jaren vijftig naar de buitenwijken trokken en een grote voorliefde aan de dag legden voor witte hekken, voortuinen en sierheggen, kwam het tuinieren in een stroomversnelling. Er kwam een transport op gang van aarde, planten en potten, van de ene staat naar de andere, van het ene land naar het andere. Verscholen in de aangekoekte aarde in een bulldozer, in de kluit aarde van een sierplant, of in de laadbak van een pick-up, kan een koningin die net heeft gepaard honderden kilometers afleggen. Dankzij onze horticulturele interesses was de invicta in 1957 doorgedrongen tot alle zuidelijke staten, met uitzondering van Kentucky en de Virginia’s.

Rond die tijd besloot het USDA, het ministerie van landbouw, om de indringers te verdelgen. In 1958 werd een quarantaine-regeling in het leven geroepen om het transport van aarde, planten en hooibalen uit staten waar veel vuurmieren waren naar staten onder vuurmieren, aan banden te leggen – tenzij de producten eerst werden behandeld met insecticiden. Tussen 1957 en 1962 werd zo’n 10.000 vierkante kilometer grond bestrooid met korrels die het insecticide heptachlor bevatten. Daarmee werden inderdaad de vuurmieren gedood, maar ook de merels, kwartels, ganzen, kikkers, katten, krabben en miljoenen vissen – een fiasco dat mede de aanleiding was tot Rachel Carsons boek Silent Spring (Dode lente). Slechts weinigen op het ministerie lieten zich iets gelegen liggen aan haar waarschuwende woorden, en de oorlog werd dan ook voortgezet. Dankzij dit entomologische Vietnam, dat duurde van 1964 tot 1975, heeft 24 tot 33 procent van alle inwoners van het zuiden mirex in hun lichaamsweefsel, zo valt te lezen in The Fire Ants, een boek van mierenkundige Walter Tschinkel.

Bochelvliegen

Ondertussen hebben de onoverwinnelijke schepsels hun werkterrein vergroot, verdubbeld zelfs, en er zijn wetenschappers die het insecticide daar de schuld van geven. Meestal roeide het gif, daar waar het werd toegepast, alle mierensoorten uit, en daarmee werd S. invicta, die als beste in staat zou zijn nieuwe kolonies te vormen, de dominante soort bij herkolonisatie. Het geheim van hun overleving is niet helemaal duidelijk, maar Tschinkel denkt dat het iets te maken heeft met de grootte van de kolonies, het aantal gevleugelden, de grote afstanden die zij kunnen afleggen en het lange paringsvlucht-seizoen.

De vuurmierengrens loopt door het midden van Tennessee. Ik heb het mierenpad gevolgd in noordelijke richting en heb de snelweg verlaten bij McMinnville, het hart van de tuinplantenindustrie, en net onder de vuurmierengrens. Hier moeten de tuincentra de wortels van de planten, waar soms ongemerkt koninginnen in zitten die net hebben gepaard, behandelen met chlorpyrifos, een duur en giftig insecticide. Tommy Boyd, mede-eigenaar van Boyd & Boyd Nursery, vertelde me dat zijn medewerkers zich gewapend met handschoenen en maskers van die taak kwijten. Hij weigert het spul zelf aan te raken omdat hij er hoofdpijn van krijgt. ‘Ik wil niet doodgaan aan een of ander bestrijdingsmiddel,’ zei Boyd tegen me.

Niet veel later reed ik over een winderige weg die me naar het Otis L. Floyd Nursery Research Center bracht, verbonden aan de Tennessee State University. Daar sprak ik met Jason Oliver, een vriendelijke entomoloog in een flanellen overhemd. Hij werkt met een minder schadelijke, meer natuurlijke manier om mieren te verdelgen: Hij experimenteert met het uitzetten van bochelvliegen, die destijds in Pantanal de mieren aten. Eind jaren negentig gingen onderzoekers van USDA naar Zuid-Amerika om verschillende soorten bochelvliegen te vangen. Die bestudeerden ze in het Animal and Plant Health Inspection Service (APHIS) laboratorium in Gainesville, Florida, teneinde vast te stellen hoe ze het best kunnen worden uitgezet in verschillende delen van het Amerikaanse zuiden. Olivers bochelvliegen worden vanuit het lab overgebracht naar Tennessee en daar losgelaten.

Bochelvliegen leggen hun eitjes in de borstkas van de vuurmier, en wanneer de eitjes uitkomen valt de kop van de mier eraf. Oliver liet me een filmpje zien dat hij had opgenomen in een petrischaal, van een vlieg die eitjes legt in een mier. Een klein stipje zoemt om een paar mieren, schuurt in een flits langs een van de mieren en vliegt dan verder. In die fractie van een seconde heeft de vlieg de eitjes geïnjecteerd. Het ging allemaal zo vlug dat ik Oliver moest vragen om het filmpje nogmaals af te spelen. Het leek een ideale oplossing. Maar hoe knap het vliegje ook was, het zou nooit een hele kolonie kunnen onthoofden, het zou er hooguit voor kunnen zorgen dat de mieren hun nest niet meer uit durven te komen. ‘Er zullen altijd vuurmieren blijven,’ zei Oliver. ‘Er bestaat geen manier om ze uit te roeien.’


Vanuit McMinnville reed ik in noordwestelijke richting over kronkelwegen door glooiende heuvels vol tuincentra, langs de frontlinie van de S. invicta. Ten zuiden van de lijn werden lagere scholen, bejaardentehuizen en tuincentra binnengevallen, terwijl het land in het noorden, naar men zei, mierenvrij was. De weg leidde me door een gebied dat was ondergelopen tijdens de rampzalige overstroming van mei 2010. In Nashville was de Cumberland-rivier zo’n 10 meter gestegen, waardoor een groot deel van de stad was ondergelopen, zo ook de Country Music Hall of Fame, het Grand Ole Opry House, en een onbekend aantal mierenhopen. In tegenstelling tot wat je zou denken, waren de mieren niet verdronken. In tegendeel, ze waren verder gewoekerd.

De mieren waren vermoedelijk goed voorbereid, legde entomologe Linda Hooper-Bui van Louisiana State University me uit. De Pantanal, hun land van herkomst, loopt regelmatig onder, dus hebben ze leren drijven. Wanneer het water stijgt, ontruimen de mieren de lagergelegen tunnels en trekken naar een plek hoger in de hoop, om uiteindelijk boven op de hoop samen te komen. Met gebruik van de haakjes aan het uiteinde van hun pootjes, de tarsi genaamd, klampen de mieren zich aan elkaar vast en vormen zo een vlot. Larven in een laat stadium hebben een soort haakjesachtige haren die lucht vasthouden, waardoor ze in een soort bel zitten. Werkstermieren stapelen die larven zo’n drie tot vijf lagen dik boven op elkaar, zodat ze kunnen dienen als drijvers om het vlot boven water te houden. De koningin wordt in het midden gezet, met om haar heen de poppen en de larven in een vroeg stadium, die nog niet voldoende haren hebben om een luchtbel te kunnen maken. Op de klonten eitjes na, die de werkstermieren in hun poten dragen, en het kleine beetje vloeibaar voedsel dat ze in hun lichaam hebben opgeslagen 
en waar ze een paar dagen mee toe kunnen, gaat er niets mee aan boord. Sterker nog, als het vlot wegvaart, in het water geduwd door de werkstermieren, worden de gevleugelde mannetjes overboord gezet. Als het vlot langer dan vier dagen drijft, beginnen 
de mieren het gebroed te verorberen – maar niet degenen die zijn gebruikt om het vlot drijvend te houden. Een vlot kan een dag of eenentwintig standhouden, lang genoeg om de gestegen Cumberland-rivier te overleven.

Tenminste, dat is de mening van Steve Powell, een entomoloog verbonden aan de staat Tennessee. In februari ontving hij een melding dat er vuurmieren waren gesignaleerd in Cumberland City, een afgelegen plaats zo’n 120 kilometer ten noorden van Nashville, en ver boven de frontlinie. ‘Ik heb geen andere verklaring voor het feit dat ze daar zitten, zo ver van de andere vuurmierenplagen,’ zei Powell. ‘Als je het mij vraagt, komt het door de overstroming.’

Ik zou willen dat ik een stenopelmatus was, die een manier had gevonden om vreedzaam met de vuurmieren samen te leven, en dat ik soepel over de flanken van de mierenhoop kon dansen zonder gestoken te worden

Ik vervolgde mijn route in noordelijke richting en kwam in Cumberland City – een krakkemikkige verzameling door klimop overwoekerde houten huizen en etalages met rolluiken, op de steile, met bomen begroeide heuvels langs de Cumberland. Aan de rand van de stad staat de immense Tennessee Valley Authority kolencentrale, met vier hoge schoorstenen van zo’n 300 meter, een van de grootste ter wereld. Naast de fabriek staat een restaurantje met groezelige ramen, waar boeren in overall aan lage tafeltjes meerval en varkenskarbonaadjes naar binnen werken. Ik was op zoek naar iemand om over de mieren te praten, en ik verwachtte een levendig relaas dat de vlot-theorie van Powell zou bevestigen. In plaats daarvan stond me een niet geheel onverwachte verrassing te wachten: Bailey Gafford, een verweerde veehouder met laarzen vol aangekoekte modder, vertelde me dat er al lang voor de overstroming vuurmieren in Cumberland waren. Hij kwam zelfs met een innovatieve verdelgingsmethode die ik nog niet kende: ‘Strooi snuiftabak om de hoop. Als ze naar buiten komen, steek je ze in de fik.’

Op weg naar Cumberland had ik een bezoek gebracht aan de begraafplaats van de burgeroorlog, waar wilde bloemen om verweerde grafstenen staan. Boven op een klein heuveltje stond een handjevol hutten, een herinnering aan een strijd van lang geleden. Onze eigen strijd tegen de mier was nog in volle gang, en ik had niet de indruk dat we aan de winnende hand waren. De strijd tegen de S. invicta kwam ineens in een breder perspectief te staan, namelijk dat van het Insecticide-Militair-Industrieel complex. Het was ongeveer in dezelfde tijd dat president Obama zei, met betrekking tot de onophoudelijke strijd tegen het terrorisme, dat we niet onophoudelijk ‘op voet van oorlog’ kunnen blijven. Die opmerking leek ook van toepassing op onze strijd tegen de vuurmieren.

Bovendien, hoezeer we onze technieken ook verfijnen, deze onstuitbare indringers lijken steeds nieuwe manieren te bedenken om op te rukken. Op de een of andere manier heeft de Solenopsis invicta gekruist met de Solenopsis richteri, een andere soort die per vrachtschip uit de Pantanal naar Mobile is gekomen, in 1918. Aanvankelijk heeft de S. invicta de S. richteri verdreven – de laatste is een minder agressieve soort met een voorkeur voor iets koeler weer, voor wie het Zuiden misschien wat te heet was. Maar in 1980 werd een hybride soort ontdekt. Niemand weet precies hoe de kruising heeft plaatsgevonden – in bepaalde delen van de Pantanal overlappen de territoria van beide mierensoorten, maar er wordt niet gekruist. Hier gebeurt dat wel, en dat is misschien wel het meest verontrustende. De volbloed S. invicta houdt het niet langer dan drie, vier dagen vol bij temperaturen onder nul. De S. richteri al evenmin. Maar de hybride soort is beter bestand tegen koude dan de beide zuivere soorten, volgens een onderzoek uit 2002 naar omgevingsentomologie.

Is het denkbaar dat een hybride mier – of misschien een hybride vorm van een hybride mier – op een dag de frontlinie verder naar het noorden doet opschuiven, tot aan Washington D.C. en Philadelphia? Of wat dacht je van New York, met zijn acht miljoen inwoners die net zo weinig weet hebben van de vuurmieren als ik aanvankelijk? Niet zo heel lang geleden zijn de mieren per schip vanuit Australië naar de Verenigde Staten gekomen. Dat is ook gebeurd in Taiwan; van daaruit zijn ze China binnen gedrongen. Volgens een rapport over biologische invasies, uit 2004, zouden de vuurmieren ook kunnen doordringen in Frankrijk, Italië, Griekenland, Japan, Zuid-Korea, Mexico, Midden-Amerika en grote delen van Afrika en India. Is er een manier waarop we met deze schepsels kunnen samenleven? Ik had nog niet alle hoop opgegeven.

Kokend water

Toen ik terugkeerde naar New Orleans bleek de vuurmierenhoop in onze achtertuin vier keer zo groot te zijn geworden. Hij stak nu als de Kilimanjaro boven de grassprieten uit. Terwijl ik me verbijsterd afvroeg wat ik moest doen, kroop er een stenopelmatus langs de noordflank omhoog – een behendig alpinist – die opmerkelijk genoeg ongemoeid werd gelaten. Ik zou willen dat ik een stenopelmatus was, die een manier had gevonden om vreedzaam met de vuurmieren samen te leven, en dat ik soepel over de flanken van de mierenhoop kon dansen zonder gestoken te worden, maar dat was ijdele hoop, wist ik. Zelfs wanneer Karen en ik op een of andere manier het nest zouden weten te mijden, dan nog waren er onze huisdieren – de katten, de terriër, en Jazzy-B, die me op hetzelfde moment vanachter het raam met nieuwsgierige hondenogen aankeek. De vorige keer was hij met de schrik vrijgekomen, maar als hij honderden keren werd gestoken zou het gif vast en zeker te veel zijn voor zijn gevoelige Chihuahua-stelsel. Het was duidelijk wat me te doen stond. De mierenhoop moest verdelgd worden.

Ik brak mijn hoofd over de overdaad aan moordwapens: Rivaliserende kolonies tegen elkaar opzetten, griesmeel, benzine, een bezem en benzine, gif – en zo ja, welk gif dan? Uiteindelijke koos ik voor een methode die minder belastend was voor het milieu en die alleen Oliver had genoemd – half mompelend, aan het einde van ons gesprek, alsof hij een geheim onthulde waar hij zich een beetje voor geneerde: kokend water. Ant Max en Spectracide Fire Ant Killer Mound Destroyer lijken liever niet te willen dat deze methode breed bekend wordt.

Toen Jazzy-B en alle anderen veilig binnen zaten, leegde ik de kattenbak, besprenkelde hem met 
babypoeder zodat de mieren niet langs de wanden omhoog konden kruipen, en schepte de mierenhoop erin, waarna ik hem zo snel mogelijk tot aan de rand volgoot met kokend water. Een tweede ketel kokend water verdween in de opening aan de bovenkant, zodat het in alle tunnels en kamers zou lopen. Daarna volgden nog een derde en een vierde ketel, om zeker te weten dat ik ook de koningin te pakken had. Er volgde een explosie van rood, omdat grote hoeveelheden gebroed naar buiten werden gebracht, maar dat werd ogenblikkelijk gekookt door het water, en binnen een uur was de mierenhoop verleden tijd.

Met mijn huishoud-wapentuig liep ik weer naar binnen, maar ik was allesbehalve tevreden. Deze slag mocht ik dan hebben gewonnen, de oorlog was een verloren strijd. Je kon er donder op zeggen dat er een nieuwe mierenhoop zou opduiken. Met deze ‘overwinning’ had ik slechts tijd gewonnen.

Auteur: Justin Nobel

Justin Nobel schrijft over wetenschap en milieu voor verschillende Amerikaanse tijdschriften. Vorig jaar verscheen zijn boek The story of Dan Bright over een jongeman in New Orleans die ten onrechte van moord werd beschuldigd.

Openingsbeeld: © Michael Duva / Getty

De koelbloedige insectendoder Justin Nobel.
De koelbloedige insectendoder Justin Nobel.

CONTEXT: Het mierenvlot van de Cumberland-rivier

Toen Nautilus me vroeg mijn ‘Ants Go Marching’-artikel te schrijven, besloot ik dat het een reisverhaal moest worden. De geografisch belangrijke plekken vormden mijn uitgangspunt: Mobile, in Alabama, waar de mieren als eerste aan land kwamen, en het eindpunt ergens in het noorden van Tennessee, de meest noordelijke punt van de opmars van de mieren.

Het beginpunt is makkelijk: Mobile is Mobile, en wie naar Mobile gaat, gaat naar de kade. Maar hoe kom ik bij het eindpunt? Met die vraag begint mijn zwerftocht. Zodra ik begreep dat de mieren vlotten konden bouwen en daarmee de rivier af konden gaan, en dat er inderdaad talloze mierenkolonies waren meegevoerd door het water van de Cumberland tijdens de Nashville-overstroming van mei 2010, wilde ik met alle geweld zelf ook de rivier op. De manier waarop doet er niet zoveel toe, hoe gekker hoe beter. Zelf een vlot bouwen? Een of andere vrijbuiter inhuren om me op een vlot van boomstammen de rivier af te roeien, een beetje à la Huckleberry Finn? Mezelf met de stroom mee laten drijven en doen alsof ik een mierenkolonie ben?

Na driftig googelen stuit ik op de website van de General Jackson Showboat, die tweemaal daags met een stel opzichtige entertainers een tocht over de Cumberland maakt. Aan boord is de lokale beroemdheid Steve Hall, met zijn ‘Shotgun Red Show’.

Steve is een legendarisch zwaarlijvige, joviale, muzikale komiek die een groot deel van zijn leven op rivierboten heeft opgetreden, en Shotgun Red is zijn gevatte, brutale pop. Hun act heeft werkelijk niets te maken met mieren, maar de General Jackson biedt een uitstekende gelegenheid om de rivier op te gaan, op zoek naar mieren, of in ieder geval om met de passagiers, en hopelijk ook de entertainers, te praten over mieren.

Ik rij naar attractiepark Opryland, waar de General Jackson Showboat vertrekt vanaf een steiger achter een reusachtige mall, en ik koop een kaartje. Het valt me vrijwel ogenblikkelijk op dat een groot deel van de overige passagiers in een rolstoel zit of met een rollator loopt. Dit is geloof ik het moment waarop tot me doordringt dat het een bespottelijk idee is om op deze geriatrische showboat op zoek te gaan naar vuurmieren. Maar goed, wanneer ik mensen vraag naar de vuurmieren, blijken ze zich maar al te zeer bewust van het bestaan van deze duivelse insecten. ‘Ik heb geprobeerd ze te verdrinken,’ zegt ene Peggy, een zachtaardige vrouw. Ze woont met haar man op een stuk land van 200 vierkante meter in Cleveland, Georgia. ‘Ik had het idee dat ze nauwelijks konden verdrinken!’ Uiteindelijk blijkt dit bijzonder nuttige informatie, want het sterkt me in de overtuiging die langzaam in mijn hoofd begint post te vatten, namelijk dat vuurmieren zelfs de meest zachtaardige mensen, zoals deze vriendelijke oudjes, kunnen doen veranderen in koelbloedige killers.

Zoals wel vaker wanneer ik op pad ben voor een groot artikel, herinner ik me ook nu heel scherp het moment waarop mijn verbeelding het van me overneemt

Eenmaal aan boord van de General Jackson hang ik over de reling en zie zwaluwen, met hun v-vormige staart, naar het grijsbruine wateroppervlak van de snelstromende rivier duiken om de insecten eraf te plukken. Het water heeft de kleur van slappe koffie bij een tankstation. De meeste passagiers zijn binnen, bij het buffet, in afwachting van ‘Steve Hall and the Shotgun Red Show’, maar mijn voornaamste doel is het opsporen van drijvende mierenkolonies. Vergeefs probeer ik in het schuimende kielzog van de boot sporen te ontdekken van mierenvlotten. Zoals wel vaker wanneer ik op pad ben voor een groot artikel, herinner ik me ook nu heel scherp het moment waarop mijn verbeelding het van me overneemt. Ik hoef de rivier helemaal niet af te speuren op zoek naar een mierenvlot, bedenk ik ineens, ik zit al op een mierenvlot! Dus baan ik me snel een pad door de myrmecologische massa op zoek naar de koningin.

Die vind ik, in een flinke theaterzaal in het midden van het vlot. Terwijl honderden werkmieren zich tegoed doen aan cheddar, aardappelpuree en stoofvlees, brengt een aantal podiummieren onder magentalampen hard geluid voort. Er is een vioolmier, een banjomier, en een fantastische, dikke mier in een rood overhemd met lovertjes en sandalen met glitters. Een van de muziekmieren is blind en blijkt later die dag te gaan trouwen. In het midden van de groep staat de koningin, gekleed als een tovenaar. Hij heeft een bolle buik (vermoedelijk vol eitjes), een snor, een matje in zijn nek en een reusachtig hoofd met vele onderkinnen. Na een poosje komt zijn poppenmier, Shotgun Red, het toneel op en vertelt moppen ovegDolly Parton.

Na de show spreek ik op het achterdek de koningin aan; hij probeert zijn koopwaar te slijten aan kindermieren. Hier houdt het visioen abrupt op en wordt de koningin weer gewoon de rivierboot-entertainer Steve Hall. Ik vraag hem hoe het is om op het water op te treden. ‘Deze boot is ongeveer zo groot als een voetbalveld, telt vier verdiepingen en heeft twaalfhonderd passagiers,’ zegt hij. ‘De eerste paar keer was ik me voortdurend bewust van de rivier, maar nu zie ik die niet eens meer, tenzij ik heel goed kijk.’ Steve heeft meer dan zesduizend keer aan boord opgetreden. Ik vraag of hij ooit een vuurmierenvlot op de Cumberland heeft gezien. Nee – wel wasberen en zeearenden en eenden, maar geen mieren.

Maar Steve’s voluptueuze zangeres Jennifer Bruce weet alles van de mieren. ‘Ze zitten in mijn achtertuin!’ roept ze uit. ‘Volgens mij zit daar een hele kolonie.’ Opgewekt maak ik aantekeningen. Dit absurde reisje heeft uiteindelijk misschien toch nut. Want terwijl ik mijn tijd verdoe door op de General Jackson te praten met de rivierboot-musici, heeft een angstaanjagende kolonie vuurmieren in allerijl een reusachtige mierenhoop gemaakt in mijn achtertuin in New Orleans. Net op het moment dat ik weerzin begin te voelen jegens mijn eigen soort en met een bijna milde blik naar de mieren kijk, word ook ik gedwongen me te ontpoppen tot een koelbloedige insectendoder. Het is eigenlijk wel triest dat de mieren en wij gedoemd zijn elkaar te bestrijden met onze respectievelijke wapens.

Nautilus – Justin Nobel

Nautilus
Verenigde Staten | maandblad + website | nautil.us

Begonnen als onlineweekblad, verschijnt Nautilus sinds september 2013 ook op papier. Het prachtige blad wil berichten over de ‘oneindige raakvlakken’ tussen de wetenschap en ons dagelijks leven. Elke maand komt een ander thema aan bod in reportages en analyses.

Dit artikel van Justin Nobel verscheen eerder in Nautilus.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!

En ontvang wekelijks het beste uit de internationale pers in uw mailbox.