• The Economist
  • Economie
  • Olie en wanbeleid in Zuid-Amerika

Olie en wanbeleid in Zuid-Amerika

The Economist | Londen | 21 augustus 2019

De energie-industrie zet zich schrap voor een roerige toekomst, behalve Zuid-Amerikaanse staatsoliebedrijven, die blijven in het verleden hangen.

Olie, hoor je vaak, kan een land zowel rijkdom als narigheid brengen. In Venezuela, volgens sommige maatstaven het land met de grootste oliereserves, is het al een tijdlang vooral narigheid. Petróleos de Venezuela (PDVSA) zag zijn productie pieken in 1998, toen Hugo Chávez tot president werd gekozen. In de jaren die volgden joegen de linkse volkstribuun en zijn autoritaire opvolger Nicolás Maduro de internationale partners tegen zich in het harnas en plunderden de kas.

Een grootscheeps Amerikaans onderzoek naar omkoping binnen het bedrijf heeft tot dusver meer dan twintig mensen in staat van beschuldiging gesteld. Sinds januari, toen de Verenigde Staten zware sancties tegen PDVSA aankondigden, is de productie gedaald tot het laagste niveau per inwoner sinds circa 1920. Ondertussen lijden miljoenen Venezolanen onder een gebrek aan voedsel en basismedicijnen.

Een overzicht van de door de staat gecontroleerde energiereuzen in Zuid-Amerika, die goed zijn voor 10 procent van de wereldwijde olieproductie en 20 procent van de aantoonbare reserves, laat zien dat het wanbeleid zich niet beperkt tot Venezuela. Vijf jaar na het instorten van de olieprijs blijft de productie in een groot deel van de regio ondermaats, al moet worden gezegd dat de industrie met een ongeëvenaarde ontwrichting wordt geconfronteerd. Bezorgdheid over CO2-emissies en de opkomst van elektrische auto’s betekenen dat zorgen over maximale levering inmiddels zijn vervangen door zorgen over maximale vraag.

Drie problemen

Zo’n 90 procent van de wereldwijde olie- en gasreserves is in staatshanden. Daar wordt op verschillende manieren mee omgegaan, zoals Zuid-Amerika laat zien. In Guyana, de jongste oliestaat in de regio, nadert de productie een hoogtepunt na de ontdekking in 2015 door ExxonMobil, maar het land moet nog een eigen oliemaatschappij in het leven roepen. Het Mexicaanse Pemex, daarentegen, werd al in 1938 opgericht als een monopolistisch staatsbedrijf.

Andere landen kennen zowel staats-bedrijven als particuliere, die vaak een ongemakkelijke verhouding met elkaar hebben. De Braziliaanse staatsgigant Petrobras gaf in 2000 aandelen uit in de VS. Zijn Argentijnse en Colombiaanse tegenhangers hebben ook particuliere minderheidsaandeelhouders. In Ecuador is meer dan 80 procent van de olieproductie in staatshanden. Perupetro, het Peruaanse staatsbedrijf, houdt toezicht op de exploratie en productie door particuliere bedrijven.

Venezuela, dat zijn oliesector in de jaren negentig heeft opengesteld, maakte in 2006 bekend dat PDVSA een meerderheidsaandeel zou nemen in de olievelden die door buitenlandse bedrijven werden geëxploiteerd. Onder meer BP en Chevron gingen akkoord; ExxonMobil en ConocoPhillips haakten af.

© Paul Blow
© Paul Blow

Ondanks hun verschillende rechts-vormen hebben de meeste Zuid-Amerikaanse oliereuzen drie gemeenschappelijke problemen. Het eerste is de slechte besteding van inkomsten in tijden van voorspoed, zoals het storten van te veel geld in de staatskas en te weinig in investeringen voor toekomstige groei. In 2013, toen de olieprijs een hoogtepunt van 100 dollar per vat bereikte, maakte Pemex ongeveer de helft van zijn inkomsten over aan de Mexicaanse regering.

Ondanks de prijsstijging van ruwe olie zag Petrobras zijn aandelenkoers dalen, omdat het zich te veel in de schulden stak en te veel geld investeerde in marginale projecten. Toen de olieprijs kelderde, waren de Zuid-Amerikaanse oliemaatschappijen volgens gegevens van de denktank Natural Resource Governance Institute langetermijnverplichtingen aangegaan ter waarde van 400 miljard dollar, oftewel 8,5 procent van het gecombineerde bnp van hun respectievelijke landen. Petrobras was goed voor bijna de helft daarvan.

Persoonlijk spaarvarken

Sommige politici en leidinggevenden gebruikten de bedrijven ook als persoonlijk spaarvarken, het tweede gemeenschappelijke probleem. Corruptieschandalen teisterden Petrobras, Petroecuador, Pemex en PDVSA. Vooral Petrobras maakte een duikvlucht, toen bekend werd dat aannemers Braziliaanse politici miljarden dollars aan smeergeld betaalden in ruil voor contracten voor de bouw van raffinaderijen en andere infrastructuur.

Dit, gecombineerd met de torenhoge schulden, leidde ertoe dat kredietbeoordelaars Petrobras in 2015 de junkstatus gaven. Tussen augustus 2014 en februari 2016 kromp de beurswaarde van het bedrijf met 80 procent, oftewel 115 miljard dollar. Slechts een klein deel daarvan kwam voor rekening van de instortende olieprijs; de beurswaarde van ExxonMobil daalde in diezelfde periode met 18 procent.

Er zijn tekenen dat in Brazilië en elders de rotzooi wordt opgeruimd. Diverse leidinggevenden van Petrobras en talloze Braziliaanse politici zijn vervolgd vanwege de ‘Petrolão-affaire’, een groot omkoopschandaal. Op 5 juli jl. verklaarden Mexicaanse autoriteiten dat ze een arrestatiebevel hadden uitgevaardigd tegen Emilio Lozoya, die van 2012 tot 2016 leidinggaf aan Pemex (en het land is ontvlucht). Terwijl Lenín Moreno, de president van Ecuador, de smeerboel opdweilt bij Petroecuador, blijven vanuit de VS aanklachten komen tegen het bedrijf vanwege omkoping ten tijde van het bewind van zijn voorganger Rafael Correa.

Politieke grillen

Maar bedrijven blijven gevoelig voor politieke grillen, de derde en lastigste uitdaging. Te beginnen met Petrobras. Vorig jaar toonde het bedrijf zich na een schikking bereid 2,95 miljard dollar uit te keren aan Amerikaanse minderheidsaandeelhouders. Pedro Parente, die in 2016 bestuursvoorzitter werd, hervormde het prijsbeleid en voerde de productie op van enorme onderzeese bronnen die onder duizenden meters zand liggen begraven.

Toch voerde de regering vorig jaar weer brandstofsubsidies in om boze vrachtwagenchauffeurs zoet te houden. Pedro Parente nam ontslag en de aandelen Petrobras kregen een klap. Jair Bolsonaro, de nieuwe president van Brazilië, benoemde Roberto Castello Branco, een gewaardeerd econoom die vastbesloten leek het marktvriendelijke beleid van Parente voort te zetten.

Maar toen hij jongstleden april werd geconfronteerd met het risico van een nieuwe staking, vroeg Bolsonaro Branco plannen voor een dieselprijsverhoging met 5,7 procent te schrappen. De aandelenkoers van Petrobras, die sinds het dieptepunt in 2016 was verzesvoudigd, wankelde. De regering haastte zich de markt te kalmeren en kondigde de veiling aan van diverse raffinaderijen, evenals een prijsverhoging die maar weinig lager was dan gepland. Maar investeerders zijn geschrokken. ‘Je verkoopt nog geen schroef van een raffinaderij als de markt er geen vertrouwen in heeft dat er geen overheidsbemoeienis komt,’ aldus een plaatselijke olieveteraan.

“Je verkoopt nog geen schroef van een raffinaderij als de markt er geen vertrouwen in heeft”

De situatie in Mexico, de tweede regionale olieproducent, lijkt nog slechter. Pemex is een symbool van soevereiniteit en nationale trots sinds de nationalisatie van de olievelden in 1938. Toen Mexico in de jaren zeventig voor zijn kust het gigantische Cantarell-veld ontdekte, verklaarde toenmalig president José López Portillo dat Mexico enkel ‘de overvloed in goede banen moest leiden’. In plaats daarvan leidde het tot zelfgenoegzaamheid en daalden de investeringen. Vorig jaar produceerde het veld tachtigduizend vaten per dag, tegen twee miljoen in 2014.

Wat de zaak nog compliceert, is dat Pemex jarenlang geld heeft geleend om zijn belastingen te kunnen betalen. Het heeft Petrobras inmiddels ingehaald als oliemaatschappij met de hoogste schuldenlast ter wereld, die 15 procent van het Mexicaanse bnp bedraagt. Pemex wordt nu geleid door een politieke bondgenoot van Andrés Manuel López Obrador, de populistische president van Mexico. Het bedrijf had buitenlandse partners gezocht om de productie op te voeren, maar López Obrador heeft toekomstige veilingen van exploratiesites in de ijskast gezet. Omdat hij de afhankelijkheid van Amerikaanse brandstofimporten wil verminderen, is hij van plan voor 8 miljard dollar (of meer) een raffinaderij te bouwen in zijn thuisstaat Tabasco.

López Obradors minister van Financiën heeft kortgeleden ontslag genomen, schijnbaar mede omdat hij het niet eens was met de Pemex-strategie van de president. Verdere plannen voor het bedrijf worden deze week verwacht. Fitch denkt dat de belasting gehalveerd zou moeten worden om het bedrijf in staat te stellen te investeren of zijn schuld af te lossen. Het plan van de president om de huidige ruweolieproductie van 1,7 miljoen vaten per dag tegen 2024 met 50 procent te hebben opgevoerd, lijkt een hersenschim.

Ook de ervaringen van andere Zuid-Amerikaanse staatsoliebedrijven zijn leerzaam. In Argentinië heeft de olie-industrie fikse schade opgelopen doordat de toenmalige president Cristina Fernández de Kirchner in 2012 besloot 51 procent van energiemaatschappij YPF te renationaliseren, nadat het negentien jaar eerder was geprivatiseerd. Mauricio Macri, haar marktvriendelijke opvolger, heeft het makkelijker gemaakt voor buitenlandse bedrijven om in het land te investeren.

Terwijl het concurreert met rivalen overzee en daar af en toe partnerschappen mee aangaat, begint YPF eindelijk de rijke schalievoorraden in de Vaca Muerta-formatie in het noorden van Patagonië te exploiteren. Maar uitgedrukt in dollars is de aandelenkoers van het bedrijf 80 procent lager dan op het hoogtepunt in 2005.

In sommige opzichten is Colombia het enige lichtpuntje in de regio. Álvaro Uribe, president van 2002 tot 2010, maakte een begin met de herstructurering van Ecopetrol. Zijn veranderingen impliceerden de aanstelling van een onafhankelijke toezichthouder en het uitgeven van 11 procent extra Ecopetrol-aandelen. Na de daling van de olieprijzen eind 2014 sneed Ecopetrol in de uitgaven. Toen de prijs weer steeg, stegen de uitgaven mee, maar langzamer dan in Mexico. Maar de reserves van Ecopetrol nemen af. Om ze op te voeren gaat het bedrijf partnerschappen aan met internationale oliereuzen en steekt het 500 miljoen dollar in fracken.

Wie zich zorgen maakt over klimaatverandering, zou kunnen aanvoeren dat de staatsbedrijven in de regio meer geld zouden moeten steken in schonere energie. Concurrenten elders op de wereld zetten aarzelende stappen in die richting. Het Noorse Statoil heeft zichzelf heruitgevonden als Equinor en richt zich niet alleen meer op olieprojecten maar ook op windparken. Maar de Zuid-Amerikaanse olieboeren zijn nog te veel bezig met oude uitdagingen om deze nieuwe aan te gaan.

The Economist
Verenigd Koninkrijk | weekblad | oplage 1.337.180

Sinds jaar en dag de bijbel voor iedereen die zich interesseert voor internationaal nieuws. Liberaal, niet te verwarren met conservatief.

Dit artikel van verscheen eerder in The Economist.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

360 is jarig en trakteert!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief en krijg 3 maanden gratis toegang tot 360 online.