• Reader
  • Plexiglas

Plexiglas

| 07 januari 2021

De wereldwijde vraag naar plexiglas is booming. Doorzichtige barrières stellen ons in staat naar ‘een schijnbaar vertrouwd dagelijks leven’ te kijken. Ze stralen tijdelijkheid uit, zoals een opgestoken paraplu, en schijnbare veiligheid, al decennialang.

Schoolkinderen buigen zich in plexiglazen hokjes over leerboeken. Receptionisten begroeten patiënten van achter acrylplaten en wijzen naar het handontsmettingsmiddel en de extra formulieren die tegenwoordig aan een doktersbezoek vooraf moeten gaan. Plastic schermen scheiden ons van kassamedewerkers die onze boodschappen scannen, van stellen die naast ons zitten te eten op het caféterras en van weekendkrijgers die zich naast ons afbeulen op crosstrainers in de sportschool. (Dat wil zeggen, als sportscholen überhaupt open zijn.) Zelfs de dealer aan de baccarattafel zit achter een doorzichtige afscheiding.

Christophe Gernigon ontwierp plexiglasschermen die goed te gebruiken zijn in restaurants. – © Christophe Gernigon
Christophe Gernigon ontwierp plexiglasschermen die goed te gebruiken zijn in restaurants. – © Christophe Gernigon

Toen begin september de rechtszaken werden hervat in Greenbelt in de staat Maryland, was de rechtszaal in de woorden van The Washington Post in een ‘labyrint van plexiglas’ veranderd, waar wanden binnen andere wanden OM van verdediging scheidden, advocaten van cliënten, getuigen van juryleden en de rechter van iedereen. Sprekers droegen plastic gezichtsmaskers zodat de aanwezigen hun gezichtsuitdrukkingen konden zien en hun lippen konden lezen.

Veiligheidsarchitectuur

Een vergelijkbare vorm van veiligheidsarchitectuur was te zien tijdens het vicepresidentiële debat, waar plexiglasschermen in de vorm van palladiaanse vensters Kamala Harris en Mike Pence van elkaar scheidden. Hoewel Pence in contact was geweest met ambtenaren die kort tevoren nog positief op covid-19 hadden getest, nam zijn team Harris’ verzoek om veiligheidsmaatregelen niet al te serieus. Diverse epidemiologen vonden de schermen ook lachwekkend, omdat ze niet hoog genoeg waren om overdracht via de lucht te verhinderen (ventilatie is belangrijker dan fysieke barrières). Wanneer de camera’s tijdens het debat op een van beide kandidaten focusten, werd het meesmuilende of grimassen trekkende gezicht van zijn of haar tegenstander in het plexiglas weerspiegeld; en die reflecties kwamen weer door op de elektronische schermen van de kijkers, in een wereld van retorische projectie en vervorming. Om een opiniestuk in The Washington Post te citeren: ‘Je kunt de barrières van plexiglas symbolisch noemen voor de manier waarop de roekeloosheid en incompetentie van deze regering ons van elkaar gescheiden heeft. Ze beschermen misschien niemand, maar ze laten ons nooit vergeten wat Trump het land heeft aangedaan.’

Sinds half maart, toen de Wereld-gezondheidsorganisatie het gebruik van zulke barrières aanbeval om te voorkomen dat het nieuwe corona-virus zich verspreidde via aerosolen – en om de schaarste aan persoonlijke beschermingsmiddelen te compenseren – is de vraag naar plexiglas razendsnel toegenomen. De markt groeide al enkele jaren gestaag, vooral dankzij het gebruik van plexiglas in de bouw en toepassingen in de detailhandel, voor informatieborden en displays. Maar Craig Saunders, voorzitter van de International Association of Plastics Distribution, zei afgelopen juli op de Amerikaanse radio dat ‘de wereldwijde vraag in één etmaal was verviervoudigd ten opzichte van vorig jaar’. Fabrikanten hadden grote moeite de vraag bij te benen en klanten werden met maandenlange wachttijden geconfronteerd. Tegelijkertijd realiseerden leveranciers zich dat de hausse maar tijdelijk zou zijn; anders dan mondkapjes en rubber handschoenen zijn schermen van plexiglas duurzame producten. Bovendien kan, zelfs als de crisis voorbijgaat en de schermen worden verwijderd, plexiglas anders dan veel andere plasticsoorten tot nieuwe plexiglasproducten worden gerecycled.

Nepomhulsels

De nieuwe beschermingsarchitectuur die in allerijl in de door de mens gebouwde omgeving is geïnstalleerd, streeft ernaar ons veilig en zuiver te houden. Dat doet ze niet door zich op de virusoverdracht te richten door middel van een vaccin of het creëren van sociale afstand (en nog veel minder door een herwaardering van de relaties tussen mensen, dieren, habitatverlies en milieugezondheid), maar eerder door de covid-19-wereld onbewoonbaar te maken door middel van minimale, nauwelijks zichtbare inbreuken op onze vertrouwde levenssfeer. Antiviraal plexiglas wordt toegepast om redenen van preventie en conservatie, een middel om de sociale en biologische orde te bewaren, die op haar beurt epidemiologische en economische veerkracht belooft. Maar de schermen en kappen van plexiglas zijn weinig meer dan de architectonische equivalenten van hydroxychloroquine, keurig in capsules en medicijnflesjes verpakte onzin, provisorische nepomhulsels, zodat we kunnen blijven werken en consumeren en doen alsof de sociale ruimte niet langs zijn langdurig verdiepte breuklijnen is opengespleten; alsof de werknemer aan gene zijde van het scherm daar niet de godganse dag gevaar loopt. Deze doorzichtige barrières stellen ons in staat naar een schijnbaar vertrouwd dagelijks leven te kijken en de noodzaak van aanpassingen voor de lange termijn te ontkennen. Ze zijn een tijdelijke voorziening, zoals een paraplu, die kan worden opgeborgen als de zon weer gaat schijnen.

Glas is een culturele spiegel, en plexiglas is dat ook

Plexiglas, of liever gezegd Plexiglas®, is een van de verschillende merknamen voor acrylaat, steno voor polymethylmethacrylaat, een thermoplastische stof die bij hoge temperaturen plooibaar is maar hard wordt bij afkoeling. Het transparante, breuk- en slagvaste lichtgewichtmateriaal wordt gemaakt van aardgas en is eind jaren dertig van de vorige eeuw ontwikkeld als veiligheidsglas voor auto’s, een alternatief voor glas op basis van siliciumdioxide. De Duitse scheikundigen Otto Röhm en Walter Bauer registreerden een versie onder de merknaam Plexiglas® acrylaat; de Britse scheikundigen Rowland Hill en John Crawford van Imperial Chemical registreerden hun product onder de naam Perspex; en het Amerikaanse E.I. du Pont de Nemours and Company introduceerde Pontalite, later omgedoopt tot Lucite. Acrylaat bleek nuttig voor tal van oorlogstoepassingen, waaronder periscopen voor onderzeeërs, ramen en cockpits voor vliegtuigen en geschutskoepels.

Bovendien bleek acrylaat na de oorlog geschikt voor vele commerciële doeleinden: kogelvrij ‘glas’, ‘glas’ voor inlijstwerk, wanden voor ijshockeyvelden, aquariumwanden, niesschermen voor saladebars, chirurgische instrumenten, tochtdeuren, verf, sieraden, kunstgebitten en huishoudelijke artikelen met opwindende vouwen en welvingen. Acrylstaven werden ‘kristallen’ kandelaars en handdoekrekken en standaards voor schaalmodellen. Acrylbuizen werden omgebogen tot verkoopdisplays, decoratief meubilair en snackbarautomaten.

Net glas

Dankzij zijn helderheid en vervormbaarheid is plexiglas net glas, maar dan beter: minder spiegelend en (iets) meer lichtdoorlatend. Glas faciliteert het zicht terwijl het geluid, geur en aanraking tegenhoudt; het creëert continuïteit tussen binnen- en buitenkanten. De architectonische toepassingen hebben het moderne materiële en zintuiglijke universum opnieuw ingericht. Zoals architect Annette Fierro uitlegt, heeft glas tot nieuwe soorten gebouwen geïnspireerd – van de Parijse winkelgalerijen tot International Style-torens – en blijft het tegengestelde betekenissen uitdragen: gewicht en gewichtloosheid, aanwezigheid en afwezigheid, plooibaarheid en breekbaarheid. De lichtdoorlatendheid ervan, en daarmee de geschiktheid als omhulsel of drager van verlichting, suggereert orde en controle, terwijl de reflexiviteit ‘zowel psychoanalytische als filosofische vragen absorbeert die door de spiegel worden opgeworpen’.

Ook kan plexiglas de symbolische kracht van de spiegel versterken, zoals door het vangen van de gezichtsuitdrukkingen van Harris en Pence. Afhankelijk van de productiewijze kan het krasbestendiger zijn dan glas, wat betekent dat het onder ideale omstandigheden nog minder visuele aandacht op zichzelf zal vestigen als barrière of medium. Door het lichtere gewicht en de grotere duurzaamheid kan plexiglas zonder omvangrijke omlijsting worden geplaatst, bijvoorbeeld op een toonbank of schooltafeltje. Veel smetteloos viruspreventiemateriaal op polymeerbasis streeft er zelfs naar om te verdwijnen en voornamelijk aanwezig te blijven als buffer tegen geluid of het circuleren van aerosolen. Tegelijkertijd moeten deze doorzichtige wanden een geruststellende werking hebben als symbolen van veiligheid en sociale betrokkenheid. Glas is een culturele spiegel, en plexiglas is dat ook.

Verder is het ook van symbolische waarde dat plexiglas plastic is. Plastic staat tenslotte nog meer bekend om zijn plooibaarheid dan glas. Bovendien heeft het steeds meer een aura van kunstmatigheid gekregen. In het bedrijfsblad van DuPont werd in 1938 betoogd dat plastics meer waren dan alleen een vervanging voor natuurlijke materialen; ze waren ontworpen ‘door de mens volgens zijn eigen specificaties’, in nieuwe vormen en texturen en met levendige kleuren.

Halverwege de vorige eeuw leek het erop, zoals Roland Barthes schreef in zijn Mythologieën (1957), dat ‘de hele wereld geplastificeerd kan worden’. Barthes beschrijft plastic als ‘meer dan een substantie’; plastic, zo schrijft hij, symboliseert ‘het idee van zijn oneindige transformatie’ en ‘snel veranderende kunstvormen’. Zoals historicus Jeffrey Meikle opmerkte, gaf het nieuwe polymerische universum tijdens het interbellum ook vorm aan verstrekkende ideologieën. Plastic werd in brede kring beschouwd als een ‘opstap naar gecontroleerde sociale stabiliteit. Goedkope plastics (…) zouden tot een ware democratisering van de samenleving leiden doordat ze een einde maakten aan de door schaarste ontketende strijd en die zouden vervangen door universele materiële overvloed.’ Daarna, na de oorlog, werd plastic gezien als een ‘middel om veranderingen en continue transcendentie teweeg te brengen’. We zien deze oriëntaties samenkomen in het antivirale plexiglas, dat dient om de sociale en economische orde te handhaven en tegelijkertijd epidemiologische transcendentie belooft.

Plastic werelden

Ontwerpers in het naoorlogse tijdperk creëerden inderdaad nieuwe plastic werelden als prototype. Neem de Necklace Domes (1949) van Buckminster Fuller, koepels gemaakt van canvas-, vinyl- of acrylpanelen; het van glasvezel vervaardigde House of the Future (1956) van Alison en Peter Smithson, het Monsanto House (1957) van Marvin Goody en Richard Hamilton in Disneyland, eveneens opgetrokken uit glasvezel, en de opblaasbare architectonische experimenten en hygiënische ‘bubbels’ uit de jaren zestig en zeventig. Lydia Kallipoliti omschrijft dergelijke projecten als ‘gesloten werelden’, kunstmatige omgevingen die een scala van motieven en fantasieën realiseren, zowel utopisch als dystopisch: ‘van militaire ideeën om de soevereiniteit van de mensheid op nieuwe, niet in kaart gebrachte grondgebieden te garanderen tot alternatieve manieren om een autonoom stadsleven te leiden, nostalgie naar de Amerikaanse pionierscultuur, en ecologisch toerisme en milieukapitalisme’. Het project van de Smithsons, legt Beatriz Colomina uit, was een ‘koppig verzet tegen de gevaarlijke buitenwereld’, met luchtsluizen en airconditioning die giftige stoffen op afstand moesten houden.

De opblaasbare Clean Air Pod (1970) van Ant Farm probeerde ondertussen de aandacht op luchtvervuiling te vestigen door mensen in een plastic bubbel uit te nodigen waar ze op hun gemak konden ademhalen. We zien zulke opvouwbare en opblaasbare vormen terug in de pvc-tenten die nu op stadstrottoirs worden neergekwakt, waar ze een afgesloten micro-omgeving creëren waarin buiten kan worden gedineerd in de wintermaanden (en die tegelijkertijd publieke ruimte in-nemen voor particulier gewin).

Cultuurtheoreticus Heather Davis stelt dat ‘plastic het beste als afdichting fungeert (…) en ook in de behoefte aan ondoordringbaarheid voorziet, zodat de discretie van voorwerpen, lichamen en persoonlijkheden verzekerd is en categorieën’ – gezond en ziek, vriend en vijand, binnen en buiten – ‘zich niet hoeven te mengen’. Met andere woorden, plastic is altijd synoniem geweest voor een aanzienlijke mate van hybris. Vooral plexiglas beloofde al in een vroeg stadium kogels te weren en levens te redden; nu wordt het, zoals al decennialang gebeurt, gebruikt om immuniteitszones te creëren. Maar in de sociale acrylarchitectuur wordt bescherming beloofd door middel van doorlatende beschermende afdichtingen. Anders dan bijvoorbeeld huishoudfolie of een Tupperwaredeksel (of de luchtbel-achtige koepel van een gevechtsvliegtuig) wordt plexiglas in de dagelijkse stedelijke omgeving geplaatst om zuiverheid en veiligheid te cultiveren door middel van doorlaatbare verbindingen.

Vertrouwen

Van oudsher worden in schermen van plexiglas dikwijls openingen aangebracht: vensters, gleuven of luiken waardoor klanten creditcards of pakjes kunnen aanreiken. Deze gecontroleerde openingen hebben specifieke bedieningsprotocollen en lichaamshoudingen nodig gemaakt: hoe ver moeten we onze hand erin steken? Kunnen onze vingers elkaar aanraken? Zulke inschattingen worden extra belangrijk tijdens de pandemie. ‘Tijdens de lockdown,’ legt Kallipoliti uit, ‘zijn we ons voor het eerst op een zeer heftige manier bewust van ons lichaam in de ruimte: van ons lichaam ten opzichte van andere lichamen, ten opzichte van voorwerpen die door vreemde handen zijn aangeraakt. (…) De angst voor een inbreuk’ – een schending van de codes voor het gebruik van de opening – ‘is een levendige illustratie van de poreusheid van ons lichaam en geeft een nieuwe weerklank aan de proxemics-theorie van Edward T. Hall’ – over de manieren waarop bevolkingsdichtheid ons ruimtegebruik beïnvloedt – ‘en aan het begrip “afstand houden”,’ aldus Kallipoliti. Dat afstand houden wordt opgelegd en geregeld door het scherm van plexiglas.

Plexiglas paart visuele toegankelijkheid aan fysieke afstand om een uitwisseling mogelijk te maken: het overhandigen van geld of goederen, het serveren van voedsel, het verifiëren van identiteit en het bevestigen van handelingen, het overbrengen van boodschappen (zij het via enigszins gedempte stemmen en wazige gezichtsuitdrukkingen).

Plexiglas paart visuele toegankelijkheid aan fysieke afstand

Dankzij de aanwezigheid van plexiglas kunnen we onze angst voor besmetting opschorten tijdens noodzakelijke transacties. Het vertrouwen dat het geeft, ook al is er deels sprake van ‘veiligheidstheater’, kan belangrijke culturele en economische functies dienen: het zorgt ervoor dat we kunnen blijven winkelen, uit eten gaan, naar school gaan, politieke bijeenkomsten bijwonen. Maar ook is plexiglas decennialang door Amerikanen gebruikt om sociale spanningen en burgerlijke onrust tegemoet te treden.

Gezag

Afgelopen lente, toen er in winkels en op scholen schermen en koepels begonnen te verschijnen om ons tegen rondvliegende ziektekiemen te beschermen, werden we in parken en op straathoeken met andere acrylvormen geconfronteerd, schijnbaar bedoeld om gemeenschappen tegen militante indringers te beschermen. Oproepen tot raciale gerechtigheid lokten een reactie uit van gemilitariseerde politiemensen, die vreedzaam protesterende menigten vaak bestookten met rubber kogels, traangas en anti-oproerschilden van plexiglas, zowel offensieve als defensieve wapens die demonstranten als criminelen aanmerken. Wetshandhavers staan aan de ene kant van deze barrières, wetsuitdagers aan de andere. Hier blijkt dat het plexiglazen scherm, in plaats van een wederzijdse uitwisseling te faciliteren, slechts in één richting doorlatend is, door het gezag van de ene partij over de andere mogelijk te maken.

Een soortgelijke dynamiek zien we in gevangenissen, waar opgesloten individuen hun bezoekers begroeten van achter wanden van plexiglas; de staat bepaalt wie aan welke kant van het scherm zit, en dat scherm bepaalt hoe de partijen elkaar zien en met elkaar spreken. Ook in veel stedelijke gemeenschappen speelt plexiglas al lange tijd een rol in het concretiseren van sociale grenzen. Kasbedienden, pandjesbazen en medewerkers van fastfoodrestaurants in arme buurten bedienen hun clientèle dikwijls vanuit forten van kogelwerend glas. Natuurlijk, de meeste bedrijven hanteren een strikte scheidslijn; slechts weinig banken of stomerijen of openbare nutsvoorzieningen laten cliënten toe achter de balie of toonbank. Bij de loketten voor rijvaardigheidsbewijzen, werkloosheidsuitkeringen of paspoortcontrole impliceren barrières van plexiglas bureaucratische verveling en frustratie; ze instrueren het publiek het loket met enige schroom te benaderen en zijn een voorbode van hooghartigheid en ondervraging.

Maar vooral bij kleine bedrijven in probleemwijken dient plexiglas een ander, subjectiever doel; het merkt klanten aan als verdachten. Hier steunt plexiglas niet op de macht van de staat, maar wordt het vooral aangebracht als verdediging tegen een reële of veronderstelde dreiging. Buiten de gevangenis garandeert een cel van plexiglas eigenaars en hun personeel controle en wordt een plek om zaken te doen in een ‘verdedigbare ruimte’ veranderd.

Gemilitariseerde grenzen

Volgens stedenbouwkundige Fallon Samuels Aidoo ‘hebben deze “beschermingsmiddelen” van plexiglas zich ontwikkeld tot een normale kostenpost voor het zakendoen met arme mensen’. De stedelijke onlusten aan het eind van de jaren zestig van de vorige eeuw brachten veel winkeliers en restauranthouders ertoe ‘zich te verschansen achter bunkerachtige, relbestendige gevels’. Die onlusten kwamen voornamelijk voort uit raciale conflicten en vooroordelen. ‘Zowel misdaad als angst werd expliciet met zwarten geassocieerd,’ legt geograaf Brandi Thompson Summers uit, ‘en het criminaliseren van deze mensen resulteerde in een angst voor alles wat zwart was. Het gevolg was dat er “anti-oproerarchitectuur” werd toegepast, voornamelijk in arme zwarte wijken.’

Deze historische dynamiek wordt niet alleen versterkt door bebouwde ruimten die de erfenis van het raciale beleid symboliseren, maar is ook aanwezig in de hedendaagse verbeelding. Zoals literatuurwetenschepper Caroline H. Yang beschrijft, portretteren populaire programma’s als The Wire de plexiglasarchitectuur van buurtwinkels dikwijls als gemilitariseerde grenzen tussen Aziatische winkeliers en hun zwarte clientèle, tussen een oase binnen en een oorlogsgebied buiten. Psycholoog Naa Oto A. Kwate is het daar in haar studie van de slijterij in de zwarte metropolis mee eens: ‘Klanten die een drempel moeten oversteken die op een oorlog berekend lijkt en hun transacties moeten afsluiten via kogelvrije scheidingswanden, krijgen daarmee te verstaan dat de winkel bestaat om een gevaarlijke zo niet dodelijke bevolkingsgroep geld af te troggelen.’

De barrière van plexiglas zet zulke klanten op een overzichtelijke manier te kijk; wat dat betreft is er niet veel verschil met het ‘dikke, onzichtbare maar gruwelijk tastbare vensterglas’ dat volgens W.E.B. Du Bois zwarte mensen apart zet als ‘opgesloten zielen (…) gehinderd in hun natuurlijke beweging, expressie en ontwikkeling’. Zoals Thompson Summers uitlegt, gebruikt de stad van oudsher talrijke technieken om zwarte mobiliteit te beperken: ‘rondhangverboden, meer gevangenissen en opsluitingen, meer surveillance’. Natuurlijk staan klanten van buurtwinkels technisch gesproken buiten de kooi van plexiglas. Maar die sluit ook hen op. Hoewel ze vrij zijn om de winkel in en uit te lopen en rond te kijken als ze eenmaal binnen zijn, legt het plexiglas hun vrije keus en hun mogelijkheden zowel onmiddellijke als historische, systemische obstakels in de weg.

Dat gebeurt vooral in arme gekleurde wijken, waar niet alleen de kassa door een wand van plexiglas wordt afgeschermd maar ook alle koopwaar. In zulke winkels zou de winkelier het steenkoud hebben vanwege de koeling en de hoge luchtvochtigheid die vereist zijn voor verse producten – een van de vele redenen waarom het assortiment voornamelijk bestaat uit houdbare waar: ‘ramen-noedels, conservenblikjes, snacks, frisdrank en snoep’. In steden als Baltimore verkopen zulke winkels de minste gezonde producten van de hele stad. Deze beperkingen zorgen voor ongezonde eetgewoonten en een gebrek aan zintuiglijke waarneming. Omdat ze hun aankopen niet kunnen aanraken, ruiken of inspecteren wordt klanten de mogelijkheid ontnomen empirische observaties te doen en weloverwogen keuzes te maken wat hun consumptie betreft.

Symbool

In december 2017 nam de gemeenteraad van Philadelphia een voorstel aan om het gebruik van kogelwerend glas in broodjeszaken aan banden te leggen. ‘We willen niet dat er alleen in bepaalde buurten eten via barrières van plexiglas wordt geserveerd,’ aldus gemeenteraadslid Cindy Bass. De maatregel zal pas in 2021 ingaan, maar veel winkel-eigenaars weigeren nu al eraan mee te werken. Zoals Rich Kim verklaart in The Temple News: ‘Het is niet eerlijk om te zeggen: “Hé, breek die wand waarachter je veilig bent maar af.”’ Bovendien, zegt Kim, worden vooral Aziatisch-Amerikaanse winkeliers door de verordening getroffen. Summers heeft een soortgelijke ontwikkeling waargenomen in Washington, D.C., waar Afrikaanse en Aziatische winkeliers weigerden hun veiligheidshekken en kogelwerend glas te verwijderen in het kader van de ‘revitalisering’ – lees: yuppificatie van de buurt. Voor hen staan deze beschermingsmiddelen symbool voor hun eigen veiligheid.

Plastic slaagt er niet in een invasie te voorkomen, en is zelf invasief

Zuiverheid en veiligheid zijn in de regel duidelijk waarneembaar: de aanblik van een heldere MRI-scan of een glanzende gedesinfecteerde operatiezaal; het geluid van een geactiveerd inbraakalarm; de geur van ziekte versus die van een ontsmettingsmiddel; de smaak van bedorven eten in vergelijking met de verkwikkende bitterheid van geneesmiddelen; de gewelddadige of genezende aanraking. Pas geïnstalleerd en nog smetteloos plexiglas voorziet in de visuele connectie en de fysieke scheiding die momenteel nodig zijn voor een veilig contact. De doorzichtigheid ervan impliceert immuniteit, ook al maken de onopvallendheid en doorlatendheid mensen kwetsbaar. Ondertussen zijn de plexiglazen verschansingen in buurtwinkels, Chinese afhaalrestaurants en lommerds, dikwijls bekrast en vergeeld door decennia van gebruik en misbruik, hooguit op een schimmige, onpersoonlijke, vervreemdende manier doorschijnend, terwijl ze tegelijkertijd hun absolute ondoordringbaarheid voor geluid, geur en aanraking uitstralen – met name hun bestendigheid tegen (veronderstelde) kogels en stelende handen, drankadem en rokershoest. Maar in al deze gevallen legitimeren de plastic wanden onze neiging om lichamen en waren in verdedigbare zones af te zonderen en de geografie en logica van quarantaine en opsluiting tot de dagelijkse ruimte uit te breiden.

Maar een perfecte afsluiting bestaat niet. Als reactie op de barrières van plexiglas tijdens het vicepresidentiële debat twitterde New York Times verslaggever Astead Herndon: ‘Denken ze nou echt dat die stukjes plastic het virus zullen tegenhouden?’ Recent onderzoek door de University of Pittsburgh heeft aangetoond dat aerosolen door de plexiglazen intubatieboxen heen kunnen dringen die over het hoofd en de schouders van covid-19-patiënten worden geplaatst. Openbare voorzieningen van plexiglas kunnen weliswaar grote druppels tegenhouden, maar ze zijn niet bestand tegen kleinere rondvliegende deeltjes, reden waarom in de gezondheidszorg door velen wordt gepleit voor een gelaagde benadering: gezichtsmaskers plus afstand houden plus plastic schermen en ventilatie.

Residuen

Plastic slaagt er niet in een invasie te voorkomen, en is zelf invasief. Doordat het alomtegenwoordig is, kan plastic makkelijker ons lichaam binnendringen. Er is microplastic ontdekt in menselijke organen; er zijn plastic zakken aangetroffen in de diepste geulen van de oceaan; polymeren zijn met rotsen versmolten tot nieuwe kunstmatige vormen. De fabricage van acrylvezel vergt, zoals die van de meeste plastics, het gebruik van fossiele brandstoffen en kankerverwekkende chemicaliën. Naarmate we meer plexiglazen barrières aanbrengen om onze eigen zuiverheid en veiligheid te waarborgen, verlengen we ook de gebruiksduur van plastic.

De residuen van ons plastic tijdperk zullen nog honderden jaren in het milieu achterblijven, en tegen die tijd zijn onze eigen lichamen wellicht bezweken aan een nieuwe pandemie of aan de klimaatcrises die het gevolg zijn van de plastificering en carbonisatie van onze wereld. Zolang we op zulke existentiële dreigingen reageren door ons liever achter (letterlijke en figuurlijke) schilden van plexiglas te verschuilen dan dat we systemische veranderingen doorvoeren, is het vrijwel zeker dat de microben en de milieuvervuiling waartegen we ons proberen te wapenen steeds meer verstrengeld zullen raken met het menselijk leven. In elk geval kunnen we de afbraak duidelijk waarnemen, via het scherm.

Shannon Mattern

Places Journal
Verenigde Staten | website | placesjournal.org

Betrouwbare bron voor wie geïnteresseerd is in architectuur, landschap en urbanisme.

Dit artikel van verscheen eerder in
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

360 is jarig en trakteert!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief en krijg 3 maanden gratis toegang tot 360 online.